Haroen Soebratie 28-03-2015

In de naam van Allah, de Barmhartige, de Genadevolle.

Sahih Bukhari
Deel 1 Sahieh Al-Boekharie
Deel 2 Sahieh Al-Boekharie

Inhoudopgave
Voorwoord"
1. Het boek van het begin van de openbaring aan de Boodschapper van AllahBoodschapper van AllahSallalahu 'alaihi wasalam.
2. Het boek van geloof
3. Het boek van kennis
4. Het boek van ablutie [wudoe']
5. Het boek van de wassing [ghusl]
6. Het boek van menstruatie
7. Het boek van tayammum
8. Het boek van salaat [het gebed]
9. Het boek van de gebedstijden
10. Het boek van de gebedsoproep [adhaan]
11. Het boek van de hoofdstukken aangaande de beschrijving van het gebed
12. Het boek van djumu`ah [het vrijdaggebed]
13. Het boek van het angstgebed
14. Het boek van de twee `eid - feesten
15. Het boek van het witr-gebed
16. Het boek van het vragen om regen
17. Het boek van de eclips
18. Het boek van knieling tijdens Qor'aan-recitatie en de soennah hierin
19. Het boek van het verkorten van het gebed
20. Het boek van de tahadjud - gebeden
21. Het boek van het gebed in de moskee van Mekkah en Al-Madienah
22. Het boek van bezigheid tijdens het gebed
23. Het boek van vergeetachtigheid tijdens het gebed
24. Het boek van uitvaarten [djanaa'iz]
25. Het boek van zakaat
26. Het boek van zakaat-ul-fitr [verplichte zakaat die wordt afgedragen als de maand ramadhaan afloopt]
27. Het boek van de bedevaart [hadj]
28. Het boek van de kleine bedevaart [`umrah]
29. Het hoek van de muhsar [hij die verhinderd wordt om zijn hadj of 'umrah te voltooien]
30. Het boek van de sanctie op jagen en soortgelijks [tijdens gewijde staat]
31. Het boek van de verdiensten van A1-Madienah
32. Het boek van het vasten
33. Het boek van het taraawiehgebed [het gezamenlijke, vrijwillige, nachtgebed tijdens ramadhaan]
34. Het boek van i`tikaaf [zich afzonderen in de moskee voor aanbidding gedurende een bepaalde periode]
35. Het boek van verkopen
36. Het boek van voorverkoop [As-Salam = verkoop met uitgetelde levering = de afspraak om een omschreven goed uitgesteld te verkopen, terwijl de prijs terplekke wordt ontvangen]
37. Het boek van voorkeursrecht [Ash-Shuf'ah = het recht van dwangmatige aankoop voor een bestaande partner ten opzichte van een nieuwe partner tegen de prijs die hij betaald heeft]
38. Het boek van huur [Idjaarah]
39. Het boek van schuldoverdrachten [Hawaalaat (ev. Hawaalah) = het overgaan van een schuld van de ene schuldenaar naar een andere schuldenaar]
40. Het boek van machtiging / vertegenwoordiging [Wakaalah = dat een persoon een ander persoon namens zichzelf aanstelt in algemene of specifieke zin]
41. Het boek van overleveringen omtrent ploegen en verbouwen
42. Het boek van Musaaqaah [een transactie waarbij bomen volgens afspraak worden bevloeid in ruil voor een deel van de vruchten]
43. Het boek van het schulden maken, aflossen van schulden, beslaglegging en faillissement
44. Het boek van ruzies
45. Het boek van gevonden voorwerpen
46. Het boek van ongerechtigheden
47. Het boek van partnerschap
48. Het boek van onderpand
49. Het boek van vrijlating en haar verdienste

Deel 1 Sahieh Al-Boekharie

Deel 1 Inhoudsopgave

Hoofdstuk:1. Hoe het begin van de openbaring aan de Boodschapper van AllahBoodschapper van AllahSallalahu 'alaihi wasalam was en de Uitspraak van Allah (Voorwaar, Wij hebben aan jou geopenbaard net zoals Wij aan Noeh [Noach] en de profeten na hem hebben geopenbaard)

2. Het boek van geloof

Hoofdstuk: De uitspraak van de Profeet: "De islaam is op vijf [zuilen] gebouwd."
Hoofdstuk: De zaken van het geloof
Hoofdstuk: De moslim is degene voor wiens tong en hand de moslims veilig zijn
Hoofdstuk: Wiens Islaam het beste is
Hoofdstuk: Anderen voeden behoort tot de Islaam
Hoofdstuk: Onderdeel van het geloof is dat men voor zijn broeder hetzelfde wenst als voor zichzelf
Hoofdstuk: Liefde voor de Boodschapper is onderdeel van het geloof
Hoofdstuk: De zoetheid van het geloof
Hoofdstuk: Teken van het geloof is liefde voor de Ansaar
Hoofdstuk: Onderdeel van de religie is het vluchten voor beproevingen
Hoofdstuk: De uitspraak van de Profeet OE "Ik heb het meeste kennis van jullie over Allah."
Hoofdstuk: De mensen van geloof verschillen in gradatie vanwege hun daden
Hoofdstuk: Schaamte is onderdeel van het geloof
Hoofdstuk: (Maar als zij berouw tonen, de Salaat verrichten en Zakaat geven, laat hun weg dan vrij.) Soerah At-Tawbah (9):5]
Hoofdstuk: Wie zegt dat geloof het verrichten van daden is
Hoofdstuk: Als de Islaam niet met ware overtuiging is omarmd
Hoofdstuk: Ondankbaarheid aan de echtgenoot en verschillende gradaties van ongeloof
Hoofdstuk: Zondes zijn zaken van onwetendheid en degene die dat begaat is niet ongelovig, behalve door het plegen van veelgoderij
Hoofdstuk: (En als twee groepen onder de gelovigen met elkaar in een strijd verwikkeld raken, sticht dan vrede tussen hen beide) Soerah Al-Hudjuraat (49):9]
Hoofdstuk: Verschillende gradaties van onrecht
Hoofdstuk: Het teken van de hypocriet
Hoofdstuk: Het verrichten van vrijwillige gebeden tijdens de nacht van AlQadr is onderdeel van het geloof
Hoofdstuk: Djihaad is onderdeel van het geloof
Hoofdstuk: Het verrichten van de vrijwillige nachtgebeden tijdens ramadhaan
Hoofdstuk: Het vasten tijdens ramadhaan hopend op beloning is onderdeel van het geloof
Hoofdstuk: De religie is gemakkelijk
Hoofdstuk: Het gebed is onderdeel van het geloof
Hoofdstuk: De persoon van goede Islaam
Hoofdstuk: De meest geliefde religieuze daad bij Allah is de daad die volgehouden wordt
Hoofdstuk: De toename en de afname van geloof
Hoofdstuk: De zakaat is onderdeel van de Islaam
Hoofdstuk: Het volgen van een uitvaart is onderdeel van het geloof
Hoofdstuk: De moslim vreest dat zijn daden vruchteloos zullen zijn, zonder dat hij dat beseft
Hoofdstuk: Djibriel vraagt de Profeet 6 over het geloof, de Islaam en Ihsaan
Hoofdstuk: De verdienste van wie zijn religie vrijwaart
Hoofdstuk: Het afdragen van een vijfde is onderdeel van het geloof
Hoofdstuk: Dat de daden worden bepaald door de intentie
Hoofdstuk: Dat de daden worden bepaald door de intentie

3. Het boek van kennis

Hoofdstuk: De verdienste van kennis
Hoofdstuk: Wie zijn stem verheft om kennis te verkondigen
Hoofdstuk: Dat de imaam een kwestie aan zijn toehoorders voorlegt om hun kennis te testen
Hoofdstuk: Zaken voorlezen of voordragen aan een spreker
Hoofdstuk: De uitspraak van de Profeet : "Het kan zo zijn dat iemand die nieuws ontvangt het beter zal bevatten dan iemand die het heeft gehoord."
Hoofdstuk: Degene met wie Allah het goede wenst, schenkt Hij begrip in de religie
Hoofdstuk: Begrip van kennis
Hoofdstuk: De uitspraak van de Profeet : "0 Allah, onderwijs hem het Boek."
Hoofdstuk: Wanneer wordt wat gehoord is sloor een kind geaccepteerd 96 Hoofdstuk: De verdienste van wie kennis heeft en dit ook onderwijst
Hoofdstuk: Het opheffen van kennis en de verspreiding van onwetendheid
Hoofdstuk: De verdienste van kennis
Hoofdstuk: Het uitvaardigen van religieuze uitspraken terwijl men staat op een rijdier of iets anders
Hoofdstuk: Wie een vraag beantwoordt door te gebaren met zijn hand of hoofd
Hoofdstuk: Afwisselen per beurt voor kennis
Hoofdstuk: Boos worden tijdens een vermaning of onderwijs als men iets afkeurenswaardigs ziet
Hoofdstuk: Wie zijn woorden driemaal herhaalt om begrepen te worden
Hoofdstuk: Dat men zijn slavin en gezin onderwijst
Hoofdstuk: Dat de imaam de vrouwen vermaant
Hoofdstuk: Gretigheid voor [het horen van] overleveringen
Hoofdstuk: Hoe de kennis wordt weggenomen
Hoofdstuk: Of er voor vrouwen een dag moeten worden ingelast voor kennis
Hoofdstuk: Wie iets hoort en doorvraagt totdat hij het begrijpt
Hoofdstuk: Laat de aanwezige de kennis overbrengen aan de afwezige
Hoofdstuk: De zonde van wie liegt over de Profeet
Hoofdstuk: Het opschrijven van kennis
Hoofdstuk: Kennis en vermaning tijdens de nacht
Hoofdstuk: De avond met kennis doorbrengen
Hoofdstuk: Het memoriseren van kennis
Hoofdstuk: Luisteren naar de geleerden
Hoofdstuk: Wat de geleerde aanbevolen wordt als hij wordt gevraagd wie van de mensen de meeste kennis heeft
Hoofdstuk: Wie staand een zittende geleerde vraagt
Hoofdstuk: De uitspraak van Allah: (En jullie hebben slechts weinig van de kennis gekregen)
Hoofdstuk: Wie een groep mensen verkiest boven anderen niet kennis, uit angst dat zij het niet begrijpen
Hoofdstuk: Schaamte tijdens kennis 116 Hoofdstuk: Wie uit schaamte een ander aanstelt om een vraag te stellen
Hoofdstuk: Het noemen van kennis en het beantwoorden van vragen in de moskee
Hoofdstuk: Wie een vrager meer antwoorden geeft dan waar hij om zevraagd heeft

4. Het boek van ablutie [wudoe']

Hoofdstuk: Een gebed zonder reiniging wudoe'l wordt niet geaccepteerd
Ioofdstuk: De verdienste van de ablutie
Hoofdstuk: Bij twijfel verricht men geen ablutie [wudoe'] totdat hij zeker is
Hoofdstuk: Verlichting inzake de wudoe'
Hoofdstuk: Het completeren van wudoe'
Hoofdstuk: Het gezicht met beide handen wassen uit een handjevol water
Hoofdstuk: Wat men zegt bij het binnengaan van het toilet
Hoofdstuk: liet plaatsen van water bij het toilet
Hoofdstuk: Men mag zich niet tot de gebedsrichting wenden tijdens het ontlasten of het urineren
Hoofdstuk: Wie zijn behoefte doet, zittend op twee bakstenen
Hoofdstuk: Het naar buiten gaan van vrouwen voor het doen van hun behoefte
Hoofdstuk: Het reinigen van de afscheidingswegen met water
Hoofdstuk: Het meenemen van een speer en water bij het reinigen van de afscheidingswegen
Hoofdstuk: liet verbod op het reinigen van de afscheidingswegen met rechts
Hoofdstuk: liet reinigen van de afscheidingswegen met stenen
Hoofdstuk: Men mag zijn afscheidingswegen niet reinigen met dierlijke uitwerpselen
Hoofdstuk: De ledematen tijdens wudoe' n n keer wassen
Hoofdstuk: De ledematen tijdens wudoe' twee twee keer wassen
Hoofdstuk: De ledematen tijdens wudoe' drie drie keer wassen
Hoofdstuk: Het spoelen van de neus tijdens wudoe'
Hoofdstuk: De afscheidingswegen in een oneven aantal reinigen
Hoofdstuk: Het wassen van de voeten als men sandalen draagt
Hoofdstuk: Met rechts beginnen tijdens wudoe' en de wassing
Hoofdstuk: Het zoeken naar water als de tijd van het gebed aanbreekt
Hoofdstuk: Het water waarmee het haar van een mens is gewassen
Hoofdstuk: Als een hond in jullie keukengerei slurpt
Hoofdstuk: De mening dat wudoe' slechts verricht dient te worden nadat er iets uit beide afscheidingswegen is gekomen
Hoofdstuk: Een ander helpen bij het verrichten van wudoe'
Hoofdstuk. Het reciteren van de Qor'aan en dergelijke nadat de wudoe' is verbroken
Hoofdstuk: Het vegen over het hele hoofd
Hoofdstuk: Het gebruiken van wudoe'-water dat van anderen is overgebleven
Hoofdstuk: Dat een man samen met zijn vrouw wudoe' verricht
Hoofdstuk: De Profeet S goot zijn wudoe'-water over een bewusteloze persoon
Hoofdstuk: De wassing en wudoe' verrichten uit een wastobbe
Hoofdstuk: Wudoe' verrichten met een mudd water
Hoofdstuk: Vegen over leren sokken
Hoofdstuk: Als hij ze aantrekt terwijl zijn voeten rein zijn
Hoofdstuk: Wie geen wudoe' verricht na het eten van ooienvlees en gerstepap
Hoofdstuk: Wie na het eten van ooienvlees of gerstepap zijn mond spoelt en geen wudoe' verricht
Hoofdstuk: Dient men zijn mond te spoelen na het drinken van melk?
Hoofdstuk: Het verrichten van wudoe' na slaap en wie van mening is dat er geen wudoe' verricht hoeft te worden na n of twee keer indommelen of licht indutten
Hoofdstuk: Het verrichten van wudoe' zonder dat de wudoe' is verbroken
Hoofdstuk: Tot de grote zonden behoort dat men zich niet afschermt van zijn urine
Hoofdstuk: Wat is overgeleverd over het wassen van urine
Hoofdstuk: Dat de Profeet A en de mensen de bedoeen hebben gelaten
totdat hij uitgeplast was in de moskee
Hoofdstuk: Urine van een babyjongetje
Hoofdstuk: Staand en zittend urineren
Hoofdstuk: Urineren in aanwezigheid van een vriend, terwijl men afgeschermd is door een boomgaard
Hoofdstuk: Het wassen van bloed
Hoofdstuk: Het wassen en wegkrabben van sperma
Hoofdstuk: De urine van kamelen, dieren en schapen, en hun kooien
Hoofdstuk: Onreinheden die in boter of water terecht komen
Hoofdstuk: Urineren in stilstaand water
Hoofdstuk: Als op de rug van een biddende persoon vuil of een kadaver wordt gegooid, raakt zijn gebed daardoor niet ongeldig
Hoofdstuk: Spugen, snuiten en dergelijke in kleding 1 Hoofdstuk: Een vrouw die het bloed van het gezicht van haar vader wast
Hoofdstuk: siwaak
Hoofdstuk: Het geven van de siwaak aan de oudste persoon Hoofdstuk: De verdienste van wie slaapt met wudoe'

5. Het boek van de wassing [ghuslj

Hoofdstuk: Het vetlichten van wudoe' vr de wassing
Hoofdstuk: Dat een man samen met zijn vrouw de wassing verricht
Hoofdstuk: De wassing verrichten met ongeveer een saa water
Hoofdstuk: Over wie driemaal [watert over zijn hoofd giet
Hoofdstuk: Wie begint met een melkkan of parfum gebruikt voor de wassing
Hootdstuk: Als men geslachtsgemeenschap heeft gehad en dit wil herhalen
Hootdstuk: Wie zich parfumeert en de wassing verricht
Hoofdstuk: Met handen door het haar gaan tijdens de wassing
Hoofdstuk: Als men zich in de moskee herinnert dat hij zich in een situatie van seksuele onreinheid bevindt, gaat hij zo naar buiten en verricht geen tayammum
Hoofdstuk: Wie naakt de wassing verricht, terwijl hij alleen en afgezonderd
Hoofdstuk: Zich afschermen tijdens de wassing als men zich bij mensen
Hoofdstuk: Het zweet van wie zich in staat van seksuele onreinheid bevindt en dat een moslim niet onrein raakt
Hoofdstuk: Het slapengaan van iemand in staat van seksuele onreinheid als wudoe' heeft verricht
Hoofdstuk: Als de twee [besneden] geslachtsdelen elkaar raken

6. Het boek van menstruatie

Hoofdstuk: Menstruatie is voorgeschreven voor vrouwen
Hoofdstuk: Een menstruerende vrouw die het haar van haar man kamt en wast
Hoofdstuk: Een man die in de schoot van zijn vrouw reciteert, terwijl zij menstrueert
Hoofdstuk: Wie menstruatie `nifaas' noemt
Hoofdstuk: Lichamelijk contact met een menstruerende vrouw
Hoofdstuk: De menstruerende vrouw vast niet
Hoofdstuk: De i`tikaalvan een vrouw met onregelmatig vaginaal bloedverlies
Hoofdstuk: Het gebruik van parfum door een vrouw na haar wassing na de menstruatie
Floefdstuk: De vrouw dient haar lichaam schoon te wrijven nadat ze rein is geworden van menstruatie
Hoofdstuk: Een vrouw kamt haar haren als zij de wassing heeft verricht na menstruatie
Hoofdstuk: Een vrouw ontvlecht haar haren als zij de wassing verricht na menstruatie
Hoofdstuk: Een menstruerende vrouw haalt het [gemiste] gebed niet in
Hoofdstuk: Slapen meteen menstruerende vrouw die haar kleding aanheeft
Hoofdstuk: De menstruerende vrouw woont de twee 'eid-feesten bij
Hoofdstuk: Geelkleurige en troebele afscheiding buiten de menstruatieperiode
Hoofdstuk: Als een vrouw menstrueert na het verrichten van tawaaf-ulifaadah
Hoofdstuk: Bidden voor een [overleden] kraamvrouw en de Soennah daarin

7. Het boek van tayammum

Hoofdstuk: De Uitspraak van Allah : (...en jullie vinden geen water, verricht dan tayammum...)
Hoofdstuk: Het verrichten van tayammum als men niet op reis is, maar geen water treft en vreest dat de gebedstijd verloopt
Hoofdstuk: Dient degene die tayammum verricht het stof van zijn handen te blazen?
Hoofdstuk: Een moslim kan wudoe' verrichten met schone aarde, die water voor hem vervangt

8. Het boek van salaat [het gebed]

Hoofdstuk: Hoe het gebed tijdens de nachtelijke reis verplicht is gesteld
Hoofdstuk: De verplichting om het gebed gekleed te verrichten
Hoofdstuk: Gewikkeld in n kledingstuk bidden
Hoofdstuk: Als iemand in n kledingstuk bidt, laat hij dan ervan op zijn schouders leggen
Hoofdstuk: Als het gewaad strak is
Hoofdstuk: Bidden in een jubba-gewaad afkomstig uit de Levant
Hoofdstuk: Het wordt afgekeurd om naakt te zijn tijdens het gebed
Hoofdstuk: Welk gedeelte van de private delen bedekt dient te worden
Hoofdstuk: Wat betreffende het bovenbeen is overgeleverd
Hoofdstuk: In hoeveel kledingstukken een vrouw bidt
Hoofdstuk: Als men in een gemarkeerd gewaad bidt
Hoofdstuk: Als men bidt in een gewaad met kruizen of afbeeldingen erop, maakt dit zijn gebed dan ongeldig?
Hoofdstuk: Wie bidt in een zijden overmantel met cm spleet van achteren en deze vervolgens van zich af rukt
Hoofdstuk: Bidden in een rood gewaad
Hoofdstuk: Bidden op daken, preekstoelen of houten planken
Hoofdstuk: Bidden op een rieten mat
Hoofdstuk: Bidden op een bed
Hoofdstuk: Bidden op een kleed vanwege zinderende hitte
Hoofdstuk: Bidden in sandalen
Hoofdstuk: Bidden in leren sokken
Hoofdstuk: Men toont zijn oksels tijdens het knielen en spreidt zijn armen van zijn lichaam
Hoofdstuk: De verdienste van het zich wenden tot de gebedsrichting [yiblah]
Hoofdstuk: De Uitspraak van Allah: (En neem de standplaats van Ibraahiem tot een gebedsplek)
Hoofdstuk: Men wendt zich tot de gebedsrichting waar hij zich ook moge bevinden
Hoofdstuk: Inzake de gebedsrichting en de opinie dat wie uit vergeetachtigheid naar de verkeerde richting heeft gebeden, dit gebed niet hoeft te herhalen
Hoofdstuk: laat hij dan aan zijn linkerkant spugen of onder zijn linkervoet
Hoofdstuk: De boetedoening voor spugen in de moskee
Hoofdstuk: De gebedsvoorganger vermaant de mensen om hun gebed te completeren, en een vermelding van de gebedsrichting
Hoofdstuk: Mag men zeggen: `De moskee van die en die stam?'
Hoofdstuk: Verdeling van rijkdom en het ophangen van een dadeltros in de moskee
Hoofdstuk: Moskeen in huizen
Hoofdstuk: Mogen de graven van de veelgodenaanbidders uit de tijd van onwetendheid worden opgegraven, om er in plaats daarvan moskeen te bouwen?
Hoofdstuk: Wie bidt met vr hem een oven, vuur of iets anders wat aanbeden wordt, terwijl hij het gebed omwille van Allah verricht
Hoofdstuk: De afkeurenswaardigheid van het bidden op begraafplaatsen
Hoofdstuk: Het slapen van een vrouw in de moskee
Hoofdstuk: Het slapen van mannen in de moskee
Hoofdstuk: Als men de moskee binnenkomt, laat hij dan twee rak`as bidden
Hoofdstuk: De bouw van de moskee
Hoofdstuk: Samenwerken bij het bouwen van de moskee
Hoofdstuk: Wie een moskee bouwt
Hoofdstuk: Men moet pijlen bij hun punten vastpakken als hij door de moskee loopt
Hoofdstuk: Door de moskee lopen
Hoofdstuk: Pozie in de moskee
Hoofdstuk: Speermannen in de moskee
Hoofdstuk: Het verzoeken om aflossing en hieraan vasthouden in de moskee
Hoofdstuk: Het vegen van de moskee en het oprapen van vodden, vuil en stokken
Hoofdstuk: Het verbod op het handelen in alcoholische dranken in de moskee
Hoofdstuk: Het vastbinden van een gevangene of schuldenaar in de moskee
Hoofdstuk: Het plaatsen van een tent in de moskee voor zieken en anderen
Hoofdstuk: Het binnenbrengen van een kameel naar de moskee vanwege een noodzaak
Hoofdstuk: Een deuropening naar en een doorgang in de moskee
Hoofdstuk: De deuren en sloten van de Iia`bah en de moskeen
Hoofdstuk: In kringen zitten in de moskee
Hoofdstuk: Liggen in de moskee en het strekken van de benen
Hoofdstuk: Bidden in de moskee van de markt
Hoofdstuk: Het verstrengelen van de vingers in de moskee of elders
Hoofdstuk: De moskeen die zich bevinden langs de weg van Al-Madienah en de plekken waar de Profeet heeft gebeden
Hoofdstuk: De sutrah van de gebedsvoorganger is een sutrah voor wie achter hem bidt
Hoofdstuk: De afstand tussen de biddende persoon en zijn sutrah
Hoofdstuk: Bidden naar een korte speer
Hoofdstuk: Bidden naar een pilaar
Hoofdstuk: Bidden tussen pilaren buiten het gezamenlijke gebed
Hoofdstuk: Bidden naar een rijkameel, kameel, bomen of zadel
Hoofdstuk: Bidden naar een bed
Hoofdstuk: De biddende persoon duwt wie vr hem langs wil lopen weg
Hoofdstuk: De zondigheid van wie vr een biddende persoon langsloopt
Hoofdstuk: Bidden achter iemand die slaapt
Hoofdstuk: Als men een klein meisje op zijn schouder draagt tijdens het gebed
Hoofdstuk: Als een vrouw viezigheid van de biddende persoon afwerpt

9. Het boek van de gebedstijden

Hoofdstuk: De gebedstijden
Hoofdstuk: Het gebed is een boetedoening
Hoofdstuk: De verdienste van het tijdig verrichten van het gebed
Hoofdstuk: De vijf [dagelijkse] gebeden zijn een boetedoening
Hoofdstuk: De biddende persoon bevindt zich in een vertrouwelijk gesprek met zijn Heer
Hoofdstuk: Het gebed uitstellen tot het koeler wordt ten tijde van hevige hitte
Hoofdstuk: De tijd van het dhuhr-gebed is na het middaguur
Hoofdstuk: Het uitstellen van het dhuhr-gebed tot aan het `asr-gebed
Hoofdstuk: De tijd van het `ast-gebed
Hoofdstuk: Wie het `asr-gebed mist
Hoofdstuk: Wie het `asr-gebed laat
Hoofdstuk: De verdienste van het `asr-gebed
Hoofdstuk: Wie n rak`ah van het `asr-gebed haalt vr zonsondergang
Hoofdstuk: De tijd van het maghreb-gebed
Hoofdstuk: De tijd van het maghreb-gebed
Hoofdstuk: De verdienste van het `ishaa-gebed
Hoofdstuk: Slapen voor het `ishaa-gebed voor wie vermoeid is
Hoofdstuk: De tijd van het `ishaa-gebed is tot aan het midden van de nacht
Hoofdstuk: De verdienste van het fadjr-gebed
Hoofdstuk: De tijd van het fadjr-gebed
Hoofdstuk: Bidden na het fadjr-gebed totdat de zon opkomt
Hoofdstuk: Geen gebed beogen vr zonsopgang
Hoofdstuk: Het inhalen van gemiste gebeden en dergelijke na het asr-gebed
Hoofdstuk: De gebedsoproep na het verlopen van de gebedstijd
Hoofdstuk: De mensen leiden tijdens een gezamenlijk gebed na het verlopen van de gebedstijd
Hoofdstuk: Wie een gebed vergeet dient dit te verrichten op het moment dat hij het herinnert

10. Het boek van de gebedsoproep [adhaan]

Hoofdstuk: Het begin van de gebedsoproep
Hoofdstuk: De verdienste van de gebedsoproep
Hoofdstuk: Het verheffen van de stem bij de gebedsoproep
Hoofdstuk: De gebedsoproep spaart levens
Hoofdstuk: Wat men zegt bij het horen van de gebedsoproeper
Hoofdstuk: Aanroeping bij het horen van de gebedsoproep
Hoofdstuk: Het trekken van loten omwille van de gebedsoproep
Hoofdstuk: De gebedsoproep van een blinde als iemand hem op de hoogte brengt
Hoofdstuk: De gebedsoproep na het ochtendgloren
Hoofdstuk: De gebedsoproep vr het ochtendgloren
Hoofdstuk: Tussen elke twee gebedsoproepen [d.w.z. adhaan en iqaamah] is er een gebed
Hoofdstuk: Wie beweert dat tijdens reizen slechts n gebedsoproeper tot het gebed oproept
Hoofdstuk: De gebedsoproep en iqaamah voor de reiziger als het een groep betreft
Hoofdstuk: Als men zegt dat zij het gebed hebben gemist
Hoofdstuk: Wanneer de mensen opstaan voor het gebed als de iqaamah ervoor wordt gedaan
Hoofdstuk: Als de imaam beziggehouden wordt na de iqaamah Hoofdstuk: De verplichting van het gezamenlijke gebed
Hoofdstuk: De verdienste van het gezamenlijke gebed Hoofdstuk: De verdienste van het gezamenlijke fadjr-gebed
Hoofdstuk: De verdienste van het vroeg vertrekken naar het dhuhr-gebed
Hoofdstuk: De beloning verwachten van het lopen naar de moskee
Hoofdstuk: De verdienste van het gezamenlijke `ishaa-gebed
Hoofdstuk: Wie in de moskee zit in afwachting van het gebed en de verdienste van moskeen
Hoofdstuk: De verdienste van wie naar de moskee gaat of ervan terugkeer
Hoofdstuk: Als de iqaamah voor het gebed is gedaan, is er geen ander gebed dan het verplichte gebed
Hoofdstuk: De grens waarbinnen de zieke het gezamenlijke gebed dient bij te wonen
Hoofdstuk: Verricht de imaam het gebed met de aanwezigen en preekt hi op vrijdag ten tijde van regen?
Hoofdstuk: Als het eten is geserveerd en de oproep tot het gebed is gedag
Hoofdstuk: Als men zijn gezin dient en de iqaamah wordt gedaan
Hoofdstuk: Tussen elke twee gebedsoproepen [d.w.z. adhaan en igaamah] is er een gebed
Hoofdstuk: Wie beweert dat tijdens reizen slechts n gebedsoproeper toten het gebed oproept
Hoofdstuk: De gebedsoproep en iqaamah voor de reiziger als het een groep betreft
Hoofdstuk: Als men zegt dat zij het gebed hebben gemist
Hoofdstuk: Wanneer de mensen opstaan voor het gebed als de iqaamah ervoor wordt gedaan
Hoofdstuk: Als de imaam beziggehouden wordt na de iqaamah
Hoofdstuk: De verplichting van het gezamenlijke gebed
Hoofdstuk: De verdienste van het gezamenlijke gebed
Hoofdstuk: De verdienste van het gezamenlijke fadjr-gebed
Hoofdstuk: De verdienste van het vroeg vertrekken naar het dhuhr-gebed
Hoofdstuk: De beloning verwachten van het lopen naar de moskee
Hoofdstuk: de verdienste van het gezamenlijke 'ishaa-gebed
Hoofdstuk: Wie in de moskee zit in afwachting van het gebed en de verdienste van moskeen
Hoofdstuk: De verdienste van wie naar de moskee gaat of ervan terugkeert
Hoofdstuk: Als de iqaamah voor het gebed is gedaan, is er geen ander gebed dan het verplichte gebed
Hoofdstuk: De grens waarbinnen de zieke het gezamenlijke gebed dient bij te wonen
Hoofdstuk: Verricht de imaam het gebed met de aanwezigen en preekt hij op vrijdag ten tijde van regen?
Hoofdstuk: Als het eten is geserveerd en de oproep tot het gebed is gedaan
Hoofdstuk: Als men zijn gezin dient en de iqaamah wordt gedaan
Hoofdstuk: Wie de mensen voorgaat in het gebed met de bedoeling om hen het gebed van de Profeet en zijn Soennah te onderwijzen
Hoofdstuk: De mensen van kennis en verdienste komen als eerst in aanmerking om imaam te zijn
Hoofdstuk: Als iemand de mensen is voorgegaan in het gebed en de gewoonlijke imaam binnenkomt
Hoofdstuk: De imaam is aangesteld om gevolgd te worden
Hoofdstuk: Wanneer knielt de volger van de imaam?
Hoofdstuk: De zonde van wie zijn hoofd opheft vr de imaam
Hoofdstuk: De slaaf, vrijgelaten slaaf of jonge, onvolwassen knaap als imaam
Hoofdstuk: Als het gebed van de imaam onvolledig en dat van de volgers volledig is
Hoofdstuk: Men staat rechts van de imaam, parallel aan hem als zij met zijn tween zijn
Hoofdstuk: Als de imaam het [gebed] lang maakt en een persoon wegens een behoefte uit dit gebed stapt en [individueel] bidt
Hoofdstuk: De imaam verlicht tijdens de staande positie en vervolmaakt het buigen en knielen
Hoofdstuk: Het gebed kort doch compleet verrichten
Hoofdstuk: Wie het gebed verlicht bij het huilen van een kind
hoofdstuk: Het rechtlijnig maken van de rijen bij de iqaamah
Hoofdstuk: Dat de imaam zich tot de mensen wendt bij het rechtlijnig maken van de rijen
Hoofdstuk: Als zich tussen de imaam en de mensen een muur of gordijn bevindt
Hoofdstuk: Het nachtgebed

11. Het boek van de hoofdstukken aangaande de beschrijving van het gebed

Hoofdstuk: Het opheffen van de handen bij de eerste tikbier tezamen met het beginnen [van het gebed]
Hoofdstuk: Het plaatsen van de rechterhand op de linker
Hoofdstuk: Wat men zegt na de [openings] takbier
Hoofdstuk: Een blik werpen op de imaam tijdens bet gebed
Hoofdstuk: Omhoog kijken naar de hemel tijdens het gebed
Hoofdstuk: Om zich heen kijken tijdens het gebed
Hoofdstuk: De recitatie is verplicht voor zowel de inraam als de volgers tijdens alle gebeden
Hoofdstuk: De recitatie tijdens het dhuhr-gebed
Hoofdstuk: De recitatie tijdens het maghreb-gebed
Hoofdstuk: Hardop reciteren tijdens het maghreb-gebed
Hoofdstuk: Tijdens het ishaa-gebed met een sadjdah [vers gevolgd door knieling] reciteren
Hoofdstuk: De recitatie tijdens het `ishaa-gebed
Hoofdstuk: De recitatie tijdens het fadjr-gebed
Hoofdstuk: Hardop reciteren tijdens het fadjr-gebed
Hoofdstuk: Het combineren van twee soerahs in een rak`ah, het reciteren van de afsluitende verzen [van bepaalde soerahs], het reciteren van soerah' zonder de onderlinge volgorde aan te houden en het reciteren van het begin van een soerah
Hoofdstuk: Tijdens de laatste twee rak`as reciteert men Soerah Al-Faatiha:
Hoofdstuk: De imaam zegt hardop Aamien
Hoofdstuk: De verdienste van het zeggen van Aamien
Hoofdstuk: Als men buigt achter de rij
Hoofdstuk: De uitspraak van de takbier completeren tijdens de buiging
Hoofdstuk: Het uitspreken van de takbier als men zich opheft uit de knieling
Hoofdstuk: Het plaatsen van de handpalmen op de knien tijdens de buiging
Hoofdstuk: Len rechte rug tijdens de buiging
Hoofdstuk: Aanroeping tijdens de buiging
Hoofdstuk: De verdienste van de uitspraak: `0 Allah, onze Heer, aan U komt alle lof toe'
Hoofdstuk: In rust staan bij het opheffen van het hoofd na de buiging
Hoofdstuk: Het uitspreken van de takbier bij het zich neerwerpen voor de knieling
Hoofdstuk: de verdienste van de knieling
Hoofdstuk: Knielen op zeven botten
Hoofdstuk: Een tijdje zitten tussen twee knielingen
Hoofdstuk: De onderarmen op de grond leggen tijden de knieling
Hoofdstuk: Wie rechtop gaat zitten in de oneven posities van zijn gebed en vervolgens opstaat
Hoofdstuk: De takbier uitspreken bij het opstaan na twee knielingen
Hoofdstuk: Zitten tijdens de tashahhud volgens de soennah
Hoofdstuk: Wie van mening is dat de eerste tashahhud niet verplicht is
Hoofdstuk: Tashahhud tijdens de laatste rak`ah
Hoofdstuk: Aanroeping vr de tasliem
Hoofdstuk: Het uitkiezen van aanroeping na de tashahhud
Hoofdstuk: De tasliem
Hoofdstuk: Men verricht de tasliem als de imaam de tasliem verricht
Hoofdstuk: Gedenking na het gebed
Hoofdstuk: De imaam wendt zicht tot de mensen na de tasliem
Hoofdstuk: Als men de mensen leidt in het gebed, zich iets herinnert en over hun schouders heen loopt
Hoofdstuk: Zich naar rechts of links wenden na afloop van het gebed
Hoofdstuk: Wat is overgeleverd over rauwe knotlook, ui en prei
Hoofdstuk: De wudoe' van jongens
Hoofdstuk: Bezoek van vrouwen aan de moskeen tijdens de nacht of ochtendduisternis

12. Het boek van djumu'ah [het vrijdaggebed]

Hoofdstuk: De verplichting van djumu'ah
Hoofdstuk: Parfumeren voor djumu`ah
Hoofdstuk: De verdienste van djumu`ah
Hoofdstuk: Olie insmeren op djumu`ah
Hoofdstuk: Men trekt zijn mooiste kleren aan
Hoofdstuk: Het gebruiken van siwaak op vrijdag
Hoofdstuk: War gereciteerd wordt tijdens het ochtendgebed op vrijdag
Hoofdstuk: Djumu`ah in dorpen en steden
Hoofdstuk: Is de wassing voor vrijdag verplicht voor wie het vrijdaggebed niet verplicht is?
Hoofdstuk: Vanaf waar men naar djumu`ah komt en voor wie het verplicht is
Hoofdstuk: Als het erg warm is op vrijdag
Hoofdstuk: Lopen naar djumu`ah
Hoofdstuk: Men mag zijn broeder niet laten opstaan van zijn zitplek om er zelf op te gaan zitten
Hoofdstuk: De gebedsoproep op vrijdag
Hoofdstuk: En gebedsoproeper op vrijdag
Hoofdstuk: De inraam beantwoordt de gebedsoproeper vanaf zijn preekstoel op vrijdag
Hoofdstuk: De vrijdagspreek vanaf de preekstoel
Hoofdstuk: Staand preken
Hoofdstuk: Wie na het uitspreken van de lofprijzingen tijdens de preek 'vervolgens dit' zegt
Hoofdstuk: Als de imaam tijdens zijn preek een man ziet aankomen, draagt hij hem op om twee rak`as te verrichten
Hoofdstuk: Vragen om regen tijdens de vrijdagpreek
Hoofdstuk: Luisteren op vrijdag terwijl de imaam preekt
Hoofdstuk: Het uur dat op vrijdag is
Hoofdstuk: Als de mensen tijdens het vrijdaggebed weggaan bij de inraam
Hoofdstuk: Het bidden vr en na het vrijdaggebed

13. Het boek van het angstgebed

Hoofdstuk: Het angstgebed
Hoofdstuk: Het angstgebed te voet en rijdend verrichten
Hoofdstuk: Het gebed van de achtervolger en de achtervolgde, rijdend en gebarend

