Door: Rashied Soebratie
In de naam van Allah, de Barmhartige, de Genadevolle.

Kitab At-Tabaqat Al-Kabir
Abu' Abd Allah Muhammad Ibn Sa'd Ibn Mani Al-Zuhri Al-Basri
 

English Translation by: S. Moinul Haq / H.K. Ghazanfar

Press: Kitab Bhavan (India)

ISBN: 81-7151-127-9 (Set of 2 Volumes)

Inleiding:

Hierbij presenteer ik hoogte punten uit Kitab At-Tabaqat Al-Kabir van Imam Ibn Sa’d. Het is na Sirat Ar-Rasul Allah van Ibn Ishaq, een biografie van de profeet Mohammed v.z.m.h. met gedetailleerde informatie. Een aanvullend informatie die door de meeste geleerden worden gebruikt in hun eigen werken. De meeste overleveringen komen ook overeen met de zes canonieke Ahadith verzamelingen in de Islam. Echter, ook hier komen wij tegenstrijdigheden tegen. Ook zwakke overleveringen komen hierin voor. Deze werden kritisch beredeneerd door Imam Ibn Kathir in zijn werk: Al-Sirah An-Nabawiyyah.

De in tussen haakjes vet gedrukte letters zijn echter van mij, zodat er meer duidelijkheid ontstaat.  In de nederlandse vertaling heb ik getracht om hedendaagse termen te gebruiken.

Hoogte punten:

Pag. 111, vol.1:

Ibn Abbas heeft overgeleverd: …Amina bint Wahb zei:…[toen de profeet werd geboren].. hij rees zijn hoofd ten hemel en er kwam licht met hem die de kastelen van Syrië en haar markten verlichtte, totdat ik de nekken van de kamelen in Busrah [Iraq] zag.

Pag.112, vol. 1:

Ibn Abbas op autoriteit van zijn vader Abbas ibn Abd Al-Muttalib: De profeet werd besneden en zonder navelstreng geboren.

[De twee bovenstaande Ahadith zijn al bekritiseerd door Imam Ibn Kathir in zijn: Al-sirah An-Nabawiyyah]

Pag. 125, vol. 1:

Overgeleverd door Ishaq ibn Abd Allah: …de pleegbroer van de profeet vroeg aan hem: Zal er een profeet komen? De profeet zei: Bij wiens Handen mijn leven van afhangt! Ik zal jouw handen vasthouden op de dag der Opstanding en ik zal zeker jou herkennen.

[Hier was de profeet een kleine jongen, hoe kon hij de toekomst kennen?]

Pag. 121, vol. 1:

Halima bint Abd Allah ibn Al-Harith ibn Shijnah was pleegzorgmoeder van de profeet. Maar zij was niet de enige. Voor haar was er nog anderen. Alleen bij Halima bleef de profeet als kleine jongen een paar jaren!

Pag. 129, vol. 1:

Al-Qasim: De profeet vroeg toestemming om het graf van zijn moeder Amina Bint Wahb te bezoeken en die kreeg hij. Hij vroeg om haar vergiffenis en deze werd geweigerd.

Pag. 136, vol. 1:

Sa’id ibn Al-Musayyib: Toen Abu Talib op zijn sterfbed lag, vroeg de profeet aan hem om de Shahada op te zeggen zodat hij bij Allah kon getuigen, maar Abu Jahl en Abu Umayyah zeiden: O Abu Talib! Zul jij het geloof van Abd al-Muttalib verwerpen? De profeet herhaalde zijn verzoek en Abu Talib zei: Ik (sterf) op het geloof van Abd Al-Muttalib. Na zijn dood, vroeg de profeet om zijn vergiffenis, maar Allah openbaarde 9: 113 [Het is niet gepast om voor de polytheïsten te bidden].

Pag. 149, vol. 1:

Muhammad ibn Umar: Khadijah liet haar vader drinken om dronken te worden. Daarna trouwde zij met de profeet. Toen haar vader Khuwaylid ibn Asad nuchter werd, werd hij boos om deze huwelijk. 