14. Het boek van de twee `eid[-feesten]

Hoofdstuk: Speren en schilden op de dag van `eid
Hoofdstuk: Vr vertrek eten op de dag van `eid-ul-fitr
Hoofdstuk: Eten op de dag van het offeren
Hoofdstuk: Vertrekken naar de gebedsplaats
Hoofdstuk: Lopen en rijden naar de `eid en het verrichten van het gebed vr de preek
Hoofdstuk: De preek na het `Eid-gebed
Hoofdstuk: De verdienste van daden tijdens de dagen van tashreeq
Hoofdstuk: liet uitspreken van de takbier tijdens de dagen van Mina en bij het vroege vertrek naar `Arafah
Hoofdstuk: Het slachten en offeren op de dag van het offeren in de gebedsplaats
Hoofdstuk: Wie via een andere weg terugkeert op de dag van `eid

15. Het boek van het witr-gebed

Hoofdstuk: Wat is overgeleverd over het witr-gebed
Hoofdstuk: Het tijdstip van witr
Hoofdstuk: Laat men het laatste van zijn gebed oneven zijn
Hoofdstuk: Witr op een dier verrichten
Hoofdstuk: Het reciteren van qunoet [smeekbede) vr en na de buiging

16. Het boek van het vragen om regen

Hoofdstuk: Het vragen om regen
Hoofdstuk: De aanroeping van de Profeet "0 Allah, laat hun [ellende] zijn als de droogte en hongersnood ten tijde van Yoesoef."
Hoofdstuk: Vragen om regen in de moskee waar het gezamenlijke gebed wordt verricht
Hoofdstuk: Vragen om regen tijdens de vrijdagpreek, zonder gewend te zijn naar de gebedsrichting
Hoofdstuk: Hoe de Profeet zijn tug naar de mensen wendde
Hoofdstuk: De imaam heeft zijn handen op tijdens het vragen om regen
Hoofdstuk: Wat gezegd wordt als het regent Hoofdstuk: Als de wind waait
Hoofdstuk: De uitspraak van de Profeet : "Mij is overwinning geschonken door de oostenwind."
Hoofdstuk: Wat er is gezegd over aardbevingen en de tekenen
Hoofdstuk: Niemand behalve llllaah weet wanneer het gaat regenen

17. Het boek van de eclips

Hoofdstuk: Bidden bij zonsverduistering
Hoofdstuk: Geven van aalmoezen bij zonsverduistering Hoofdstuk: Het vragen van bescherming tegen de kwelling van het graf tijdens een eclips
Hoofdstuk: Het gezamenlijke eclipsgebed
Hoofdstuk: Wie graag [slaven] wil vrijlaten bij zonsverduistering
Hoofdstuk: Gedenking bij een eclips
Hoofdstuk: Hardop reciteren bij een eclips

18. Het boek van knieling tijdens Qor'aan-recitatie en de soennah hierin

Hoofdstuk: Wat is overgeleverd over Qor'aan-knieling en de soennah hierin
Hoofdstuk: De knieling in Soerah [nr. 38] Saad
Hoofdstuk: Het knielen van de moslims tezamen met de veelgodenaanbidders, terwijl de veelgodenaanbidder onrein is en geen wudoe' heeft verricht
Hoofdstuk: Wie een vers van knieling reciteert, maar niet knielt
Hoofdstuk: De knieling van (Als de hemel uiteen splitst ...)
Hoofdstuk: Wie wegens drukte geen plek vindt om te knielen

19. Het boek van het verkorten van het gebed

Hoofdstuk: Wat is overgeleverd over het verkorten en hoe lang men moet verblijven om te verkorten
Hoofdstuk: Het gebed in Mina
Hoofdstuk: Bij welke reisafstand het gebed wordt verkort
Hoofdstuk: Men bidt her maghreb-gebed op reis in drie rak`as
Hoofdstuk: Het vrijwillige gebed op en ezel verrichten
Hoofdstuk: Wie op reis na het gebed geen vrijwillige gebeden verricht
Hoofdstuk: Wie op reis vrijwillige gebeden verricht, maar niet vr of na het [verplichte] gebed
Hoofdstuk: Het samenvoegen van het maghreb- en ishaa-gebed op reis
Hoofdstuk: Wie niet in staat is om zittend te hidden, mag [liggend] op zijn zij bidden
Hoofdstuk: Als men zittend bidt en vervolgens beter wordt of zichzelf fit voelt, maakt hij de rest [staand] af

20. Het boek van de tahadjud-gebeden

Hoofdstuk: Het tahadjud-gebed tijdens de nacht
Hoofdstuk: De verdienste van de vrijwillige nachtgebeden
Hoofdstuk: Een zieke die geen vrijwillige nachtgebeden verricht
Hoofdstuk: De Profeet spoorde aan tot het verrichten van vrijwillige gebeden overdag en in de nacht, zonder dit te verplichten
Hoofdstuk: De Profeet stond in de nacht op om te bidden, totdat zijn voeten opzwelden
Hoofdstuk: Wie slaapt vlak voor het aanbreken van de dag
Hoofdstuk: Lang staan tijdens de nachtgebeden
Hoofdstuk: Het nachtgebed van de Profeet en het aantal rakas dat hij verrichtte
Hoofdstuk: Het bidden en slapen van de Profeet A tijdens de nacht en de afgeschafte nachtgebeden
Hoofdstuk: De duivel zet knopen op het achterhoofd als men niet bidt tijdens de nacht
Hoofdstuk: Als men slaapt en niet bidt, urineert de shaytaan in zijn oor
Hoofdstuk: Het verrichten van aanroeping en gebed aan het einde van de nacht
Hoofdstuk: Wie tijdens het eerste gedeelte van de nacht slaapt en tijdens het laatste gedeelte ervan opstaat
Hoofdstuk: De nachtgebeden van de Profeet tijdens de ramadhaan en daarbuiten
Hoofdstuk: Afkeurenswaardigheid van extremisme in de aanbidding
Hoofdstuk: Afkeurenswaardigheid van het laten van de nachtgebeden voor wie ze verrichtte
Hoofdstuk: De verdienste van wie tijdens de nacht ontwaakt en bidt
Hoofdstuk: Wat er is overgeleverd omtrent het verrichten van de vrijwillige gebeden in twee twee rak`as
Hoofdstuk: Waakzaamheid over de twee rak`as voor het fadjr-gebed en wie ze als vrijwillig benoemt
Hoofdstuk: Wat gereciteerd wordt tijdens de twee rak`as voor het fadjrgebed
Hoofdstuk: Het voormiddaggebed verrichten tijdens verblijf
Hoofdstuk: De twee rak`as vr het dhuhr-gebed
Hoofdstuk: Bidden vr het maghreb-gebed

21. Het boek van het gebed in de moskee van Mekkah en Al-Madienah.

Hoofdstuk: De verdienste van het gebed in de moskee van Mekkah en AlMadienah
Hoofdstuk: De moskee van Qubaa'
Hoofdstuk: De verdienste van wat zich tussen het graf en de preekstoel bevindt

22. Het boek van bezigheid tijdens het gebed

Hoofdstuk: Verboden spraak tijdens het gebed
Hoofdstuk: Het wegvegen van kiezelsteentjes tijdens het gebed
Hoofdstuk: Als een rijdier ontsnapt tijdens het gebed
Hoofdstuk: Men groet niet terug tijdens het gebed
Hoofdstuk: Met de handen op de lenden bidden

23. Het boek van vergeetachtigheid tijdens het gebed

Hoofdstuk: Als men vijf [rak`as] heeft gebeden
Hoofdstuk: Als men wordt aangesproken tijdens het gebed, met zijn hand gebaart en luistert

24. Het boek van uitvaarten [djanaa'iz]

Hoofdstuk: Wiens laatste woorden 'Laa Ilaaha IllAllah [er is geen ware God behalve Allah]' zijn
Hoofdstuk: Het gebod om de begrafenisstoeten te volgen
Hoofdstuk: Bij een overledene binnenkomen nadat hij in zijn lijkkleed is gewikkeld
Hoofdstuk: Dat men de verwanten van een overledene persoonlijk op de hoogte stelt van diens overlijden
Hoofdstuk: De verdienste van de persoon wiens kind overlijdt terwijl hij de beloning hiervan berekent
Hoofdstuk: Het is aanbevolen om de overledene een oneven aantal keren te wassen
Hoofdstuk: Men begint met [het wassen van] de rechterkant van de overledene
Hoofdstuk: Witte kleden voor de overledene
Hoofdstuk: Een (ijkgewaad bestaande uit twee kleden
Hoofdstuk: Een lijkgewaad voor de overledene
Hoofdstuk: Als men een lijkgewaad heeft waarmee slecht het hoofd of de voeten bedekt kunnen worden, bedekt men daarmee het hoofd
Hoofdstuk: Wie zijn lijkgewaad ten tijde van de Profeet voorbereidde, zonder dat hij dat afwees
Hoofdstuk: Vrouwen die met uitvaarten mee lopen
Hoofdstuk: Een vrouw die rouwt om een ander dan haar echtgenoot
Hoofdstuk: Gravenbezoek
Hoofdstuk: De uitspraak van de Profeet : "De overledene wordt gekweld vanwege bepaalde (vormen van' gehuil van zijn verwanten om hein." Als hij zelf de gewoonte had om te jammeren
Hoofdstuk: Het afkeurenswaardige bewenen van een dode
Hoofdstuk: De Profeet treurt om Sa`d Ibn Khawlah
Hoofdstuk: tiet verbod op het scheren van de haren bij rampspoed
Hoofdstuk: Als men bij ramspoed zit met verdriet van hem af te lezen
Hoofdstuk: Wie zijn verdriet niet toont bij rampspoed
Hoofdstuk: De uitspraak van de Profeet: "Wij zijn zeer verdrietig om jou
Hoofdstuk: Huilen bij een zieke
Hoofdstuk: Wat is verboden aan bewening en gehuil en de berisping van deze daad
Hoofdstuk: Opstaan voor een uitvaart
Hoofdstuk: Wanneer men weer gaat zitten nadat hij is opgestaan voor een uitvaart
Hoofdstuk: Wie opstaat voor de uitvaart van een jood
Hoofdstuk: De mannen dragen de uitvaart en niet de vrouwen
Hoofdstuk: Haast niet de uitvaart
Hoofdstuk: De verdienste van het meelopen met een uitvaart
Hoofdstuk: De afkeurenswaardigheid van het bouwen van moskeeen op graven
Hoofdstuk: Bidden voor een kraamvrouw die overlijdt tijdens haar kraambed
Hoofdstuk: Het reciteren van Soerah Al-Faatihah tijdens het begrafenisgebed
Hoofdstuk: De dode hoort het geluid van voetstappen
Hoofdstuk: Wie het verkiest om begraven te worden in het Heilige Land of iets soortgelijks
Hoofdstuk: Bidden voor een martelaar
Hoofdstuk: Als een kind moslim wordt en overlijdt, word er dan voor hem gebeden? En wordt de islaam voorgelegd aan een kind?
Hoofdstuk: Als de veelgodenaanbidder bij zijn dood `Er is geen ware god behalve Allah' zegt
Hoofdstuk: Een vermanende toespraak houden bij het graf, met de toehoorders er omheen
Hoofdstuk: Wat er is overgeleverd met betrekking tot de zelfmoordenaar
Hoofdstuk: De overledene die wordt geprezen door de mensen
Hoofdstuk: Wat is overgeleverd met betrekking tot de kwelling van het graf
Hoofdstuk: Het zoeken van bescherming tegen de kwelling van het graf
Hoofdstuk: Aan de overledene wordt zijn bestemming getoond in de vroege ochtend en in de vooravond
Hoofdstuk: Wat is overgeleverd met betrekking tot de kinderen van de moslims
Hoofdstuk: Wat is overgeleverd met betrekking tot de kinderen van de veelgodenaanbidders
Hoofdstuk: Plotselinge dood
Hoofdstuk: Wat is overgeleverd met betrekking van het graf van de Profeet, Abu Bakr
Hoofdstuk: Iiet verbod op het uitschelden van de doden

25. Het boek van zakaat

Hoofdstuk: De verplichting van zakaat
Hoofdstuk: De zonde van de weigeraar van zakaat
Hoofdstuk: Datgene waarover zakaat is afgedragen, wordt roet meer aangemerkt als `kanz' [rijkdom waarover geen zakaat is afgedragen]
Hoofdstuk: Het geven van een aalmoes uit eerlijke verdiensten
Hoofdstuk: Het geven van aalmoezen voordat deze geweigerd worden
Hoofdstuk: Bescherm jullie zelf tegen het vuur, als is het maar met een halve dadel en een kleine aalmoes
Hoofdstuk: Welke aalmoes het beste is
Hoofdstuk: Als men onbewust een aalmoes geeft aan een rijke
Hoofdstuk: Als men onbewust een aalmoes geeft aan zijn zoon
Hoofdstuk: Wie zijn bediende opdraagt om een aalmoes te geven, zonder het zelf te overhandigen
Hoofdstuk: Aansporen tot aalmoezen en het bemiddelen hierin
Hoofdstuk: Het geven van aalmoezen waartoe men in staat is
Hoofdstuk: Wie een aalmoes heeft gegeven ten tijde van polythesme en vervolgens moslim is geworden
Hoofdstuk: De beloning van de bewaarder die op last van de eigenaar een aalmoes geeft, zonder verspilling
Hoofdstuk: De uitspraak van Allah (Wat betreft hij die geeft en Allah vreest ...) en de uitspraak van de engelen: `O Allah, geef de besteder van rijkdom compensatie.'
Hoofdstuk: Het voorbeeld van de gierige en de aalmoesgever
Hoofdstuk: Op elke moslim berust een aalmoes. Wie dit niet bezit, laat hij dan met het goede handelen
Hoofdstuk: Hoeveel men aan zakaat of aalmoes geeft
Hoofdstuk: Het afdragen van zakaat in niet-financile vorm
hoofdstuk: Wat uit elkaar is, wordt niet samengevoegd, en wat samengevoegd is, wordt niet uit elkaar gehaald
Hoofdstuk: Wat wordt afgedragen door twee partners; daarover verrekenen rj naar verhouding onderling
Hoofdstuk: Zakaat over kamelen
Hoofdstuk: Wie een aantal kamelen bezit waarover hij een eenjarige vrouwtjeskameel dient af te dragen aan zakaat, maar dit niet bezit
Hoofdstuk: Zakaat over schapen
Hoofdstuk: Voor de zakaat wordt alleen het ongedeerde genomen
Hoofdstuk: De beste rijkdommen van de mensen worden niet afgenomen voor zakaat
Hoofdstuk: Zakaat geven aan naasten
Hoofdstuk: De moslim is geen zakaat verschuldigd over zijn paard
Hoofdstuk: Het geven van aalmoezen aan wezen
Hoofdstuk: Zakaat voor de echtgenoot en wezen die onder de hoede van een persoon zijn
Hoofdstuk: De uitspraak van Allah (... voor de vrijkoop van slaven, en voor de schuldenaren en op de Weg van Allah)
Hoofdstuk: Zich onthouden van bedden
Hoofdstuk: Wie van Allah iets ontvangt zonder te vragen of ernaar te verlangen
Hoofdstuk: Wie bij de mensen bedelt om zijn bezit te vergroten
Hoofdstuk: De afbakening van rijkdom
Hoofdstuk: Het schatten van de dadelopbrengst
Hoofdstuk: De afdracht van een tiende over wat bevloeid wordt door hemelwater of stromend water
Hoofdstuk: Het geven van aalmoezen in de vorm van dadels bij het puk van de dadelbomen en of een kind de dadels van een aalmoes mag aanraken
Hoofdstuk: Mag men zijn eigen aalmoes erugf kopen en het is niet erg all hij andermans aalmoes koopt
Hoofdstuk: Het schenken van aalmoezen aan de bevrijde slavinnen van de echtgenotes van de Profeet
Hoofdstuk: Als een aalmoes wordt overgedragen
Hoofdstuk: De Zakaat wordt gend bij de rijken en teruggebracht bij de armen, waar zij zich ook bevinden
Hoofdstuk: De imaam spreekt smeekgebeden en aanroepingen uit ten gunste van de aalmoesgever
Hoofdstuk: Wat uit de zee gehaald wordt
Hoofdstuk: Over opgegraven schatten is een vijfde verschuldigd
Hoofdstuk: De uitspraak van Allah (... en zij die zijn aangesteld om naar te verzamelen ...) en het afrekenen van de zakaat-inners met de Imaam.

26. Het boek van zakaat-ul-fitr [verplichte zakaat die wordt afgedragen als de maand ramadhaan afloopt]

Hoofdstuk: De verplichting van zakaat-ul-fitr
Hoofdstuk: Zakaat-ul-fitr afdragen voor het`Eid-gebed
Hoofdstuk: Zakaat-ul-fitr namens de vrije persoon en de slaaf

27. Het boek van de bedevaart [hadj]

Hoofdstuk: De verplichting van de hadj en zijn verdiensten
Hoofdstuk: De uitspraak van Allah (Zij zullen naar jou komen, te voet en op elke scharminkelige kameel. Zij zullen komen vanuit elke diepe [en wijde] bergpas. Opdat zij voor hen nuttige zaken zullen aanschouwen...)
Hoofdstuk: Het verrichten van hadj op een pakzadel
Hoofdstuk: De verdienste van een geaccepteerde hadj
Hoofdstuk: De grensplaats van ihraam voor de mensen van Jemen
Hoofdstuk: De Profeet jt vertrok via de weg van Ash-Shadjarah
Hoofdstuk: De uitspraak van de Profeet: "Al-`Agieq is een gezegende vallei."
Hoofdstuk: Het driemaal wassen van parfum op kleding
Hoofdstuk: Parfumeren voor het aannemen van ihraam en wat men aantrekt als hij ihraam wil aannemen
Hoofdstuk: Wie niet geklit haar de talbiyah hardop uitspreekt
Hoofdstuk: Het aannemen van ihraam vanaf de moskee van Dhul-Hulayfah
Hoofdstuk: Rijdend of achterop zittend de had) verrichten
Hoofdstuk: Welke kleding en lendendoeken de muhrim aantrekt
Hoofdstuk: De talbiyah
Hoofdstuk: Het uitspreken van tahmied, tasbieh en takbier alvorens de talbiyah uit te spreken hij het bestijgen van het rijdier
Hoofdstuk: Zich tot de gebedsrichting wenden bij het uitspreken van de talbryah
Hoofdstuk: Het uitspreken van de talbiyah als men in een vallei neerdaalt
Hoofdstuk: Wie ten tijde van de Profeet dezelfde ihraam had aangenomen als de Profeet
Hoofdstuk: De Uitspraak van Allah: (De hadj is [tijdens] de welhekende [maan]maanden...)
Hoofdstuk: Hadj in de vorm van tamattu`, giraan en ifraad, en het verbreken van hadj door wie geen offerdier bij zich heeft
Hoofdstuk: Had) tamattu`
Hoofdstuk: Vanaf waar men Mekkah binnenkomt
Hoofdstuk: De verdienste van Mekkah en haar gebouwen
Hoofdstuk: Het erven en kopen van de Mekkaanse huizen en dat de mensen in het Heilige Huis gelijk zijn
Hoofdstuk: Het neerstrijken van de Profeet in Mekkah
Hoofdstuk: De vernieling van de Ka`hah
Hoofdstuk: De Uitspraak van Allah (Allah heeft de Ka`bah, het Heilige Buis, gemaakt tot een ondersteuning van de mensen alsmede de Heilige maand ...)
Hoofdstuk: De vernieling van de Ka`bah
Hoofdstuk: Wat er is gezegd over de Zwarte Steen
Hoofdstuk: Over wie de Ka`bah niet betreden heeft
Hoofdstuk: Wie takbier uitspreekt in alle hoeken en zijden van de Ka`bah
Hoofdstuk: Hoe de ramal-pas is begonnen
Hoofdstuk: Het aanraken van de Zwarte steen bij het aankomen in Makkah en het beginnen van de rondgang en het in snelpas lopen van drie rondes
Hoofdstuk: Snelpas zowel tijdens de hadj als de `umrah
Hoofdstuk: Het aanraken van de Hoek [van de Zwarte Steen] met een wandelstok
Hoofdstuk: Het kussen van de Zwarte Steen
Hoofdstuk: Wie de rondgang om het Huis verricht als hij in Mekkah aankomt alvorens terug te keren naar zijn huis
Hoofdstuk: Praten tijdens de rondgang
Hoofdstuk: Geen naakte persoon zal de rondgang om het Huis verrichten en geen polythest zal de bedevaart verrichten
Hoofdstuk: Wie de Ka'bah niet meer nadert en geen rondgang verricht na de eerste rondgang totdat hij vertrekt naar 'Arafah en terugkeert
Hoofdstuk: Water schenken voor de pelgrim
Hoofdstuk: De verplichting van As-Safaa en Al-Marwah
Hoofdstuk: Wat is overgeleverd met betrekking tot het lopen tussen As-Safaa en Al-Marwah
Hoofdstuk: De menstruerende vrouw verricht alle handeling [van hadj of 'umrah] behalve de rondgang om het Huis. Wat als men zonder wudoe' tussen As-Safaa en Al-Marwah loopt?
Hoofdstuk: Waar men het dhuhr-gebed verricht op de dag van tarwiyah
Hoofdstuk: Vasten op de dag van `Arafah
Hoofdstuk: Rond het middaguur gaan op de dag van 'Arafah
Hoofdstuk: Zich haasten naar de standplaats[van `Arafah]
Hoofdstuk: Wegrijden bij het verlaten van `Arafah
Hoofdstuk: De Profeet beveelt kalmte bij het vertrekken [uit `Arafah] en hij wijst met zijn zweep naar hen
Hoofdstuk: Wie de zwakkeren van zijn familie in de nacht vooruitstuurt om in Muzdalifah te staan en aldaar aanroeping te verrichten en vanaf daar verder te gaan als de maan ondergaat
Hoofdstuk: Wanneer het ochtendgebed wordt verricht in Al-Muzdalifah
Hoofdstuk: Wanneer men Al-Muzdalifah verlaat
Hoofdstuk: Het tijden op offerkamelen
Hoofdstuk: Wie offerkamelen met zich meebrengt
Hoofdstuk: Wie markeert en omkranst in Dhul-Hulayfah en daarna ihraam aanneemt
Hoofdstuk: Wie eigenhandig de omhangsels omkranst
Hoofdstuk: Het omkransen van schapen
Hoofdstuk: Omhangsels van wol
Hoofdstuk: De bedekkingen van offerdieren en deze als aalmoes weggever
Hoofdstuk: Dat een man koeien slacht namens zijn vrouwen, zonder dat hiertoe opgedragen hebben
Hoofdstuk: Het slachten op de slachtplaats van de Profeet in Mina
Hoofdstuk: Kamelen vastgebonden slachten
Hoofdstuk: De slager krijgt niets van het offerdier
Hoofdstuk: Wat gegeten wordt aan offerdieren en war als aalmoes wordt weggeven
Hoofdstuk: Knippen en scheren als men uit ihraam treedt
Hoofdstuk: Het stenigen van de djimaar [ev. djamrah]
Hoofdstuk: Het stenigen van de djimaar [ev. djamrah] vanuit de valleibodem
Hoofdstuk: Het stenigen van de djimaar [ev. djamrahl met zeven kiezelsteentjes
Hoofdstuk: Als men de [eerstel twee djatnrahs heeft gestenigd, staat hij op de laagvlakte gewend tot de gebedsrichting
Hoofdstuk: De afscheidsrondgang
Hoofdstuk: Als een vrouw menstrueert nadat zij tawaaf-ul-ifaadhah heeft verricht
Hoofdstuk: Al-Muhassab
Hoofdstuk: Het neerstrijken in Dhu'I'uwaa alvorens Mekkah binnen te zaan en het neerstrijken in de brede rivierbedding van Dhul-Hulayfah bij het vertrekken uit Mekkah.

28. Het boek van de kleine bedevaart ['umrah]

Hoofdstuk: De verplichting van de `umrah en haar verdiensten
Hoofdstuk: Wie de `umrah v6r de hadj verricht
Hoofdstuk: Hoe vaak de Profeet `umrah heeft verricht
Hoofdstuk: De `umrah vanuit At-Tan`iem>BR> Hoofdstuk: De `umrah verrichten na de hadj zonder offerdier
Hoofdstuk: De beloning van een `umrah is al naar gelang de inspanning
Hoofdstuk: Wanneer de `umrah-ganger uit ihraam treedt
Hoofdstuk: Wat men zegt na terugkeer van hadj, `umrah of strijd
Hoofdstuk: Als de pelgrim op zijn rijdier twee of drie mensen temoetkomt
Hoofdstuk: Aankomen in de middag
Hoofdstuk: Wie zijn kameel tot haast maant bij aankomst in Al-Madienah
Hoofdstuk: Een reis is een stuk kwelling

29. Het boek van de muhsar [hij die verhinderd wordt om zijn hadj of `umrah te voltooien]

Hoofdstuk: Als de `umrah-ganger verhinderd is
Hoofdstuk: Verhinderd raken tijdens de hadj
Hoofdstuk: Slachten voor het kaal scheren bij verhindering
Hoofdstuk: De Uitspraak van Allah (...of een aalmoes...) daarmee wordt het voeden van zes behoeftigen bedoeld Hoofdstuk: De compensatie [fidyah is het voeden van een halve saa`

30. Het boek van de sanctie op jagen en soortgelijks [tijdens gewijde staat]

Hoofdstuk: Als een persoon die zich niet in gewijde staat bevindt jaagt en dit schenkt aan een persoon in gewijde staat, mag hij dit eten
Hoofdstuk: De persoon in gewijde staat helpt een persoon die zich niet in gewijde staat bevindt niet bij het doden van de jacht
Hoofdstuk: De persoon in gewijde staat wijst niet naar de jacht zodat een persoon die zich niet in gewijde staat bevindt er op gaat jagen
Hoofdstuk: Als aan een persoon in ihraam een levende wilde ezel wordt geschonken, neemt hij hem niet aan
Hoofdstuk: Wat de persoon in gewijde staat mag doden in de haram
Hoofdstuk: Strijden in Mekkah is niet toegestaan
Hoofdstuk: Koppen zetten voor de persoon in ihraam
Hoofdstuk: Het trouwen van een persoon in inraam
Hoofdstuk: De wassing van een persoon in ihraam
Hoofdstuk: Het betreden van de haram en Mekkah zonder ihraam aan te nemen
Hoofdstuk: liet nakomen van hadj en geloftes namens een overledene en
als een man namens een vrouw hadj verricht
Hoofdstuk: De hadj van kinderen
Hoofdstuk: De hadj van vrouwen
Hoofdstuk: Wie een gelofte heeft gedaan om lopend naar de Ka`bah te gaan

31. Het boek van de verdiensten van Al-Madienah

Hoofdstuk: De onschendbaarheid van Al-Madienah
or verhindering 475 Hoofdstuk: De verdienste van Al-Madienah en dat zij de mensen verbant
Hoofdstuk: Al-Madienah is Taakah
Hoofdstuk: Wie Al-Madienah uit onvrede verlaat
Hoofdstuk: Al-Imaan keert terug naar Al-Madienah
Hoofdstuk: De zonde van wie een list beraamt voor de inwoners van Al-Madienah
Hoofdstuk: De burchten van Al-Madienah
Hoofdstuk: De Dadjaal [antichrist] zal Al-Madienah niet betreden
Hoofdstuk: Al-Madienah verbant viezigheid

32. Het boek van het vasten

Hoofdstuk: De verdienste van het vasten
Hoofdstuk: Ar-Rayyaan is er voor de vastenden
Hoofdstuk: Moet men `ramadhaan' zeggen of `de maand ramadhaan' en wie van mening is dat beide mag
Hoofdstuk: Wie het afleggen van valse getuigenissen en het verrichten van valse handelingen niet nalaat tijdens ramadhaan
Hoofdstuk: Zegt men `ik ben een vastende' als hij uitgescholden wordt 493 Hoofdstuk: Vasten voor wie het ongehuwd zijn vreest
Hoofdstuk: De uitspraak van de Profeet: "Als jullie de nieuwe maan zien, vast dan en als jullie hem [weer] zien, beindig dan het vasten."
Hoofdstuk: De twee maanden van `eid nemen niet af
Hoofdstuk: De uitspraak van de Profeet: "Wij schrijven niet en wij rekenen niet."
Hoofdstuk: Laat niemand van jullie ramadhaan voorgaan met het vasten van n of twee dagen.
Hoofdstuk: De Uitspraak van Allah : (Het is voor jullie toegestaan om gemeenschap met jullie vrouwen te bedrijven tijdens de nacht van het vasten ...)
Hoofdstuk: De Uitspraak van Allah : (En eet en drink totdat de witte draad voor jullie te onderscheiden is van de zwarte draad)
Hoofdstuk: De tijd tussen het nuttigen van de sahoer en het ochtendgebed
Hoofdstuk: De zegening van sahoer, zonder dat het verplicht is
Hoofdstuk: Als men overdag de intentie krijgt om te vasten
Hoofdstuk: Als de vastende zich in de ochtend in staat van seksuele onreinheid bevindt
Hoofdstuk: Lichamelijk contact voor de vastende
Hoofdstuk: Als de vastende uit vergeetachtigheid eet of drinkt
Hoofdstuk: Als men geslachtsgemeenschap heeft tijdens de ramadhaan en niets bezit; als hij een aalmoes ontvangt, laat hij dan een boetedoening doen
Hoofdstuk: Koppen zetten en overgeven voor de vastende
Hoofdstuk: Wel en niet vasten tijdens een reis
Hoofdstuk: Als men een aantal dagen van ramadhaan en het gevast en vervolgens gaat reizen
Hoofdstuk: Wat de Profeet zei tegen de beschaduwde
Hoofdstuk: De metgezellen van de Profeet t verweten elkaar zowel het vasten als het eten niet
Hoofdstuk: Wie overlijdt telwijl hij vasten verschuldigd is Hoofdstuk: Wanneer mag men zijn vasten verbreken? Hoofdstuk: Zich haasten naar het verbreken van het vasten
Hoofdstuk: Als men bet vasten verbreekt tijdens ramadhaan en de zon vervolgens verschijnt
Hoofdstuk: Het vasten van kinderen
Hoofdstuk: Het ononderbroken voorzetten van het vasten vlak voor het aanbreken van de dag
Hoofdstuk: Het tot voorbeeld stellen van wie veelvuldig het vasten ononderbroken voortzet
Hoofdstuk: Als men zweert dat zijn broeder zijn vrijwillige vasten verbreekt
Hoofdstuk: Het vasten tijdens de maand sha`baan
Hoofdstuk: Wat er is genoemd inzake het vasten en het eten van de Profeet
Hoofdstuk: Het recht van het lichaam met betrekking tot het vasten
Hoofdstuk: I Iet recht van het gezin met betrekking tot het vasten
Hoofdstuk: Wie mensen bezoekt, maar zijn vasten bij hen niet verbreekt
Hoofdstuk: Vasten aan het einde van de maand
Hoofdstuk: Het vasten op vrijdag
Hoofdstuk: Of men bepaalde dagen verkiest
Hoofdstuk: Het vasten van de dagen van tashreeq
Hoofdstuk: l let vasten op de dag van `aashoeraa

33. Het boek van het taraawieh-gebed [het gezamenlijke, vrijwillige, nachtgebed tijdens ramadhaan]

Hoofdstuk: De verdienste van wie vrijwillige nachtgebeden verricht tijdens ramadhaan
Hoofdstuk: I let nastreven van de nacht van qadr [laylat-ul-gadri in de laatste zeven nachten
Hoofdstuk: Het nastreven van de nacht van qadr tijdens de oneven nachten van de laatste tien is een aanbidding
Hoofdstuk: Het verrichten van daden tijdens de laatste tien van ramadhaan

34. Het boek van i`tikaaf [zich afzonderen in de moskee voor aanbidding gedurende een bepaalde periode]

Hoofdstuk: Zich afzonderen tijdens de laatste tin dagen en zich afzonderen in alle moskeen
Hoofdstuk: Hij betreedt het huis alleen als dat nodig is
Hoofdstuk: I`tikaaf tijdens de nacht
Hoofdstuk: Tenten in de moskee
Hoofdstuk: Mag degene die zich afzondert zich naar de deur van de moskee begeven vanwege een behoefte?
Hoofdstuk: Zich afzonderen tijdens de toen middelste dagen van ramadhaan

35. Het boek van verkopen

Hoofdstuk: Wat er is gezegd met betrekking tot de Uitspraak van Allah i: (Als het [vrijdagjgebed dan is volbracht, verspreid jullie dan op de aarde...)
Hoofdstuk: Het toegestane is duidelijk en het verbodene is duidelijk, en tussen beide bevinden zich twijfelachtige zaken
Hoofdstuk: Uitleg van de twijfelachtige zaken
Hoofdstuk: Wie vindt dat influisteringen en dergelijke niet tot de twijfelachtige zaken behoren
Hoofdstuk: Wie zich niet bekommert om waarvandaan hij rijkdom verdient
Hoofdstuk: Handelen op het land
Hoofdstuk: Het weggaan voor handel
Hoofdstuk: Wie uitbreiding van zijn levensvoorziening wenst 52: Hoofdstuk: Dat de Profeet heeft gekocht tegen uitgestelde betaling
Hoofdstuk: Dat een man eigenhandig zijn verdienste maakt
Hoofdstuk: Mildheid en generositeit bij kopen en verkopen
Hoofdstuk: Wie uitstel geeft aan een rijke
Hoofdstuk: Als de koper en de verkoper openheid van zaken geven, niet verbergen en adviserend zijn
Hoofdstuk: Het ruilen van gemengde dadels
Hoofdstuk: De rente-afdrager
Hoofdstuk: Allah vernietigt rente en vermeerdert aalmoezen
Hoofdstuk: Het noemen van de ijzersmid
Hoofdstuk: Het noemen van de kleermaker
Hoofdstuk: Het kopen van dieren en ezels
Hoofdstuk: Het kopen van dorstzieke kamelen
Hoofdstuk: Handelen in wat afkeurenswaardig is om re dragen
Hoofdstuk: Als men iets koopt en het ter plekkc schenkt, alvorens uit praak van Allah elkaar te gaan
Hoofdstuk: Afkeurenswaardige bedrog tijdens handel
Hoofdstuk: Wat er is gezegd over markten
Hoofdstuk: De arkeurenswaardigheid van luidruchtigheid op markten
Hoofdstuk: Wegen voor de verkoper en de gever
Hoofdstuk: Wat aanbevelenswaardig is om te wegen
Hoofdstuk: De zegening van de sati` van de Profeet en zijn mudd
Hoofdstuk: Verkopen bij opbod
Hoofdstuk: Onzekere handel en verkoop van de zwangerschap van een ongeboren dier
Hoofdstuk: Het is voor de verkoper verboden om zijn kamelen, koeien of schapen ongemolken te laten
Hoofdstuk: Het verkopen van een overspelige slaaf
Hoofdstuk: Mag een stedeling namens een bedoeen verkopen, zonder verdienste en mag hij hem helpen of adviseren?
Hoofdstuk: Het verbod op het tegemoet treden van de handelskaravanen
Hoofdstuk: Het verkopen van rozijnen tegen rozijnen en voedsel tegen voedsel
Hoofdstuk: liet verkopen van gerst tegen gerst
Hoofdstuk: Het verkopen van goud tegen goud
Hoofdstuk: Het verkopen van zilver tegen zilver
Hoofdstuk: Het verkopen van dinars tegen dinars op krediet
Hoofdstuk: Het verkopen van zilver tegen goud op krediet
Hoofdstuk: De transactie van Al-Muzaabanah [het verkopen van dadelvmchten tegen afgewogen droge dadels, en het verkopen van rozijnen tegen afgewogen druiven]
Hoofdstuk: Het verkopen van dadelvruchten aan de dadelbomen tegen goud en zilver
Hoofdstuk: Het verkopen van dadelvruchten voordat hun bruikbaarheid zichtbaar is geworden
Hoofdstuk: Als men vruchten verkoopt voordat hun bruikbaarheid zichtbaar is en zij getroffen wordt door een gebrek
Hoofdstuk: Als men dadels wil verkopen tegen betere dadels
Hoofdstuk: De handelstransactie van A1-Mukhaadharah
Hoofdstuk: Wie toestaat dat regio's datgene wat zij onderling afspreken mogen hanteren inzake handelstransacties, verhuur, maten en weging
Hoofdstuk: de handelspartner die koopt van zijn handelspartner
Hoofdstuk: liet kopen, weggeven en vrijlaten van een slaaf van een oorlogsvijand
Hoofdstuk: Het doden van het varken
Hoofdstuk: Het verkopen van zielloze afbeeldingen en wat hiervan afgekeurd wordt
Hoofdstuk: De zonde van wie een vrij mens verkoopt
Hoofdstuk: Het verkopen van kadavers en afgodsbeelden
Hoofdstuk: De opbrengst van een hond

36. Het boek van voorverkoop [As-Salam = verkoop met uitgestelde levering = de afspraak om een omschreven goed uitgesteld te verkopen, terwijl de prijs ter plekke wordt ontvangen]

Hoofdstuk: Voorverkoop van een afgesproken maat / gewicht
Hoofdstuk: Voorverkoop van een afgesproken maat / gewicht

37. Het boek van voorkeursrecht [Ash-Shuf`ah = het recht van dwangmatige aankoop voor een bestaande partner ten opzichte van nieuwe partner tegen de prijs die hij betaald heeft]

Hoofdstuk: Het voorkeursrecht wordt aan de partner voorgelegd
Hoofdstuk: Wie de dichtstbijzijnde buur is

38. Het boek van huur [Idjaarah]

Hoofdstuk: Over huur
Hoofdstuk: Schapen hoeden in ruil voor een paar muntstukken
Hoofdstuk: Tewerkstelling vanaf de namiddag tot de nacht
Hoofdstuk: Als iemand een arbeider inhuurt die zijn loon niet neemt, en de inhuurder investeert dit en het neemt toe
Hoofdstuk: Een vergoeding geven voor Rugyah
Hoofdstuk: Het verhuren van mannetjesdieren [om vrouwtjes te bevruchtem]

39. Het boek van schuldoverdrachten [Hawaalaat (ev. Hawaalah) _ het overgaan van een schuld van de ene schuldenaar naar een andere schuldenaar]

Hoofdstuk: Als zijn schuld wordt overgedragen aan een rijk persoon, dient hij dit niet te weigeren
Hoofdstuk: Het is toegestaan dat de schuld van een overledene word overgenomen door een ander
Hoofdstuk: De Uitspraak van Allah: (En ook aan degenen met wie jullie een eed [van broederschap] hebben afgesloten, geef hen hun aandeel [in de vorm van een wilstestament])
Hoofdstuk: Wie de schuld van een overleden persoon op zich neemt, dient dit te volbrengen

40. Het boek van machtiging / vertegenwoordiging [Wakaalah = dat een persoon een ander persoon namens zichzelf aanstelt in algemene of specifieke zin]

Hoofdstuk: Het machtigen van een partner
Hoofdstuk: Als de herder of gemachtigde een ooi dood ziet gaan of iets ziet verpesten, mag hij datgene waarvan hij vreest dat het doodgaat of verpest slachten of corrigeren
Hoofdstuk: Machtigen voor het aflossen van schulden
Hoofdstuk: Het is toegestaan als men iets schenkt aan de gemachtigde of tussenpersoon van anderen
Hoofdstuk: Als men een ander machtigt en de gemachtigde laat iets met instemming van de machtiger, dan is dat toegestaan
Hoofdstuk: Als de gemachtigde iets verdorven koopt, is zijn koop ongeldig
Hoofdstuk: Machtigen in de uitvoering van islamitische straffen

41. Het boek van overleveringen omtrent ploegen en verbouwen

Hoofdstuk: De verdienste van verbouwing en beplanting
Hoofdstuk: Waarschuwing voor de gevolgen van het gebruik van ploegmateriaal of het overtreden van de grens die daaraan is opgelegd
Hoofdstuk: Het aanschaffen van ecu hond voor het ploegen
Hoofdstuk: Het gebruiken van koeien voor het ploegen
Hoofdstuk: Als men vraagt om hem het onderhoud van palmbomen te besparen
Hoofdstuk: Deelpacht voor de helft
Hoofdstuk: De religieuze schenkingen van de metgezellen van de Profeet en de afdrachtplichtige gronden, deelpacht en arbeid in ruil voor een deel van de opbrengst
Hoofdstuk: Wie braakland tot leven brengt
hoofdstuk: Hoe de metgezellen van de Profeet elkaar lieten deelnemen in de verbouwing en de vruchten

42. Het boek van Musaaqaah [een transactie waarbij bomen volgens afspraak worden bevloeid in ruil voor een deel van de vruchten]

Hoofdstuk: Over waterverdeling
Hoofdstuk: Wie beweert dat de waterbezitter rechthebbender is op bet water totdat hij gelest is
Hoofdstuk: Redetwisten om een put en rechtspraak hierover Hoofdstuk: De zonde van wie een reiziger weerhoudt van water Hoofdstuk: De verdienste van het te drinken geven van water
Hoofdstuk: Wie vindt dat de eigenaar van een bassin of een kruik rechthebbender is op zijn water
Hoofdstuk: Er is geen priv weidegrond [Himaal], behalve voor Allah en voor Zijn Boodschapper
Hoofdstuk: Het drinken van mensen en dieren uit rivieren
Hoofdstuk: Het verkopen van hout en gras
Hoofdstuk: Landtoewijzing
Hoofdstuk: Als men een doorgang of aandeel bezit in een tuin of dadelboomgaard

43. Het boek van het schulden maken, aflossen van schulden, beslaglegging en faillissement

Hoofdstuk: Wie het geld van de mensen neemt met de intentie om het terug te betalen of te bederven
Hoofdstuk: Het aflossen van schulden
Hoofdstuk: Aflossing op de beste wijze
Hoofdstuk: Bidden voor wie een schuld heeft achtergelaten
Hoofdstuk: liet verbod op het verspillen van rijkdom

44. Het boek van ruzies

Hoofdstuk: Wat is genoemd over personen en ruzie tussen een moslim en een jood
Hoofdstuk: Ruzinde personen olie over elkaar praten

45. Het boek van gevonden voorwerpen
Hoofdstuk: Ms de eigenaar van het gevonden object hem het kenmerk kan beschrijven, krijgt hij het terug
Hoofdstuk: Als men een dadel vindt op de weg

46. Het boek van ongerechtigheden

Hoofdstuk: De vergelding van ongerechtigheden
Hoofdstuk: De Uitspraak van Allah: (Voorzeker, de Vloek van Allah over de onrechtplegers)
Hoofdstuk: Een moslim doet een andere moslim geen onrecht aan en hij geeft hem niet over
Hoofdstuk: Help jouw broeder ongeacht of hij onderdrukker of onderdrukt is
Hoofdstuk: Onrecht manifesteert zich in donkcrtes tijdens de Opstandingsdag
Hoofdstuk: Als men een ander een ongerechtigheid heeft aangedaan en hij heeft hem dit vergeven, moet hij dan zijn ongerechtigheid nog verduidelijken?
Hoofdstuk: Wie ook maar enig onrecht pleegt inzake grond
Hoofdstuk: Als men een ander ergens toestemming voor geeft, dan is dat toegestaan
Hoofdstuk: De Uitspraak van Allah % (En hij is de meest twistzieke van de tegenstanders)
Hoofdstuk: De zonde van wie onterecht redetwist terwijl hij dat weet
Hoofdstuk: De vergelding van degene die onrecht is aangedaan als hij de rijkdom van zijn onrechtpleger aantreft
Hoofdstuk: Laat een huur zijn buur niet ervan weerhouden om een houten
pen in zijn muur te steken 592 1loofdstuk: Binnenplaatsen van huizen en erin zitten en het zitten langs de wegen
Hoofdstuk: Als men ruziet over een publieke weg
Hoofdstuk: Het verbod op beroving en verminking
Hoofdstuk: Wie strijdt omdat hij zijn rijkdom beschermt
Hoofdstuk: Wie andermans kom of dergelijke breekt

47. Het boek van partnerschap

Hoofdstuk: Partnerschap in voedsel, nand [het hij elkaar brengen van de uitgaven van de gezamenlijke reizigers] en overige goederen
Hoofdstuk: de verdeling van schapen
Hoofdstuk: Het rechtvaardig waarderen van zaken tussen partners
Hoofdstuk: Het trekken van loten vanwege een verdeling
Hoofdstuk: Partnerschap in voedsel en andere zaken

48. Het boek van onderpand

Hoofdstuk: Een als onderpand gegeven dier mag worden bereden en gemolken
Hoofdstuk: Als de onderpandgever en de onderpandnemer van menig verschillen

49. Het boek van vrijlating en zijn verdienste

Hoofdstuk: Vrijlating en zijn verdienste
Hoofdstuk: Wat de beste soort van vrijlating is
Hoofdstuk: Als men een slaaf bevrijdt die van twee meesters is of een slavin die van meerdere partners is
Hoofdstuk: Bij wijze van fout of vergeetachtigheid vrijlaten, scheiden en dergelijke
Hoofdstuk: Als men tegen zijn slaaf zegt dat hij voor Allah is, niet de intentie van vrijlating; en het laten getuigen in vrijlating
Hoofdstuk: Vrijlating van een veelgodenaanbidder
Hoofdstuk: Wie Arabische slaven bezit
Hoofdstuk: De afkeurenswaardigheid van het neerkijken op slaven
Hoofdstuk: Als je bediende jouw eten brengt
Hoofdstuk: Als men een slaaf slaat, dient hij het gezicht te vermijden
Hoofdstuk: De toegestane voorwaarden van een mukaatab [een slaaf die met zijn meester een contract heeft afgesloten dat hij hem een bepaald bedrag betaalt in ruil voor zijn vrijheid]

Voorwoord van de vertaler

In de Naam van Allah, de Erbarmer, de Barmhartige.
Alle lof komt toe aan Allah. Hem loven wij en Hem vragen wij om hulp en vergeving. Wij zoeken bescherming bij Allah tegen het kwaad van onze zielen en tegen onze slechte daden. Wie Allah leidt, kent geen misleider. En wie Hij op een dwaalspoor brengt, kent geen leider.
tic getuig dat er geen ware god is, behalve Allah alleen: Hij heeft geer En ik getuig dat Mohammad Zijn dienaar en Zijn boodschapper is. Moge de vrede en zegeningen van Allah met hem zijn familie en zijn metgezellen zijn.

Vervolgens dit:

Voor u ligt het eerste deel van de Nederlandse vertaling van een verzameling overleveringen uit Sahieh Al-Boekharie. Dit werk is een vertaling var de compilatie van Al-Imaam Zain-ud-Dien Ahtnad Ibn `Abdil-Latief Az Zabiedie. Hij heeft in zijn verzameling - zoals hij zelf aangeeft in zijr voorwoord - de meeste overleveringen uit Sahieh AI-Boekharie overgen(men, met weglating van herhaalde overleveringen. Hij heeft de ketens va overleveraars weggelaten, om het terugvinden van de overlevering te ver gemakkelijken. Herhaalde overleveringen heeft hij alleen opgenomen als de herhaling een toevoeging bevat. Hierdoor is de strekking van het oorspror kelijke boek bewaard gebleven.

De overleveringen uit Sahieh All-Boekharie zijn door de Islamitische nat: als authentiek geaccepteerd en aangenomen. Sahieh Al-Boekharie is nip voor niets samen met Sahieh Muslim het meest authentieke boek na de qor'aan.

In deze vertaling zijn voetnoten en toevoegingen tot het minimale beperk Alleen waar de noodzaak om een verwijzing, voetnoot of uitleg evider was, is deze toegevoegd.

Ondanks dat deze vertaling met de grote nauwkeurigheid tot stand is g komen, blijft het een menselijke inspanning. Daarom is het onontkomelijk dat het werk altijd beter kan. Mocht u daarom op- of aanmerkingen, sugesties of tips voor verbetering hebben, waarmee wij in volgende versies rekening kunnen houden, dan ontvangen wij die graag van u. U kunt ons bereiken via dit email-adres:

ahpublicaties@gmail.com

Wij hopen dat u veel profijt uit dit belangrijke werk zult halen. Wij vragen Allah tot slot om dit werk van ons te accepteren. Ook vragen wij Hem om het uitbrengen van het laatste deel van deze serie te vergemakkelijken en te bespoedigen.

De vertaler:

Mohamed Bendaoud

1. Het boek van het begin van de openbaring aan de Boodschapper van AllahSallalahu 'alaihi wasalam

Top II
Hoofdstuk: Hoe het begin van de openbaring aan de Boodschapper van AllahSallalahu 'alaihi wasalam was en de Uitspraak van Allah: (Voorwaar, Wij hebben aan jou geopenbaard net zoals Wij aan Noeh [Noach] en de profeten na hem heb geopenbaard)
1. Overgeleverd van 'Omar Ihn AlKhattaab is dat de Profeet heeft gezegd: "De daden worden bepaald door de intenties en aan elk mens komt datgene toe wat in zijn intentie ligt. Dus wie emigreen om een werelds doel te behalen of om een vrouw te huwen, dan is zijn emigrade voor datgene waarvoor hij gemigreerd is."

2. Overgeleverd van `Aaichah is dat A1-Haarith Ibn Hishaam aan de Profeet vroeg: `Hoe komt de openbaring tot u?'

Hierop antwoordde de Boodschapper van AllahSallalahu 'alaihi wasalam: "Soms komt zij tot mij als het rinkelen van een bel. Dit ervaar ik als de zwaarste vorm [van openbaring]. Deze staat houdt pas op nadat ik heb bevat wat hij [de engel] heeft gezegd. Soms komt de engel echter tot mij in de gedaante van een man en spreekt tot mij. Ook dan bevat ik wat hij heeft gezegd." `Aaichah zei: `Ik heb gezien dat de openbaring op hem neerdaalde op een ijskoude dag. Toen deze staat ophield, stroomde het zweet van zijn voorhoofd.'

3. Overgeleverd van `Aaichah de moeder van de gelovige is dat zij heeft gezegd: `Het eerste waarmee de openbaring aan de Boodschapper van Allah is begonnen was [in de vorm van] goede dromen tijdens zijn slaap. Elke droom die hij zag, kwam uit net zoals de dageraad aanbreekt. Vervolgens kreeg hij liefde voor afzondering. Hij zonderde zich af in de grot Hiraa'. Hij had de gewoonte om daarin meerdere nachten achter elkaar in aanbidding door te brengen, voordat hij naar zijn familie verlangde. Hij had de gewoonte om zich hiervoor te voorzien van genoeg voedsel. Vervolgens keerde hij terug naar [zijn echtgenote] Khadiedjah en nam weer zijn voedselvoorziening mee. Totdat de Waarheid tot hem kwam, terwijl hij zich in de grot Hiraa' bevond. De engel kwam naar hem toe en zei: `lees.' Hij antwoordde: "Ik kan niet lezen." Hij zei: "Daarop greep hij [de engel] mij en perste mij hard totdat ik het niet meer kon veriragen. Vervolgens liet hij me los." Hij [de engel] zei weer: `lees.' Ik antwoordde: "Ik kan niet lezen." "Daarop greep hij [de engel] mij een tweede keer en perste mij hard totdat ik het niet meer kon verdragen. Vervolgens liet hij me los." Hij [de engel] zei weer: `lees.' Ik antwoordde: "Ik kan niet lezen." "Daarop greep hij [de engel] mij en perste mij een derde keer. Vervolgens liet hij mij los en zei: (Lees! In de Naam van jouw Heer Die heeft geschapen. Hij heeft de mens geschapen uit een klonter. Lees! En jouw Heer is de Meest Edelmoedige.) [Soerah Al-Alaq (96):1-31. De Boodschapper van AllahSallalahu 'alaihi wasalam keerde er daarna mee terug terwijl zijn hart beefde. Hij kwam binnen bij Khadiedjah bint Khuwaylid en zei: "Bedek mij! Bedek mij!" Hij werd bedekt totdat zijn angst voorbij was. Nadat hij aan Khadiedjah had verteld wat er was gebeurd, zei hij "Ik vrees voor mezelf." Khadiedjah antwoordde hem: `Welnee! Bij Allah, Allah zal jou nooit te schande maken. Jij haalt de familiebanden aan, helpt de behoeftige, geeft aan de arme, bent gastvrij voor je genodigde en reikt een helpende hand aan in rampspoed.' Hierop vertrok Khadiedjah met hem totdat zij hem bracht bij Waraqah Ibn Nawfal Ibn Asad lbn `Abdil-`Uzzaa, de neef van vaderskant van Khadiedjah. Hij werd christen tijdens de periode van onwetendheid en had de gewoonte om te schrijven in het Hebreeuwse schrift. Hij schreef uit het evangelie in het Hebreeuws net zoveel als Allah voor hem wenste om te schrijven. Hij was een oude man die blind was geraakt. Khadiedjah zei tegen hem: `0 neef van vaderskant, Luister naar wat de zoon van je broer te vertellen heeft.' Waraqah vroeg hem: `0 zoon van mijn broer, wat heb je gezien?' De Boodschapper van AllahSallalahu 'alaihi wasalam vertelde hem het verhaal van wat hij had meegemaakt. Waraqah reageerde hierop: Dit is degene [die de geheimen bewaart, d.w.z. de engel Djibriel] die Allah naar Moesaa [Mozes] heeft neergezonden. Was ik maar jong en leefde ik maar als jouw volk je zal verdrijven.' De Boodschapper van AllahSallalahu 'alaihi wasalam vroeg: "Zullen zij mij dan verdrijven?" Hij antwoordde: 'Jazeker. Elke man die is gekomen met wat lijkt op datgene waarmee jij bent gekomen is vijandig bejegend. Als ik die dag mee zal maken, zal ik jou krachtig bijstaan.' Korte rijd later overleed Waragah en werd de openbaring ook voor een periode onderbroken.

4. Overgeleverd van Djaahir Ibn `Abdillaah is dat hij vertelde over de periode waarin de openbaring werd onderbroken. Hij vertelt de volgende overlevering van de Profeet: "Terwijl ik liep, hoorde ik plotseling een stem uit de hemel. Ik hief mijn hoofd op en zag de engel die tot mij was gekomen in [de grot] Hiraa', zittend op een stoel tussen de hemel en de aarde. Ik werd bang van hem, kwam terug [naar huis] en zei: "Bedek mij! Bedek mij!" Hierop openbaarde Allah In: (0 jij in kleding ommantelde [Mohammad]! Sta op en waarschuw. En verheerlijk jouw Heer. En reinig jouw kleren. En blijf verwijderd van de gruwel.) !Soerah Al-Muddathir (74):1-51. Vervolgens werd de openbaring heviger en kwam opeenvolgend."

5. Overgeleverd van Ibn 'Abbaas is dat hij het volgende heeft gezegd over dit vers: (Beweeg jouw tong er niet mee om er haast mee te maken) [Soerah Al-Qiyaamah (75):16. Hij heeft hierover gezegd: 'De Bood schapper van Allah ontving de openbaring met moeite en hevigheid, terwijl hij zijn lippen erbij bewoog.' Ibn `Abbaas zei: `Ik beweeg mijn lippen nu voor jullie net zoals de Boodschapper van AllahSallalahu 'alaihi wasalam zijn lippen bewoog. Hierop openbaarde Allah (Beweeg jouw tong er niet mee om er haast mee te maken. Het is aan Ons om het te verzamelen en jou in staat te stellen om het te reciteren.) [Soerah AI-Qiyaamah (75):16,17].' Ibn `Abbaas zei: Wat betekent: `het verzamelen in jouw borst [memoriseren], opdat jij het kan reciteren. (En als Wij het aan jou gereciteerd hebben [middels de engel Djibriel], volg dan zijn recitatie) [Soerah A1-Qiyaamah (75):18]. Wat betekent: `hoor het aan en luister ernaar.' (Vervolgens is het aan Ons om het duidelijk te maken [voor jou].) [Soerah Al-Qiyaarnah (75):19]. Wat betekent: `vervolgens is het aan Ons dat jij hem reciteert' Daarna was het zo dat als Djibriel bij de Boodschapper van AllahSallalahu 'alaihi wasalam kwam, hij naar hem luisterde. Als Djibriel vervolgens vertrok, reciteerde de Profeet hem net zoals hij hem had gereciteerd.'

6. Van hem (Ibn `Abbaas) is ook overgeleverd dat de Boodschapper van AllahSallalahu 'alaihi wasalam de meest vrijgevige persoon was. Het meest vrijgevig was hij tijdens de [maand] ramadhaan als Djibriel hem ontmoette. Djibriel ontmoette hem gewoonlijk tijdens elke nacht van de ramadhaan, waarin hij hem de Qor'aan onderwees. De Boodschapper van AllahSallalahu 'alaihi wasalam was - als Djibriel hem ontmoette - vrijgeviger met het goede dan de gunstige wind. [3220]

7. Van hem (Ibn 'Abbaas) is ook overgeleverd dat Abu Sufvaan Ibn Harb hem heeft verteld: dat Heracles naar hem zond terwijl hij onderdeel was van een karavaan van Quraish. Zij waren namelijk handelaren in de Levant in de periode dat de Boodschapper van AllahSallalahu 'alaihi wasalam een bestand had met Abu Sufyaan en de ongelovigen van Quraish. Zij gingen dus naar waar hij zich bevond in Iliyaa [Jeruzalem]. Hij nodigde hen uit en om hem heen bevonden zich de prominenten van de Romeinen. Hij riep hen en een vertaler bij zich en zei: 'Wie van jullie is het meest verwant aan deze man die beweert dat hij een Profeet is?' Zij antwoordden: `Abu Sufvaan.' En ik zei: 'Ik ben onder hen het meest verwante familielid van hem.' Hierop zei hij: `Laat hem dichter bij mij komen en laat zijn meigezellen achter zijn rug staan.' Vervolgens zei hij tegen zijn vertaler: `Zeg tegen hen dat ik deze man zal vragen over die man.

Als hij tegen mij liegt, verloochen hem dan.' [Abu Sufvaan zei:] Bij Allah, als het niet de schaamte was dat zij een leugen over mij zouden kunnen navertellen, dan had ik over hem gelogen. Het eerste waar hij mij over vroeg was: `Hoe staat zijn afkomst bij jullie bekend?' Ik antwoordde: `Hij heeft een goede afkomst onder ons.' Hij vroeg: 'Heeft ooit iemand van jullie vr hem hetzelfde beweerd als hij nu doet?' lk antwoordde: 'Nee.' Hij vroeg: Was iemand van zijn voorvaderen koning?' Ik antwoordde: 'Nee.' Hij vroeg: 'Zijn zijn volgelingen de nobelen of de zwakkeren onder hen?' lk antwoordde: 'De zwakkeren onder hen.' Hij vroeg: 'Nemen zij toe in aantal of nemen zij af?' lk antwoordde: 'Zij nemen toe.' Hij vroeg: `Is het zo dat iemand van hen afvallig wordt uit onvrede over zijn religie, nadat hij zich ertoe bekeert?' ik antwoordde: 'Nee.' Hij vroeg: 'Betichtten jullie hem van leugens voordat hij datgene beweerde wat hij nu beweert?' Ik antwoordde: `Nee.' Hij vroeg: `Bedriegt hij?' Ik antwoordde: `Nee, maar wij bevinden ons nu in een periode waarvan wij niet weten wat hij erin zal doen.' Hij [Abu Sufyaan] heeft gezegd: `Ik had bij geen enkel antwoord de mogelijkheid om iets [negatiefsI toe te voegen, behalve bij dit antwoord.' Hij vroeg: 'Bestrijden jullie hem.' Ik antwoordde: Ja.' Hij vroeg: `Hoe hebben jullie hem bestreden?' lk antwoordde: 'De oorlog tussen hem en ons is afwisselend. Hij treft ons en wij treffen hem.' Hij vroeg: Wat vraagt hij van jullie?' lk antwoordde: `Hij zege "Aanbid Allah alleen en ken geen enkele deelgenoot aan Hem toe en verlaat wat jullie ouders zeiden." Hij gebiedt ons het gebed, de zakaat, eerlijkheid, de deugd en het onderhouden van de familiebanden.' Hij beval toen zijn vertaler om tegen hem te zeggen:

'Ik vroeg jou over zijn afkomst en jij vertelde dat hij van goede afkomst is. Dit geldt evenzo voor de Boodschappers: zij worden ook gezonden uit de mensen van hun volk met een goede afkomst. Ik vroeg jou of iemand van jullie ooit hetzelfde heeft beweerd als hij nu doet en jij vertelde van niet. Ik dacht namelijk bij mezelf als iemand anders vr hem hetzelfde zou hebben beweerd, dan had ik gezegd dat hij een man is die een voorbeeld neemt aan iets dat reeds vr hem beweerd is.' Ik vroeg jou ook of iemand van zijn voorvaderen koning was en jij antwoordde van niet. Ik dacht namelijk bij mezelf als iemand van zijn voorvaderen koning was geweest, dan had ik gezegd dat hij een man is die het koninkrijk van zijn vader claimt.' Ik vroeg jou of jullie hem hebben beticht van leugens voordat hij datgene beweerde wat hij nu beweert en jij antwoordde van niet. Ik weet namelijk dat het niet zo kan zijn dat hij niet zou liegen over mensen, maar wel zou liegen over Allah. En ik vroeg jou of hij wordt gevolgd door de nobele mensen of door de zwakke mensen en jij antwoordde dat de zwakkeren hem volgen. Dat zijn nou net de volgelingen van de Boodschappers. Ik vroeg ou of zij in aantal toenamen of afnamen en jij antwoordde dat zij toenamen. Zo is het altijd gesteld met geloof, totdat het compleet is. lk vroeg jou of het zo is dat iemand van hen afvallig wordt uit onvrede over zijn religie, nadat hij zich ertoe bekeert. Jij antwoordde van niet.

Dit geldt altijd voor geloof als zijn vreugde zich met ic harten vermengt. Ik vroeg jou of hij bedriegt en jij vertelde van niet. Dit geldt evenzo voor de Boodschappers: zij beiriegen niet. Ik vroeg jou wat hij van jullie vraagt en jij vertelde dat hij jullie gebiedt om Allah alleen te aanbidden en dat jullie zeen enkele deelgenoot aan Hem toekennen. Hij verbiedt jullie het aanbidden van afgoden. Hij gebiedt jullie het gebed, eerlijkheid en de deugd. Als het waar is wat jij zegt, dan zal hij heersen over de plek waar nu mijn beide voeten op staan. lk heb namelijk altijd al geweten dat hij zou verschijnen, maar ik had nooit gedacht dat hij uit jullie voort zou komen. Als ik zou weten dat ik bij hem zou kunnen komen, dan had ik ontberingen doorstaan om hem te ontmoeten. Als ik uiteindelijk bij hem zou zijn, zou ik zelfs zijn voeten wassen. Vervolgens liet hij de brief van de Boodschapper van AllahSallalahu 'alaihi wasalam brengen, die hij had meegezonden met Dihyah Al-Kalbi naar de heerser van Busra. Hij stuurde hem echter door naar Heracles. Hij las de brief waarin stond: `In de Naam van Allah, de Erharmer, de Barmhartige. Van Mohammad, de dienaar van Allah en Zijn Boodschapper, aan Heracles de heerser van de Romeinen. Vrede zij met wie de Leiding volgt. Vervolgens dit: ik nodig u uit naar de uitnodiging van de Islaam.

Word moslim en u zult veilig zijn en Allah zal u uw beloning tweemaal doen toekomen. Als u zich echter afkeert, dan rust op u de zonde van de boeren en: (0 lieden van de schrift: kom tot een gelijkwaardig woord tussen ons en tussen jullie, dat wij niemand aanbidden behalve Allah en dat wij niets als deelgenoot aan Hem toekennen. En dat wij elkaar niet als heren naast Allah plaatsen. Als zij zich vervolgens afkeren, zeg dan: `Getuig dat wij moslims zijn.') Soerah Aal-lmraan (3):64].' Abu Sufyaan vertelt: `Nadat hij klaar was met spreken en de brief had gelezen, nam het tumult bij hem toe en verhieven de stemmen zich. Wij werden naar buiten geleid. Toen wij buiten waren, zei ik tegen mijn mensen: `De zaak van Ibn Abi Kabshah [sarcastische verwijzing naar de Profeet is zo groot geworden dat zelfs de koning van de gele afstammelingen [de Romeinen] hem vreest.' Ik bleef vervolgens overtuigd van het feit dat hij zou overwinnen, totdat Allah mij de islaam het binnentreden.' Ibn An-Natur, de heerser van Iliyaa en de vriend van Heracles, was het hoofd van de christenen van de Levant. Hij [Ibn An-Natur] vertelt dat toen Heracles aankwam in Iliyaa, hij op een dag met een slecht gevoel wakker werd. Sommigen van zijn patriciers zeiden: Waarom is jouw gelaatsuitdrukking zo afkeurenswaardig?'

Ibn An-Natur vertelt dat Heracles een waarzegger en astroloog was. Toen zij hem die vraag stelden, antwoordde hij: `Toen ik afgelopen nacht naar de sterren keek, zag ik dat de koning van hen die zich besnijden aan de winnende hand is. Wie besnijdt zich eigenlijk van deze natie?' Zij antwoordden: `Niemand besnijdt zich, behalve de joden. Maak je maar geen zorgen om hen. Schrijf naar de steden van jouw koninkrijk en laat hen alle joden daarin doden.' Terwijl zij met dit gesprek bezig waren, werd er een man bij Heracles gebracht, die was gezonden door de koning van Ghassaan. Hij vertelde hem het nieuws van de Boodschapper van AllahSallalahu 'alaihi wasalam. Nadat Heracles hem had uitgehoord, zei hij: `Ga en kijk of hij [de man] besneden is of niet.' Nadat zij hem hadden bekeken, vertelden zij hem dat hij besneden was. Hij vroeg hem over de Arabieren en hij vertelden hem dat zij zich besneden. Hierop zei Heracles: `Hierbij is de heerschappij van deze natie [de Arabieren] naar buiten gekomen.' Vervolgens schreef Heracles naar een vriend van hem in Rome, die zijn gelijke was in kennis. Daarna vetrok Heracles naar Hims. Heracles was nog niet vetrokken naar Hims toen hij een brief ontving van zijn vriend, waarin hij de mening van Heracles deelde van de opkomst van de Profeet en dat hij daadwerkelijk een Profeet was. Hierop nodigde Heracles de prominenten onder de Romeinen uit naar een kasteel van hem in Hims te komen. Hij liet de deuren sluiten en sprak hen van bovenaf toe: `O Romeinen, als jullie verlangen naar succes en leiding en het bevestigen van jullie heerschappij, geef dan de belofte van trouw aan deze Profeet.' Hierop renden zij als ontsnapte wilde ezels naar de deuren. Zij troffen deze echter gesloten aan. Toen Heracles hun afkeer zag en zijn hoop op hun geloof had opgegeven, zei hij: `Stuur hen terug naar mij.' Daarna zei hij: `Wat ik zonet zei was alleen maar om te testen hoe sterk jullie overtuiging is en ik heb die gezien.' Hierop knielden zij voor hem en waren tevreden met hem. Hiermee eindigt het verhaal van Heracles.

2. Het boek van geloof

Top I
Hoofdstuk: De uitspraak van de Profeet: "De islaam is op vijf [zuilen] gebouwd."
8. Overgeleverd van Ibn 'Omar is dat de Boodschapper van AllahSallalahu 'alaihi wasalam heeft gezegd: "De islaam is op vijf (zuilen] gebouwd: de getuigenis dat er geen ware god is behalve Allah en dat Mohammad de Boodschapper van AllahSallalahu 'alaihi wasalam is, verrichten van het gebed, geven van zakaat, de bedevaart en vasten tijdens de [maand] ramadhaan."

Hoofdstuk: De zaken van het geloof
9. Overgeleverd van Abu Hurairah is dat de Boodschapper van AllahSallalahu 'alaihi wasalam heeft gezegd: "Al-Imaan [geloof] bestaat uit zestig en nog wat takken. En schaamte is ook een tak van Al-lmaan."

Hoofdstuk: De moslim is degene voor wiens tong en hand de moslims veilig zijn
10. Overgeleverd van `Abdullaah Ibn 'Amr is dat de Boodschapper van AllahSallalahu 'alaihi wasalam heeft gezegd: "De moslim is degene voor wiens tong en hand de moslims veilig zijn. En de emigrant is degene die datgene verlaat wat Allah heeft verboden."

Hoofdstuk: Wiens Islaam de beste is
11. Overgeleverd van Abu Moesaa is dat men vroeg: `O Boodschapper van AllahSallalahu 'alaihi wasalam, wiens Islaam is de beste?' Hij antwoordde: `Van degene voor wiens rong en hand de moslims veilig zijn."

Hoofdstuk: Anderen voeden behoort tot de Islaam
12. Overgeleverd van `Abdullaah Ibn Amr is dat een man de Boodschapper van AllahSallalahu 'alaihi wasalam vroeg: Wat is het beste [uit de] Islaam?' Hij antwoordde: "Dat je [anderen] te eten geeft en dat je de vredesgroet [Salaam] uitspreekt tegen degenen die je kent en degenen die je niet kent"

Hoofdstuk: Onderdeel van het geloof is dat men voor zijn broeder hetzelfde wenst als voor zichzelf
13. Overgeleverd van Anas is dat de Profeet heeft gezegd: "Niemand van Jullie gelooft [volledig] totdat hij voor zijn iroeder hetzelfde wenst als [wat hij wenst] zichzelf."

Hoofdstuk: Liefde voor de Boodschapper is onderdeel van het geloof
14. Overgeleverd van Abu Hurairah is dat de Boodschapper van AllahSallalahu 'alaihi wasalam heeft gezegd: "Bij Degene in Wiens Hand mijn ziel ligt, niemand van jullie gelooft [volledig] totdat ik hem meer lief hen dan zijn vader en zijn kind."

15. Overgeleverd van Anas is dat de Profeet heeft gezegd: "Niemand van jullie gelooft [volledig] totdat ik hem meer lief ben dan zijn vader, kind en alle [andere] mensen.

Hoofdstuk: De zoetheid van het geloof
16. Overgeleverd van Anas is dat de Profeet heeft gezegd: "Wie drie [kwaliteiten] bezit zal de zoetheid van het geloof proeven: dat Allah en Zijn Boodschapper hem meer lief zijn dan al het andere; dat hij van een persoon houdt en dat deze liefde voor hem alleen omwille van Allah is; en dat hij er een afkeer van heeft om terug te keren naar ongeloof, net zoals hij er een afkeer van heeft om in het vuur geworpen te worden."

Hoofdstuk: Teken van het geloof is liefde voor de Ansaar
17. Overgeleverd van Anas is dat de Profeet heeft gezegd: `Bewijs van het geloof is liefde voor de Ansaar en bewijs van hypocrisie is het haten van de Ansaar."

Overgeleverd van `Ubaadah Ibn Assaamit is dat de Boodschapper van A1laah heeft gezegd, terwijl een groep van zijn metgezellen om hem been waren: "Geef mij de belofte van trouw dat: jullie niets en niemand als deelgenoot [in de aanbidding] aan Allah toekennen; dat jul1ie niet stelen; dat jullie geen onwettige seksuele gemeenschap hebben; dat jullie je kinderen niet vermoorden; dat jullie niet met een leugen [laster] komen die jullie opzettelijk vertellen; en dat jullie niet ongehoorzaam zijn in [de verrichting van alle] goede daden. Wie van jullie dit alles vervult, zal beloond worden door Allah. En wie iets hiervan [het genoemde] begaat ervoor wordt gestraft in deze wereld, dan zal dit voor hem een boetedoening zijn. En wie iets hiervan begaat en Allah verbergt dit voor hem, dan is het aan Allah: als Hij wil vergeeft Hij hem en als Hij wil straft Hij hem." Wij gaven hem vervolgens deze belofte van trouw.

Hoofdstuk: Onderdeel van de religie is het vluchten voor beproevingen
19. Overgeleverd van Abu Sa`ied Al-Khudrie is dat de Boodschapper van AllahSallalahu 'alaihi wasalam heeft gezegd: "De tijd nadert dat beste eigendom van een moslim het houden van schapen is, waarmee hij bergtoppen en plekken van regenval (valleien) navolgt. Hij vlucht hiermee met zijn religie voor beproevingen."

Hoofdstuk: De uitspraak van de Profeet: "Ik heb van jullie de meeste kennis over Allah."
20. Overgeleverd van `Aaichah is dat zij heeft gezegd dat de Boodschapper van AllahSallalahu 'alaihi wasalam als hij hen iets gebood, hij hen datgene gebood wat zij aankunnen. Zij zeiden dan: `O Boodschapper van Allah, wij zijn niet met u te vergelijken. Allah heeft namelijk al uw voorgaande en aankomende zondes vergeven.' Hij werd dan zo boos dat de boosheid van zijn gezicht viel af te lezen. Hij zei dan: "Degene onder jullie die het meest godvrezend is voor en de meeste kennis heeft over Allah, dat ben ik."

Hoofdstuk: De mensen van geloof verschillen in gradatie vanwege hun daden
21. Overgeleverd van Abu Sa`ied Al-Khudrie is dat de Profeet heeft gezegd: "De mensen van het paradijs zullen het paradijs betreden en de mensen van het vuur zullen het vuur betreden. Vervolgens zal Allah zeggen: "Haal degenen uit het vuur naar buiten die in hun hart net zoveel als een mosterdzaadje aan geloof hadden." Zij zullen er dan zwart [verkooldj uitgehaald worden. Vervolgens zullen zij in de rivier van het leven geworpen worden. Zij zullen dan bloeien net zoals een zaadje bloeit in de rand van de stroming. Zien jullie niet dat het [zaadje] dan geel en kronkelig groeit?"

22. Overgeleverd van Abu Sa`ied Al Khudrie is dat de Boodschapper van AllahSallalahu 'alaihi wasalam heeft gezegd: "Terwijl ik sliep, zag ik dat de mensen aan mij werden getoond. Zij hadden lange gewaden aan, die bij sommigen tot aan de borst kwamen en bij anderen eronder. `Omar Ibn Al-Khattaab liep langs mij en hij droeg een lang gewaad dat hij over de grond sleepte." Wat is uw interpretatie van deze droom, 0 Boodschapper van AllahSallalahu 'alaihi wasalam?' Hij antwoordde: "Religie."

Hoofdstuk: Schaamte is onderdeel van het geloof
23. Overgeleverd van Ibn 'Omar is dat de Boodschapper van AllahSallalahu 'alaihi wasalam langs een man liep van de Ansaar, die zijn broeder berispte vanwege schaamte. De Boodschapper van AllahSallalahu 'alaihi wasalam zei toen: "Laat hem, want schaamte is onderdeel van het geloof."

Hoofdstuk: (Maar als zij berouw tonen, de Salaat verrichten en Zakaat geven, laat hun weg dan vrij.) [Soerah At-Tawbah (9):5]
24. Overgeleverd van `Abdullaah Ibn Omar is dat de Boodschapper van AllahSallalahu 'alaihi wasalam heeft gezegd: "Ik ben bevolen om de mensen te bestrijden, totdat zij getuigen dat er geen ware God is behalve Allah en dat Mohammad de Boodschapper van AllahSallalahu 'alaihi wasalam is, het gebed verrichten en de zakaat betalen. Als zij dat hebben gedaan, dan hebben zij hun bloed en eigendom tegen mij beschermd, behalve met hun recht. Hun afrekening is uiteindelijk aan Allah."