Is in strijd met: 

Pag. 149, vol. 1:

Muhammad ibn Umar: De vader van Khadijah, Khuwaylid ibn Asad reeds was gestorven voor “Al-Fijar” en dat alle voorgaande overleveringen vals zijn. Het was Amr ibn Asad die Khadijah ten huwelijk uitgaf.

Pag. 151, vol. 1:

Abd Al-Hamid ibn Ja’far: De heer van Alexandrie [Egypte], al-Muqawqas de Kopt, stuurde een brief naar de profeet [in het jaar 6 / 7 AH] samen met cadeaus, deze waren: mariyah; haar zuster Sirin; een ezel genaamd Ya’fur en een witte muil genaamd Duldul. De profeet vond mariyah leuk, want ze was mooi; blank en had zwarte krullen. Hij plaatste de twee dames bij Umm Sulaym bint Milhan [ de moeder van Anas ibn Malik]. Aldaar werden ze moslims en de profeet nam Mariyah als zijn slavin en had gemeenschap met haar. Ze leefde in Al-Aliyah; deze was eigendom van de profeet, daarna schonk zij een zoon aan hem die Ibrahim werd genoemd.

Pag. 152, vol. 1:

Vervolg van pag. 151: De Overige vrouwen van de profeet werden jaloers op haar, omdat zij een zoon schonk aan de profeet.

Pag. 152, vol. 1:

Abu Ja’far: Door de jaloezie, bleef de profeet weg van Mariyah, allen waren jaloers, maar niet zoals ‘Aisha.

Pag. 152, vol. 1:

Muhammad ibn Umar: Mariyah schonk hem [Ibrahim] aan de profeet in dhul-Hijjah 8 AH [maart 630 AC].

Pag 159, vol. 1:

Ismail al-Suddi: Ik vroeg aan Anas ibn Malik: Had de profeet gebeden over Ibrahim [toen hij strierf]?  Hij zei: Dat weet ik niet, Moge Allah’s genade op Ibrahim rusten, als hij in leven zou zijn, dan zou hij een waarachtige profeet worden. 

Is in strijd met: 

Pag. 159, vol. 1:

‘Ata ibn ‘Iljan: Anas ibn Malik zei: Zeker de profeet las vier Takbirs over zijn zoon Ibrahim. 

Pag 167, vol 1:

‘Aisha: De wens van de profeet om de Ka’bah te herbouwen was: meer uitbreiding en meer deuren.

[zie ook: Tafsir Al-Quran van Ibn Kathir]

Pag. 168-170, vol. 1:

De begin van de profeetschap begon toen Adam nog tussen ziel en lichaam was.

[Imam Ibn Kathir heeft dit uitvoerig besproken en kwam tot de conclusie dat het discutabel was in zijn boek Sirat An-Nabi]

Pag. 180, vol. 1:

Umm Ayman: Abu Talib en zijn familieleden gingen vaak naar Buwanah; een idool die aanbeden werd door Quraishieten en ze ondernamen pelgrimstochten en offerden en scheerden hun hoofden kaal en brachten een nacht door per jaar.  De profeet werd ook meegenomen, maar had afkeer van Buwanah.

Pag. 219, vol. 1:

Sufyan Al-Thawri: Ik hoorde Al-Suddi zeggen over de woorden van Allah: “Vonden Wij jou niet tussen hen en daarna jou rechtgeleid?” [94:7], dat hij de gewoonten van hun volgde jaren lang.

Pag. 237, vol. 1:

Al-Muttalib ibn Abd Allah ibn Hantab: De profeet zat met de Quraishieten bij de Ka’bah en reciteerde 53:1 totdat hij bij 53: 19-20 kwam en Satan liet hem de volgende verzen reciteren: “De goden zijn hoogverheven en hun bemiddelingen zullen geaccepteerd worden”. Op dezelfde avond kwam Gabriel naar hem toe en berispte de profeet over dat. Toen werd 17:73-75 geopenbaard ter correctie.

Pag. 244, vol. 1:

Muhammad ibn Umar: Na de dood van Abu Talib nam Abu Lahab de leiderschap van de hashimieten over en vroeg aan de profeet waar Abd Al-Muttalib zich bevindt. Hij zei dat hij in de hel bevindt. En een ieder die gelooft wat Abd Al-Muttalib geloofde, zal in de hel belandden.

Pag. 259-260, vol.1:

‘Aisha en ibn Abbas: De profeet ontving [openbaringen] in de laatste tien jaar te Makkah en tien jaar in Madinah. 

Is in strijd met: 

Pag. 260, vol.1:

Een man kwam naar ibn Abbas en zei: De profeet ontving openbaringen voor tien jaar in Makkah en tien jaar in madinah. Hij zei: Wie zegt dat? Openbaringen kwam neder in Makkah voor meer dan vijftien jaren. 

Is in strijd met: 

Pag. 261, vol.1:

Abu hamza  zei dat Ibn Abbas zei: De profeet bleef in Makkah voor dertien jaren, terwijl hij de openbaringen ontving.

Pag. 302, vol.1:

Muhammad ibn Umar op autoriteit van Abu Hurairah, die zei: Ik behoorde tot de Ahl-al-Suffah [zwervers] gedurende het leven van de profeet en ik viel flauw vanwege honger en lag tussen de kamers van ‘Aisha en Umm Salamah.

Pag. 421, vol. 1:

Ibn Abbas vroeg aan Ka’b al-Ahbar: Welke kwaliteiten van de profeet vind je in al-Tawrah? Hij zei: Wij vinden hem als Muhammad ibn Abd Allah. Zijn plaats van geboorte als Makkah, zijn plaats voor emigratie als Tabah en zijn soevereiniteit over Syrië, hij is niet luidruchtig in conversatie en hij neemt geen wraak voor kwaad tegen hem, maar vergeeft.

[De enige naam die voorkomt in oude testament is: Muhammadim in het boek Spreuken van Salomo] [Hier is Ka’b al-Ahbar, duidelijk een leugenaar]

Pag. 437, vol.1:

Sa’id ibn Jubayr: Ibn Abbas zei tegen mij: De beste uit deze Ummah is degene met vele vrouwen.

Pag. 441, vol. 1:

Qatadah: Aan Anas ibn Malik werd gevraagd over de manier van recitatie van de profeet. Hij zei: Het werd lang met de stem. Dit demonstreerde hij met: Bism Allah, door het lang te reciteren, Ar-Rahmaan, door het lang te reciteren en Ar-Rahiem, door het lang te reciteren.

[Zie ook: Tafsir al-Quran van Imam Ibn Kathir over Tasmiyyah in Surah al-Fatiha]

Pag. 449, vol. 1:

Umm Salamah: De profeet zond zijn slavin [om iets te doen]. Zij was te laat en daarop zei hij: Als er geen verantwoording afgelegd moest worden, zou ik jou geslagen hebben met deze tandenborstel [Miswak].

Pag. 530, vol. 1:

Bukayr ibn Al-Ashajj: Al-Aqra’ ibn Habis kwam naar de profeet en hij deed aan aderlating via de middelpunt van zijn hoofd. Hij vroeg aan hem: O zoon van Abu kabshah! Waarom doe jij aderlating?  De profeet antwoordde: O ibn Habis! Zeker, het verlicht hoofdpijn, tandpijn, slapeloosheid en ziekten. Ik twijfel of hij zei: Van psychische ziekten [Djoenoen]. Laith twijfelde hierover.