Hoofdstuk: Wie zegt dat geloof het verrichten van daden is
25. Overgeleverd van Abu Hurairah is dat de Boodschapper van AllahSallalahu 'alaihi wasalam werd gevraagd: `Wat zijn de beste daden?' Hij antwoordde: "Geloven in Allah en in Zijn Boodschapper." Men vroeg: Wat komt daarna?' Hij antwoordde: "Djihaad op de weg van Allah." Men vroeg: Wat komt daarna?' Hij antwoordde: "Een geaccepteerde hadj"

Hoofdstuk: Als de Islaam niet met ware overtuiging is omarmd
26. Overgeleverd van Sa`d Ibn Abi Waggaas is dat de Boodschapper van AllahSallalahu 'alaihi wasalam eens een aantal mensen wat gaf, terwijl Sa'd erbij zat. De Boodschapper van Allah sloeg echter een man over, die in mijn ogen de beste van hen was. Daarom zei ik: `O Boodschapper van AllahSallalahu 'alaihi wasalam, waarom heeft u hem overgeslagen? Bij Allah, in mijn ogen is hij een gelovige.' Hierop zei de Profeet : "Of een moslim?" lk zweeg even, maar ik werd weer overtroffen door wat ik van hete wist. Daarom herhaalde ik mijn woorden en zei: `O Boodschapper van AllahSallalahu 'alaihi wasalam, waarom heeft u hem overgeslagen? Bij Allah, in mijn ogen is hij een gelovige.' Hierop zei de Profeet: "Of een moslim?" Ik zweeg even, maar ik werd weer overtroffen door wat ik van hem wist. Daarom herhaalde ik mijn woorden en de Boodschapper van AllahSallalahu 'alaihi wasalam herhaalde zijn antwoord. Daarna zei hij: "0 Sa`d, ik geef iemand, terwijl ik een ander meer liefheb dan hem, uit angst dat Allah hem in het vuur zal werpen".'

Hoofdstuk: Ondankbaarheid aan de echtgenoot en verschillende gradaties van ongeloof
27. Overgeleverd van Ihn `Abbaas is dat de Profeet heeft gezegd: "Het vuur is aan mij getoond en de meererheid van zijn bewoners bestond uit vrouwen die ongelovig [d.w.z. ondankbaarj waren." Men vroeg: `Waren zij ongelovig in Allah?' Hij antwoordde: "Zij zijn echtgenoten ondankbaar en zij zijn de goedheid ondankbaar. Als je je hele leven goed doet tegen iemand van hen, maar zij ziet dan ook maar iets [wat zij afkeurt], zegt zij: `Ik heb nooit ook maar iets goeds van jou gezien'."

Hoofdstuk: Zondes zijn zaken van onwetendheid en degene die ze begaat is niet ongelovig, behalve door het plegen van veelgoderij
28. Overgeleverd van Abu Dharr is dat heeft gezegd: `Ik schold een man uit en beledigde hem met zijn moeder. De Boodschapper van AllahSallalahu 'alaihi wasalam zei toen tegen mij: "0 Abu Dharr, heb jij hem beledigd met zijn moeder? Jij bent een man [karakteristieken uit de periode van] onwetendheid in je. Deze mensen om jullie heen zijn jullie broeders. Allah heeft ze onder jullie beschikking geplaatst. Wie van jullie zijn broeder onder zijn beschikking heeft, laat hij hem dan voeden met hetgeen uzelf eet; en laat hij hem kleden met hetgeen uzelf kleedt; en draag hen niet op wat zij niet aankunnen; en als jullie hen dat wel opdragen, help hen daar dan hij".'

Hoofdstuk: (En als twee groepen onder de gelovigen met elkaar in een strijd verwikkeld raken, sticht dan vrede tussen beide) [Soerah Al-Hudjuraat (49):9]
29. Overgeleverd van Abu Bakrah dat hij de Boodschapper van AllahSallalahu 'alaihi wasalam heeft horen zeggen: "Als twee moslims elkaar treffen met hun zwaarden, dan gaat zowel de moordenaar als de vermoorde naar het vuur." Ik vroeg: `O Boodschapper van AllahSallalahu 'alaihi wasalam, dat is (verdiend] voor de moordenaar, maar hoe zit het met de vermoorde?' Hij antwoordde: "Hij was gespitst op het vermoorden van zijn vriend."

Hoofdstuk: Verschillende gradaties van onrecht
30. Overgeleverd van `Abdullaab Ibn Mas`ood is dat hij heeft gezegd: `Toen het volgende vers werd geopenbaard: (Het zijn degenen die geloven en hun geloof niet vermengen met onrecht) [Soerah Al-An`aam (6):82], zeiden de metgezellen van de Boodschapper van AllahSallalahu 'alaihi wasalam: Wie van ons heeft nooit onrecht gepleegd?' Hierop openbaarde Allah: (Veelgoderij [het aanbidden van anderen naast Allah] is zeker een groot onrecht) [Soerah Logmaan (31):13].'

Hoofdstuk: Het teken van de hypocriet
31. Overgeleverd van Abu Hurairah is dat de Boodschapper van AllahSallalahu 'alaihi wasalam heeft zezegd: "Er zijn drie tekenen [bewijzen] van een hypocriet: als hij spreekt, liegt hij; als hij belooft, verbreekt hij [zijn beloftej; als hij vertrouwd wordt, schendt hij het vertrouwen]."

32. Overgeleverd van `Abdullaah Ibn Amr is dat de Profeet heeft gezegd: "Wie vier eigenschappen bezit, is ten zuivere hypocriet en wie n van deze eigenschappen bezit, bezit een eigenschap van hypocrisie, totdat hij deze (eigenschap) achterwege laat: als hij vertrouwd wordt, schendt hij [het vertrouwen]; als hij ern verbintenis aangaat, bedriegt hij; en als redetwist, overschrijdt hij [de fatsoensnormen]."

Hoofdstuk: Het verrichten van vrijwillige gebeden tijdens de nacht van Al-Qadr is onderdeel van het geloof
33. Overgeleverd van Abu Hurairah is dat de Boodschapper van AllahSallalahu 'alaihi wasalam heeft gezegd: `Van wie opstaat in de nacht van AL-Qadr [om vrijwillige gebeden te verichten] uit geloof en hopend op beloning [van Allah], zullen al zijn voorgaande zonden worden vergeven."

Hoofdstuk: De religie is gemakkelijk
37. Overgeleverd van Abu Hurairah dat de Profeet heeft gezegd: "Religie is gemakkelijk. Iedereen die zichzelf overbelast in zijn religie zal erdoor worden overtroffen. Streef dus naar middelmatigheid en benadering [van perfectie] en verheug je op de beloning]. Help julliezelf [met coninuteit in aanbiddingen door deze te verichten] gedurende de ochtenden, de namiddagen en de laatste uren van de nachten."

Hoofdstuk: Het gebed is onderdeel van het geloof
38. Overgeleverd van Al-Baraa' Ibn `Aazib is dat de Profeet toen hij net aankwam in Al-Madienah, verbleef bij zijn voorouders - of zijn ooms van moederskant - van de Ansaar. Hij heeft zestien of zeventien maanden lang richting Bayt Ul-Magdis [Jeruzalem] gebeden. Hij wenste echter dat zijn gebedsrichting naar het Huis [de Ka`bah] zou zijn. Het eerste geDed dat hij [richting het Tuis] verrichtte, was het namiddaggebed [`asr]. Een groep mensen verrichtte samen met hem dit gebed. Hierop vertrok n man van de aanwezigen en kwam langs mensen in een moskee, terwijl zij gebogen in gebed stonden. Hij zei tegen hen: `Ik zweer bij Allah dat ik met de Boodschapper van AllahSallalahu 'alaihi wasalam in richting van Mekkah heb gebeden.' Hierop draaiden zij zich in dezelfde houding richting het Huis. De joden en de lieden van de schrift waren blij met het feit dat hij richting Jeruzalem bad. Toen hij zijn gezicht richting het Huis wendde, keurden zij dit af.'

Hoofdstuk: De persoon van goede Islaam
39. Overgeleverd van Abu Sa`ied Al-Khudrie is dat hij de Boodschapper van AllahSallalahu 'alaihi wasalam heeft horen zeggen: "Als een dienaar moslim wordt en een goede Islaam naleeft, zal Allah elke zonde die hij in het voorgaande heeft begaan, vergeven. Vanaf dat moment geldt vergelding: de goede daad wordt met het tienvoudige tot het zevenhonderdvoudige beloond. De slechte daad wordt eenvoudig aangerekend, behalve als Allah deze vergeeft."

Hoofdstuk: De meest geliefde religieuze daad bij Allah is de daad die volgehouden wordt
40. Overgeleverd van `Aaichah is dat de Profeet bij haar binnenkwam terwijl er een vrouw bij haar was. Hij vroeg: "Wie is dit?" Zij antwoordde die en die en zij vertelde dat zij veelvuldig het gebed verrichtte. Hij zei toen: "Zie daar van af. Verricht datgene wat jullie aankunnen, want bij Allah, Allah krijgt er geen genoeg van*, totdat jullie er genoeg van krijgen." Hij hield namelijk het meest van de religieuze daad die men volhield.'

* Voor de correcte interpretatie van deze woorden wil ik de lezer graag verijzen naar de uitleg van deze uitspraak, die veelvuldig door de geleerden is behandeld. Hiervoor kan men de betrouwbare boeken van Ahl-us-Soennah naslaan inzake kwesties die de Namen Eigenschappen van Allah betreffen. De vertaler]

Hoofdstuk: De toename en de afname van geloof
41. Overgeleverd van Anas is dat de Profeet heeft gezegd: "Het vuur zal verlaten worden door degene die heeft gezegd: `er is geen ware god behalve Allah,' terwijl er in zijn hart het gewicht van een gerstekorreltje aan goedheid [geloof] is. Het vuur zal ook verlaten worden door degene die heeft gezegd: `er is geen ware god behalve Allah,' terwijl er in zijn hart het gewicht van een tarwekorreltje aan goedheid [geloof] is. liet vuur zal ook verlaten worden door degene die heeft gezegd: `er is geen ware god behalve Alaah,' terwijl er in zijn hart het gewicht van ren atoomkorreltje aan goedheid [geloof]

42. Overgeleverd van 'Omar Ibn Al-Khattaab is dat een jood tegen hem zei: O leider van de gelovigen, er is een vers jullie Boek dat jullie reciteren. Als dit vers op ons, de joden, zou zijn neergedaald, dan hadden wij die dag als een feestdag aangemerkt.' Hij vroeg: 'Welk vers? Hij antwoordde: (Vandaag heb Ik jullie godsdienst voor jullie vervolmaakt en [heb Ik] Mijn gunst aan jullie gecompleteerd en [heb Ik] de Islaam voor jullie als godsdienst uitverkoren) [Soerah AI-Maa'idah (5):3].'
'Omar zei: Wij weten nog steeds op welke dag en op welke plek dit vers is neergezonden aan de Profeet. Hij stond namelijk op [de vlakte van] `Arafah op een vrijdag.'

Hoofdstuk: De zakaat is onderdeel van de Islaam
43. Overgeleverd van Talhah lbn `Ubaydillaah is dat hij heeft gezegd: 'Er kwam een ruigharige man uit Nadjd naar de Boodschapper van AllahSallalahu 'alaihi wasalam. Wij hoorden het geluid van zijn stem, maar konden niet begrijpen wat hij zei. Toen hij dichterbij kwam, bleek hij te vragen over de islaam. De Boodschapper van AllahSallalahu 'alaihi wasalam antwoordde: "Vijf gebeden tijdens de dag en de nacht" Hij vroeg: `Ben ik behalve deze tot meer gebeden] verplicht?' Hij antwoordde: "Nee, behalve als je vrijwillige gebeden wilt verrichten." De Boodschapper van AllahSallalahu 'alaihi wasalam zei: `Bovendien moet je tijdens de [maand] ramadhaan vasten." Hij vroeg: 'Ben ik behalve dit tot meer [vasten] verplicht?' Hij antwoordde: "Nee, behalve als je vrijwillig wilt vasten." Vervolgens noemde de Boodschapper van AllahSallalahu 'alaihi wasalam voor hem de zakaat. Hij vroeg: `Ben ik behalve dit tot meer [betalingen] verplicht?' Hij antwoordde: "Nee, behalve als je vrijwillige aalmoezen wilt geven." Hierop vertrok de man, terwijl hij zei: 'Bij Allah, ik zal niet meer cn niet minder dan dit doen.' De Boodschapper van AllahSallalahu 'alaihi wasalam zei toen: "Als wat hij zegt waar is, dan zal hij succesvol [in het paradijs zijn"!

Hoofdstuk: Het volgen van een uit vaart is onderdeel van het geloof
44. Overgeleverd van Abu Hurairah" is dat de Boodschapper van AllahSallalahu 'alaihi wasalam heeft gezegd: "Wie een uitvaart van een moslim uit geloof en hopend op beloning volgt totdar ervoor is gebeden en hij is begraven, dan keert hij terug met een beloning gelijk aan twee giraats. Elke giraat is geliikwaardig aan de berg Uhud. En wie ervoor bidt en vervolgens vertrekt alvorens hij begraven is, keert terug met een beloning gelijk aan n giraat."

Hoofdstuk: De moslim vreest dat zijn daden vruchteloos zullen zijn, zonder dat hij dat beseft
45. Overgeleverd van Abdullaah Ibn Mas`oed is dat de Profeet heeft gezegd: "Het uitschelden van een moslim is en [een daad van zware] zondigheid en hem strijden is [een daad van] ongeloof"

46. Overgeleverd van `Ubaadah Ibn As~Saamit is dat de Boodschapper van Allaaah naar buiten kwam om te vertelka over de nacht van Al-Qadr. Er onstond echter een ruzie tussen twee mannen van de moslims. Hierop zei hij: "Ik ben naar buiten gekomen om jullie op de op te brengen van de nacht van Al-Qadr. Die twee mannen hebben echter ruzie gekregen, waardoor zij is opgeheven [d.w.z. waardoor ik ben vergeten op welke dag zij valt]. Hopelijk is het [feit dat zij is opgeheven] zo beter voor jullie. Streef hem echter na op de zevende, de negende en de vijfde [d.w.z. 27e, 29e, 25"]

Hoofdstuk: Djibriel vraagt de Profeet over het geloof, de Islaam en Ihsaan
47. Overgeleverd van Abu Hurairah is dat hij heeft gezegd: `De Boodschapper van AllahSallalahu 'alaihi wasalam was een keer zichtbaar voor de mensen, toen Djibriel naar hem toe kwam en zei: `Wat is geloof?' Hij antwoordde: "Geloof is dat je gelooft in Allah, Zijn engelen, Zijn Boek, de ontmoeting met Hem, Zijn Boodschappers en dat je gelooft in de laatste opstanding." Hij vroeg: Wat betekent de islaam?' Hij antwoordde: "De islaam houdt in dat je Allah aanbidt en geen enkele deelgenoot aan Hem toekent, dat je het voorgeschreven gebed verricht, dat je de verplichte zakaat afdraagt en dat je [tijdens de maand] ramadhaan vast" Hij vroeg: Wat is perfectie?' Hij antwoordde: "Dat je Allah aanbidt alsof je Hem ziet, want ondanks dat jij Hem niet ziet, ziet Hij jou wel." Hij vroeg: Wanneer zal het Uur aanbreken?' Hij antwoordde: "De gevraagde heeft hier niet meer kennis van dan de vrager. Ik zal je echter wel vertellen over zijn tekenen: als de slavin haar meester baart en als de onbekende kamelenhoeders wedijveren in hoogbouw. Het behoort tot vijf zaken die Allah alleen weet" Vervolgens reciteerde de Profeet: (Voorwaar, Allah alleen bezit de kennis van het Uur. Hij zendt de regen neer en Hij weet wat zich in de baarmoeders bevindt. Geen enkel persoon weet wat hij morgen zal verdienen en geen enkel persoon weet in welk land hij zal sterven. Voorwaar, Allah is Alwetend, Albewust.) Soerah Logmaan (31):34]. Vervolgens vertrok de man en de Boodschapper van Allah zei: "Roep de man terug bij mij." Zij zagen echter niets meer [van hem]. Hierop zei de Boodschapper van AllahSallalahu 'alaihi wasalam: "Dit was Djibriel. Hij is gekomen om de mensen hun religie te ondenwijzen".'

Hoofdstuk: De verdienste van wie zijn religie vrijwaart
48. Overgeleverd van An-Nu`maan Ibn Bashier is dat hij de Boodschapper van AllahSallalahu 'alaihi wasalam heeft horen zeggen: "Het toegestane is duidelijk en het verbodene is duidelijk. Tussen deze twee bevinden zich echter dubieuze zaken, waar [de regelgeving van veel mensen niet weten. Wie zichzelf weghoudt van deze dubieuze zaken, heeft zijn religie en eer gevrijwaard. Wie echter in deze dubieuze zaken vervalt, is net als een herder die [zijn vee] laat graan in de buurt van beschermde weidegrond. Hij kan dit [beschermde gebied] op moment betreden. Het is zo dat elke koning beschermde weidegrond heeft. En de beschermde weidegrond van Allah op Zijn aarde zijn de zaken die Hij heeft verboden. Het is zo dat zich in het hart een vleesklomp bevindt: als deze correct is, is het hele lichaam correct. Als deze echter bedorven is, is het hele lichaam bedorven. Deze [vleesklomp] is het hart."

Hoofdstuk: Het afdragen van een vijf de is onderdeel van het geloof
49. Overgeleverd van Ibn `Abbaas is dat hij heeft gezegd: Toen de af vaardiging van 'Abdul Qays bij de Profeet kwam vroeg hij: "Wie zijn deze mensen? (of) wie is deze afvaardiging?" Zij antwoordden: `Wij zijn van [de stam vanj Rabie`ah.' Hij zei: "Welkom o mensen (of) welkom o afvaardiging. Jullie zullen niet te schande worden gebracht en jullie zullen geen spijt hebben." Zij zeiden: `O Boodschapper van AllahSallalahu 'alaihi wasalam, wij kunnen niet bij u komen behalve in de gewijde maand. Tussen ons en u bevindt zich namelijk deze ongelovige stam van Mudhar. Draagt u ons daarom een duidelijk bevel op, waarvan we ons volk op de hoogte kunnen brengen en waarmee wij het paradijs kunnen betreden. Vervolgens vroegen zij hem over [toegestane en verboden] dranken. Hij beval hen toen vier zaken en verbood hen vier zaken. Hij beval hen te geloven in Allah alleen. Hij vroeg: "Weten jullie wat geloof in Allah alleen is?" Zij antwoordden: `Allah en Zijn Boodschapper weten het beter.' Hij zei: "De getuigenis dat er geen ware god is behalve Allah en dat Mohammed de Boodschapper van AllahSallalahu 'alaihi wasalam is, het verrichten van de gebeden, het betalen van zakaat, het vasten tijdens de ramadhaan, en dat jullie een vijfde van de oorlogsbuit afstaan." Hij verbood hen vijf zaken: "Al-Hantam, Ad-Dubaa', An-Naqier en Al-Muzaffat en misschien heeft hij Al-Mugayyar ook genoemd [Dit zijn de namen van potten tarin alcoholische dranken werden bereid. De Profeet noemde de potten en doelde uiteraard de wijn.] Hij zei: onthoud dit en bericht hierover de mensen die jullie hebben achtergelaten".'

Hoofdstuk: Dat de daden worden bepaald door de intentie
50. Overgeleverd van 'Omar lbn Al-Khattaab is de overlevering waarin de boodschapper van Allah heeft gezegd: De daden worden bepaald door de intentie..."
Deze overlevering is eerder genoemd in het boek [de eerste overlevering]. Hij heeft er hier echter aan toegevoegd: "...en aan elk mens komt datgene toe wat in zijn intentie ligt. Dus als iemand emigreert omwille van Allah en Zijn boodschapper, dan is zijn emigratie omwille van Allah en Zijn Boodschapper." Vervolgens noemt hij de rest van de overering.

51. Overgeleverd van Abu Mas`oed is de Profeet heeft gezegd: "Als een man geld uitgeeft voor zijn gezin, terwijl hoopt op beloning, dan wordt het voor tem aangemerkt als een aalmoes."

52. Overgeleverd van Djarier Ibn Abdillaah is dat hij heeft gezegd: `Ik heb de Boodschapper van AllahSallalahu 'alaihi wasalam de belofte van trouw gegeven wat betreft het verrichten van het gebed, het geven van zakaat en het adviseren van elke moslim.'

53. Overgeleverd van Djarier Ibn Abdillaah is dat hij heeft gezegd: `Veroolgens dit: `Ik kwam bij de Profeet en zei tegen hem: `Ik geef u de belofte van trouw wat betreft de Islaam. Hij stelde echter de voorwaarde: "Ook wat betreft het geven van advies aan elke moslim." Ik gaf hem vervolgens deze belofte van trouw.'

3. "Het boek van kennis"

Top I
Hoofdstuk: De verdienste van kennis54. Overgeleverd van Abu Hurairah is dat hij heeft gezegd: `Terwijl de Profeet zich eens in een bijeenkomst bevond, waarin hij de aanwezigen toesprak, kwam er een bedoeen bij hem en vroeg: Wanneer zal het Uur aanbreken?' De Boodschapper van AllahSallalahu 'alaihi wasalam ging echter door met zijn toespraak, waardoor sommigen van de aanwezigen zeiden: `Hij heeft zijn vraag gehoord, maar keurt hem af.' Anderen zeiden: `Nee, hij heeft hem niet gehoord.' Toen hij klaar was met zijn toespraak vroeg hij: "Waar is ik denk dat hij zei: - de vrager naar het Uur?" Hij antwoordde: `O Boodschapper van AllahSallalahu 'alaihi wasalam, hier ben ik.' Hij zei: "Als het vertrouwen wordt verwaarloosd, wacht dan het Uur af." Hij vroeg: `Hoe wordt het dan verwaarloosd?' Hij antwoordde: "Als zaken worden toevertrouwd aan mensen die daar niet geschikt voor zijn, wacht dan het Uur af"!

Hoofdstuk: Wie zijn stem verheft om kennis te verkondigen
55. Overgeleverd van `Abdullaah Ibn `Amr is dat hij heeft gezegd: Profeet raakte achter op ons tijdens en reis die wij ondernamen. Hij haalde ons in, terwijl de gebedstijd bijna voorbij was. Wij waren bezig met wudoe' en begonnen onze voeten te wassen. Hij riep toen zo hard als hij kon: "0 wee de hielen voor het vuur." Hij herhaalde dit twee of drie keer.'

Hoofdstuk: Dat de imaam een kwestie aan zijn toehoorders voorlegt om hun kennis te testen
56. Overgeleverd van `Abdullaah lbn Omar is dat de Boodschapper van AllahSallalahu 'alaihi wasalam vroeg: "Er is een boom waanvan de bladeren niet uitvallen en die lijkt op een moslim. Vertel mij welke boom dit is?" Ibn 'Omar zei: `De mensen begonnen bomen uit de woestijn op te noemen. In mijn gedachten kwam op dat het de palmboom is, maar ik schaamde mij. Hierop vroegen zij: `O Boodschapper van AllahSallalahu 'alaihi wasalam, vertel ons welke boom het is.' Hij antwoordde: "Het is de palmboom."

Hoofdstuk: Zaken voorlezen of voor dragen aan een spreker
57. Overgeleverd van Anas Ibn Maalik dat hij heeft gezegd: `Terwijl wij een keer bij de Profeet zaten in de moskee, kwam er een man op een kameel binnen. Hij liet zijn kameel knielen in de moskee en bond zijn poot vast. Vervolgens zei hij tegen hen: `Wie van jullie is Mohammad,' terwijl de Profeet tussen hen leunde. Wij antwoordden: Deze witte, leunende man.' De man zei tegen hem: `O zoon van Abdul Muttalib.' De Profeet zei tegen hem: "Ik beantwoord jouw vragen." Hij zei: `Ik ga u wat vragen stellen en zal hard tegen u zijn. Word echter niet boos op mij.' Hij zei: "Vraag wat je wilt." Hij zei toen: `Ik vraag u bij uw Heer en de Heer van degenen voor u: heeft Allah u naar alle mensen gezonden?' Hij antwoordde: "Bij Allah, ja." Hij zei: `Ik vraag u bij Allah: heeft Allah u bevolen dat wij de vijf gebeden tijdens de dag en de nacht verrichten?' Hij antwoordde: "Bij Allah, ja." Hij zei: `Ik vraag u bij Allah: heeft Allah u bevolen dat wij deze maand [ramadhaan] van het jaar vasten?' Hij antwoordde: "Bij Allah, ja." Hij zei: `Ik vraag u bij Allah: heeft Allah u bevolen om deze aalmoes [zakaat] van onze rijken te nemen om deze te verdelen over onze armen?' Hij antwoordde: `Bij Allah, ja." Hierop zei de man: `Ik geloof in datgene waarmee u bent gekomen. Ik ben als boodschapper gezonden door mijn volk dat achtergebleven is. lk ben Dhimaam Ibn Thalabah, van de stam van Banu Sa`d Ibn Bakr.'

58. Overgeleverd van Ibn Abbaas is dat de Boodschapper van AllahSallalahu 'alaihi wasalam een man met een brief heenzond. Hij droeg hem op om deze te geven aan de leider van Bahrein. De leider van Bahrein stuurde hem door naar Khosrau. Nadat Kosrau de brief had gelezen, verscheurde hem. Daarom deed de Boodschapper Allah een aanroeping tegen hen opdat verscheurd mochten worden tot snippers.'

59. Overgeleverd van Anas lbn Maalik dat hij heeft gezegd: `De Profeet schreef een brief of was van plan een brief schrijven. Men zei tegen hem dat zij echter alleen een brief lazen als deze vergezeld was. Daarom nam hij een zilveren ring met daarin gegraveerd 'Mohammad, de Boodschapper van Allah.' Het is alsof ik nu nog kijk naar zijn heldere kleur aan zijn hand.'

60. Overgeleverd van Abu Waaqid Al-Laythie is dat de Boodschapper van AllahSallalahu 'alaihi wasalam eens in de moskee zat met mensen om zich heen. Er kwamen drie personen aan. Twee van hen kwamen naar de Boodschapper van AllahSallalahu 'alaihi wasalam en n van hen vetrok. Zij stonden dus bij de Boodschapper van AllahSallalahu 'alaihi wasalam. En van hen zag een leeg plekje in de kring en ging daar zitten. De andere ging achter hen zitten, terwijl de derde rechtsomkeert maakte. Toen de boodschapper van Allah klaar was, zei hij: "Zal ik jullie iets vertellen over de drie personen? En van hen zocht opvang bij Allah en Allah ving hem op. De andere schaamde zich en Allah schaamde Zich voor hem. En de laatste wendde zich af en Allah wendde Zich van hem af."

Hoofdstuk: De uitspraak van de Profeet: "Het kan zo zijn dat iemand die nieuws ontvangt het beter zal bevatten dan iemand die het heeft gehoord."
61. Overgeleverd van Abu Bakrah is dat hij heeft gezegd: `De Profeet zat op zijn kameel en iemand hield zijn teugels vast. Hij zei: "Welke dag is dit?" Wij zwegen totdat wij dachten dat hij hem een andere naam zou geven. Hij zei: "Is her niet de dag van het slachten?" Wij antwoordden: Ja.' Hij vroeg: "Welke maand is dit?" Wij zwegen totdat wij dachten dat hij hem een andere naam zou geven. Hij zei: "Is het niet Dhul-Hidjah?" Wij antwoordden: 'Ja.' Hij zei: `Jullie bloed, jullie eigendommen en jullie eer zijn verboden, net zoals het verbod van deze [gewijde] dag van jullie, in deze maand van jullie, in dit land van jullie. Laat de aanwezige de afwezige op de hoogte brengen. Het kan immers zo zijn dat de aanwezige het aan iemand overbrengt die het beter zal bevatten dan hij."

62. Overgeleverd van Abdullaah Ibn Mas'ood is dat hij heeft gezegd: `De Profeet hield rekening met ons door ons slechts op bepaalde dagen te vermanen, uit angst dat wij er genoeg van zouden krijgen.

63. Overgeleverd van Anas Ibn Maalik is dat de Profeet heeft gezegd: "Maak het makkelijk en maak het niet moeilijk. Verblijd en verjaag niet"

Hoofdstuk: Degene met wie Allah het goede wenst, schenkt Hij begrip in de religie
64. Overgeleverd van Mu`aawiyah is dat hij Profeet heeft horen zeggen: `Degene met wie Allah het goede wenst, schenkt Hij begrip in de religie. Ik ben slechts verdeler en Allah geeft. Deze natie zal gehoorzaam blijven aan het bevel aan Allah. Wie tegenstrijdig is aan hen zal hen niet schaden, totdat het Bevel van Allah komt."

Hoofdstuk: Begrip van kennis
Overgeleverd van `Abdullaah Ibn Omar is dat hij heeft gezegd: We waren bij de Profeet toen men hem een palmhart bracht. Hij zei toen: "Er is een boom onder de bomen waarvan de gelijkenis gelijk is aan de moslim." Ik wilde zeggen dat het de palmboom is, maar omdat ik de jongste was, zweeg ik. De Profeet zei: "Het is de palmboom".'

66. Overgeleverd van Ibn Mas`ood is hij heeft gezegd: `Ik heb de Profeet horen zeggen: "Benijden is alleen [toegestaan] in twee [karaktereigenschappen]: een man aan wie Allah rijkdom heeft schonken, die hij volledig heeft aangewend ten dienste van de waarheid. En een man aan wie Allah wijsheid heeft geschonken, waarmee hij oordeelt [tussen de mensen] en die hij de mensen leert".'

Hoofdstuk: De uitspraak van de Profeet: "0 Allah, onderwijs hem het Boek."
67. Overgeleverd van Ibn `Abbaas is dat hij heeft gezegd: `De Boodschapper van AllahSallalahu 'alaihi wasalam omhelsde mij en zei: "0 Allah, onderwijs hem het Boek".'

Hoofdstuk: Wanneer wordt wat gehoord is door een kind geaccepteerd
68. Overgeleverd van Ibn `Abbaas is dat hij heeft gezegd: `lk kwam rijdend op een ezelin aan. Ik had bijna de [islamitische] leeftijd van pubertijd bereikt. De Boodschapper van AllahSallalahu 'alaihi wasalam was op dat moment aan het bidden in Mina, zonder zich gewend te hebben naar een muur. Ik reed voorlangs een gedeelte van de [biddende] rij. Ik liet de ezelin grazen en nam plaats in de rij. Niemand keurde deze handeling van mij af.'

69. Overgeleverd van Mahmoed Ibn Ar-Rabie is dat hij heeft gezegd: `Ik herinner me dat de Profeet een keer water uit een emmer in mijn gezicht spuugde, toen ik vijf jaar was.'

Hoofdstuk: De verdienste van wie kennis heeft en dit ook onderwijst
70. Overgeleverd van Abu Moesaa is dat de Profeet heeft gezegd: "Het voorbeeld van datgene waarmee Allah mij heeft gezonden aan leiding en kennis is net als het voorbeeld van overvloedige regen die op aarde is gevallen. Een deel ervan [van de aarde was zuiver en accepteerde het water, waardoor het veel planten en gras voortbracht. Een ander deel was barre grond die het water vasthield, waardoor Allah de mensen er profijt van bezorgde: zij dronken, lieten drinken en verbouwden. Een ander gedeelte van de regen viel op andere, onvruchtbare aarde, die geen water vasthoudt en ook geen planten voortbrengt. Dit (genoemde voorbeeld) is net als het voorbeeld van een persoon die begrip heeft van de religie van Allah en die profijt heeft van datgene waarmee Allah mij heeft gezonden: hij leert en onderwijst; en net als het voorbeeld van een persoon die daar geen waarde aan hecht en die de leiding van Allah waarmee ik ben gezonden niet accepteert."

Hoofdstuk: Het opheffen van kennis en de verspreiding van onwetendheid
71. Overgeleverd van Anas Ibn Maalik is dat de Boodschapper van AllahSallalahu 'alaihi wasalam heeft gezegd: "Tot de tekenen van het Uur behoort: dat de kennis wordt opgeheven; dat onwetendheid zich zal vestigen; dat alcoholische dranken zullen worden gedronken; en dat overspel zal verschijnen."

72. Overgeleverd van Anas Ibn Maalik is dat hij heeft gezegd: `Ik zal jullie een overlevering vertellen die niemand na mij jullie zal vertellen. Ik heb de Boodschapper van AllahSallalahu 'alaihi wasalam namelijk horen zeggen: "Tot de tekenen van het Uur behoort: dat de kennis zal afnemen; dat onwetendheid zal verschijnen; dat overspel zal verschijnen; en dat er veel vrouwen en weinig mannen zullen zijn, totdat er voor vijftig vrouwen slechts n zaakwaarnemer zal zijn".'

Hoofdstuk: De verdienste van kennis
73. Overgeleverd van Ibn 'Omar is dat hij de Boodschapper van AllahSallalahu 'alaihi wasalam heeft horen zeggen: "Terwijl ik sliep, werd mij een beker met melk gebracht. Ik dronk eruit totdat ik zag dat mijn dorst gelest was tot uit mijn nagels. Vervolgens gaf ik wat overbleef [in de beker] aan 'Omar Ibn Al-Khattaab." Zij vroegen: `Wat is uw interpretatie van deze droom, O Boodschapper van AllahSallalahu 'alaihi wasalam?' Hij antwoordde: "Kennis."

Hoofdstuk: Het uitvaardigen van religieuze uitspraken terwijl men staat op een rijdier of iets anders
74. Overgeleverd van `Abdullaah lbn `Amr Ibn Al-`Aas is dat de Boodschapper van AllahSallalahu 'alaihi wasalam tijdens de afscheidsbedevaart in Mina opstond voor de mensen, zodat zij hem vragen konden stellen. Er kwam een man die vroeg: `Ik onbewust geschoren vr het offeren.` Hij antwoordde: "Offer alsnog en geeft niet." Een ander kwam en zei: Ik heb geofferd vr het stenigen.' Hij antwoordde: "Gooi alsnog en het geeft niet." Op alles wat eerder of later was uitgevoerd en waarover de mensen de Profeet vroegen, zei hij : "Doe dat en geeft niet".'

Hoofdstuk: Wie een vraag beantwoordt door te gebaren met zijn hand of hoofd
75. Overgeleverd van Abu Hurairah is dat de Profeet heeft gezegd: "De kennis zal weggenomen worden, onwetendheid en beproevingen zullen verschijnen, en Hardj zal toenemen." Zij vroegen: `O boodschapper van Allah, wat is Al-Hardj dan? Hij maakte toen zo'n beweging met zijn hand, alsof hij moord bedoelde.

76. Overgeleverd van Asmaa' is zij heeft gezegd: `Ik kwam bij Aaichah, terwijl zij aan het bidden was en ik vroeg haar: `Wat is er aan de hand met de mensen?' Hierop wees zij naar de hemel. Ik zag dat de mensen staand aan het bidden waren. Aaichah zei toen: `Verheerlijkt Allah.' lk vroeg: `Is het een teken?' Zij hikte `ja' met haar hoofd. Ik stond toen ook op om te bidden, totdat ik bijna mijn bewustzijn verloor. Ik begon daarom waet op mijn hoofd te gieten. Hierop loofde Profeet Allah en prees hem. Daarna zei hij: "Alles wat ik nog nooit had gezien, heb ik gezien op deze plek, zelfs het paradijs en het vuur. Aan mij is geopenbaard dat jullie beproefd zullen worden in jullie graven [op een manier) gelijk aan - of lijkend op (twijfel van de overleveraar) - de beproeving van Al-Masieh Ad-Dadjaal. Jullie zullen worden gevraagd: "Wat weet je over deze man [Mohammed]?" Hierop zal de gelovige - of de overtuigde (twijfel van de overleveraar) - antwoorden: "Hij is Mohammad, hij is de Boodschapper van AllahSallalahu 'alaihi wasalam. Hij is tot ons gekomen met de duidelijke bewijzen en de leiding. Wij hebben daarom gehoor aan hem gegeven en wij hebben hem gevolgd. Hij is Mohammad.' Drie keer zal de gelovige dit herhalen]. Vervolgens wordt tegen hem gezegd: "Slaap in vrede, want wij weten nu dat jij een overtuigde gelovige was." De hypocriet - of de twijfelaar (twijfel van de overleveraar) - zal echter antwoorden: `Ik weet het niet. Ik hoorde de mensen wat zeggen en ik zei hetzelfde'.'

77. Overgeleverd van `Ugbah Ibn Al-Haarith is dat hij een dochter van Abu lhaab Ibn `Aziez huwde. Er kwam vervolgens een vrouw naar hem toe en zei: `Ik heb de borst gegeven aan zowel `Ugbah als de vrouw met wie hij getrouwd is.' `Ugbah zei tegen haar: `Ik weet er niets van dat jij mij de borst hebt gegeven en bovendien heb je het mij nooit verteld.' Hierop reed hij naar de Boodschapper van AllahSallalahu 'alaihi wasalam in Al-Madienah en vroeg hem hierover. De Boodschapper van AllahSallalahu 'alaihi wasalam zei: "Hoe kan het [dat jij haar als echtgenote aanhoudt] terwijl het is gezegd [dat jullie dezelfde zoogmoeder hebben]?" Hierop scheidde `Ugbah van haar en trouwde een andere man.'

Hoofdstuk: Afwisselen per beurt voor kennis
78. Overgeleverd van 'Omar is dat hij heeft gezegd: `Ik en mijn buurman van de Ansaar waren in Banu Umayyah Ibn Zayd, behoort tot het hoge gedeelte van Al-Madienah. Wij bezochten om beurten de Boodschapper van AllahSallalahu 'alaihi wasalam: hij ging een dag en de andere dag ging ik. Als ik ging, vertelde ik hem het nieuws van die dag aan openbaring en andere zaken. Als hij ging deed hij hetzelfde. Terwijl het een keer zijn beurt was, ging mijn buurman van de Ansaar. Hij klopte hard op mijn deur en vroeg: `Ben jij daar?' Ik ging geschrokken naar buiten en hij zei: `Er is iets geweldigs gebeurd vandaag.' Ik ging naar [mijn dochter] Hafsah en trof haar huilend aan, Ik vroeg: `Is de Boodschapper van AllahSallalahu 'alaihi wasalam van jullie gescheiden?' Zij antwoordde: `Ik weet het niet.' Vervolgens ging ik naar de Profeet en vroeg hem staand: `Bent u van uw vrouwen gescheiden? Hij antwoordde: "Nee," Waarop ik zei: `Allah is Groot'.'