[De grootvader (moeders kant) van de profeet en zijn pleegvader werden Abu Kabshah genoemd]

Pag. 532, vol. 1:

Abu ‘Abd Allah Muhammad ibn Sa’d zei: In de overlveringe van al-Layth ibn Sa’d op autoriteit van Ja’far ibn Rabiáh, hij op autoriteit van ‘Ikrimah zei: Een persoon werd hypocriet [toen de profeet was flauw gevallen tijdens aderlating, hij begon te twijfelen aan zijn profeetschap].

Pag. 562, vol.1;

Sa’id al-Quraishi: Toen Amr ibn Sa’id ibn al-‘As uit Abysinie terug kwam naar de profeet, vroeg hij: O Amr! Wat voor ring heb je in je hand? Hij antwoordde: O Boodschapper van Allah! Het is een ring. Hij vroeg: Wat voor inscriptie heeft het? Hij antwoordde: Muhammad de Boodschapper van Allah. De profeet nam het en maakte zijn zegel ervan. Dat bleef zo totdat hij stierf. Het bleef in de hand van Abu bakr totdat hij stierf. Daarna bleef het bij Umar ibn Khattab’s handen, totdat hij stierf. Daarna droeg Uthman het. Terwijl hij toezicht hield bij de opgraving van waterbronnen voor de mensen van Madinah, deze werd genoemd “Waterbron Aris”. Hij zat op de rand en de ring viel in het water(bron). Uthman nam het vaak uit en in. De mensen zochten ernaar maar konden het niet meer vinden. 

Kitab At-Tabaqat Al-Kabir, 

Abu ‘Abd Allah Muhammad Ibn Sa’d Ibn Mani Al-Zuhri Al-Basri 

Pag. 22, vol. 2:

Umar ibn Khattab: Samen met de profeet, vochten wij twee Ghawahs, gedurende Ramadan. Deze waren de slag van Badr en de ander was de verovering van Makkah en wij gingen niet vasten!

Pag 63, vol 2:

(Abu Hamza) Anas ibn Malik: Zeker, Ri’l; Dhakwan; Usayyah en Banu Lihyan kwamen naar de profeet en zochten om zijn assistentie tegen hun eigen mensen. Hij verleende hulp aan hun met zeventig mensen uit de Ansars. Ze werden genoemd: Al-Qurra [Koran reciteurs]. Overdag sprokkelden zij brandhout en verrichten ’s-Nachts hun gebeden. Toen zij Bir Ma’unah bereikten. Werden zij verraden en vermoord. De profeet vernam dit die voor een hele maand en elke ochtend, de Qanut reciteerde en riep een vloek af op Ri’l; dhakwah; Usayyah en Banu Lihyan. Hij (Anas) zei: Daarna reciteerden wij een Quranvers voor een hele lange tijd die later werd verwijderd of was vergeten (door de mensen). Het was: “Breng voor ons de boodschap over aan onze mensen dat wij onze Heer hebben ontmoet die blij was met ons en wij waren blij met Hem”.

Pag. 80-85, vol. 2:

Op advies van Salman Al-Farsi werd een gracht gegraven rondom al-Madinah. De profeet hielp mee en deze werd in zes dagen voltooid. Tijdens opgraven, werd er vier salat gemist door de profeet en zijn metgezellen. Later werden deze ingehaald. De slaat waren: Zuhr; ‘Asr; Maghrib en ‘Isha.

Pag. 91-93, vol. 2:

Tijdens de Ghazwah [Expeditie] van Banu Qurayzah werd in bijzijnde van de profeet, zeshonderd tot zevenhonderd mannen onthoofd volgens de wet van Torah.

Pag. 131-134, vol.2:

Tijdens de Ghazwah van Khaybar gaf Zaynab Bint Al-Harith, de vrouw van Sallam ibn Mishkam, een stuk vergiftigde geiten vlees aan de profeet. De profeet gaf opdracht om haar te doden. Safiyah Bint Huyayyi werd als slavin van de profeet en zette haar daarna vrij en trouwde met haar. 