Hoofdstuk: Boos worden tijdens een vermaning of onderwijs als men iets afkeurenswaardigs ziet
79. Overgeleverd van Abu Mas'ood Al-Ansaari is dat een man zei: `O Boodschapper van AllahSallalahu 'alaihi wasalam, ik woon het gebed bijna niet bij, omdat die-en-die het zo lang maakt.' Ik heb de Profeet nooit zo boos een vermanende toespraak zien houden als die dag. Hij zei: "0 mensen, jullie verjagen anderen. Als iemand van jullie de mensen voorgaat in het gebed, laat hij het dan verlichten. Onder hen bevinden zich namelijk de zieke, de zwakke en degene met een dringende behoefte".'

80. Overgeleverd van Zayd lbn Khaalid Al-Djuhani is dat de Profeet werd gevraagd door een man over vondsten. Hij zei: "Herken haar sluitkoord." Of hij heeft gezegd: "...haar verpakking en omhulsel. Maak het vervolgens een jaar kenbaar. Daarna kun je er zelf van genieten. Als haar eigenaar zich alsnog meldt, geeft het dan aan hem" Hij vroeg: Hoe zit het dan met een verdwaalde kameel?' Hij werd zo boos dat zijn wangen - of zijn gezicht - rood werden en hij zei: "Wat brengt jou tot hem [de verdwaalde kameel]? Hij heeft zijn waterreservoir bij zich en zijn hoeven. Hij komt bij het water en eet van de bomen. Laat hem totdat zijn eigenaar hem weer tegenkomt." Hij vroeg: `Hoe zit het dan met een verdwaald schaap?' Hij antwoordde: "Dat is voor jou, voor je broeder of voor de wolf."

Overgeleverd van Abu Moesaa is dat de Boodschapper van Allah werd gevraagd over zaken waar hij een afkeer voor had. Toen het te veel werd, werd hij boos en zei tegen de mensen: "Vraag mij maar wat jullie willen." Een man vroeg: Wie is mijn vader?' Hij antwoordde: Jouw vader is Hudhaafah." Een andere man stond op en vroeg: `O Boodschapper Allah, wie is mijn vader?' Hij antwoordde: `Jouw vader is Saalim, de vrijgesgelaten slaaf van Shaybah." Toen 'Omar zijn iaatsuitdrukking zag, zei hij: `O Boodehapper van Allah, we tonen berouw aan Allah.

Hoofdstuk: Wie zijn woorden driemaal herhaalt om begrepen te worden
82. Overgeleverd van Anas is dat de Proteet als hij groette, hij driemaal groette. En als hij iets zei, herhaalde hij dit driemaal, opdat men het van hem zou begrijpen.

Hoofdstuk: Dat men zijn slavin en gezin onderwijst
83. Overgeleverd van Abu Moesaa is ir de Boodschapper van AllahSallalahu 'alaihi wasalam heeft gezegd: "Drie [soorten mensen] ontvangen hun beloning tweemaal: een man van de lieden van het schrift, die in zijn profeet gelooft en vervolgens in Mohammad gelooft. Een slaaf die het recht van Allah vervult en het recht van zijn meester. En ten slotte een man die een slavin bezit met wie hij gemeenschap heeft, haar goed voedt, haar goed opvoedt, vervolgens vrijlaat en huwt. Ook hij ontvangt zijn beloning tweemaal."

Hoofdstuk: Dat de imaam de vrouwen vermaant
84. Overgeleverd van Ibn Abbaass is dat hij heeft gezegd dat de Boodschapper van AllahSallalahu 'alaihi wasalam samen met Bilaal naar buiten ging. Hij dacht dat de vrouwen hem niet hadden gehoord. Hij vermaande hen en beval hen om aalmoezen te geven. De vrouwen begonnen oorbellen en ringen te werpen, die Bilaal in het uiteinde van zijn gewaad verzamelde.

Hoofdstuk: Gretigheid voor [het horen van] overleveringen
85. Overgeleverd van Abu Hurairah is dat hij heeft gezegd: `Ik vroeg: `O Boodschapper van Allah, wie van de mensen zal het gelukkigst zijn met uw bemiddeling tijdens de Opstandingsdag?' De Boodschapper van AllahSallalahu 'alaihi wasalam antwoordde: "0 Abu Hurairah, ik dacht dat niemand anders mij hierover zou vragen vr jou, omdat ik jouw gretigheid voor [het Ieren van] de overleveringen heb gezien. De gelukkigste van de mensen met mijn bemiddeling tijdens de Opstandingsdag zal degene zijn die oprecht uit zijn hart - of zijn ziel - Laa Ilaaha IllAllah [er is geen ware god behalve Allah heeft gezegd".'

Hoofdstuk: Hoe de kennis wordt weg genomen
86. Overgeleverd van `Abdullaah Ibn Ibn Al-`Aas is dat hij de Boodschapper van AllahSallalahu 'alaihi wasalam heeft horen zeggen: "Allah neemt kennis niet weg door het af te nemen van [uit de harten [van de mensen, maar Hij neemt kennis weg door het wegnemen [overlijden] van de geleerden. Als Hij [dan] geen enkele geleerde meer heeft overgelaten, stellen de mensen onwetende leiders aan. Zij zullen gevraagd worden en zonder kennis antwoorden. Hiermee zullen zij zelf dwalen en anderen tot dwaling brengen.'

Hoofdstuk: Of er voor vrouwen een dag moeten worden ingelast voor kennis
87. Overgeleverd van Abu Sa`ied Al-Khudrie is dat de vrouwen tegen de Profeet zeiden: `De mannen nemen al uw tijd ten koste van ons in beslag. Geeft u ons daarom van uzelf n dag. Hij beloofde hen een dag waarop hij hen zou ontmoeten. Hij vermaande hen en beval hen. En van de dingen die hij tegen hen zei, was: "Voor elke vrouw onder jullie waarvan drie van haar kinderen overlijden, zal dit een scherm voor haar tegen het vuur zijn." Een vrouw vroeg: `En twee?' Hij antwoordde: "Ook twee."

In een andere overlevering van Abu Hurairah heeft hij gezegd: "...drie kinderen die nog niet de pubertijd hebben bereikt..."

Hoofdstuk: Wie iets hoort en door vraagt totdat hij het begrijpt
88. Overgeleverd van `Aaichah is dat de Profeet heeft gezegd: "Iedereen die ter afrekening zal worden geroepen, zal [zeker] worden gestraft." `Aaichah heeft gezegd: `Ik vroeg: heeft Allah dan niet gezegd: (Hij zal zeker een lichte afrekening ontvangen) [Soerah Al-Inshigaaq (84):8]' Hij antwoordde: "Hiermee wordt alleen het voorleggen [van de daden aan de Weegschaal] bedoeld. Wie echter ondervraagd zal worden over zijn afrekening, zal ten onder gaan."

Hoofdstuk: Laat de aanwezige de kennis overbrengen aan de afwezige
89. Overgeleverd van Abu Shuraih is dat hij heeft gezegd: `Ik heb de Boodschapper van AllahSallalahu 'alaihi wasalam op de dag na de dag van bevrijding iets horen zeggen. Mijn oren hebben het gehoord, mijn hart heeft het onthouden en mijn ogen hebben het gezien toen hij het zei. Hij loofde Allah en prees hem en zei daarna: "Mekkah is door Allah heilig verklaard en niet door de mensen. Daarom is het voor een persoon die gelooft in Allah en de Laatste Dag niet toegestaan om er bloed in te vergieten of er een boom in om te hakken. Als iemand als bewering aanhaalt [om te ondersteunen dat strijden erin is toegestaan] dat de Boodschapper van AllahSallalahu 'alaihi wasalam erin heeft gestreden, zeg dan: `Allah heeft het toegestaan voor zijn Boodschapper, maar Hij heeft het niet toegestaan voor jullie.' Het is voor mij [bij wijze van uitzondering' voor een gedeelte van de dag toegestaan. Vervolgens is vandaag haar heiligdom weer hervat, net zoals het gisteren heilig was. Laat de aanwezige aan de aanwezige overbrengen".'

Hoofdstuk: De zonde van wie liegt over de Profeet
90. Overgeleverd van `Ali is dat de Proofeet heeft gezegd: "Lieg niet over mij, want wie over mij liegt, mag zijn plek in vuur bestijgen."

91. Overgeleverd van Salamah is dat de Profeet heeft gezegd: "Wie over mij zegt wat ik niet heb gezegd, mag zijn plek het vuur bestijgen."

92. Overgeleverd van Abu Hurairah is dat de Profeet heeft gezegd: "Neem mijn naam aan, maar neem mijn Kunyah* niet aan. Wie mij in zijn droom ziet, heeft echt gezien, want de shaytaan neemt mijn gedaante niet aan. En wie opzettelijk over mij liegt, mag zijn plek in het vuur bestijgen."
* Kunyah: een man `de vader van die en die' noemen en een vrouw 'de moeder van die en die noemen. Dit is een gewoonte van de Arabieren.

Hoofdstuk: Het opschrijven van kennis
93. Overgeleverd van Abu Hurairah is dat de Profeet heeft gezegd: "Allah heeft de olifant - of: de strijd - weggehouden van Mekkah en Hij heeft in haar de overhand gegeven aan Zijn Boodschapper en aan de gelovigen. Zij is nooit voor iemand vr mij schendbaar gemaakt en zij zal nooit voor iemand na mij schendbaar worden gemaakt. Zij is echter wed tijdens een korte periode schendbaar voor mij gemaakt, maar zij is vanaf dit moment onschendbaar. Haar doorns mogen niet worden gewied, haar bomen mogen niet omgehakt worden, en haar vondsten zijn niet toegestaan, behalve voor iemand die deze kenbaar maakt. Als een naaste van iemand gedood wordt, heeft hij de keus uit de beste van twee mogelijkheden: of hij ontvangt bloedgeld, of hij mag hem [als vergelding] laten doden." Daarna kwam een man uit Jemen en zei: `O Boodschapper van Allah, wilt u dit voor mij [laten] opschrijven?' Hierop zei de Boodschapper van AllahSallalahu 'alaihi wasalam: "Schrijf dit op voor de vader van die-en-die." Een man uit Quraish zei: `O Boodschapper van AllahSallalahu 'alaihi wasalam, behalve citroengras. Wij gebruiken dit namelijk voor onze huizen en onze graven.' De Boodschapper van Allah zei toen: "Behalve citroengras, behalve citroengras."

94. Overgeleverd van Ibn `Abbaas' is dat hij heeft gezegd: `Toen de ziekte van de Profeet verhevigde, zei hij: "Breng mij schrijfpapier en ik zal een brief voor jullie schrijven, waarna jullie nooit zouden afdwalen." 'Omar zei toen: `De Profeet is ernstig ziek en wij hebben Boek van Allah, wat genoeg is.' Hier kregen zij onenigheid en het lawaai nam toe. Hij zei toen: "Ga weg bij mij. Het is niet gepast om bij mij te twisten".'

Hoofdstuk: Kennis en vermaning tijdens de nacht
95. Overgeleverd van Umm Salamah is dat zij heeft gezegd: `De Profeet werd tijdens een nacht wakker en zei: Verheerlijkt is Allah. Wat is er vannacht toch aan beproevingen neergezonden en wat is er aan schatkisten geopend! Wek de bewoonsters van de kamers. Het kan namelijk zo zijn dat zij die gekleed gaat tijdens het wereldse leven, naakt zal zijn in het hiernamaals".'

Hoofdstuk: De avond met kennis doorbrengen
96. Overgeleverd van `Abdullaah Ibn Omar is dat hij heeft gezegd: De Profeet leidde ons in het late avond aan het einde van zijn leven. Toen het gebed afsloot, stond hij op en zei: "Zien jullie deze nacht van jullie? Over precies honderd jaar hierna zal er niemand over zijn van degenen die zich nu op de aarde bevinden".'

97. Overgeleverd van Ibn `Abbaas is dat hij heeft gezegd: `Ik heb eens nacht doorgebracht hij mijn tante van moederskant, Maymounah, de echtgenote van de Profeet Tijdens die nacht bevond de Profeet zich bij haar. Nadat de Profeet het late avondgebed had verricht, kwam hij naar huis. Hij verrichtte vier rak`as en ging daarna slapen. Later stond hij op en zei: "De kleine jongen slaapt," of iets wat erop lijkt. Hierna stond hij op en ik ging links van hem staan. Hij keerde mij echter rechts van hem. Daarna ging hij slapen, totdat ik zijn gesnurk hoorde. Uiteindelijk vertrok hij naar het gebed.'

Hoofdstuk: Het memoriseren van kennis
98. Overgeleverd van Abu Hurairah is dat hij heeft gezegd: `De mensen zeggen dat Abu Hurairah veel overleveringen heeft naverteld. Als het echter niet twee verzen uit het Boek van Allah waren, had ik geen enkele overlevering naverteld, namelijk: (Voorwaar, degenen die de duidelijke bewijzen en leiding die Wij hebben neergezonden, verzwijgen ... De Barmhartige) [Soerah Al-Bagarah (2):159, 160]. Onze broeders van de emigranten [Al Muhaadjiroen] waren druk bezig met handjeklap [handelen] op de markten en onze broeders van de Ansaar waren druk bezig met het onderhouden van eigendommen, terwijl Abu Hurairah zich vastklampte aan de Boodschapper van AllahSallalahu 'alaihi wasalam, met een tevreden maag. Hij woonde datgene bij wat zij niet bijwoonden en memoriseerde wat zij niet memoriseerden.'

99. Overgeleverd van Abu Hurairah is hij tegen de Boodschapper van AllahSallalahu 'alaihi wasalam zei: O Boodschapper van AllahSallalahu 'alaihi wasalam, ik vergeet Hij zei: "Spreid je gewaad uit." Ik spreidde het uit en hij schepte [denkbeeldig] zijn beide handen en zei: "Voeg het samen." Ik voegde het samen en ben daarna nooit meer wat vergeten.'

100. Overgeleverd van Abu Hurairah is hij heeft gezegd: `Ik heb twee [denkbeeldige] vaten [aan kennis] van de Boodschapper van AllahSallalahu 'alaihi wasalam gememoriseerd. De [inhoud] heb ik verspreid, maar als ik de andere zou verspreiden, dan zou mijn slokdarm doorgesneden worden.'

Hoofdstuk: Luisteren naar de geleerden
101. Overgeleverd van Djarier is dat de Profeet tijdens de afscheidsbedevaart heeft gezegd: "Laat de mensen luisteren." Daarna zei hij: "Word na mij geen ongelovigen die elkaar vermoorden."

Hoofdstuk: Wat de geleerde aanbevolen wordt als hij wordt gevraagd wie van de mensen de meeste kennis heeft
102. Overgeleverd van Uhayy Ibn Ka`b is dat de Profeet heeft gezegd: "De Profeet Moesaa hield staand een preek voor Banu Israa'iel, toen men hem vroeg: Wie van de mensen heeft de meeste kennis?. Hij antwoordde: `Ik heb de meeste kennis.' Allah verweet hem dat hij de kennis niet aan Allah had toegeschreven. Allah openbaarde daarom aan hem dat n van Mijn dienaren, die zich bevindt waar de twee zeen samenkomen, meer kennis heeft dan jij. Hij zei: `O mijn Heer, hoe kan ik hij hem komen?' Er werd tegen hem gezegd: `Neem een vis mee in een mand. Zodra jij hem verliest, dan is dat de plek waar hij is.' Hij vertrok samen met zijn bediende, Yushah Ibn Noun. Zij namen een vis mee in een mand. Toen zij aankwamen bij de rots, legden zij hun hoofden neer en sliepen. De vis glipte uit de mand en nam zijn weg in de zee als een tunnel. Dit was [later] verbazingwekkend voor Moesaa en zijn bediende. Zij zetten hun reis voort gedurende de rest van de nacht en de dag. Toen het ochtend werd, vroeg Moesaa aan zijn bediende: Breng ons onze maaltijd, want deze reis heeft ons erg vermoeid.' De vermoeidheid sloeg pas bij Moesaa toe nadat hij de plek die hem was bevolen, voorbij was. Zijn bediende zei tegen hem: `Weet je nog toen wij ons bij de rots te ruste legden? Ik ben (daar] de vis vergeten en hij is mij slechts doen vergeten door de shaytaan.' Moesaa zei toen: `Dat is waar we naar zochten,' en zij gingen terug en volgden hun voetstappen. Toen zij aankwamen bij de rots, troffen ze daar een man aan die volledig bedekt was met een kleed. Moesaa groette hem en hij antwoordde: `Hoe is de groet in jouw land?' Hij zei: `Ik ben Moesaa.' Hij vroeg: `De Moesaa van Banu Israa'iel?'

Hij antwoordde: `Ja,' en vroeg: Mag ik jou volgen, opdat je mij onderwijst van datgene wat je aan wijsheid onderwezen hebt gekregen?. Hij antwoordde: 'Je zult niet in om geduld met mij te hebben. 0 Moesaa, ik heb kennis gekregen van de van Allah, die jij niet kent. En jij heb kennis van hem gekregen die ik niet ken.` Hij zei: 'Met de Wil van Allah zul je mij geduldig zien en ik zal aan geen enkel bevel van jou ongehoorzaam zijn.' Hierop vertrokken zij lopend langs de zeekust. Zij hadden geen boot. Toen een boot hen passeerde, vroegen zij om hen mee te nemen. Men herkende Al-Khadir en zij werden kosteloos meegenomen. Er kwam een vogel, die neerstreek op de rand van de boot. Hij pikte [met zijn snavel] n of twee keer in de zee, waarop Al-Khadir zei: O Moesaa, mijn en jouw kennis hebben niets meer doen afnemen van de Kennis van Allah, dan wat deze vogel uit de zee gepikt heeft.' AI-Khadir wendde zich tot n van de planken van de boot en trok deze los. Moesaa vroeg toen: `De mensen hebben ons kosteloos meegenomen. Waarom wend jij je dan tot hun boot om er een gat in te maken en om haar bemanning tot zinken te brengen?' Hij zei: `Heb je niet gezegd dal jij niet in staat zult om geduld met mij te hebben?' Hij antwoordde: `Neem mij mijn vergeetachtigheid niet kwalijk en wees niet hard tegen mij vanwege mijn kwestie.' De eerste was vergeetachtigheid van Moesaa. Zij vertrokken en kwamen een knaap tegen die aan het spelen was met andere jongens. Al-Khadir greep zijn hoofd van boven en rukte zijn hoofd met zijn hand los.

Moesaa zei toen: `Heb jij een onschuldige ziel vermoord, die niemand heeft gedood?' Hij zei: `Heb ik je niet gezegd dat jij niet in staat zult zijn om geduld met mij te hebben?' Zij vetrokken weer totdat zij aankwamen bij dorpsbewoners. Zij vroegen hen om eten, maar zij weigerden om hen te onthalen. Zij troffen [in het dorp een muur aan, die wilde omvallen en hij zette hem weer recht. Al-Khadir wees met zijn hand en hij stond weer recht. Moesaa zei toen tegen hem: `Als je had gewild, dan had je er een vergoeding voor kunnen nemen.' Hierop zei hij: `Dit is de scheiding tussen mij en jou'." De Profeet heeft gezegd: "Moge Allah genade hebben met Moesaa. lk had gewenst dat hij geduld had, opdat ons meer van hun zaken verteld konden worden."

Hoofdstuk: Wie staand een zittende geleerde vraagt
103. Overgeleverd van Abu Moesaa is dat hij heeft gezegd: `Er kwam een man naar de Profeet en zei tegen hem: `Wat strijden op de weg van Allah? Want sommigen van ons strijden uit woede en anderen uit trots.' Hij zei tegen hem: Wie strijdt zodat het Woord van Allah hoogst zal zijn, diegene is [strijdend] de weg van Allah".'

Hoofdstuk: De uitspraak van Allah (En jullie hebben slechts weinig van de kennis gekregen)
104. Overgeleverd van 'Abdullaah is dat hij heeft gezegd: `Ik liep eens samen met de Profeet door de ruines van Al-Madienah. Hij steunde op een stok van palmtakken. Toen hij langs een aantal joden Liep, zeiden zij tegen elkaar: `Vraag hem over de geest [Ar-Roeh].' Anderen zeiden: `Vraag hem niet, uit angst dat er uitkomt wat jullie afkeuren.' Anderen zeiden: Wij gaan hem vragen.' Een man in hen stond op en zei: `0 Abul-Qaasim, wat is de geest?' Hij zweeg en ik zei: `Er wordt aan hem geopenbaard,' en ik stond op. Toen het over was, zei hij: (En zij vragen jou naar de geest [Ar-Roeh].

Zeg: `De geest behoort tot de beschikking van mijn Heer. En jullie hebben slechts weinig van de kennis gekregen.') [Soerah AI-Tsraa (17):85].'

Hoofdstuk: Wie een groep mensen verkiest boven anderen met kennis, uit angst dat zij het niet begrijpen
105. Overgeleverd van Anas Ibn Maalik is dat Mu'aadh Ibn Djabal eens bij de Profeet achter op een rijkameel zat. Hij zei toen: "0 Mu'aadh Ibn Djabal." Ik zei: `Ik sta tot uw beschikking en ben bereid om u te dienen.' Hij zei toen: "0 Mu'aadh Ibn Djabal." ik zei: `Ik sta tot uw beschikking en ben bereid om u te dienen.' Hij herhaalde dit driemaal. Daarna zei hij: "Eenieder die oprecht uit zijn hart getuigt dat er geen ware god is behalve Allah en dat Mohammad de Boodschapper van AllahSallalahu 'alaihi wasalam is, verbiedt Hij voor het vuur." lk zei: `O Boodschapper van AllahSallalahu 'alaihi wasalam, zal ik de mensen dit niet vertellen, opdat zij heugd zullen raken?' Hij zei: "Ze gaan er dan op vertrouwen." Mu'aadh vertelde de overlevering pas bij zijn overlijden, uit angst dat hij zondig zou zijn.'

Hoofdstuk: Schaamte tijdens kennis
106. Overgeleverd van Umm Salamah tui is dat zij heeft gezegd: `Umm Sulaim kwam naar de Profeet en zei: `O Boodschapper van AllahSallalahu 'alaihi wasalam, Allah schaamt Zich voor de waarheid. Moet een vrouw de wassing verrichten na een natte droom?' De Profeet antwoordde: "Als zij vocht ziet" Umm Salamah bedekte haar gezicht en vroeg: `O Boodschapper van AllahSallalahu 'alaihi wasalam, kan een vrouw een natte droom krijgen?' Hij antwoordde: `Jazeker, moge stof aan jouw rechterhand kleven. Hoe kan het anders dat haar kind op haar lijkt?"

Hoofdstuk: Wie uit schaamte een ander aanstelt am een vraag te stellen
107. Overgeleverd van `Ali lbn Abi Taalib is dat hij heeft gezegd: `Ik was iemand die veelvuldig last had [van het vloeien] van voorvocht. Ik droeg Al-Migdaad op, die hem het vroeg. Hij antwoordde: Hij dient wudoe' te verrichten".'

Hoofdstuk: Het noemen van kennis en het beantwoorden van wagen in de moskee
108. Overgeleverd van 'Abdullaab Ibn Omar is dat een man opstond in moskee en vroeg: `O Boodschapper van AllahSallalahu 'alaihi wasalam, vanaf waar verplicht u ons om ihraam aan te nemen?' De Boodschapper van A1laah antwoordde: "De plek voor het aannemen van ihraam voor de mensen van A1-Madienah is vanaf Dhul-Hulayfah, de plek voor het aannemen van ihraam voor de mensen van Irak is vanaf Al-Djuhfah, en de plek voor het aannemen ihraam voor de mensen van Nadjd is vanaf Qarn [Al-Manaazil]." Tbn 'Omar zegt dat men beweert dat de Boodschapper van AllahSallalahu 'alaihi wasalam ook heeft gezegd: "En de plek voor het aannemen van ihraam voor de mensen van Jemen is vanaf Yalamlam." lbn 'Omar zei echter: 'Dit [laatste] heb ik nooit van hem begrepen.'

Hoofdstuk: Wie een vrager meer antwoorden geeft dan waar hij om gevraagd heeft
109. Overgeleverd van 1bn 'Omar is dat een man de Profeet vroeg: 'Welke kleding mag iemand in staat van ihraam aantrekken?' Hij antwoordde: "Hij trekt geen gewaad aan, geen tulband, geen broek, geen gewaad met capuchon en geen leren sokken en geen kleding aan die in aanraking is gekomen met geurende kruidenverf of met saffraan. Als men geen sandalen vindt, mag hij leren sokken aantrekken. Hij dient ze dan echter wel onder zijn enkels te knippen."

4. Het boek van ablutie [wudoe']

Hoofdstuk: Een gebed zonder reiniging [wudoe'] wordt niet geaccepteerd

Top I
110. Overgeleverd van Abu Hurairah is dat de Boodschapper van AllahSallalahu 'alaihi wasalam heeft gezegd: "Het gebed van iemand die hadath heeft gepleegd, wordt niet geaccepteerd totdat hij de ablutie [wudoe'] verricht." Een man uit Hadhramout vroeg: `O Abu Hurairah, wat is hadath dan?' Hij antwoordde: `Een wind of een scheet.'

Hoofdstuk: De verdienste van de ablutie
111. Overgeleverd van Abu Hurairah is dat hij de Boodschapper van Allah heeft horen zeggen: "Mijn natie zal tijdens de Opstandingsdag worden opgeroepen met verlichte gezichten en handen n voeten, vanwege de sporen van de ablutie. Wie van jullie dus in staat is om zijn verlichte plekken te verlengen, laat hij dat dan doen."

Hoofdstuk: Bij twijfel verricht men geen ablutie [wudoe'] totdat hij zeker is
112. Overgeleverd van `Abdullaah Ibn Yazied is dat hij de Boodschapper van AllahSallalahu 'alaihi wasalam vroeg over de persoon die zich tijdens zijn gebed iets verbeeldt [dat zijn ablutie zou verbreken]. Hij zei: "Hij wendt zich niet af- of hij vertrekt niet [uit zijn gebed] - totdat hij een geluid hoort of een geur ruikt."

Hoofdstuk: Verlichting inzake de wudoe'
113. Overgeleverd van 1bn 'Abbaas is dat de Profeet sliep totdat hij snurkte. Vervolgens verrichtte hij het gebed zonder wudoe' te verrichten. Of hij heeft gezegd: `Hij ging liggen totdat hij snurkte. Vervolgens stond hij op en verrichte het gebed.'

Hoofdstuk: Het completeren van wudoe'
114. Overgeleverd van Usaamah Ibn Zayd is dat hij heeft gezegd: 'De Boodschapper van AllahSallalahu 'alaihi wasalam vertrok uit krafah. Toen hij aankwam bij de bergweg stapte hij af en urineerde. Daarna verrichte bii een verlichte wudoe' en ik vroeg: `O Boodschapper van AllahSallalahu 'alaihi wasalam, het gebed?' Hij antwoordde: "Het gebed is vr je." Hij reed vervolgens, totdat we aankwamen in Muzdalifah, waar hij afstapte. Hij verricht een complete wudoe', waarna werd opgeroepen tot het gebed. Hij verrichtte het maghreb-gebed. De mensen lieten daarna hun kamelen op hun plekken knielen. Uiteindelijk werd opgeroepen tot het 'Ishaa-gebed. Hij verrichtte dit gebed en deed geen ander gebed tussen beide.'

Hoofdstuk: Het gezicht met beide handen wassen uit een handjevol water
115. Overgeleverd van Ibn `Abbaas is: dat hij de wudoe' verrichtte en zijn gezicht waste. Hij nam een handjevol water, waarmee hij zijn mond spoelde en zijn neus snoot. Daarna nam hij een handjevol water en deed er zo mee: hij vulde er ook zijn andere hand mee en waste er zijn gezicht mee. Daarna nam hij een handjevol water en waste er zijn rechterarm mee. Daarna nam hij een handjevol water en waste er zijn linkerarm mee. Vervolgens veegde hij over zijn hoofd. Daarna nam hij een handjevol water en gooide dit over zijn rechtervoet, die hij waste. Daarna nam hij een handjevol water en waste er zijn linkervoet mee. Uiteindelijk zei hij: `Zo heb ik de Boodschapper van AllahSallalahu 'alaihi wasalam wudoe' zien verrichten.'

Hoofdstuk: Wat men zegt bij het binnengaan van het toilet
116. Overgeleverd van Anas is dat de Profeet als hij het toilet binnenging - zei: "0 Allah, ik zoek bescherming bij U tegen zowel de mannelijke als de vrouwelijke satans."

Hoofdstuk: Het plaatsen van water bij het toilet
117. Overgeleverd van Ibn `Abbaas is dat de Profeet eens het toilet binnenging. Ik plaatste toen water voor voor hem wudoe' mee te verrichten. Hij vroeg: "Wie heeft dit hier geplaatst?" Toen men het hem vertelde, zei hij: "0 Allah, schenk hem begrip in de religie."

Hoofdstuk: Men mag zich niet tot de gebedsrichting wenden tijdens het ontlasten of het urineren
118. Overgeleverd van Ayyoub Al-Ansaari is dat de Boodschapper van AllahSallalahu 'alaihi wasalam heeft gezegd: "Als iemand van jullie zijn behoefte wil doen, laat hij zich dan niet met zijn gezicht of met zijn rug tot de gebedsrichting wenden. Wend jullie echter naar het oosten of het westen."

Hoofdstuk: Wie zijn behoefte doet, zittend op twee bakstenen
119. Overgeleverd van `Abdullaah Ibn Omar is dat hij heeft gezegd: `Er zijn mensen die zeggen: `Als je zit om te toiletteren, zit dan niet gewend tot de gebedsrichting of naar Bayt U1-Magdis. lk klom een keer op het dak van een huis van ons en zag de Boodschapper van AllahSallalahu 'alaihi wasalam zittend op twee bakstenen, gewend naar Bayt Ul-Maqdis, om te toiletteren'.'

Hoofdstuk: Het naar buiten gaan van vrouwen voor het doen van hun behoefte
120. Overgeleverd van `Aaichah is dat als de echtgenotes van de Profeet hun behoefte wilden doen, zij in de nacht naar Al-Manaasi` gingen. Dit was een wijde vlakte. 'Omar zei echter steeds tegen de Profeet: `Laat je vrouwen zich sluieren.' De Boodschapper van AllahSallalahu 'alaihi wasalam gaf hier geen gehoor aan. Tijdens een nacht ging Sawdah Bint Zam`ah, de echtgenote van de Profeet, naar buiten. Zij was een lange vrouw. 'Omar riep haar toen: `O Sawdah, wij hebben je herkend.' Hij was namelijk gespitst op het neerzenden van de [verzen van] sluiering. Hierop openbaarde Allah het vers van de sluiering.

Hoofdstuk: Het reinigen van de af scheidingswegen met water
121. Overgeleverd van Anas Ibn Malik is dat hij heeft gezegd: `Als de Profeet naar buiten ging om zijn behoefte te doen, bracht ik samen met een knaap een leren beker gevuld met water.'

Hoofdstuk: Het meenemen van een speer en water bij het reinigen van de afscheidingswegen
122. In een andere versie: `...gevuld niet water en een speer. Hij reinigde zijn afscheidingswegen met het water.'

Hoofdstuk: Het verbod op het reinigen van de afscheidingswegen met rechts
123. Overgeleverd van Abu Qataadah dat de Boodschapper van AllahSallalahu 'alaihi wasalam heeft gezegd: "Als iemand van jullie drinks, laat hij dan niet ademen in drinkgerei [of eetgerei]. Als hij naar het toilet gaat, laat hij dan zijn geslachtsorgaan niet met zijn rechterhand aanraken en laat hij zijn rechterhand niet gebruiken om zich te reinigen."

Hoofdstuk: Het reinigen van de afscheidingswegen met stenen
124. Overgeleverd van Abu Hurairah is hij heeft gezegd: `Ik volgde eens de Profeet, toen hij naar buiten ging om zijn behoefte te doen. Hij keek niet om en ik kwam dichter bij hem. Hij zei: "Zoek voor mij stenen, waarmee ik mijn afscheidingwegen kan reinigen. Breng me echter geen bot of dierlijke uitwerpselen." Ik bracht hem stenen in het uiteinde van gewaad, die ik naast hem neerlegde. Ik wendde mij daarna van hem af. Nadat hij zijn behoefte had gedaan, reinigde hij zich ermee [met de stenen].'

Hoofdstuk: Men mag zijn afscheidingswegen niet reinigen met dierlijke uitwerpselen
125. Overgeleverd van `Abdullaah Ibn Mas'ood is dat hij heeft gezegd: `De Boodschapper van AllahSallalahu 'alaihi wasalam ging zijn behoefte doen en droeg mij op om hem drie stenen te brengen. Ik vond twee stenen en ging op zoek naar de derde, die ik niet vond. Daarom raapte ik een dierlijk uitwerpsel op en bracht hem die. Hij nam de twee stenen en gooide het dierlijk uitwerpsel weg en zei: "Deze is onrein".'

Hoofdstuk: De ledematen tijdens wudoe' n n keer wassen
126. Overgeleverd van Ibn Abbaas is dat hij heeft gezegd: 'De Boodschapper van AllahSallalahu 'alaihi wasalam verrichtte de handelingen van wudoe' n n keer."

Hoofdstuk: De ledematen tijdens wudoe' twee twee keer wassen
127. Overgeleverd van `Abdullaah Ibn Zayd Al-Ansaari is dat de Profeet de handelingen van wudoe' twee twee keer verrichtte.

Hoofdstuk: De ledematen tijdens wudoe' drie drie keer wassen
128. Overgeleverd van Othmaan Ibn 'Affaan is dat hij een emmer liet brengen. Hij goot drie keer op zijn handen en waste deze. Daarna stopte hij zijn rechterhand in de emmer, spoelde zijn mond en zijn neus [door te snuiten] en waste zijn gezicht drie keer. Daarna waste hij zijn handen tot en met zijn ellebogen drie keer. Daarna veegde hij over zijn hoofd. Vervolgens waste hij zijn voeten tot aan de enkels drie keer. Ten slotte zei hij dat de Boodschapper van AllahSallalahu 'alaihi wasalam heeft gezegd: "Voor wie een wudoe' verricht net als deze wudoe' van mij en vervolgens twee rak`as bidt, waarin zijn gedachten niet afdwalen [naar wereldse zaken], zullen al zijn voorgaande zonden worden vergeven".'

129. In een andere overlevering staat dat Othmaan heeft gezegd: `Zal ik jullie een overlevering vertellen, die ik jullie nooit zou vertellen als het niet een vers was? Ik heb de Profeet horen zeggen: "Van elke man die op correcte wijze wudoe' en daarna het gebed verricht, worden zijn zonden vergeven die begaan zijn tussen dit en het volgende gebed, totdat hij het [gebed] afrondt".' `Urwah vertelt dat het om het volgende vers gaat: (Voorwaar, degenen die de duidelijke bewijzen en leiding die Wij hebben neergezonden, verzwijgen ...) [Soerah Al-Bagarah (2):159]

Hoofdstuk: Het spoelen van de neus tijdens wudoe'
130. Overgeleverd van Abu Hurairah is de Profeet heeft gezegd: "Wie wudoe' verricht, dient zijn neus te spoelen. En wie zijn afscheidingswegen reinigt, dienr dit met een oneven aantal {steentjes] te doen."

Hoofdstuk: De afscheidingswegen in een oneven aantal reinigen
131. Overgeleverd van Abu Hurairah is de Boodschapper van AllahSallalahu 'alaihi wasalam heeft gezegd: "Als iemand van jullie wudoe' verricht laat hij dan water in zijn neus plaatsen en dan spoelen. En wie zijn afscheidingswereinigt, dient dit met een oneven aantal [steenjes] te doen. En als iemand van jullie onwaakt uit zijn slaap, laat hij dan zijn hand wassen voordat hij hem in het water dompelt weet namelijk niet waar zijn hand de nacht heeft doorgebracht."

Hoofdstuk: Het wassen van de voeten als men sandalen draagt
132. Overgeleverd van 'Abdullaah lbn 'Omar is dat men hem vroeg: `O Abu `Abdir-Rahmaan, ik heb jou vier dingen zien doen die ik niemand van jouw vrienden heb zien doen.' Hij vroeg: `Welke zijn dat dan?' Hij zei: `Ik heb gezien dat jij alleen de twee Yamani hoeken [van de Ka`bah] aanraakt. En ik heb gezien dat jij sabti-sandalen draagt. En ik heb gezien dat jij met geel verft. En ik heb gezien dat de mensen ihraam aannemen als zij de nieuwe maansikkel zien, terwijl jij - als jij je in Mekkah bevindt - pas ihraam aanneemt op de dag van tarwiyah [de achtste van Dhul-Hidjah].' `Abdullaah Ibn 'Omar zei: `Wat de hoeken betreft: ik heb de Boodschapper van Allah slechts de twee Yamani hoeken zien aanraken. Wat de Sabtisandalen betreft: ik heb de Boodschapper van AllahSallalahu 'alaihi wasalam sandalen zien dragen zonder haar en hij verrichtte daarmee wudoe'. Daarom hou ik ervan om ze te dragen. Wat de gele kleur betreft: ik heb de Boodschapper van AllahSallalahu 'alaihi wasalam daarmee zien verven. Daarom hou ik ervan om ermee te verven. Wat het aannemen van ihraam betreft: ik heb gezien dat de Boodschapper van AllahSallalahu 'alaihi wasalam de talbiyah pas uitsprak nadat zijn rijkameel opstond [voor vertrek].'

Hoofdstuk: Met rechts beginnen tijdens wudoe' en de wassing
133. Overgeleverd van `Aaichah is dat zij heeft gezegd: `De Boodschapper van AllahSallalahu 'alaihi wasalam hield er gewoonlijk van om rechts te beginnen als hij zijn sandalen aantrok, als hij zijn haren kamde, als hij zich waste en in al zijn zaken.'