Pag. 174, vol. 2:

Sa’id ibn al-Musayyib: De profeet gaf opdracht op de dag van verovering [van al-Makkah] aan zijn volgelingen om de volgende personen te doden: ‘Abd Allah ibn Sa’d ibn Abi Sarh; Fartana ibn al-Ziba’ra en ibn Khatal.  Abu Barzah kwam en zag hem (ibn Khatal) de gordijnen van de Ka’bah vasthouden. Hij (Abu Barzah) sloeg met zijn zwaard en reet zijn buik daarmee open. Een persoon uit de al-ansar had een eed afgelegd om ibn Abi Sarh te doden als hij hem zag. Uthman [ibn ‘Affan], die de pleegbroer was van hem [ibn Abi Sarh], kwam en ging voor hem bemiddelen bij de profeet. De Ansari ging op een teken wachten van de profeet om hem te doden. Uthman bemiddelde voor hem en liet hem gaan. De profeet zei tegen de Ansari: Waarom had jij je eed niet volbracht?  Hij zei: O Boodschapper van Allah! Mijn hand was al op de handvat van mijn zwaard en ging wachten op een teken van u om hem te doden.  De profeet zei: Het is past niet bij een profeet om een teken te geven.

Pag. 247, vol. 2:

Ibn al-Musayyib en ‘Urwah ibn al-Zubayr hebben overgeleverd:  De profeet zei vaak dat de Joden van Banu Zurayq op hem de zwarte magie hadden toegepast.

Pag. 248, vol. 2:

‘Ikrimah: De profeet had degene die zwarte magie op hem had toegepast, vergeven. Na het vergeven draaide hij zijn gezicht om, telkens als hij hem zag.

Muhammad ibn Umar: Deze versie is meer betrouwbaar dan de overigen, waarin gezegd wordt dat de profeet de opdracht gaf om hem te doden.

Pag. 249-250, vol. 2:

Ibn Abbas: Een Joodse vrouw uit Khaybar bracht een stuk vergiftigde geiten vlees voor de profeet. Toen herkende hij het als zodanig dat het vergiftigd was, hij liet haar roepen en vroeg aan haar: Waarom deed je dat?  Zij antwoordde: Ik dacht, asl je een profeet bent, dan zal Allah jou hierover informeren en als je een valse profeet bent, dan heb ik de mensen verlost van jou. Toen de profeet ziek werd, paste hij aderlating op hem zelf toe. Eens ging hij naar Al-Makkah en trok de Ihram aan en hij werd ziek. Hij paste aderlating toe.

Pag. 252, vol. 2:

Ibn Abbas: Zij [de Joodse vrouw] werd overgedragen aan de familieleden van Bishr ibn al-Bara, die haar doodden. De profeet liet zich aderlaten aan de achterkant van zijn nek, vanwege dat wat hij had gegeten. Abu Hind deed de aderlating bij hem met een mes en een doorn. De profeet gaf het advies aan zijn metgezellen om hetzelfde te doen. De profeet leefde drie jaren nog, totdat hij in zijn hevige pijnen, zijn laatste adem uitblies. De profeet stierf als een martelaar.

Pag. 256, vol. 2:

‘Aisha: De ziekte die de dood van de profeet veroorzaakte, begon in de kamer van Maymunah. Hij verliet het en kwam naar mij op dezelfde dag. Ik zei: O mijn hoofd! [verondersteld wordt dat zij zelf hoofdpijn had]  Hij zei: Ik wenste dat ik nog langer kon leven zodat ik de gebeden over jou kon zeggen en jou begraven Daarop zei ik: Ik zie dat je vandaag met een andere vrouw zult trouwen. De profeet zei: Nee! Ik heb een hevig hoofdpijn! O wee voor het. Daarna keerde de profeet terug naar de kamer van Maymunah en zijn pijn nam toe. 