Hoofdstuk: Het zoeken naar water als de tijd van het gebed aanbreekt
134. Overgeleverd van Anas Ibn Maalik dat hij heeft gezegd: `Ik zag eens de Boodschapper van AllahSallalahu 'alaihi wasalam, toen de tijd van het 'asr-gebed was aangebroken. De mensen zochten water om wudoe' te verrichten maar vonden het niet. Men bracht wudoe-water bij de Boodschapper van AllahSallalahu 'alaihi wasalam. De Boodschapper van AllahSallalahu 'alaihi wasalam plaatste zijn hand in de emmer en beval de mensen om er wudoe' uit te verrichten. Ik zag dat het water onder zijn vingers ontsprong, totdat de laatste van de aanwezigen wudoe' had verricht.'

Hoofdstuk: Het water waarmee het haar van een mens is gewassen
135. Overgeleverd van Anas Ibn Maalik is dat toen de Boodschapper van AllahSallalahu 'alaihi wasalam zijn haar scheerde, Abu Talhah de eerste die wat van zijn haar nam.

Hoofdstuk: Als een hond in jullie keukengerei slurpt
136. Overgeleverd van Abu Hurairah is dat de Boodschapper van AllahSallalahu 'alaihi wasalam heeft gezegd: "Als een hond in jullie keukengerei slurpt, laat hij het dan zeven keer wassen."

137. Overgeleverd van `Abdullaah Ibn 'Omar is dat hij heeft gezegd: `Honden plasten en liepen heen en weer in de moskee ten tijde van de Boodschapper van AllahSallalahu 'alaihi wasalam. Men besprenkelde dat echter nooit met water.'

Hoofdstuk: De mening dat wudoe' slechts verricht dient te worden nadat er iets uit beide afscheidingswegen is gekomen
138. Overgeleverd van Abu Hurairah is dat de Profeet heeft gezegd: "Als de dienaar zich in de moskee bevindt en wacht op het gebed, dan bevindt hij zich (vanuit het oogpunt van be1oning] in gebed, zolang zijn wudoe' niet verbreekt."

139. Overgeleverd van Zayd Ibn Khaalid is dat hij `Othmaan Ibn `Affaan vroeg: `Als iemand geslachtsgemeenschap heeft, maar geen zaadlozing?' `Othmaan antwoordde: `Hij dient wudoe' te verrichten net zoals de wudoe' die hij voor het gebed verricht. Bovendien moet hij zijn geslachtsdeel wassen.' Othmaan heeft gezegd: `Ik heb dit van de Boodschapper Allah gehoord. Ik heb het ook gevraagd aan `Ali, Az-Zubair, Talhah en Ubayy Ibn Ka`b. Zij hebben het mij allemaal zo opgedragen.'

140. Overgeleverd van Abu Sa`ied Al-Khudrie is dat de Boodschapper van AllahSallalahu 'alaihi wasalam naar een man van de Ansaar zond. Hij kwam bij hem, terwijl water van zijn hoofd druppelde. De Profeet vroeg: `Hebben wij jou opgejaagd [bij je vrouw vandaan]?' Hij antwoordde: 'Ja.' De Boodschapper van AllahSallalahu 'alaihi wasalam zei: "Als je opgejaagd of opgedroogd hebt [en dus geen zaadlozing hebt gehad], dien je wudoe' te verrichten.""* Deze regelgeving is afgeschaft en de wassing in een dergelijke situatie is verplicht gesteld. Hierover is consensus onder de geleerden. Zie bijvoorbeeld de overlevering met nummer 202 [Ontleend aan: 'Awn kl-Baari Lihalli Adllat il-Boekharie, deel 1, pagina 334, 335] [Voetnoot van de vertaler] Hoofdstuk: Een ander helpen bij het verrichten van wudoe'
141. Overgeleverd van Al-Mughierah Ibn Sho'bah is dat hij zich met de Boodschapper van Allah bevond tijdens een reis, toen hij wegging om zijn behoefte te doen. A1-Mughierah goot daarna water voor hem, terwijl hij wudoe' verrichtte. Hij waste zijn gezicht, beide onderarmen, veegde over zijn hoofd en veegde over zijn leren sokken.

Hoofdstuk: Het reciteren van de Qor'aan en dergelijke nadat de wudoe' is verbroken
142. Overgeleverd van Ibn `Abbaas is dat hij eens een nacht doorbracht bij zijn tante van moederskant, Maymounah, de echtgenote van de Profeet. Ik ging liggen in de breedte van de kussen en de Boodschapper van AllahSallalahu 'alaihi wasalam en zijn echtgenote gingen in de lengte liggen. De Boodschapper van AllahSallalahu 'alaihi wasalam sliep tot het midden van de nacht of iets ervoor of erna. De Boodschapper van AllahSallalahu 'alaihi wasalam stond op, ging zitten en veegde met zijn hand de slaap van zijn gezicht. Vervolgens reciteerde hij de laatste tien verzen uit Soerah Al-`Imraan. Daarna stond hij op en begaf zich naar een opgehangen waterzak. Hij verrichtte er wudoe' uit. Deze wudoe' was perfect. Hierna stond hij op en verrichtte het gebed. Ik stond ook op en deed wat hij ook had gedaan. Ik ging naast hem staan. Hij legde zijn rechterhand op mijn hoofd en hij pakte mijn rechteroor vast en speelde ermee. Hij verrichtte twee rak`as, daarna nog twee rak`as, daarna nog twee rak`as, daarna nog twee rak`as, daarna nog twee rak`as en daarna nog twee rak`as. Hij sloot af met het witrgebed. Hierop ging hij liggen totdat de gebedsoproeper naar hem toe kwam. Hij stond op en verrichtte twee lichte rak`as. Daarna ging hij naar buiten en verrichtte het ochtengebed

Hoofdstuk: Het vegen over het hele hoofd
143. Overgeleverd van `Abdullaah lbn Zayd is dat een man aan hem vroeg: Kun je mij laten zien hoe de Boodschapper van AllahSallalahu 'alaihi wasalam wudoe' verrichtte?.' Hij zei Ja.' Hij vroeg toen om water. Hij goot het over zijn handen, die hij drie keer waste. Vervolgens plaatste hij zijn hand in de emmer en hij spoelde zijn mond n snoof hand[vol] water op. Hij deed dit drie keer. Hij waste daarna zijn gezicht drie keer. Hij waste vervolgens zijn handen tot en met zijn ellebogen twee twee keer. Hij veegde met zijn handen over zijn hoofd. Hij ging met zijn handen van voor naar achter en van achter naar voor. Hij begon bij zijn voorhoofd en ging ermee naar zijn nek en daarna ging hij weer terug naar de plek waar hij was begonnen. Vervolgens waste hij zijn voeten.

Hoofdstuk: Het gebruiken van Wudoe'-water dat van anderen is over gebleven
144. Overgeleverd van Abu Djuhayfah is dat hij heeft gezegd: `De Boodschapper van A11aah kwam naar buiten in het midden van de dag naar ons toe. Men bracht hem water en hij verrichtte wudoe'. De mensen begonnen te nemen van het wudoe'-water dat van hem was overgebleven veegden zichzelf ermee. De Profeet bad zowel het dhuhr- als het sr-gebed in twee twee rak"as, terwijl er voor hem een speer was.'

145. Overgeleverd van As-Saa'ib Ibn Yazied is dat hij heeft gezegd: Mijn tante van moederskant bracht mij bij de Profeet en zei: `O Boodschapper van Allah, de zoon van mijn zus is ziek.' Hij veegde over mijn hoofd en deed aanroeping om mij te zegenen. Daarna verrichtte hij wudoe' en ik dronk van zijn wudoe'-water. Vervolgens ging ik achter zijn rug staan en keek naar de zegel van het profeetschap tussen zijn schouders, net als het ei van een patrijs.'

Hoofdstuk: Dat een man samen met zijn vrouw wudoe' verricht
146. Overgeleverd van `Abdullaah Ibn 'Omar is dat hij heeft gezegd: `Ten tijde van de Boodschapper van AllahSallalahu 'alaihi wasalam verrichtten de mannen en de vrouwen gezamenlijk wudoe'.'

Hoofdstuk: De Profeet goot zijn wudoe'-water over een bewusteloze persoon
147. Overgeleverd van Djaabir is dat hij heeft gezegd: `De Boodschapper van AllahSallalahu 'alaihi wasalam kwam mij bezoeken toen ik een keer ziek en bewusteloos was. Hij verrichtte wudoe' en goot van zijn wudoe'-water over mij heen. Hierop kwam ik weer bij bewustzijn en zei: `O Boodschapper van AllahSallalahu 'alaihi wasalam, aan wie komt mijn erfenis toe? lk heb geen ouders en geen nakomelingen.' Hierop werd het vers van erfenis geopenbaard.'

Hoofdstuk: De wassing en wudoe' verrichten uit een wastobbe
148. Overgeleverd van Anas is dat hij heeft gezegd: `De tijd van het gebed brak een keer aan. Wie zich dicht bij huis bevond, ging naar huis en een groep bleef achter. Er werd een wastobbe van steen gevuld met water hij de Boodschapper van AllahSallalahu 'alaihi wasalam gebracht. De wastobbe was te klein voor hem om zijn hand in te spreiden. Desondanks verrichtte de hele groep wudoe''. Wij vroegen: `Met hoeveel waren jullie dan?' Hij antwoordde: 'Met meer dan tachtig.'

149. Overgeleverd van Abu Moesaa is dat de Profeet vroeg om een beker met met water. Hij waste er zijn handen en gezicht ermee wierp water uit zijn mond erin.

150. Overgeleverd van `Aaichah is dat zij heeft gezegd: `Toen de Boodschapper van AllahSallalahu 'alaihi wasalam traag werd en zijn pijn verhevigde, vroeg hij zijn vrouwen toestemming om in mijn huis verpleegd te worden. Zij gaven hem toestemming. De Profeet ging tussen twee mannen- Al-Abbaas en een ander - naar buiten, terwijl voeren over de grond sleepten.' `Aaichah vertelde dat de Profeet - nadat hij zijn huis binnenging en de pijn verhevigde - zei: "Giet water over mij uit mijn waterzakken, waarvan de sluitingen niet zijn geopend. Ik hoop dat ik de mensen kan adviseren." Hij werd zittend geplaatst in een wastobbe van Hafsah, de echtgenote van de Profeet. Wij begonnen met het gieten van het water op hem, totdat hij naar ons gebaarde dat wij de opdracht hadden vervuld. Vervolgens begaf hij zich naar buiten naar de mensen.'

151. Overgeleverd van Anas is dat de Profeet vroeg om een pot met water. Men bracht hem een beker met een brede onderkant, met een beetje water erin. Hij plaatste zijn vingers erin. Anas vertelt: `Ik keek naar het water terwijl het tussen zijn vingers ontsprong. lk schat het aantal mensen dat wudoe' heeft verricht tussen de zeventig en de tachtig.'

Hoofdstuk: Wudoe' verrichten met een mudd water
152. Overgeleverd van Anas is dat hij heeft gezegd: `De Profeet verrichtte gewoonlijk de wassing met een saa` [water tot vijf mudd en de wudoe' met een mudd water].' [Saa` = 4 mudd. mudd = ongeveer 2/3 kg.].'

Hoofdstuk: Vegen over leren sokken
153. Overgeleverd van Sa'd Ibn Abi Waqqaas 4 is dat de Profeet heeft geveegd over zijn leren sokken. Abdullaah Ibn `Omar vroeg 'Omar hierover en hij antwoordde: `Ja, als Sa'd jou iets vertelt over de Profeet, dan hoef je er niemand anders meer over te vragen.'

154. Overgeleverd van `Amr Ibn Umayyah Adh-Dhamriyyi is dat hij de Profeet zien vegen over zijn leren sokken.

155. Overgeleverd van `Amr Ibn Umayyah Adh-Dhamriyyi is dat hij heeft gezegd: Ik heb de Profeet zien vegen over zijn tulband en over zijn leren sokken.'

Hoofdstuk: Als hij ze aantrekt terwijl zijn voeten rein zijn
156. Overgeleverd van Al-Mughierah Ibn Sho`bah is dat hij heeft gezegd: `Ik was eens met de Profeet tijdens een reis. Ik bukte om zijn leren sokken uit te doen, maar hij zei: "Laat ze, want ik heb ze [over voeten] aangetrokken, terwijl zij [mijn voeten] zich in reine staat [van wudoe'] bevonden." En hij veegde erover.

Hoofdstuk: Wie geen wudoe' verricht na het eten van ooienvlees en gerstePap
157. Overgeleverd van `Amr Ibn Umayyah is dat hij de Boodschapper van Allah heeft gezien, terwijl hij met een mes een uit de schouder van een ooi sneed. Toenn werd opgeroepen voor het gebed, legde hij het mes neer en verrichtte het gebed zonder [opnieuw] wudoe' te verrichten.

Hoofdstuk: Wie na het eten van ooien vlees of gerstepap zijn mond spoelt en geen wudoe' verricht
158. Overgeleverd van Suwaid Ibn An-Nu`maan is dat hij in het jaar van [de slag van] Khaibar met de Boodschapper van AllahSallalahu 'alaihi wasalam meeging. Toen zij aankwamen in As-Sahbaa, dat het laagste gedeelte van Khaibar is, verrichtte hij het `asrgebed. Daarna riep hij op om het proviand te brengen. Het enige wat men hem bracht was gerstepap. Hij beval om hem te weken [in water]. De Boodschapper van AllahSallalahu 'alaihi wasalam at en wij aten. Vervolgens stond hij op voor het avondgebed. Hij spoelde zijn mond en wij spoelden onze monden. Daarna verrichtte hij het gebed en verrichtte geen wudoe'.

159. Overgeleverd van Maymounah is dat de Profeet bij haar van het vlees van een schouder at en daarna het gebed verrichtte, zonder wudoe' te verrichten.

Hoofdstuk: Dient men zijn mond te spoelen na het drinken van melk?
160. Overgeleverd van Ibn `Abbaas is dat de Profeet melk dronk en vervolgens zijn mond spoelde en hij zei: "Ze bevat vet."

Hoofdstuk: Het verrichten van wudoe' na slaap en wie van mening is dat er geen wudoe' verricht hoeft te worden na n of twee keer indommelen of licht indutten
161. Overgeleverd van Aaichah is dat de Boodschapper van Allah heeft gezegd: "Als iemand van jullie zich slaperig voelt tijdens het gebed, laat hij gaan slapen totdat zijn slaperigheid voorbij is. Als iemand van jullie namelijk bidt terwijl hij slaperig is, wil hij om vergeving vragen [tijdens het gebed], maar verricht dan misschien aanroeping tegen zichzelf."

162. Overgeleverd van Anas is dat de Profeet heeft gezegd: "Als iemand van zich slaperig voelt tijdens het gebed, laat hij dan gaan slapen, totdat hij [weer] weet wat hij reciteert."

Hoofdstuk: Het verrichten van wudoe' zonder dat de wudoe' is verbroken
163. Overgeleverd van Anas is dat hij heeft gezegd: `De Profeet verrichtte gewoonlijk wudoe' voor elk gebed. Wij namen genoeg met n wudoe', zolang wij deze niet verbraken.'

Hoofdstuk: Tot de grote zonden behoort dat men zich niet afschermt van zijn urine
164. Overgeleverd van Ibn Abbaas is dat hij heeft gezegd: `De Profeet liep langs een boomgaard van de boomgaarden van Al Madienah of Mekkah, toen hij de geluiden hoorde van twee mensen die in hun graven werden gekweld. Hij zei toen: "Deze twee [begraven personen] worden gekweld en de reden van hun kwelling is geen grote." Daarna zei hij: "Welzeker, n van hen schermde zich niet af van zijn urine. De andere had de gewoonte om lasterpraatjes te verspreiden." Vervolgens liet hij een verse tak van een dadelpalmboom brengen, die hij in tween brak. Hij plantte in elk graf een stuk. Toen men hem vroeg: `O Boodschapper van AllahSallalahu 'alaihi wasalam, waarom heeft u dat gedaan?', antwoordde hij: "Hopelijk zullen zij verlichting [van kwelling] krijgen zolang deze twee [takken] niet gedroogd zijn".'

Hoofdstuk: Wat is overgeleverd over het wassen van urine
165. Overgeleverd van Anas Ibn Maalik is dat hij heeft gezegd: `Als de Profeet naar buiten ging om zijn behoefte te doen, bracht ik hem water, waarmee hij zich waste.'

Hoofdstuk: Dat de Profeet en de mensen de bedoeen hebben gelaten totdat hij uitgeplast was in de moskee
166. Overgeleverd van Abu Hurairah is hij heeft gezegd: `Een bedoeen stond een keer op en begon in de moskee te urineren. De mensen berispten hem, maar Boodschapper van AllahSallalahu 'alaihi wasalam zei tegen hen: "Laat hem en giet een emmer water over zijn urine. Jullie zijn immers gezonden om het [voor de mensen] te vergegemakkelijken en jullie zijn niet gezonden om het te vermoeilijken".'

Hoofdstuk: Urine van een babyjongetje
167. Overgeleverd van Umm Qays Bint Mihsan is dat zij bij de Boodschapper van AllahSallalahu 'alaihi wasalam kwam met een zootje van haar, dat nog geen voedsel at. Boodschapper van Allah liet de jongen in zijn schoot zitten en hij urineer op zijn gewaad. Hij liet water brengen besprenkelde daarmee zijn kledingstuk, zonder het te wassen.

Hoofdstuk: Staand en zittend urineren
168. Overgeleverd van Hudhayfah is dat hij heeft gezegd: De Profeet kwam hij een vuilnisbelt van mensen, waar hij staand urineerde. Daarna vroeg hij water. Ik bracht hem water, waarmee hij wudoe' verrichtte.'

Hoofdstuk: Urineren in aanwezigheid van een vriend, terwijl men afgeschermd is door een boomgaard
169. In een andere overlevering zegt Hudhayfah: '...Ik ging op een afstand van hem af staan. Hij gebaarde echter naar mij en ik kwam dichterbij. Ik stond achter hem totdat hij klaar was.'

Hoofdstuk: Het wassen van bloed
170. Overgeleverd van Asmaa is dat zij heeft gezegd: `Er kwam eens een vrouw bij de Profeet en vroeg: `Als de kleding van iemand van ons wordt geraakt door menstruatiebloed, wat moet zij er dan mee doen?' Hij antwoordde: "Zij moet het afkrabben en daarna met water wrijven. Vervolgens moet zij her met water besproeien, waarna zij erin kan bidden".'

171. Overgeleverd van `Aaichah is dat zij heeft gezegd: `Faatimah Bint Abi Hubaish kwam bij de Profeet en vroeg: `O Boodschapper van AllahSallalahu 'alaihi wasalam , ik heb last van onregelmatig vaginaal bloedverlies [na mijn menstruatieperiode], waardoor ik niet rein word. Moet ik liet gebed dan laten?' De Boodschapper van Allah antwoordde: "Nee, dat komt slechts door een ader en is geen menstruatiebloed. Als jouw menstruatie dus aanbreekt, laat dan het gebed. Als jouw menstruatie weer voorbij is, was het bloed dan van je af en bid daarna." Hij zei verder: "Verricht vervolgens wudoe' voor elk gebed totdat de volgende [menstruatie] periode weer aanbreekt".'

Hoofdstuk: Het wassen en wegkrabben van sperma
172. Overgeleverd van `Aaichah is dat zij heeft gezegd: `Ik waste gewoon lijk de [sporen van] seksuele onreinheid [=sperma] uit het gewaad van de Profeet. Hij vertrok dan naar het gebed, terwijl er water plekken op zijn gewaad waren,'

Hoofdstuk: De urine van kamelen, dieren en schapen, en hun kooien
173. Overgeleverd van Anas is dat hij heeft gezegd: 'Er kwamen mensen uit Ukal of `Urainah. In Al-Madienah raakten besmet met coeliakie. De Profeet" droeg hen op zich te begeven richting de melkkamelen en om van hun urine en melk te drinken. Hierop vertrokken zij. toen zij weer beter waren, doodden zij de herder van de Profeet en reden alle kamelen weg. Dit nieuws kwam aan het begin van de dag aan. Hij stuurde mensen om hen te achtervolgen. In de namiddag werden ze bij hem gebracht. Hij gaf opdracht en hun handen en voeten werden afgehakt en hun ogen werden blindgebrand. Zij werden in Al-Harra gegooid. Zij vroegen om drinken, maar kregen geen drinken.'

174. Overgeleverd van Anas is dat hij gezegd: `De Profeet verrichtte gewoonlijk het gebed in schaapskooien, voordat de moskee werd gebouwd.'

Hoofdstuk: Onreinheden die in boter of water terechtkomen
175. Overgeleverd van Maymounah is dat de Boodschapper van AllahSallalahu 'alaihi wasalam werd gevraagd over een muis die in boter was gevallen. Hij zei: "Gooi hem [de muis] en wat zich eromheen bevindt weg en eet [de rest van] jullie boter."

176. Overgeleverd van Abu Hurairah is dat de Profeet heeft gezegd: "Elke verwonding die de moslim oploopt op de weg van Allah, zal tijdens de Opstandingsdag de vorm aannemen van toen ze werd gestoken. Het bloed zal eruit stromen: de kleur is de kleur van bloed, maar de geur is de geur van musk."

Hoofdstuk: Urineren in stilstaand water
177. Overgeleverd van Abu Hurairah is dat de Profeet heeft gezegd: "Laat niemand van jullie urineren in stilstaand water dat niet stroomt en zich er vervolgens mee wassen."

Hoofdstuk: Als op de rug van een biddend persoon vuil of een kadaver wordt gegooid, raakt zijn gebed daar door niet ongeldig
178. Overgeleverd van `Abdullaah 1bn Mas'ood is dat de Profeet eens bij het Huis aan het bidden was, terwijl Abi Djahl en zijn vrienden daar zaten. Sommige van hen zeiden toen tegen de anderen: Wie van jullie brengt de vruchtvliezen van geslachte kamelen van die-en-die stam, en plaatst die op de rug van Mohammad als hij neerknielt?' De ongelukkigste van de aanwezigen vertrok en haalde ze. Hij wachtte af totdat de Profeet neerknielde legde ze op zijn rug, tussen zijn schouder. lk keek toe, maar was niet bij machte ook maar iets voor hem te betekenen. Had ik toen maar macht gehad. Zij begonnen te lachen en wezen naar elkaar. Boodschapper van AllahSallalahu 'alaihi wasalam bleef geknield, zonder zijn hoofd op te heffen. Totdat Faatimah bij hem kwam en ze van zijn rug verwijderde. De Boodschapper Allah hief zijn hoofd op en zei drie keer: "0 Allah, vernietig Quraish." Het kwam hard bij hen aan toen hij aanroeping tegen hen deed. Zij geloofden namelijk dat aanroepingen op die plek verhoord werden. Vervolgens noemde hij: O Allah, vernietig Abu Djahl, en vernietigd Utbah Ibn Rabie`ah, Shaybah Ibn Rabie'ah, Al-Walied Ibn `Utbah, Umayyah Ibn Khalaf en `Ugbah Ibn Abi Mu`ait." Hij noemde ook een zevende persoon, die de overleveraar is vergeten. Hij heeft gezegd: Bij Degene in wiens Hand mijn ziel ligt, ik heb al de personen die de Boodschapper van AllahSallalahu 'alaihi wasalam heeft genoemd dood gezien in de waterbron [tijdens de slag] van Badr.'

Hoofdstuk: Spugen, snuiten en dergelijke in kleding
179. Overgeleverd van Anas Ibn Maalik is dat hij heeft gezegd: `De Profeet heeft in zijn gewaad gespuugd.'

Hoofdstuk: Een vrouw die het bloed van het gezicht van haar vader wast
180. Overgeleverd van Sahl 1bn Sa'd As-Saa'idie is dat mensen hem vroegen: `Waarmee is de wond van de Profeet behandeld?' Hij antwoordde: `Er is niemand meer die hier meer kennis van heeft dan ik. `Ali bracht water in zijn schild en Faatimah waste het bloed van zijn gezicht. Men nam een rieten mat, die verbrand werd. Daarmee werd toen zijn wond gevuld.'

Hoofdstuk: siwaak
181. Overgeleverd van Abu Moesaa is dat hij heeft gezegd: `Ik kwam bij de Profeet en trof hem aan terwijl hij zijn tanden poetste met een siwaak in zijn hand.
Hij maakte een geluid: "U`, U`," terwijl de siwaak in zijn mond was, alsof hij kokhalsde.' 182. Overgeleverd van Hudhayfah is dat heeft gezegd: `Als de Profeet ontwaakte tijdens de nacht, reinigde hij zijn mond met een siwaak.'

Hoofdstuk: Het geven van de siwaak aan de oudste persoon
183. Overgeleverd van Ibn `Omar is dat de Profeet heeft gezegd: "Ik zag mezelf in een droom. Terwijl ik siwaak gebruikte, kwamen twee mannen naar mij toe. De ene was ouder dan de andere. Ik gaf de siwaak aan de jongste van de twee. Er werd echter tegen mij gezegd: `De oudere.' En ik gaf hem aan de oudste van de twee.

Hoofdstuk: De verdienste van wie slaapt met wudoe'
184. Overgeleverd van Al-Baraa' Ibn Aazib is dat de Profeet heeft gezegd: "Als je naar bed gaat, verricht dan dezelfde wudoe' als die je verricht voor het gebed. Ga vervolgens op je rechterzij liggen en zeg: `O Allah, ik heb aangezicht aan U overgegeven, en ik heb mijn zaak aan U overgedragen, en ik heb mijn rug aan U toevertrouwd, hopend vrezend voor U. Er is geen veilige plek en geen vluchtweg van U af, behalve naar U toe. 0 Allah, ik geloof in Uw Boek dat U heeft geopenbaard en in Uw Profeet die U heeft gezonden.' Als je tijdens deze nacht overlijdt, overlijd je op de fitrah [natuurlijke aanlegt. Laat dii dus het laatste zijn wat je zegt" Hij heeft gezegd: `Ik herhaalde deze woorden aan de Profeet, maar toen ik aankwam bij `O Allah, ik geloof in Uw Boek dat U heeft geopenbaard en in Uw Boodschapper,' zei hij: "Nee, `en in Uw Profeet die U heeft gezonden'."

5. Het boek van de wassing [ghusl]

Top I
Hoofdstuk: Het verrichten van wudoe' vr de wassing
185. Overgeleverd van `Aaichah de echtgenote van de Profeet is dat de Profeet als hij zich waste vanwege seksuele onreinheid [djanaabah], begon met het wassen van zijn beide handen. Vervolgens verrichtte hij de wudoe' net zoals hij die gewoonlijk verrichtte voor het gebed. Daarna dompelde hij zijn vingers in het water en ging ermee door zijn haarwortels. Daarna goot hij drie keer met zijn handen over zijn hoofd. Vervolgens goot hij het water over zijn gehele lichaam.

186. Overgeleverd van Maymounah de echtgenote van de Profeet is dat zij heeft gezegd: De Boodschapper van AllahSallalahu 'alaihi wasalam verrichtte zijn wudoe' [die hij gewoonlijk verrichtte) voor het gebed, met uitzondering van zijn voeten. Hij waste zijn geslachtsdeel en de viezigheid die hem had geraakt. Vervolgens goot hij water over zich heen. Daarna ging hij opzij met zijn voeten en waste ze. Dit was zijn wassing na seksuele onreinheid [djanaabah].'

Hoofdstuk: Dat een man samen met zijn vrouw de wassing verricht
187. Overgeleverd van `Aaichah de is dat zij heeft gezegd: `lk verrichtte gewoonlijk de wassing samen met de Profeet uit n pot, die Al-Faraq werd genoemd.'

Hoofdstuk: De wassing verrichten met ongeveer een saa` water
188. Overgeleverd van 'Aaichah is dat haar werd gevraagd over de wassing van de Profeet. Zij liet een pot brengen met een saa' [bijna drie kilo] water, verrichtte de wassing en goot die over haar hoofd. Tussen haar en de vraagster bebevond zich een scherm.'

189. Overgeleverd van Djaabir Ibn `Abdillaah An-saari is dat een man hem vroeg over de wassing. Hij antwoordde: `Het is voldoende voor je om een saa` [water] te gebruiken.' De man zei: Voor mij is dat niet voldoende.' Djaabir antwoordde: `Het was voldoende voor hem die meer haar dan jij had en beter dan jij was.' Vervolgens ging hij [Djaabir] ons voor in het gebed met n gewaad aan.

Hoofdstuk: Over wie driemaal [water] over zijn hoofd giet
190. Overgeleverd van Djubair Ibn Mut`im is dat de Boodschapper van AllahSallalahu 'alaihi wasalam heeft gezegd: "Wat mij betreft: ik giet driemaal [water] over mijn hoofd." En hij wees met zijn beide handen.

Hoofdstuk: Wie begint met een melk kan of parfum gebruikt voor de wassing
191. Overgeleverd van Aaichah is dat zij heeft gezegd: `Als de Profeet de wassing vanwege seksuele onreinheid [djanaabah] wilde verrichten, vroeg hij om iets wat leek op een melkkan. Hij nam er [water] uit met zijn hand en begon met de rechterzijde van zijn hoofd en daarna de linkerzijde en hij ging ermee over het midden van zijn hoofd.'

Hoofdstuk: Als men geslachtsgemeenschap heeft gehad en dit wil herhalen
192. Overgeleverd van `Aaichah is dat zij heeft gezegd: `Ik parfumeerde de Boodschapper van AllahSallalahu 'alaihi wasalam. Hij deed dan een ronde langs al zijn vrouwen. De volgende ochtend nam hij ihraam aan, tenwijl hij nog naar parfum rook.'

193. Overgeleverd van Anas Ibn Maallk is dat hij heeft gezegd: `De Boodschapper van AllahSallalahu 'alaihi wasalam deed een ronde langs al zijn vrouwen tijdens een periode van de dag of de nacht. Zij waren met elf vrouwen.' Men vroeg: `Kon hij dat dan aan?' Hij antwoorde van seksuele onreinheid bevond. Daarom zei hij tegen ons: `Blijf op jullie plek staan." Hij ging weg en verrichtte de wassing. Daarna kwam hij naar ons naar buiten, terwijl zijn hoofd nog druppelde met water. Hij sprak de takbier uit en leidde ons in het gebed.'

Hoofdstuk: Wie naakt de wassing verricht, terwijl hij alleen en afgezonderd is
197. Overgeleverd van Abu Hurairah is dat de Profeet heeft gezegd: "Banu Israa'iel hadden de gewoonte om zich [gezamenlijk] naakt te wassen, waarbij zij naar elkaars schaamdelen keken, terwijl Moesaa zich alleen [en afgezonderd] waste. Daarom zeiden zij: `Bij Allah, het enige wat Moesaa ervan weerhoudt om zich samen met ons te wassen is het feit dat hij grote testikels heeft.' Op een dag ging hij [Moesaa] baden en legde zijn kleren op een steen, maar de steen ging ervandoor met zijn kleren. Moesaa rende zo hard als hij kon achter hem aan, terwijl hij zei: `O steen, [geef] mijn kleren [terug]! Toen Banu Israa'iel de kans hadden gekregen om naar de schaamdelen van Moesaa te kijken, zeiden zij: `Bij Allah, er is helemaal niets mis met Moesaa.' Hij [Moesaa] pakte toen zijn kleren en begon de steen te slaan." Abu Hurairah heeft gezegd: `Bij Allah, de steen hield zes of zeven littekens over aan het slaan van Moesaa.'

198. Overgeleverd van Abu Hurairah is dat de Profeet heeft gezegd: "Terwijl Ayyoub zich een keer naakt aan het wassen was, vielen er gouden sprinkhanen op hem. Ayyoub begon ze met zijn hand in zijn gewaad te verzamelen. Hierop riep zijn heer hem: "0 Ayyoub, heb Ik je niet rijker gemaakt dan wat je nu ziet?" Hij antwoordde: `Bij Uw Glorie, jazeker. Ik ben echter nooit te rijk voor Uw Gunsten. Hoofdstuk: Zich afschermen tijdens de wassing als men zich bij mensen bevindt
199. Overgeleverd van Umm Haani' Bint Abi Taalih is dat zij heeft gezegd: `Ik ging in het jaar van de Overwinning naar de Boodschapper van AllahSallalahu 'alaihi wasalam. Hij was bezig met de wassing en Faatimah schermde hem af. Hij vroeg: "Wie is daar? Ik antwoordde: `Ik ben Umm Haani.

Hoofdstuk: Het zweet van wie zich in staat van seksuele onreinheid bevindt en dat een moslim niet onrein raakt
200. Overgeleverd van Abu Hurairah is dat hij de Profeet eens tegenkwam op van de wegen van Al-Madienah, terwijl hij zich in staat van seksuele onreinheid bevond [djunub]. Hij heeft gezegd: Daarom glipte ik weg, verrichtte de wassing kwam terug. De Profeet zei: "0 Hurairah, waar was je?" Hij antwoordde: `Ik was djunub en wilde u geen gezelschap houden, terwijl ik niet rein was.' Hierop zei de Boodschapper van AllahSallalahu 'alaihi wasalam: "Verheerlijkt is Allah, de gelovige raakt niet onrein."

Hoofdstuk: Het slapengaan van eimand in staat van seksuele onreinheid als hij wudoe' heeft verricht
201. Overgeleverd van 'Omar Ibn Al-Khattaab is dat hij de Boodschapper van AllahSallalahu 'alaihi wasalam vroeg: `Mag iemand van ons slapen terwijl hij zich in staat van seksuele onreinheid bevindt?' Hij antwoordde: "Ja, als iemand van jullie wudoe' heeft verricht, mag hij slapen terwijl hij zich in staat van seksuele onreinheid bevindt."

Hoofdstuk: Als de twee [besneden] geslachtsdelen elkaar raken
202. Overgeleverd van Abu Hurairah is dat de Profeet heeft gezegd: "Als hij tussen haar vier ledematen zit en haar vervolgens penetreert, is de wassing verplicht geworden."

6. Het boek van menstruatieHoofdstuk: Menstruatie is voorgeschreven voor vrouwen

Top I
203. Overgeleverd van `Aaichah is dat zij heeft gezegd: Wij vertrokken met de intentie om alleen de hadj te verrichten. Toen wij in Sarif aankwamen, menstrueerde ik. De Boodschapper van AllahSallalahu 'alaihi wasalam kwam bij mij binnen, terwijl ik huilde. Hij vroeg: "Wat heb je? Menstrueer je?" Ik antwoordde: "Ja.' Hij zei toen: "Dit is iets wat Allah heeft voorgeschreven voor de dochters van Aadam. Doe dus wat de pelgrim ook doet, behalve dat je geen rondgang om her Huis [de Ka`bah] mag verrichten." De Boodschapper van AllahSallalahu 'alaihi wasalam offerde koeien namens zijn vrouwen.'

Hoofdstuk: Een menstruerende vrouw die het haar van haar man kamt en wast
204. Overgeleverd van Aaichahi is dat zij heeft gezegd: `Ik kamde het haar van de Boodschapper van Allah, terwijl ik menstrueerde.'

205. In een andere overlevering: `Hij bevond zich in de moskee [vanwege itikaaf] en gaf zijn hoofd aan, terwijl zij zich in haar kamer bevond. Zij kamde zijn haren dan, terwijl ze menstrueerde.'

Hoofdstuk: Een man die in de schoot van zijn vrouw reciteert, terwijl zij menstrueert
Overgeleverd van `Aaichah is dat zij heeft gezegd: `De Profeet leunde in mijn schoot, terwijl ik menstrueerde en hij reciteerde dan de Qor'aan.'

Hoofdstuk: Wie menstruatie `nifaas' noemt
207. Overgeleverd van Umm Salamah is dat zij heeft gezegd: `Terwijl ik eens met de Boodschapper van AllahSallalahu 'alaihi wasalam onder n fluwelen kleed lag, begon ik te menstrueren. Ik glipte weg en pakte mijn menstruatieldeding. De Boodschapper van vroeg mij toen: "Heb jij nifaas [menstrueer je]?" Ik antwoordde: 'ja.' Hij riep me en ik ging met hem onder het fluwelen kleed liggen.'

Hoofdstuk: Lichamelijk contact met een menstruerende vrouw
208. Overgeleverd van `Aaichah is dat zij heeft gezegd: 'Ik en de Boodschapper van AllahSallalahu 'alaihi wasalam verrichtten de wassing uit n pot, terwijl wij beiden in staat van seksuele onreinheid [djanaabah] verkeerden. Hij beval mij op een lendendoek om te wikkelen, om vervolgens lichamelijk contact met mij te hebben. En hij stak zijn hoofd naar mij uit, terwijl i`tikaaf bevond. Ik waste zijn hoofd terwijl ik menstrueerde.'

209. Overgeleverd van `Aaichah is dat zij heeft gezegd: `Als n van ons menstrueerde en de Boodschapper van AllahSallalahu 'alaihi wasalam wilde lichamelijk contact [en liefkozing] met haar, beval hij haar om tijdens de momenten van hevige menstruatie een lendendoek om te wikkelen. Daarna onderhield hij lichamelijk contact [en liefkoosde hij] met haar.' Vervolgens voegde zij eraan toe: `En wie van jullie heeft zijn geslachtsdeel [of: zijn lust] onder controle zoals de Boodschapper van AllahSallalahu 'alaihi wasalam hem onder controle had?'

Hoofdstuk: De menstruerende vrouw vast niet
210. Overgeleverd van Abu Sa`ied Al-Khudrie is dat hij heeft gezegd: 'De Boodschapper van Allah ging naar buiten op een offer- of suikerfeestdag naar de gebedsplaats. Hij liep langs de vrouwen en zei: "0 vrouwen! Geef aalmoezen. Ik heb jullie namelijk gezien als meerderheid van de helbewoners." Hierop zeiden zij: `En waarom dan, O Boodschapper van AllahSallalahu 'alaihi wasalam?' Hij antwoordde: "Jullie vloeken veel en zijn jullie echtgenoten ondankbaar. Ik heb niemand met verminderd verstand en religie gezien, die een verstandige, vastberaden man meer overtreft dan jullie." Zij vroegen: `O Boodschapper van AllahSallalahu 'alaihi wasalam, wat betreft dat verminderd verstand en religie dan?' Hij antwoordde: "Het is toch zo dat de getuigenis van een vrouw gelijkstaat aan de halve getuigenis van een man?" Zij antwoordden: `Ja.' Hij zei: "Dat is dus van haar verminderd verstand. Het is toch ook zo dat de vrouw als zij menstrueert, niet bidt en niet vast?" Zij antwoordden: Ja.' Hij zei: "Dat is van haar minderde religie".'