Pag. 276, vol. 2:

Ibn Umar: Umar [ibn Khattab] reciteerde de Takbir [als voorganger van de mensen in het gebed], toen de profeet zijn Takbir [stem] hoorde, rees hij zijn hoofd heel boos op en zei: Waar is ibn Abi Quhufa, waar is ibn Abi Quhufa? [Hiermee wordt Abu bakr bedoelt]

Pag. 277, vol 2:

Abu Sa’id al-Khudri: toen umar de Takbir reciteerde, zei de profeet: Nee! Nee! Waar is ibn Abi Quhufa? De rijen braken op en Umar deed een stap naar achteren. Wij bleven een tijdlang zo, totdat ibn Abi Quhufa verscheen en ons in het gebed voorging.

Pag. 289, vol. 2:

‘Aisha: De profeet werd door ibn Abbas en een andere man gedragen. Ubayd Allah zei: Ik informeerde aan ibn Abbas wat zij gezegd had. Hij vroeg: Weet jij wie de andere man was wiens naam niet door ‘Aisha werd genoemd? Ik zei: Nee. Ibn Abbas zei: Het was ‘Ali [ibn Abi Talib] en ‘Aisha voelt zich er niet prettig bij om zijn goede daden op te noemen.

Pag. 299, vol. 2:

Abd Allah ibn al-harith hoorde van Jundub dat hij de profeet hoorde zeggen, vijf dagen voordat hij stierf: Pas op! Degenen die voor jullie waren, veranderden de graven van heilige personen naar plaatsen van aanbiddingen. Dit moeten jullie het niet doen. Voorwaar, ik verbied jullie om dit niet te doen.

Pag. 303, vol.2:

Jabir ibn Abd Allah al-Ansari: toen de profeet hevige pijnen had, die resulteerde in zijn dood, zei hij: Breng iets om erop te schrijven voor de volgelingen, zodat zij niet verdeeld raken en niet misleid zullen worden. Er was discussie en geschreeuw aan de gang. Umar ibn Khattab sprak met de profeet. Daarrna veranderde de profeet van gedachte.

Pag. 305, vol 2:

Ubayd Allah ibn Abd Allah: Ibn Abbas zei vaak: Wee aan de onheil! Hun meningsverschillen stonden tussen de profeet en zijn schrijven aan hun [Testament].

Pag 325, vol. 2:

Al-Aswad: Er werd gevraagd aan Umm al-Muminin ‘aisha: Had de profeet een testament voor Ali achtergelaten? Zij antwoordde: Zijn hoofd was op mijn schoot, hij vroeg om een kan en urineerde [erin]. Daarna lag hij rustig op mijn schoot en ik merkte het niet op [dat hij al dood was], zo, wanneer had hij een testament gemaakt voor Ali.

[Waarom stelden dan de mensen zulke vragen?

Is in strijd met: 

Pag. 329, vol. 2:

Muhammad ibn Umar heeft overgeleverd: Sulayman ibn Dawud ibn al-Husayn had aan mij overgeleverd op autoriteit van zijn vader, hij op autoriteit van Abu Ghatafan, hij zei: Ik vroeg aan ibn Abbas: Zag jij de profeet sterven op iemands schoot? Hij antwoordde: Hij stierf terwijl hij leunde op de borst van Ali. Ik zei: Maar, Urwah heeft overgeleverd op autoriteit van ‘aisha, dat ze zei: De profeet stierf tussen mijn longen en mijn keel.  Ibn Abbas zei: Kun je dat voorstellen? Bij Allah! De profeet stierf, terwijl hij leunde op de borst van Ali en hij en mijn broer al-Fadl ibn abbas deden de bewassing van zijn lichaam. Zeker mijn vader voegde zich erbij. De profeet had aan ons bevolen om een gordijn te gebruiken voor afscherming en dat deden wij. 

Pag. 341, vol. 2:

Ubbayi ibn Abbas: Ibn Sahl heeft overgeleverd op autoriteit van zijn grootvader [Al-Abbas]: De profeet stierf op maandag. Zijn lichaam bleef op maandag en dinsdag en op woensdag werd hij begraven.

Pag. 361, vol. 2:

Musa ibn Muhammad ibn Ibrahim ibn al-Harith al-Taymi:  toen de profeet aangekleed werd en geplaatst werd, kwamen Abu Bakr en Umar en zeiden : Moge vrede op jou zijn o profeet en de genade van Allah en Zijn zegeningen op jou.    Samen met hun kwamen de Muhajirs en de Ansars. Zoveel als men paste in de kamer. Ze vormden rijen en niemand ging hen voor in het gebed [Janazah] voor hem. Daarna kwamen de vrouwen en daarna de kinderen. Toen zij allen klaar waren, gingen zij discussiëren over de plek van zijn graf.

Pag. 362, vol. 2:

Abd Allah ibn Abbas: De eersten van de mensen die Janazah hadden gelezen voor de profeet, waren Al-Abbas en de Banu Hashim. Daarna kwamen de Muhajirs en de Ansars en daarna andere mensen in groepen. Toen de mannen klaar waren, kwamen de jongens daarna in rijen en daarna de vrouwen.

Pag. 392, vol. 2:

Urwah op autoriteit van ‘Aisha: Fatimah, de dochter van de profeet kwam naar Abu Bakr om haar deel op te eisen van de nalatenschap van de profeet, die bestond uit Fadak en de oveblijfselen van Khums [een vijfde deel] van Khaybar. Abu Bakr weigerde dit op grond van een uitspraak van de profeet: Wij laten geen erfenis na, wat wij achterlaten gaat naar liefdadigheid. Voorwaar, de familieleden van Muhammad krijgen provisie vanuit dit geld.  Fatimah werd boos op Abu Bakr en verliet hem. Zij sprak niet meer met hem totdat zij stierf. Zij leefde nog voor zes maanden na de dood van de profeet.

Pag. 437, vol. 2:

Abd Allah ibn Muhammad ibn Umar ibn Ali ibn Abi Talib op autoriteit van zijn vader: Aan ali werd gevraagd hoe hij was tussen de metgezellen van de profeet en dat hij zoveel overleveringen had overgeleverd. Hij antwoordde: Omdat hij [de profeet] mij informeerde als ik het aan hem vroeg en als ik stil was, kwam hij er zelf mee.

[Hoe komt het dan dat er zo weinig overleveringen van hem in Sahih Al-Bukhari voorkomen?]

Pag. 437, vol.2:

Abd Allah: We zeiden vaak dat [Ali] ibn Abi Talib de beste jurist was onder de mensen van al-Madinah.

Pag. 438, vol. 2:

Op autoriteit van Abu Hurayrah: Umar ibn al-Khattab zei: Ali is de beste jurist onder onze mensen.

Pag. 441, vol. 2:

Ibn Abbas: [Hij] vroeg aan Abu Zabyan: Welke uit de twee lezingen [van de Quran] heb je het liefst?  Hij zei: De lezeing van Abd Allah ibn Mas’ud. Daarop zei hij (Ibn Abbas): Zeker, de Quran werd gereciteerd (door Jibrail) voor de profeet, een keer in elke Ramadan. Behalve in het jaar waarin hij zijn laatste adem uitblies, het werd twee keer gereciteerd. Toen kwam Abd Allah ibn Mas’ud naar hem (de profeet) en leerde wat geabrogreed werd of toegevoegd werd.

Pag. 443, vol 2:

Ibn Mas’ud: Ik leerde zeventig Surahs vanuit de lippen van de profeet en er is niemand die mij kan evenaren.

Shaqiq ibn Salamah: Ibn mas’ud: Ik leerde zeventig Surahs vanuit de lippen van de profeet, terwijl Zayd ibn Thabit nog heel jong was, hij had twee krullen en speelde graag met de jongens [van zijn leeftijd].

Pag. 446, vol. 2:

Abu al-Bakhtari: We benaderden Ali en vroegen aan hem om te vertellen over de metgezellen van de profeet. Hij vroeg: Welke van ze? We zeiden: Vertel iets aan ons over Abd Allah ibn Mas’ud. Hij zei: Hij vergaarde kennis over de Quran en al-Sunnah en werd perfect daarin en deze was voldoende voor hem.