Hoofdstuk: De i`tikaaf* van een vrouw met onregelmatig vaginaal bloedverlies
211. Overgeleverd van `Aaichah is dat de Profeet samen met n van zijn vrouwen i`tikaaf verrichtte, terwijl zij last had van onregelmatig vaginaal bloedverlies en bloed zag. Misschien plaatste zij zelfs een teil onder zich voor het bloed. * Itikaaf: is het zich afzonderen in de moskee ter aanbidding van Allah. [Voetnoot van de vertaler, ontleend aan Minnat Ul-Mun`im Fie Sharh Sahieh Moslim, deel 2, pagina 208].

Hoofdstuk: Het gebruik van parfum door een vrouw na haar wassing na de menstruatie
212. Overgeleverd van Umm `Atiyyah is dat zij heeft gezegd: `Her werd ons verboden om langer dan drie dagen te rouwen om een dode. Behalve als het om echtgenoot gaat, geldt een periode van vier maanden en tien dagen. Ook werd verboden om de ogen zwart te maken om parfum te gebruiken en om gekleurd gewaad te dragen, behalve als een 'asb-mantel is [een Jemenitische mantel, waarvan het spinsel eerst wordt samengevoegd en daarna geverfd om vervolgens geweven te worden]. Het werd ons toegestaan bij het rein worden, nadat wij ons hadden gewassen na de menstruatie, om ons te parfumeren met een klein stukje kost-adhfaar [een soort Arabische parfum]. En het werd ons verboden om met uitvaarten mee te lopen.'

Hoofdstuk: De vrouw dient haar lichaam schoon te wrijven nadat ze rein is geworden van menstruatie
213. Overgeleverd van `Aaichah is dat een vrouw de Profeet vroeg over de wassing na de menstruatie. Hij beval haar hoe te wassen en zei: "Neem een stukje niet musk geparfumeerd katoen [doek of watten], waarmee jij jezelf reinigt." Zij vroeg: `Hoe moet ik mij daarmee reinigen?' Hij antwoordde: "Verheerlijkt is Allah! Reinig jezelf ermee." Hierop trok ik haar naar mij toe en zei tegen haar: `Reinig daarmee de bloedvlekken.'

Hoofdstuk: Een vrouw kamt haar haar als zij de wassing heeft verricht na menstruatie
214. Overgeleverd van `Aaichah is dat zij heeft gezegd: `Ten tijde van de afscheidsbedevaart nam ik ihraam aan voor tamattu` [afzonderlijke `umrah opgevolgd door een afzonderlijke hadj] en had daarom geen offerdier bij zichgebracht.' Zij zegt dat ze menstrueerde en pas rein werd toen de nacht van 'Arafah aanbrak. Zij vroeg toen: `O Boodschapper van AllahSallalahu 'alaihi wasalam, dit is de nacht van `Arafah en ik had de ihraam aangenomen voor een `umrah [vanwege tamattu`].' De Boodschapper van AllahSallalahu 'alaihi wasalam zei tegen haar: "Ontvlecht je haren en kam ze daarna. En laat je umrah." Ik deed dit. Toen ik de hadj had afgerond, beval hij `Abdur-Rahmaan tijfdens de nacht dat wij neerstreken in Al-Mihsab. Hij het mij `umrah verrichten At-Tan`iem. Dat was de plek waar vandaan ik in eerste instantie ihraam had aangenomen voor mijn `umrah.'

Hoofdstuk: Een vrouw ontvlecht haar haren als zij de wassing verricht na menstruatie
215. Overgeleverd van `Aaichah is dat zij heeft gezegd: `Wij vertrokken het bijna de nieuwe maan van Dhul-Hidjah was. De Boodschapper van AllahSallalahu 'alaihi wasalam zei: "Wie de ihraam wenst aan te nemen voor een `umrah, laat hij dat dan doen. Als ik namelijk geen offerdier bij zich had men, dan had ik ook de ihraam aangenomen voor een `umrah". Sommigen van hen namen toen de ihraam aan voor een umrah en anderen voor een hadj.' Zij [Aaichah] gaat verder met de overlevering en noemt haar menstruatie en zegd verder: `Hij zond mijn broer met mij mee naar At-Tan'iem. Ik nam de ihraam voor een `umrah. Hiervoor was geen offerdier, vasten of aalmoes verschuldigd.

Hoofdstuk: Een menstruerende vrouw haalt het [gemiste] gebed niet in
216. Overgeleverd van `Aaichah is dat een vrouw haar vroeg: `Moet iemand van ons haar gebed inhalen als zij weer rein is?' Zij vroeg: 'Ben jij een haroeriyyah*? Wij menstrueerden in het bijzijn van de Profeet en hij beval ons niet om dat [het inhalen van de gemiste gebeden] te doen.' Of zij heeft gezegd: `En wij deden dat niet.' * Haroeriyyah: Een groepering van de khawaaridj olie de menstruerende vrouw verplicht om, als zij rein is, de gebeden die zij gemisr heeft tijdens haar menstruatie, in te halen. [Voetnoot van de vertaler]

Hoofdstuk: Slapen met een menstruerende vrouw die haar kleding aanheeft
217. Overgeleverd van Umm Salamah is de overlevering van haar menstruatie met de Profeet onder een fluwelen kleed. In deze versie zegt ze vervolgens dat de Profeet haar kuste terwijl hij vastte.

Hoofdstuk: De menstruerende vrouw woont de twee `eid-feesten bij
218. Overgeleverd van Umm Atiyyah is dat zij heeft gezegd: `Ik heb de Boodschapper van AllahSallalahu 'alaihi wasalam horen zeggen: `Jonge meiden, gesluierde vrouwen en menstruerende vrouwen gaan [tijdens 'eid-ul-fitr en `eid-ul-Adhaa] naar buiten. Laat hen het goede en de aanroeping van de gelovigen bijwonen. Laat de menstruerende vrouwen echter wel de gebedsplek mijden".' Men vroeg aan haar: `Menstruerende vrouwen?' Zij antwoordde: `Zij woonden toch ook 'Arafah, etc. etc. bij?'

Hoofdstuk: Geelkeurige en troebele afscheiding buiten de menstruatieperiode
219. Overgeleverd van Umm `Atiyyah is dat zij heeft gezegd: `Geelkleurige en troebele afscheiding beschouwden wij als iets [na menstruatie].'

Hoofdstuk: Als een vrouw menstrueert na het verrichten van tawaaf-ul-ifaadah 220. Overgeleverd van `Aaichah de echtgenote van de Profeet, is dat zij de Boodschapper van AllahSallalahu 'alaihi wasalam gezegd: `Safiyyah menstrueert' De boodschapper van Allah zei toen: "Misschien gaat zij ons nu ophouden. Had zij niet al eerder [tawaaf-ul-ifaadah] samen met jullie verricht?" Zij antwoordden: 'Jawel.' Hij zei toen: "Dan kan ze vertrekken.

Hoofdstuk: Bidden voor een [overleden] kraamvrouw en de Soennah daarin
221. Overgeleverd van Samurah Ibn Djundub is dat een vrouw overleed vanwege een bevalling. De Profeet stond ter hoogte van het midden van haar [lichaam] om voor haar te bidden.'

222. Overgeleverd van Maymounah de echtgenote van de Profeet, is dat als zij menstrueerde, zij het gebed niet verrichtte. Zij lag dan op de grond naast de plek waar de Boodschapper van AllahSallalahu 'alaihi wasalam knielde [tijdens zijn gebed]. Hij verrichtte het gebed op zijn gebedskleed. Als hij knielde, werd ik aangeraakt door zijn kleding.

7. Het boek van tayammum

Top I
Hoofdstuk: De Uitspraak van Allah (...en jullie vinden geen water, verricht dan tayammum...)
223. Overgeleverd van Aaichah de echtgenote van de Profeet, is dat zij heeft gezegd: `Wij zijn meegereisd met de Boodschapper van AllahSallalahu 'alaihi wasalam tijdens n van zijn reizen. Toen wij aankwamen in Al-Baydaa' of Dhaat Al-Djavsh, brak mijn halsketting. Daarom bleef de Boodschapper en de mensen met hem daar om hem te zoeken. Er bevond zich echter geen water op die plek. De mensen kwamen toen naar Abu Bakr toe en zeiden: `Zie je niet wat [jouw dochter] `Aaichah heeft gedaan? Zij heeft de Boodschapper van AllahSallalahu 'alaihi wasalam en de mensen met hem hier gelaten, terwijl zich hier geen water bevindt en zij geen water bij zich hebben.' Hierop kwam Abu Bakr terwijl de Boodschapper van AllahSallalahu 'alaihi wasalam zijn hoofd op mijn bovenbeen had gelegd en in slaap was gevallen. Hij [Abu Bakr] zei: `Heb je de Boodschapper van AllahSallalahu 'alaihi wasalam en de mensen opgehouden, terwijl zich hier geen water bevindt en zij geen water bij zich hebben?' `Aaichah heeft gezegd: `Abu Bakr heeft mij verwijten gemaakt en wat Allah wenst aan woorden tegen mij gezegd. Hij begon ook met zijn hand in mijn zij te steken. Het enige wat mij tegenhield om te bewegen was dat de Boodschapper van Allah op mijn bovenbeen lag. De Boodschapper van AllahSallalahu 'alaihi wasalam stond op toen de ochtend aanbrak, terwijl er geen water was. Hierop zond Allah het vers tayammum neer en de mensen verrichten tayammum. Hierop zei Usayd lbn AL-Hudhair: `O familie van Abu Bakr, dit is niet jullie eerste zegening.' `Aaichah heeft gezegd: `Toen wij de kameel die ik bereed lieten opstaan, vonden wij de ketting eronder.'

224. Overgeleverd van Djaabir Ibn `Abdillaah Al-Ansaari is dat de Profeet heeft gezegd: "Ik heb vijf [zaken] gekregen, die niemand vr mij heeft gekregen: aan mij wordt de overwinning geschonken door angst [die in de harten harten van de vijanden wordt geplaatst]; de aarde voor mij tot een gebedsplaats en een middel van reiniging gemaakt; de oorlogsbuit is voor mij toegestaan gemaakt, terwijl deze nooit voor iemand vr mij toegestaan is gemaakt; ik heb de voorspraak [shafaa'ah] gekregen; profeten werden specifiek naar hun eigen volk gezonden en naar de gehele mensheid gezonden.

Hoofdstuk: Het verrichten van tayammum als men niet op reis is, maar geen water treft en vreest dat de gebedstijd verloopt
225. Overgeleverd van Abu A1-Djuhaim Ibn Al-Haarith Al-Ansaari is dat hij heeft gezegd: `De Profeet kwam eens aan de richting van Bi'r Djamal, toen een man hem tegenkwam en hem groette. hem pas terug, nadat hij zich had gewend tot een muur en vervolgens zijn gezicht en handen afveegde. Daarna groette hij hem pas terug.'

Hoofdstuk: Dient degene die tayammum verricht het stof van zijn handen te blazen?
226. Overgeleverd van `Ammaar Ibn Yaasir is dat hij tegen 'Omar Ibn Al-Khattaab heeft gezegd: `Herinner je je niet dat ik en jij samen op reis waren [en beiden in staat van seksuele onreinheid raakten]? Jij verrichtte toen het gebed niet, terwijl ik mezelf in het stof rolde en het gebed wel verrichtte. Toen ik het voorval aan de Profeet vertelde, zei de Profeet: "Het zou genoeg voor je zijn geweest als je zo had gedaan." De Profeet sloeg met zijn handen op de grond, blies erin en veegde er vervolgens zijn gezicht en handen mee.'

Hoofdstuk: Een moslim kan wudoe' verrichten met schone aarde, die water voor hem vervangt
227. Overgeleverd van `lmraan Ibn Husain Al-Khuzaa`ie is dat hij heeft gezegd: `Wij bevonden ons op een nachtelijke reis samen met de Profeet . Aan het eind van de nacht vielen wij in slaap op een zodanige manier, dat een reiziger zich niet heerlijker kan wensen. Wij werden pas gewekt door de hitte van de zon. De eerste die wakker werd was die en die, daarna die en die, daarna die en die en daarna 'Omar Ibn Al-Khattaab als vierde. Als de Profeet sliep, werd hij niet gewekt tot dat hij zelf wakker werd. Wij wisten namelijk niet wat er met hem gebeurde tijdens zijn slaap. Toen 'Omar - die een sterke volharder was - wakker werd en zag wat de mensen was overkomen, riep hij met stem de takbier uit. Hij ging hier net zo lang mee door, totdat de Profeet door zijn stem gewekt werd. Toen hij wakker werd, deden zij beklag bij hem over wat hen overkomen was. Hij zei: "Is niet erg (of: kan geen kwaad). Vertrek." Hij vertrok en reed niet zo ver weg. Vervolgens stapte hij af en vroeg om wudoe' en werd opgeroepen tot gebed. Hij verrichtte wudoe' en er werd opgeroepen tot het gebed. Hij leidde de mensen in het gebed. Toen hij zich afwendde [na afloopt] van zijn gebed, zag hij een man die zich had afgezonderd en niet met de mensen had gebeden. Hij vroeg: "O die en die, wat heeft je ervan weerhouden om samen met de mensen te bidden?" Hij zei: `ik ben getroffen door seksuele onreinheid en heb geen water.' Hij zij: "Gebruik aarde, dat is namelijk genoeg voor je." Daarna reed de Profeet weg en de mensen klaagden bij hem over dorst.

Hij stapte af en riep die en die en Ali. Hij zei: "Ga en zoek naar water." Zij vertrokken en kwamen een vrouw tegen tussen twee grote waterzakken op haar kameel. Zij vroegen haar: Waar is de waterbron?' Zij antwoordde: `Ik was gisteren op dit tijdstip bij de waterbron. Onze mannen zijn namelijk afwezig.' Zij zeiden tegen haar: `Kom dan mee.' Zij vroeg: Waarheen?' Zij antwoordden: `Naar de Boodschapper van AllahSallalahu 'alaihi wasalam .' Zij vroeg: De man die de afvallige wordt genoemd?' Zij antwoordden: `Ja, hij is de man die jij bedoelt. Kom mee.' Toen zij met haar aankwamen bij de Profeet, vertelden zij hem wat er was gebeurd. Zij vroegen haar vervolgens om van haar kameel af te stappen. De Profeet vroeg om een emmer, waarin hij water uit de mondstukken van de twee grote waterzakken goot. Vervolgens sloot hij de twee mondstukken en opende van beide waterzakken de grate openingen aan de onderkant. Er werd onder de mensen opgeroepen dat ze konden drinken en te drinken konden geven. Wie dat wilde dronk, en wie wilde gaf te drinken. Aan het einde gaf hij de man (he getroffen was door seksuele onreinheid een emmer water en zei: "Ga en giet dit over je heen." De vrouw stond erbij en keek toe wat er met haar water werd gedaan. Bij Allah, toen zij haar waterzakken terugkreeg, hadden wij de indruk dat ze nog meer gevuld waren dan aan het begin. De Profeet zei toen: "Zamel in voor haar." Zij zamelden dadels, meel en gerstepap in voor haar. Nadat zij voedsel voor haar hadden ingezameld, deden zij dit in een kleed. Zij Neven haar op haar kameel en plaatsten het kleed vr haar. Hij zei tegen haar: "Weet dat wij niets van jouw water hebben afgenomen. Het is namelijk Allah Die ons te drinken heeft gegeven." Zij kwam vervolgens te laat aan bij haar familie, die haar vroeg: `0 die en die, waarom ben je zo laat?' Zij antwoordde: `Vanwege iets wonderbaarlijks. Ik kwam twee mannen tegen. Zij namen mij mee naar deze man die de afvallige wordt genoemd. Hij deed vervolgens dit en dit bij Allah, of hij is de meest bedreven tovenaar tussen deze en die (en ze wees haar middel- en wijsvinger naar de hemel, waarmee ze bedoelde: tussen de hemel en de aarde), of hij is werkelijk waar de Boodschapper van AllahSallalahu 'alaihi wasalam.' Toen de moslims daarna de veelgodenaanbidders om haar heen aanvielen, lieten zij haar groep met rust. Op een dag zei zij tegen haar volk: `Ik denk dat zij jullie bewust met rust laten. Hebben jullie geen behoefte om de Islaam binnen te treden?' Zij gehoorzaamden haar en traden de Islaam binnen.

8. Het boek van salaat [het gebed]

Top I
Hoofdstuk: Hoe het gebed tijdens de nachtelijke reis verplicht is gesteld
228. Overgeleverd van Anas Ibn Maalik is dat hij heeft gezegd dat Abu Dhar vertelde dat de Boodschapper van AllahSallalahu 'alaihi wasalam heeft gezegd: "Het dak van mijn huis ging open, terwijl ik mij in Mekkah bevond. Djibriel daalde neer, hij opende mijn borst en waste hem met zamzamwater. Vervolgens kwam hij met een gouden teil, gevuld met wijsheid en geloof, die hij in mijn borst goot. Daarna sloot hij mijn borst. Hij pakte mij bij mijn hand en steeg met mij naar de aardse hemel. Toen ik aankwam bij de aardse hemel, zei Djibriel tegen zijn bewaarder van de hemel: 'Doe open.' Hij vroeg: Wie is daar?' Hij antwoordde: `Ik ben Djibriel.' Hij vroeg: `Is er iemand met jou?' Hij antwoordde: `ja, Mohammad is met mij.' Hij vroeg: 'Is er al naar hem gezonden?' Hij antwoordde: `ja.' Toen hij opende, stegen wij boven de aardse hemel. Wij troffen daar een zittende man aan. Rechts van hem bevond zich een mensenmassa en links van hem bevond zich een mensenmassa. Als hij naar rechts keek, lachte hij. Als hij echter naar links keek, huilde hij. Hij zei: `Welkom, O goede Profeet en O goede zoon.' ik vroeg aan Djibriel: "Wie is dit?" Hij antwoordde: `Dit is Aadam. De mensenmassa's rechts en links van hem, zijn de zielen van zijn nageslacht. De rechtse groep onder hen, zijn mensen van het paradijs, terwijl de mensenmassa links van hem de mensen van het vuur zijn. Daarrn lacht hij als hij naar rechts kijkt en huilt hij als hij naar links kijkt.' Vervolgens steeg hij met mij naar de tweede hemel, waar hij tegen haar bewaarder zei: `Doe open.' Zijn bewaarder vroeg hem hetzelfde als zijn voorganger en opende uiteindelijk." Anas vertelt dat hij [Abu Dharr] vertelt dat hij in de hemelen Aadam, Idries, 'Moesaa, `Iesaa en Ibraahiem aantrof. Hij [Abu Dharr] vertelde echter niet wat hun precieze plekken waren. Hij vertelde wel dat hij Aadam aantrof in de eerste hemel en Ibraahiem in de zesde hemel. Anas heeft gezegd dat nadat Djibriel de Profeet langs Idries had gebracht, hij zei: Welkom, o goede Profeet en o goede broer.' Ik vroeg aan Djibriel: "Wie is dit?" Hij antwoordde: `Dit is Idries.' Vervolgens ging ik langs Moesaa, die zei: `Welkom, o goede Profeet en o goede broer.' :k vroeg aan Djibriel: "Wie is dit?" Hij antwoordde: `Dit is Moesaa.' Vervolgens ging ik langs `Iesaa die zei: `Welkom, O goede Profeet en o goede broer.' Ik vroeg aan Djibriel: "Wie is dit?" Hij antwoordde: `Dit is lesaa.' Vervolgens ging langs Ibraahiem , die zei: `Welkom, o goede Profeet en o goede zoon' ik vroeg aan Djibriel: "Wie is dit?" Hij antwoordde: dit is Ibraahiem'." Ibn Abbaas en Abu Habbah Al-Ansaari hebben verteld dat de Profeet heeft gezegd: "Vervolgens steeg naar een niveau waar ik het schrijvende van de Pennen hoorde."

Anas Ibn Maalik vertelt dat de Profeet heeft gezegd: "Vervolgens legde Allah aan mijn gemeenschap vijftig gebeden op. Hiermee vertrok ik, totdat ik langs Moesaa kwam. Hij vroeg: Wat heeft Allah opgelegd aan jouw gemeenschap?' Ik zei: "Hij heeft vijftig gebeden opgelegd." Hij zei: `Keer terug naar je Heer, want jouw gemeenschap kan dit niet aan.' Ik keerde terug en Hij schold de helft ervan kwijt. Ik keerde daarna weer terug naar Moesaa en zei: "Hij heeft de helft kwijtgescholden." Hij zei: `Keer terug naar jouw Heer, want jouw gemeenschap kan dit niet aan.' Ik keerde terug en Hij schold de helft ervan kwijt. Ik keerde daarna weer terug naar hem en hij zei: 'Keer terug naar jouw Heer, want jouw gemeenschap kan dit niet aan.' Ik keerde wederom naar Hem terug en Hij zei: "Het zijn er vijf [in daden] en het zijn er vijftig [in beloning]. Deze uitspraak wordt door Mij niet meer gewijzigd." Ik keerde terug naar Moesaa en hij zei: `Keer terug naar jouw Heer.' Ik antwoordde echter: "Ik schaam me voor mijn Heer." Vervolgens vertrok hij [Djibriel] met mij, totdat wij uiteindelijk aankwamen bij Sidrat Ul-Muntahaa [een nabk boom, boven de zevende hemel dicht bij het paradijs, (de lotusboom van de uiterste grens)], die werd bedekt met kleuren die ik niet ken. Vervolgens werd ik het paradijs binnengebracht, waarin ik koepels van parels en aarde van musk aantrof'.'

229. Overgeleverd van `Aaichah dat zij heeft gezegd: `Toen Allah het ,gebed verplichtte, stelde Hij haar als twee rak'as verplicht voor zowel de woonachtig als voor de reiziger. Het gebed van de reiziger werd bekrachtigd en het gebed in de woonachtige werd vermeerderd.'

Hoofdstuk: De verplichting om het gebed gekleed te verrichten
230. Overgeleverd van `Omar Ibn Abi Salama is dat de Profeet in n gewaad [of: kledingstuk] heeft gebeden, met de uiteinden ervan gekruist [over zijn schouders gelegd].

Hoofdstuk: Gewikkeld in n kleding stuk bidden
231. Overgeleverd van Umm Haani' Bint Taalib is de overlevering van het gebed van de Profeet in het jaar van de Ovenwinning. Deze overlevering is eerder vermeld [zie: 199]

232. In deze verzie van de overlevering heeft zij gezegd: `Hij verrichtte acht rak'as, terwijl hij gewikkeld was in n kledingstuk. Toen hij het gebed afsloot, zei ik: `O Boodschapper van AllahSallalahu 'alaihi wasalam, de zoon van mijn moeder beweert dat hij een man zal doden die ik in bescherming heb genomen, namelijk die en die, de zoon van Hubairah.' De Boodschapper van AllahSallalahu 'alaihi wasalam zei: "O Umm Haan?, wij zullen bescherming geven aan degene die jij in bescherming hebt genomen." Umm Haani' vertelt dat dit in de voormiddag was.

Hoofdstuk: Als iemand in n kleding stuk bidt, laat hij dan een gedeelte ervan op zijn schouders leggen
233. Overgeleverd van Abn Hurairah is dat iemand de Boodschapper van AllahSallalahu 'alaihi wasalam vroeg over het bidden in een enkel kledingstuk [of: gewaad]. Hij antwoordde: "Heeft iedereen van jullie dan twee kledingstukken?"

234. Overgeleverd van Abu Hurairah is dat de Profeet heeft gezegd: "Laat niemand van jullie in n kledingstuk bidden, zonder dat een gedeelte daarvan op zijn schouders ligt."

235. Overgeleverd van Abu Hurairah is dat hij heeft gezegd: `Ik getuig dat ik de Boodschapper van AllahSallalahu 'alaihi wasalam heb horen zeggen: "Als iemand in n kledingstuk bidt, laat hij de uiteinden ervan dan kruisen [over zijn schouders]".'

Hoofdstuk: Als het gewaad strak is
236. Overgeleverd van Djaabir Ibn `Abdillaah Al-Ansaari is dat hij heeft gezegd: `Ik reisde mee met de Profeet dens n van zijn reizen. Tijdens een nacht kwam ik bij hem om een bepaalde reden. Ik trof hem biddend aan. Ik had vaar n gewaad aan en wikkelde mezelf erin. lk bad naast hem. Toen hij het gebed rondde, vroeg hij: "0 Djaabir, wat is dit voor nachtelijke trip?" Ik vertelde hem over mijn reden. Toen ik klaar was, zei hij: Waarom heb je je in je gewaad gewikkeld?" Ik antwoordde: `Het was slechts een enkel gewaad.' Hij zei: "Als het gewaad wijd is, wikkel je er dan in. Als het zitter strak is, wikkel het dan om je lendenen".

237. Overgeleverd van Sahl is dat hij heeft gezegd: 'Er waren mannen die het gebed samen met de Profeet verrichten. Zij hadden hun lendendoeken om hun halzen geknoopt, alsof ze kinderen waren. Tegen de vrouwen werd gezegd: 'Het jullie hoofden pas op nadat de mannen rechtop zitten".'

Hoofdstuk: Bidden in een jubbagewaad afkomstig uit de Levant
238. Overgeleverd van Al-Mughierah Ibn Sho'bah is dat hij heeft gezegd: `Ik was samen met de Profeet tijdens een reis. Hij zei tegen mij: "0 Mughierah, pak de pot. Ik pakte de pot en de Boodschapper van AllahSallalahu 'alaihi wasalam liep weg, totdat ik hem niet meer kon zien. Hij deed zijn behoefte, terwijl hij een jubba-gewaad uit de Levant aanhad. Toen hij zijn armen uit de mouwen wilde halen, bleken het te strak. Daarom stak hij zijn arm aan de onderkant ervan uit. Ik goot water voor hem. Hij verrichtte de wudoe' die hij gewoonlijk voor het gebed verrichtte en hij veegde over zijn leren sokken. Vervolgens verrichtte hij het gebed.'

Hoofdstuk: Het wordt afgekeurd om naakt te zijn tijdens het gebed
239. Overgeleverd van Djaabir Ibn `Abdillaah is dat de Boodschapper van Allah samen met hen stenen tilde voor [de bouw van] de Ka`bah, terwijl hij zijn lendendoek om had. Zijn oom van vaderskant Al-`Abbaas zei toen tegen hem: `O zoon van mijn broer, doe je lendendoek los en leg hem over je schouder ter bescherming tegen de stenen.' Hij deed zijn lendendoek los en legde hem over zijn schouder. Hij viel echter bewusteloos neer en sindsdien is hij nooit meer naakt gezien.

Hoofdstuk: Welk gedeelte van de private delen bedekt dient te worden
240. Overgeleverd van Abu Sa`ied Al-Khudrie is dat hij heeft gezegd: `De Boodschapper van Allah heeft verboden dat men zich zodanig in zijn gewaad wikkelt, dat er geen enkele opening meer over is voor zijn armen, en dat men in de ihtibaa'-houding zit [zitten met opgetrok-ken knien en de armen om de knien heen geslagen] in n gewaad, zonder dat daarmee zijn geslachtsdeel heeft bedek.

241. Overgeleverd van Abu Hurairah is hij heeft gezegd: `De Profeet heeft twee kooptransacties verboden, namelijk: door aanraking [al-limaas: zodra men het textiel heeft aangeraakt, is hij verplicht tot koop over te gaan] of door het te werpen [in-nibaadh: zodra de handelswaar door de verkoper naar de koper wordt geworden, is hij verplicht tot koop over te gaan]. Bovendien heeft hij verboden dat men zich zodanig in zijn gewaad wikkelt, dat er geen enkele opening meer over is voor zijn armen, en dat men in de ihtibaa'-houding zit [zitten met opgetrokken knieen de armen om de knien heen geslagen in n gewaad.'

242. Overgeleverd van Abu Hurairah is hij heeft gezegd: `Tijdens die ene hadj stuurde Abu Bakr As-Siddieq mij mee met een groep oproepers op de offerdag. Wij rieepen de mensen op in Mina: Na dit jaar zal geen polythest de bedevaart verrichten en zal geen naakt persoon de rondgang om het Huis verrichten.' De Boodschapper van AllahSallalahu 'alaihi wasalam zond daarna en beval hem om Soerah Baraa'ah [At-Tawbah] om te roepen.' Abu Hurairah heeft gezegd: `Op de offerdag riep 'Ali samen met ons de mensen op: `Na dit jaar zal geen polytheist de bedevaart verrichten en zal geen naakt persoon de rondgang het Huis verrichten.'

Hoofdstuk: Wat betreffende het bovenbeen is overgeleverd
243. Overgeleverd van Anas Ibn Maalik is dat de Boodschapper van AllahSallalahu 'alaihi wasalam Khaibar aanviel. Wij verrichtten het ochtendgebed in de [ochtend]duisternis. Vervolgens stapte de Profeet van Allah op en stapte Abu Talhah op. Ik zat achterop bij Abu Talhah. De Profeet, reed door de stegen van Khaibar. Mijn knie raakte het bovenbeen van de Profeet van Allah. Vervolgens trok hij zijn lendendoek van zijn bovenbeen. Ik kon de witte kleur van het bovenbeen van de Profeet van Allah zien. Toen hij het dorp binnenging, zei hij: "Allah is de Grootste. Khaibar zal verwoest worden. Als wij neerstrijken op het grondgebied van een volk, zal dat een slechte morgen voor de gewaarschuwden zijn." Hij herhaalde dit drie keer. De mensen vertrokken naar hun bezigheden en zeiden: `Dit is Mohammad en het leger.' Wij namen haar [Khaibar] met geweld over en de krijgsgevangenen werden verzameld. Dihyah Al-Kalbi kwam en zei: `O Profeet van Allah, schenk mij een slavin uit de krijgsgevangenen.' Hij antwoordde: "Ga en neem een slavin." Toen hij Sahiyyah Bint Huyayy uitkoos, kwam er een man naar de Profeet en zei: `O Profeet van Allah, u heeft Safiyyah aan Dihyah geschonken. De meest vooraanstaande vrouw van Quraidhah en An-Nadhier is voor niemand anders geschikt dan voor u.' Hij zei: "Roep hem samen met haar hij me." Toen hij haar meebracht, keek de Profeet naar haar en zei: "Kies een andere slavin dan deze uit de krijgsgevangenen." De Profeet schonk haar haar vrijheid en trouwde haar vervolgens. Haar bruidsschat was haar vrijheidsschenking. Toen hij onderwas, maakte Ummn Sulaim haar klaar voor hem. Zij overhandigde haar in de nacht aan hem en de Boodschapper was in de ochtend de bruidegom. Hij zei: "Wie iets heeft, laat hij het dan brengen." Hij spreidde een kleed uit en men bracht dadel, boter en (volgens mij noemde hij ook) en gerstepap. Zij maakten er dadalpap van, die het bruidsmaal van de Boodschapper van Allah was.'

Hoofdstuk: In hoeveel kledingstukken een vrouw bidt
244. Overgeleverd van `Aaichah is dat zij heeft gezegd: `Als de Boodschapper van AllahSallalahu 'alaihi wasalam het fadjr-gebed verrichtte waren er gewoonlijk ook gelovige vrouwen bij aanwezig. Zij waren gewikkeld in hun sluiergewaden. Zij keerden volgens onherkenbaar terug naar hun huizen.

Hoofdstuk: Als men in een gemarkeerd gewaad bidt
245. Overgeleverd van Aaichah is dat de Profeet [een keer] stond te bidden in een gemarkeerd gewaad en hij er een blik op wierp. Toen hij klaar was met zijn gebed, zei hij: "Breng dit gewaad naar Abu Djahm en breng mij de anbidjaaniyyah [een dik gewaad zonder markering] van Abu Djahm, want het heeft mij net afgeleid tijdens mijn gebed."

Hoofdstuk: Als men bidt in een gewaad met kruizen of afbeeldingen erop, maakt dit het gebed dan ongeldig?
246. Overgeleverd van Anas Ibn Maalik is dat hij heeft gezegd: `Een gordijn was door Aaichah opgehangen om een deel van haar huis af te schermen. De Profeet zei toen tegen haar: "Verwijder dit gordijn van jou. De afbeeldingen erop trek ken namelijk mijn aandacht tijdens mijn gebed".'

Hoofdstuk: Wie bidt in een zijden overmantel met een spleet van achteren en deze vervolgens van zich af rukt
247. Overgeleverd van Uqbah Ibn Aamir is dat hij heeft gezegd: 'Er werd een zijden overmantel met een spleet van achteren aan de Profeet geschonken. Hij trok hem aan en verrichtte het gebed erin. Toen hij klaar was met het gebed, rukte hij hem van zich af alsof hij er een afkeer van had en zei: "Dit [kledingstuk] is niet gewenst voor de godvrezenden".'

Hoofdstuk: Bidden in een rood gewaad
248. Overgeleverd van Abu Djuhayfah is dat hij heeft gezegd: 'Ik zag de Boodschapper van AllahSallalahu 'alaihi wasalam in een rode tent van leer. Ik zag dat Bilaal water waarmee wudoe' was verricht door de Boodschapper van AllahSallalahu 'alaihi wasalam naar buiten bracht en ik zag dat de mensen zich ernaar haastten. Wie iets ervan kon bemachtigen, wreef zichzelf ermee in. Wie er niets van kon bemachtigen, nam wat van het vocht uit de hand van zijn vriend. Vervolgens zag ik dat Bilaal aankwam met een speer die hij in de grond plantte. De Boodschapper van Allaak kwam naar buiten in een rood gewaad dat hij had opgestroopt. Hij bad twee Rak'as met de mensen in de richting van de speer. En ik zag dat de mensen en vee vr de speer langsliepen.'

Hoofdstuk: Bidden op daken, preekstoelen of houten planken
249. Overgeleverd van Sahl Ibn Sa'd is dat men hem vroeg: 'Waaruit is de preekstoel [van de Boodschapper van AllahSallalahu 'alaihi wasalam] vervaarigd? Hij antwoordde: 'Er is niemand meer onder de mensen die hier meer kennis van heeft dan ik. Hij is vervaardigd uit tamarisk van [het struikgewas] Al-Ghaabah. Hij is vervaardigd voor de Boodschapper van AllahSallalahu 'alaihi wasalam door die en die, de bediende van die en die vrouw. Toen hij klaar was en geplaatst werd, ging de Boodschapper van AllahSallalahu 'alaihi wasalam erop staan. Hij wendde zich tot de gebedsrichring en verrichtte de takbier. De mensen gingen achter hem staan. Hij reciteerde en boog voorover [in rukoe]. De mensen bogen ook achter hem voorover. Vervolgens hief hij zijn hoofd op [uit rukoe`] en daalde achteruitlopend neer om op de grond te knielen. Daarna keerde hij terug naar de preekstoel. Hij boog weer voorover, hief zijn hoofd op en daalde achteruidopend neer om op de grond te knielen. Zo is het gegaan.'

Hoofdstuk: Bidden op een rieten mat
250. Overgeleverd van Anas Ibn Maalik is dat zijn oma, Mulaykah, de Boodschapper van AllahSallalahu 'alaihi wasalam had uitgenodigd naar een maaltijd die zij voor hem had bereid. Hij at ervan en zei: "Sta op, dan zal ik jullie leiden in het gebed".' Anas Ibn Maalik heeft gezegd: `Ik stond op naar een rieten mat van ons, die donker was geworden door langdurig gebruik en ik waste hem met water. De Boodschapper van AllahSallalahu 'alaihi wasalam ging staan. Ik en de wees maakten een rij achter hem en de oude vrouw stond achter ons. De Boodschapper van Allah bad twee rak`as met ons en vervolgens vertrok hij.'

Hoofdstuk: Bidden op een bed
251. Overgeleverd van `Aaichah de echtgenote van de Profeet, is dat zij heeft gezegd: `Ik sliep vr de Boodschapper van AllahSallalahu 'alaihi wasalam, met mijn voeten in zijn gebedsrichting. Als hij knielde, kneep hij mij en ik trok mijn voeten op. Als hij opstond strekte ik ze weer.' Zij heeft gezegd: `De huizen hadden toen nog geen lampen.'

252. Overgeleverd van `Aaichah is dat de Boodschapper van AllahSallalahu 'alaihi wasalam het gebed verrichtte, terwijl zij dwars op zijn familiebed lag tussen hem en zijn gebedsrichting, in de houding van een overleden persoon.

Hoofdstuk: Bidden op een kleed vanwege zinderende hitte
253. Overgeleverd van Anas Ibn Maalik dat hij heeft gezegd: Wij verrichtten het gebed met de Profeet. Sommigen van ons plaatsten het uiteinde van hun gewaad op de plek waar zij knielden, vanwege de zinderende hitte.'

Hoofdstuk: Bidden in sandalen.
254. Overgeleverd van Anas Ibn Maalik is dat hem werd gevraagd: `Verrichtte de Profeet het gebed in zijn sandalen?' Hij antwoordde: Ja.

Hoofdstuk: Bidden in leren sokken
255. Overgeleverd van Djarier Ibn `Abdillaah is dat hij urineerde en vervolgens wudoe' verrichtte en veegde over zijn lerensokken. Daarna stond hij op en verrichtte het gebed. Men vroeg hem hierover en hij antwoordde: `lk heb de Profeet hetzelfde zien doen.' Zij hielden van deze overlevering, omdat Djarier tot de laatsten behoorde die zich tot de Islaam bekeerden.

Hoofdstuk: Men toont zijn oksels tijdens het knielen en spreidt zijn armen van zijn lichaam
256. Overgeleverd van `Abdullaah Ibn Maalik Ibn Buhaynah is dat de Boodschapper van AllahSallalahu 'alaihi wasalam [als hij knielde] tijdens zijn gebed, zijn armen spreidde [van zijn oksels], waardoor de witheid van zijn oksels te zien was.