Pag. 460, vol. 2:

Abd al-Rahman ibn Jubayr ibn Nufayr: Mu’awiyah zei: Voorwaar! Abu al-Darda is een van de wijze. Voorwaar! Amr ibn al-‘As is een van de wijze. Voorwaar! Ka’b al-Ahbar is een van de geleerden. [Ibn Jubayr] : Ondanks hij kennis droeg als vruchten, negeerden wij hem.

[Waarom werd hij genegeerd? Had imam ibn Taymiyyah toch nog gelijk dat Ka’b al-Ahbar een leugenaar was?]

Pag. 461, vol. 2:

Zayd ibn Thabit: De profeet zei tegen mij: Brieven komen naar mij toe en ik vind het niet prettig dat een ieder het moet lezen. Jij moet Hebreeuwse schrift leren of hij zei: Syrische schrift. Ik antwoordde: Ja.  Ik leerde het in zeventien dagen.

Pag. 462, vol. 2:

Nafi’: Umar ibn al-Khattab stelde Zaud ibn Thabit aan als een Qadi [Rechter] en zorgde  voor een vastgestelde salaris voor hem.

Pag. 467, vol. 2:

‘Aisha zei tegen Abu Hurayrah: Zeer zeker, jij overlevert veel overleveringen van de profeet die ik nooit heb gehoord. Daarop zei hij: O moeder! Ik vergaarde ze allen terwijl speigel en make-up spullen u bezig hielden en ik had zulke dingen niet die mij bezig hielden.

Pag. 468, vol. 2:

Al-Hasan: Abu Hurayrah zei: Als ik al de dingen overlever die in mij zit, zullen jullie mij mijn keel afsnijden. Al-Hasan: Hij had gelijk. Bij Allah! Als hij ons had geïnformeerd dat de moskee werd vernietigd en in brand gestoken, dan zouden de mensen hem toch niet geloven.

Pag. 479, vol. 2:

Mujalid op autoriteit van al-Sha’bi: Ibn Umar was een groot Muhaddith [Overleveraar] maar geen grote jurist. 

Pag. 486, vol. 2:

Al-Zuhri: Aan hem werd gevraagd: Van wie ontving Sa’id ibn al-Musayyib zijn kennis? Hij antwoordde: Van Zayd ibn Thabit, hij zat met Sa’d ibn Abi Waqqas, ibn Abbas en ibn Umar, hij ging naar ‘Aisha en Umm Salamah [de vrouwen van de profeet]. Hij hoorde van Uthman ibn Affan, Ali, Suhayb en van Muhammad ibn Maslamah. De grootste gedeelte van zijn overleveringen zijn afkomstig van Abu Hurayrah, omdat hij zijn schoonzoon was.

Pag. 488, vol. 2:

Malik ibn Anas [de Imam]: Umar ibn Abd al-Aziz nam nooit een beslissing zonder Sa’id ibn al-Musayyib te raadplegen.

Pag. 496, vol.2:

Abd al-Razaq zei dat Ma’mar zei: We waren verbaasd dat wij Al-Zuhri [ibn Shihab al-Zuhri] hadden overleefd, totdat Al-Walid [de Umayyah Kalief Al-Walid II, werd vermoord in 744 A.C.] werd vermoord en boeken werden beladen op beesten en er werd gezegd dat de kennis afkomstig was van Al-Zuhri. 

Einde Kitab At-Tabaqat Al-Kabir van Ibn Sa’d.

6 Ramadan 1426 / 10 oktober 2005

De woorden van Allah zijn de waarheid! Moge vrede en zegeningen rusten op onze profeet MohammadSallalahu 'alaihi wasalam.

Rashied Soebratie, een instrument van Allah, de Verhevene

Top

Terug naar Haroen`s Religie pagina