Hoofdstuk: De verdienste van het zich wenden tot de gebedsrichting [qiblah]
257. Overgeleverd van Anas lbn Maalik is dat de Boodschapper van AllahSallalahu 'alaihi wasalam heeft gezegd: "Wie ons gebed verricht, en zich wendt tot onze gebedsrichting en ons geslachte vlees eet, dat is de Moslim aan wie het erewoord [tot bescherming] van Allah en het erewoord van Zijn Boodschapper toekomt. Verraad Allah dus niet in Zijn erewoord."

Hoofdstuk: De Uitspraak van Allah (En neem de standplaats van Ibraahiem tot een gebedsplek)
258. Overgeleverd van Ibn 'Omar is dat hem werd gevraagd over een man die met een `umrah kwam en de rondgang om het Huis wel verrichtte, maar de sa'y tussen As-Safaa en AI-Marwah niet. Of hij geslachtsgemeenschap mocht hebben met zijn vrouw? Hij antwoordde: `De Boodschapper van AllahSallalahu 'alaihi wasalam kwam, liep zeven rondes om het Huis, bad twee rakas achter de standplaats [Maqaam Ibraahiem] en liep zeven keer tussen As-Safaa en AI-Marwah. En voorwaar, in de Boodschapper van AllahSallalahu 'alaihi wasalam hebben jullie een goed voorbeeld.'

259. Overgeleverd van Ibn `Abbaas is dat hij heeft gezegd: Toen de Profeet het Huis [de Ka`bah] binnenging, verrichtte hij aanroeping in al zijn hoeken en zijden. Hij verrichtte het gebed echter pas toen hij eruit naar buiten ging. Toen hij buiten was, bad hij twee rak`as vr het Huis en zei: "Dit is de gebedsrichting".'

Hoofdstuk: Men wendt zich tot de gebedsrichting waar men zich ook moge bevinden
260. Overgeleverd van Al-Baraa' Ibn Aazib is dat hij heeft gezegd: De Boodschapper van AllahSallalahu 'alaihi wasalam wendde zicn zestien of zeventien maanden lang richting Bayt U1-Magdis gebeden.' Deze overlevering is in een andere bewoording eerder vermeld [zie nr. 38].

261. Overgeleverd van Djaabir Ibn `Abdilaah is dat hij heeft gezegd: 'De Boodschapper van AllahSallalahu 'alaihi wasalam had de gewoonte om op zijn rijdier te bidden, in welke richting het zich ook begaf. Als hij echter het verplichte gebed wilde verrichten, stapte af en wendde zich tot de gebedsrichting.

262. Overgeleverd van 'Abdullaah Ibn Mas`ood is dat hij heeft gezegd: 'De Profeet verrichtte een gebed (de overleveraar zegt: `Ik weet niet of hij er wat aan toevoegde of het gebed juist verkortte). Toen hij de tasliem deed, zei men tegen hem: `O Boodschapper van AllahSallalahu 'alaihi wasalam, is er iets gebeurd tijdens het gebed?' Hij vroeg: "Waarom dan?" Zij zeiden: `U heeft zus en zo (te veel of te weinig) gebeden.' Hij boog toen zijn voeten, wendde zich tot de gebedsrichting, knielde tweemaal en sloot af met tasliem. Toen hij zijn gezicht naar ons wendde, zei hij: "Als er iets zou zijn veranderd aan het gebed, dan had ik jullie daarvan op de hoogte gesteld. Ik ben echter slechts een mens zoals jullie. Ik vergeet net zoals jullie ook vergeten. Als ik dus vergeet, herinner mij dan. Als iemand van jullie twijfelt tijdens zijn gebed, laat hij zich dan inspannen om te achterhalen wat correct is en laat hij op basis daarvan zijn gebed completeren. Vervolgens verricht hij tasliem en knielt tweemaal".'

Hoofdstuk: Inzake de gebedsrichting en de opinie dat wie uit vergeetachtigheid naar de verkeerde richting heeft gebeden, dit gebed niet hoeft te herhalen
263. Overgeleverd van 'Omar Ibn Al-Khattaab is dat hij heeft gezegd: `Ik heb in drie kwesties instemming van Allah gekregen:
1. Ik zei namelijk: `O Boodschapper van AllahSallalahu 'alaihi wasalam, waarom nemen wij de standplaats an Ibraahiem niet tot een gebedsplek?' Hierop werd het volgende vers neergezonden: (En neem de standplaats van Ibraahiem tot een gebedsplek) [Soerah Al-Bagarah (2):125].
2. Wat betreft het vers van sluiering [al-hidjaabj, zei ik: `O Boodschapper van AllahSallalahu 'alaihi wasalam, waarom beveelt u uw vrouwen niet om zich te sluieren? Zij worden namelijk ingesproken door zowel de vrome als de verdorvene.' Hierop werd het vers van sluiering neergezonden.
3. De echtgenotes van de Profeet vormden een eenheid wegens hun jaloezie om hem. lk zei toen tegen hen: `Het kan zo zijn dat als hij van jullie [allen] scheidt, dat zijn Heer betere vrouwen dan jullie voor hem vervangt.' Hierop werd dit [gelijkluidende] vers neergezonden.'

Hoofdstuk: laat hij dan aan zijn linkerkant spugen of onder zijn linkervoet
264. Overgeleverd van Abu Hurairah en Abu Sa`ied is de overlevering van 'het speeksel', waaraan zij toevoegen: "...en ook niet rechts van hem."

Hoofdstuk: De boetedoening voor spugen in de moskee
265. Overgeleverd van Anas Ibn Maalik dat de Profeet' heeft gezegd: "Spugen in de moskee is een zonde en de boetedoening ervoor is het te begraven."

Hoofdstuk: De gebedsvoorganger vermaant de mensen om hun gebed te completeren, en een vermelding van de gebedsrichting
266. Overgeleverd van Abu Hurairah is dat de Boodschapper van AllahSallalahu 'alaihi wasalam heeft gezegd: "Denken jullie dat ik me wend tot deze gebedrichting? Bij Allah, niets ontgaat mij van jullie nederigheid en jullie buigingen. Ik zie jullie namelijk achter mijn rug."

Hoofdstuk: Mag men zeggen: `De moskee van die en die stam?'
267. Overgeleverd van Ibn 'Omar is dat de Boodschapper van AllahSallalahu 'alaihi wasalam meedeed aan een wedstrijd tussen vermagerde paarden van Al-Hafyaa tot het eindpunt, de afscheidsbergweg [thaniyyat ulwadaa']. En tussen de niet vermagerde paarden van de bergweg tot de moskee van Banu Zuraig. 'Abdullaah 1bn 'Omar was n van de deelnemers aan de wedstrijd.

Hoofdstuk: Verdeling van rijkdom en het ophangen van een dadeltros in de moskee
268. Overgeleverd van Anas Ibn Maalik is dat hij heeft gezegd: 'Er werden rijkdommen uit Bahrein bij de Profeet gebracht. Hij zei: "Strooi ze uit in de Moskee." Het was de grootste hoeveelheid aan rijkdommen die ooit bij de Boodschapper van AllahSallalahu 'alaihi wasalam is gebracht. De Boodschapper van Allah ging naar buiten voor het gebed, zonder naar de rijkdommen om te kijken. Toen hij klaar was niet het gebed, kwam hij zitten bij de rijkdommen. Hij gaf iets aan iedereen die hij zag. Toen Al-Abbaas bij hem kwam, zei hij: `O Boodschapper van AllahSallalahu 'alaihi wasalam, geef mij wat. Ik heb namelijk mezelf en 'Aqiel vrijgekocht.' De Boodschapper van AllahSallalahu 'alaihi wasalam zei tegen hem: "Neem." Hij wierp handenvol [aanrijkdommenj in zijn kleed. Toen hij wilde vertrekken en zijn kleed optilde, was dit te zwaar voor hem. Hij zei: `O Boodschapxr van Allah, draag iemand van hen op om het kleed voor me op te tillen.' Hij antwoordde: "Nee." Hij zei: `Tilt u het dan voor mij op.' Hij antwoordde: "Nee." Hij gooide wat uit zijn kleed en kon het toen wel dragen. Hij wierp het op zijn schouders en vertrok. De Boodschapper an Allah keek hem net zo lang na, totdat hij buiten ons gezichtsveld was. Hij was verbaasd van zijn gretigheid. De Boodschapper van AllahSallalahu 'alaihi wasalam stond pas op toen er geen enkele dirham meer van over was.

Hoofdstuk: Moskeen in huizen
269. Overgeleverd van Mahmoed Ibn Ar-Rabie` van `Itbaan Ibn Maalik - die een metgezel van de Boodschapper van AllahSallalahu 'alaihi wasalam was en die tot de Ansaar behoorde die de slag om Badr hebben meegemaakt - is dat hij bij de Boodschapper van AllahSallalahu 'alaihi wasalam kwam en zei: "0 Boodschapper van Allah, ik heb een verminderd gezichtsvermogen, terwijl ik mijn volk leid in het gebed. Als het regent, stroomt het water in het vallei die mij van hen scheidt. Ik kan dan niet bij hun moskee komen om hen te leiden in het gebed. Ik zou graag willen - o Boodschapper van AllahSallalahu 'alaihi wasalam - dat u naar mij toekomt en in mijn huis het gebed verricht, zodat ik er een gebedsplaats van kan maken.' Hij [de overleveraar] zei dat de Boodschapper van AllahSallalahu 'alaihi wasalam tegen hem zei: "Ik zal dat met de Wil van Allah doen." Itbaan heeft gezegd: `De Boodschapper van AllahSallalahu 'alaihi wasalam en Abu Bakr vertrokken in de ochtend, toen de zon opkwam. De Boodschapper van AllahSallalahu 'alaihi wasalam vroeg toestemming om binnen te komen en ik liet hem binnen. Hij ging pas zitten nadat hij het huis binnen was gekomen en zei: "In welk gedeelte van je huis wil je het liefst dat ik bid?" Ik wees een gedeelte in mijn huis aan. De Boodschapper van Allah stond op en verrichtte takbier. Wij vormden een rij. Hij verrichtte twee rak`as en deed daarna tasliem. Wij hielden hem thuis met een maaltijd van pap met vlees, die wij voor hem hadden bereid. Er kwamen nogal wat mannen naar het huis van de familie. Toen zij hij elkaar waren gekomen, zei iemand van hen: `Waar is Maalik Ibn Ad-Dukhaishin (of: Ad-Dukhshun)?' Sommigen antwoordden: `Dat is een hypocriet, die geen liefde heeft voor Allah en Zijn Boodschapper.' De Boodschapper van AllahSallalahu 'alaihi wasalam zei toen: "Zeg dat niet. Heb je niet gezien dat hij laa ilaaha illAllah' [er is geen ware God behalve Allah] heeft gezegd, strevend naar het Aangezicht van Allah?" Hij zei: `Allah en Zijn Boodschapper weten het het best. Wij zien echter dat hij neigt naar de hypocrieten en hen adviseert.' De Boodschapper van AllahSallalahu 'alaihi wasalam zei: "Allah heeft degene die getuigt dat er geen ware God is behalve Allah verboden voor het vuur, als hij daarmee streeft naar het Aangezicht van Allah".'

Hoofdstuk: Mogen de graven van de veelgodenaanbidders uit de tijd van onwetendheid worden opgegraven, om er in plaats daarvan moskeen te bouwen?
270. Overgeleverd van `Aaichah - de moeder van de gelovigen - is dat Umm Habiebah en Umm Salamah de Profeet vertelden over een kerk waarin zich afbeeldingen bevonden, die zij hadden gezien in Abessini. De Profeet zei toen: "Als zich onder die mensen een vrome man bevond en overleed, bouwden zij op zijn graf een moskee [gebedsplaats], waarin zij die afbeeldingen maakten. Zij zijn de slechtsten van de schepping bij Allah tijdens de Opstandingsdag."

271. Overgeleverd van Anas Ibn Maalik is dat de Boodschapper van AllahSallalahu 'alaihi wasalam in Al-Madienah aankwam en zich vestigde in het hoge gedeelte van AI-Madienah, in een stam die Banu `Amr lbn `Awf werd genoemd. Hij verbleef veertien nachten met hen. Daarna zond hij iemand naar de vooraanstaanden van Banu An-Nadjaar en kwamen naar hem toe met hun zwaarden om hun schouders gehangen.' Hij [de overleveraar] heeft gezegd: `Het is net alsof ik [nog steeds] kijk naar de Boodschapper van Allah op zijn rijkameel met Abu Bakr achterop en de vooraanstaanden van Banu An-Nadjaar om hem heen, totdat hij afsteeg op de binnenplaats van Abu Ayyoub.' Hij [de overleveraar] heeft gezegd: `De Boodschapper van AllahSallalahu 'alaihi wasalam hield ervan om zijn gebed te verrichten op de plek waar zijn tijd aanbrak. Hij bad [zelfs] in de schaapskooien. Vervolgens gaf hij de opdracht om de moskee te bouwen. Hij zond iemand naar de vooraanstaanden van Banu An-Nadjaar en zei: "0 Banu An-Nadjaar, vraag een prijs voor deze boomgaard van jullie." Zij antwoordden: `Bij Allah, wij vragen er geen prijs voor, behalve aan Allah. 'Anas heeft gezegd: `Er bevonden zich in de boomgaard graven van de afgodenaanbidders, runes en palmbomen. De Boodschapper van Allah beval vervolgens om de graven van de afgodenaanbidders op te graven, om de runes met de grond gelijk te maken en om de palmbomen om te hakken. Daarna plaatsten zij de palmbomen in een rij in de bidrichting. Voor de deurposten van de moskee werden stenen gebruikt. Zij verplaatsten stenen en zongen [tijdens de bouw] potische teksten, terwijl de Boodschapper van AllahSallalahu 'alaihi wasalam met hen was. Hij zei: "0 Allah, er is niks goeds behalve het goede van het hiernamaals; Vergeef daarom de ansaar en de muhaadjiroen".'

272. Overgeleverd van Ibn 'Omar is dat hij het gebed verrichtte gericht naar zijn kameel en zei: `Ik heb de Boodschapper van AllahSallalahu 'alaihi wasalam dit zien doen.'

Hoofdstuk: Wie bidt met vr hem een oven, vuur of iets anders wat aanbeden wordt, terwijl hij het gebed omwille van Allah verricht
273. Overgeleverd van Anas Ibn Maalik dat de Profeet heeft gezegd: "Het uur is aan mij getoond terwijl ik aan het bidden was."

Hoofdstuk: De afkeurenswaardigheid van het bidden op begraafplaatsen
274. Overgeleverd van Ibn 'Omar is dat de Profeet heeft gezegd: `Verricht sommige van jullie [vrijwillige] gebeden in jullie huizen en maak er geen graven van."

275. Overgeleverd van Aaichah en Ab-dullaah Ibn Abbaas is dat zij hebben gezegd: "Toen de Boodschapper van AllahSallalahu 'alaihi wasalam doodziek werd, begon hij zijn gemarkeerde gewaad over zijn gezicht te gooien. Als hij het benauwd kreeg, telde hij het van zijn gezicht af. Terwijl zich in deze situatie bevond, zei hij: Mooge Allah de joden en de christenen vervloeken; zij hebben de graven van hun profeten als moskeen [gebedsplaatsen] ingenomen." Hij waarschuwde hiermee [de moslim] tegen wat zij hadden gedaan.'

Hoofdstuk: Het slapen van een vrouw in de moskee
276. Overgeleverd van Aaichah is dat een Arabische wijk een zwarte slavin had. Zij gaven haar vrijheid en zij bleef bij hen wonen. Op een dag ging een meisje van hen naar buiten met een rode sjaal, bewerkt met leer. Zij legde haar sjaal neer of hij viel van haar af. Er kwam een wouw langs, terwijl de sjaal op de grond lag. Zij dacht dat het vlees was en pikte hem op. Toen zij de sjaal zochten, konden zij hem niet vinden. Zij beschuldigden mij [de zwarte slavin] ervan en begonnen mij te fouilleren. Zij hebben zelfs haar schaamstreek gefouilleerd. Zij [de slavin] zegt: 'Bij Allah, ik stond samen met hen toen de wouw langskwam en de sjaal liet vallen. Hij viel tussen hen neer. ik zei tegen hen: `Dit is waar jullie mij van beschuldigden. Jullie beweerden iets waar ik onschuldig aan ben. Hier is hij'.' Zij kwam toen naar de Boodschapper van AllahSallalahu 'alaihi wasalam en bekeerde zich tot de 'Islaam. Aaichah heeft gezegd: `Zij had een tent van haren in de moskee of een hutje. Zij kwam bij mij om te praten. Elke keer als ze bij mij kwam zitten, zei ze: `En de dag van de sjaal is n van de wonderen van onze Heer. Op deze dag redde Hij mij namelijk uit het dorp van ongeloof'.' `Aaichah vroeg: Waarom zeg je dit altijd als je bij mij komt zitten?' Hierop vertelde ze mij het voorgaande verhaal.

Hoofdstuk: Het slapen van mannen in de moskee
277. Overgeleverd van Sahl lbn Sa'd is dat hij heeft gezegd: `De Boodschapper in Allah kwam naar het huis van [zijn dochter] Faatimah en hij trof `Ai niet thuis aan. Toen vroeg hij: "Waar is de zoon van oom van vaderskant?" Zij antwoordde: Zij heeft zich een voorval tussen mij en hem voorgedaan en we werden boos op haar. Daarom heeft hij zijn middagdutje niet bij mij gedaan.' De Boodschapper van AllahSallalahu 'alaihi wasalam vroeg aan iemand: "Ga hem zoeken." Toen hij terugkwam, zei hij: `O Boodschapper van AllahSallalahu 'alaihi wasalam, hij slaapt in de moskee.' De Boodschapper van AllahSallalahu 'alaihi wasalam ging naar hem toe, terwijl hij lag. Zijn gewaad was van zijn zij afgegleden en hij was door aarde geraakt. De Boodschapper van AllahSallalahu 'alaihi wasalam begon dit van hem af te vegen en zei: "Sta op, o vader van aarde. Sta op, o vader van aarde".'

Hoofdstuk: Als iemand de moskee binnenkomt, laat hij dan twee rak`as bidden
278. Overgeleverd van Abu Qataadah As-Salami is dat de Boodschapper van AllahSallalahu 'alaihi wasalam heeft gezegd: "Als iemand van jullie de moskee binnenkomt, laat hij dan twee rak`as bidden voordat hij gaat zitten."

Hoofdstuk: De bouw van de moskee
279. Overgeleverd van `Abdullaah lbn `Omar is dat hij heeft gezegd: `De moskee was in de tijd van de Boodschapper van AllahSallalahu 'alaihi wasalam gebouwd van lemen blokken. Haar dak was van palmtakken en haar pilaren waren van hout van de dadelpalm. Abu Bakr breidde haar niet uit. `Omar breidde haar wel uit. Hij bouwde haar echter na zoals hij in de tijd van de Boodschapper van AllahSallalahu 'alaihi wasalam was: met lemen blokken en palmtakken. En hij plaatste weer houten pilaren. `Othmaan veranderde haar: hij breidde haar erg uit en bouwde haar muren uit gegraveerde stenen en gips. Hij plaatste er gegraveerde, stenen pilaren in en haar dak was van teakhout.'

Hoofdstuk; Samenwerken bij het bouwen van de moskee
280. Overgeleverd van Abu Sa`ied Al-Khudrie is dat hij eens overleveringen aan het vertellen was, toen de bouw van de moskee ter sprake kwam. Hij zei toen: `Wij sjouwden n lemen blok per keer, terwijl `Ammaar twee lemen blokken per keer sjouwde. Toen de Profeet hem zag, klopte hij de aarde van hem af en zei: "Wat erg voor Ammaar: hij zal gedood worden door de onrechtvaardige groep. Hij zal hen uitnodigen naar het paradijs, terwijl zij hem uitnodigen naar het vuur." Hij [de overleveraar] vertelt dat `Ammaar zei: `Ik zoek mijn toevlucht bij Allah tegen de beproevingen.'

Hoofdstuk: Wie een moskee bouwt
281. Overgeleverd van 'Othmaan Ibn Affaan is dat hij, toen de mensen afkeurend spraken over zijn voorgenomen bouw van de moskee van de Boodschapper zei: 'Jullie hebben veel gesproken en ik heb de Profeet horen zeggen: Wie een moskee bouwt en daarmee streeft naar het Aangezicht van Allah, . air hem bouwt Allah zijn gelijke in het paradijs.

Hoofdstuk: Men moet pijlen bij hun punten vastpakken als men door de moskee loopt
282. Overgeleverd van Djaabir Ibn `Abdillaah is dat hij heeft gezegd: `Er liep een man door de moskee, die pijlen zich had. De Boodschapper van AllahSallalahu 'alaihi wasalam zei tegen hem: "Houd ze [de pijlen] vast hun punten".'

Hoofdstuk: Door de moskee lopen
283. Overgeleverd van Abu Moesaa is dat de Profeet zei: "Wie door n van onze moskeen of markten loopt met een pijl laat hij hem dan bij zijn punt vast houden, zodat hij geen moslim verwondt met zijn hand."

Hoofdstuk: Pozie in de moskee
284. Overgeleverd van Hassaan Ibn Thaabit Al-Ansaari is dat hij Abu Hurairah vroeg om te getuigen: `Ik vraag jou bij Allah, heb jij de Profeet horen zeggen: "0 Hassaan, antwoord namens de Boodschapper van AllahSallalahu 'alaihi wasalam. O Allah, versterk hem met Ruh-ul-Qudus [de Heilige Geest = de engel Djibriel]"?' Abu Hurairah antwoordde: Ja'

Hoofdstuk: Speermannen in de moskee
285. Overgeleverd van `Aaichah is dat zij heeft gezegd: `Ik zag de Boodschapper van AllahSallalahu 'alaihi wasalam een keer staan bij de deur van mijn kamer, terwijl de Abessiniers in de moskee aan het spelen waren. De Boodschapper van Allah schermde mij af met zijn gewaad, terwijl ik naar hun spel keek.' In een andere overlevering: `Zij speelden met hun speren.'

Hoofdstuk: Het verzoeken om aflossing en hieraan vasthouden in de moskee
286. Overgeleverd van Ka`b Ibn Maalik is dat hij Ibn Abi Hadrad in de moskee aansprak over een schuld die hij aan hem [Ka`b Ibn Maalik] moest aflossen. Hun stemmen verhieven zich, zodat de Boodschapper van Allah hen vanuit zijn huis hoorde. Hij kwam naar buiten en deed het gordijn van zijn kamer open. Hij riep: "0 Ka`b." Hij antwoordde: `Ik geef gehoor aan uw oproep, o Boodschapper van AllahSallalahu 'alaihi wasalam.' Hij zei: "Scheld zoveel van je schuld kwijt." Hij gebaarde naaar hem [om] de helft [kwijt te schelden]. Hij antwoordde: Dat zal ik doen, o Boodschapper van AllahSallalahu 'alaihi wasalam." Hij zei [tegen Ibn Abi Hadrad]: "Sta op en los je schuld aan hem af."

Hoofdstuk: Het vegen van de moskee en het oprapen van vodden, vuil en stokken
287. Overgeleverd van Abu Hurairah is dat een zwarte man of vrouw die de moskee schoonveegde, overleed. Toen de Profeet naar hem (haar) vroeg, zei men dat hij (zij) overleden is. Hij zei: "waarom hebben jullie mij hiervan niet op de hoogte gesteld? Laat me zijn (haar) graf zien." Hij kwam bij haar graf en hij verrichtte het gebed voor haar.

Hoofdstuk: Het verbod op het handelen in alcoholische dranken in de moskee
288. Overgeleverd van `Aaichah dat zij heeft gezegd: `Toen de verzen uit Soerah Al-Bagarah over rente werden neergezonden, ging de Profeet naar buiten naar de moskee. Hij reciteerde deze verzen voor de mensen en daarna verbood hij de handel in alcoholische dranken.'

Hoofdstuk: Het vastbinden van een gevangene of schuldenaar in de moskee
289. Overgeleverd van Abu Hurairah is dat de Profeet heeft gezegd: "Een rebel onder de duivels verscheen gisteren plotseling in een flits voor mij (of iets dergelijks) om mijn gebed af te breken. Allah stelde mij echter in staat om hem te grijpen.Ik wilde hem vastbinden aan n van de pilaren in de moskee, zodat jullie hem allemaal konden zien bij het aanbreken van de ochtend. Ik herinnerde mij echter de uitspraak van mijn broeder Sulaymaan: (0 mijn Heer, vergeef mij en schenk mij een koninkrijk dat aan niemand na mij toekomt) [Soerah Saad (38):35]."

Hoofdstuk: Het plaatsen van een tent in de moskee voor zieken en anderen
290. Overgeleverd van `Aaichah is dat zij heeft gezegd: `Sa`d werd op de dag van [de slag van] A1-Khandaq getroffen in zijn armslagader. De Profeet sloeg een tent op in de moskee om hem van dichtbij te kunnen bezoeken. Zij waren echter niet geschrokken van zijn situatie. In de moskee bevond zich een andere tent van Bani Ghifaar, waar opeens bloed naar binnen stroomde. Zij zeiden: '0 mensen van de tent, wat is dit wat van jullie naar ons toestroomt?' Het bleek dat het de wond van Sa`d was, waaruit het bloed stroomde. Hij overleed hieraan.'

Hoofdstuk: Het binnenbrengen van een kameel naar de moskee vanwege een noodzaak
291. Overgeleverd van Umm Salamah is dat zij heeft gezegd: `Ik deed beklag bij de Boodschapper van AllahSallalahu 'alaihi wasalam over mijn ziekte. Hij zei toen: "Verricht Tawaaf achter de mensen terwijl je rijdt." Ik verrichtte de Tawaaf terwijl de Boodschapper van AllahSallalahu 'alaihi wasalam aan het bidden was naast het Huis en daarin Soerah At-Toer (52) reciteerde.'

292. Overgeleverd van Anas Ibn Maalik is dat twee mannen van de metgezellen en de Profeet naar buiten gingen bij de Profeet vandaan. Dit was tijdens een donkere nacht. Het was alsof zij twee lampen bij zich hadden die vr hen verlichtten. Toen zij uit elkaar gingen, had elk van hen er n, totdat zij bij hun gezin aankwamen.

Hoofdstuk: Een deuropening naar en een doorgang in de moskee
293. Overgeleverd van Abu Sa`ied Al-Khudrie is dat de Profeet een preek hield waarin hij zei: "Allah heeft een dienaar laten kiezen tussen het wereldse en tussen wat zich bij Allah bevindt." Hierop huilde Abu Bakr As-Siddieq lk zei in mezelf: Waarom huilt deze oude man? Allah heeft immers een dienaar laten kiezen tussen het wereldse en tussen wat zich bij Hem bevindt. Hij koos voor wat zich bij Allah bevindt.' Achteraf bleek de Boodschapper van AllahSallalahu 'alaihi wasalam de dienaar te en Abu Bakt had de meeste kennis van ons. Hij zei: "0 Abu Bakr, huil niet. De meest vrijgevige persoon jegens mij niet zijn vriendschap en zijn rijkdom is Abu Bakr. Als ik een boezemvriend zou kunnen nemen uit mijn Ummah, dan had ik Abu Bakr gekozen. Het is echter de broederschap van de lslaam en zijn liefde. Elke deur naar de moskee dient gesloten te worden, behalve de deur van Abu Bakr."

294. Overgeleverd van Ibn `Abbaas is dat hij heeft gezegd: De Boodschapper van AllahSallalahu 'alaihi wasalam kwam tijdens de ziekte waaraan hij overleed naar buiten. Hij had een stuk stof om zijn hoofd gebonden en ging op de preekstoel zitten. Hij loofde Allah en prees Hem. Daarna zei hij: "Er is onder de mensen geen vrijgeviger persoon jegens mij met zijn ziel en zijn rijkdom dan Abu Bakr Ibn Abi Quhaafah. Als ik een boezemvriend zou kunnen nemen uit de mensen, dan had ik Abu Bakr als boezemvriend genomen. De Islamitische vriendschap is echter beter. Sluit elke deuropening in de moskee, behalve de deuropening van Abu Bakr".'

Hoofdstuk: De deuren en sloten van de Ka`bah en de moskeen
295. Overgeleverd van Ibn 'Omar is dat de Profeet naar Mekkah kwam. Hij zond [iemand] naar `Othmaan Ibn Talhah, die de deur [van de Ka`bah] opende. De Profeet, Bilaal, Usaamah lbn Zayd en `Othmaan Ibn Talhah gingen naar binnen. Daarna sloot hij de Deur. Hij bleef lang binnen, daarna opende hij de deur en kwamen zij naar buiten. Ibn Omar heeft gezegd: `Ik haastte me en vroeg Bilaal, die zei: `Hij heeft erbinnen gebeden?' Ik vroeg: Waar?' Hij antwoordde: `Tussen de twee pilaren'.' Ibn Omar heeft gezegd: `Ik vergat echter om hem te vragen hoeveel [rak`as] hij had gebeden.

Hoofdstuk: In kringen zitten in de moskee
296. Overgeleverd van Ibn 'Omar is dat een man de Profeet vroeg, terwijl hij zich op de preekstoel bevond: Wat zegt u over het [vrijwillige] nachtgebed?' Hij antwoordde: "[Het vrijwillige richtgebed bestaat uit] twee twee rak`as. Als iemand van jullie [het aanbreken van] ochtend vreest, bidt hij n rak'a die als witr [oneven] wordt aangemerkt voor wat heeft gebeden." Hij zei ook: `Laat het laastste van jullie gebed witr [oneven] zijn, want de Profeet heeft dit opgedragen.'

Hoofdstuk: Liggen in de moskee en het strekken van de benen
297. Overgeleverd van `Abdullaah Ibn Yazied is dat hij de Boodschapper van AllahSallalahu 'alaihi wasalam liggend [op zijn rug] in de moskee heeft gezien, met zijn benen over e1kaar.

Hoofdstuk: Bidden in de moskee van de markt
298. Overgeleverd van Abu Hurairah is dat de Profeet heeft gezegd: "Het gezamenlijke gebed overtreft zijn gebed thuis en zijn gebed in zijn markt met vijfentwintig rangen. Als iemand van jullie namelijk wudoe' op perfecte wijze verricht en vervolgens naar de moskee komt, terwijl hij alleen maar het gebed wil, dan wordt hij niet elke stap die hij zet door Allah een rang verheven, en wist Hij daarmee voor hem een zonde uit, totdat hij de moskee betreedt. Als hij de moskee betreedt, bevindt hij zich in gebed, zolang het gebed hem vasthoudt. De engelen spreken zegeningen uit over een persoon zolang hij zich bevindt op de plek waar hij het gebed verricht. Zij zeggen: `O Allah, vergeef hem. 0 Allah, wees hem genadig.' Dit zolang hij zijn wudoe' niet verbreekt."

Hoofdstuk: Het verstrengelen van de vingers in de moskee of elders
299. Overgeleverd van Abu Moesaa is dat Profeet heeft gezegd: "De gelovige is voor een [andere] gelovige net als een bouwwerk [of een muur]; zijn onderdelen versterken elkaar." En hij verstrengelde zijn vingers.

300. Overgeleverd van Abu Hurairah is dat hij heeft gezegd: `De Boodschapper van Allah heeft ons geleid in n van de twee middaggebeden. Hij heeft [toen] twee rak`as gebeden en daarna zijn gebed afgesloten met de tasliem. Vervolgens stond hij op, liep naar een stuk hout dat dwars in de moskee lag en steunde erop alsof hij boos was. Hij legde zijn rechterhand op zijn linkerhand, verstrengelde zijn vingers en legde zijn rechtenwang op de rug van zijn linkerhand. De gehaaste mensen verlieten de moskee via naar deuren en zeiden: `Is het gebed verkort?' Tussen de aanwezigen waren ook Abu Bakr en 'Omar, maar beiden durfden de Profeet [uit respect] niet te spreken. Onder de aanwezigen was er ook een man met lange armen, die Dhul-yadain werd genoemd. Hij vroeg: '0 Boodschapper van A11aah, heeft u vergeten of is het gebed verkort?' Hij antwoordde: "Ik heb niet vergeten en het [gebed] is niet verkort." Hij voegde hieraan toe: "Klopt datgene wat Jhul-yadain zegt?" Zij [de aanwezigen] antwoordden: 'Ja, [het klopt.]' Hierop trad naar voren, maakte wat hij had nagelaten van zijn gebed af en verrichtte de tasliem. Vervolgens sprak hij de takbicr uit [zei: Allahu akbar] en verrichtte de knieling [sudjuud] net als zijn [gewoonlijke] knieling of langer. Hierna hief hij zijn hoofd op en sprak de takbier uit. Vervolgens sprak hij de takbier uit en verrichtte de knieling net als zijn [gewoonlijke] knieling of langer. Daarna hief hij zijn hoofd weer op en sprak de takbier uit en hij verrichtte ten slotte de tasliem."

Hoofdstuk: De moskeen die zich bevinden langs de weg van Al-Madienah en de plekken waar de Profeet heeft gebeden
301. Overgeleverd van Ihn 'Omar is dat hij het gebed verrichtte op plekken langs de weg [tussen Mekkah en Al-Madienah]. Hij vertelde dan dat hij de Profeet op die plekken had zien bidden.

302. Dit hoofdstuk bevat overleveringen die plekken beschrijft waar de Profeet gebeden heeft verricht. Het vertalen hiervan is dusdanig moeilijk, vanwege de vele beschrijvingen en omschrijvingen, dat de Nederlandstalige lezer zich er niet in zal kunnen herkennen. Daarom is volstaan met het vermelden van de overleveringen in het Arabisch. Na raadpleging van de Engelse vertaling van dr. Muhammad Muhsin Khan, constateert men dat hij deze overleveringen ook niet heeft vertaald.

Hoofdstuk: De sutrah* van de gebedsvoorganger is een sutrah voor wie achter hem bidt
311. Overgeleverd van Ibn 'Omar is dat de Boodschapper van AllahSallalahu 'alaihi wasalam gewoonte had om als hij op de dag van `ied naar buiten ging, de opdracht gaf een speer vr hem te plaatsten, in de richting waanvan hij het gebed verrichtte, terwijl de de mensen zich achter hem bevonden. Hij deed hetzelfde tijdens zijn reizen. Van hieruit hebben de moslimleiders dit [van hem] overgenomen.'

312. Overgeleverd van Abu Djuhayfah is dat de Profeet hen voorging in het gebed in Al-Bathaa', terwijl zich een korte speer vr hem bevond. Hij verrichtte met hen het dhuhr-gebed bestaande uit twee rak`as en het `asr-gebed bestaande uit twee rak`as. Er liep een vrouw en een ezel voor hem [achter de speer] langs. *Sutrah: Een object zoals een pilaar, muur, stok, speer, etc., waarvan de hoogte niet minder dan een voet dient te zijn. Dit dient zich te bevinden voor de biddende persoon en als een symbolische scheiding tussen hem en de anderen. [Ontleend aan: de vertaling betekenissen van de Qor'aan van Qor'aan van Khan en Al-Hilali] [Voetnoot van de vertaler]

Hoofdstuk: De afstand tussen de biddende persoon en zijn sutrah
313. Overgeleverd van Sahl Ibn Sa`d is dat hij heeft gezegd: `Tussen de plek waar de Boodschapper van AllahSallalahu 'alaihi wasalam [met zijn hoofd] knielde n de muur bevond zich een afstand waar een ooi langs kon.'

Hoofdstuk: Bidden naar een korte speer
314. Overgeleverd van Anas 1bn Maalik is dat hij heeft gezegd: `Als de Profeet wegging om zijn behoefte te doen, volgde ik en een knaap hem. Wij namen een wandelstok, stok of korte speer mee en een emmer. Als hij zijn behoefte had gedaan, gaven wij hem de emmer aan.'

Hoofdstuk: Bidden naar een pilaar
316. Overgeleverd van Salamah Ibn Al-Akwa is dat hij het gebed verrichtte bij de pilaar, naast de bewaarplek van de Qor'aan. Men vroeg hem: `O Abu Muslim, waarom ben je gespitst op het bidden bij deze pilaar?' Hij antwoordde: `Ik heb gezien dat de Profeet gespitst was op het bidden bij deze pilaar.'

Hoofdstuk: Bidden tussen pilaren buiten het gezamenlijke gebed
316. Overgeleverd van Ibn 'Omar is dat de Boodschapper van AllahSallalahu 'alaihi wasalam de Ka`bah inging, samen met Usaamah Ibn Zayd, Bilaal, en Othmaan Ibn Talhah en Al-Hadjabi. Daarna sloot hij de deur en bleef lang binnen. Toen hij naar buiten kwam, vroeg ik aan Bilaal: Wat heeft de Profeet gedaan?' Hij antwoordde: `Hij had een pilaar links van hem en een pilaar rechts van hem, en drie pilaren achter hem. (Het Huis rustte toentertijd op zes pilaren.) En hij verrichtte het gebed.' In een andere overlevering: `Twee pilaren rechts van hem.'

Hoofdstuk: Bidden naar een rijkameel, kameel, bomen of zadel
317. Overgeleverd van Ibn 'Omar is dat de Profeet de gewoonte had zijn rijkameel dwars te laten zitten en in zijn richting het gebed te verrichten. Men vroeg aan aan Naafi': `En als de rijkamelen onrustig werden?' Hij antwoordde: `Hij nam zijn zadel, legde hem goed neer en richtte het gebed naar zijn achterzijde achterkant.' Ibn 'Omar deed hetzelfde.

Hoofdstuk: Bidden naar een bed
318. Overgeleverd van Aaichah is dat zij heeft gezegd: `Vergelijken jullie ons met honden en ezels? Ik lag op bed en de Profeet kwam. Hij verrichtte het gebed richting het midden van het bed. lk wilde me niet vdr hem bevinden. Daarom sloop ik weg via het voereinde van het bed en ik sloop uit mijn deken.'

Hoofdstuk: De biddende persoon duwt wie vr hem langs wil lopen weg
319. Overgeleverd van Abu Sa`ied Al-Khudrie is dat hij het gebed verrichtte op vrijdag richting iets wat voor hem diende als sutrah [afscherming] van de mensen. Opeens kwam er een jongeman uit Banu Abi Mu'ait die vr hem langs wilde lopen, waarop Abu Sa`ied hem tegen zijn borst wegduwde. Hij [de jongeman] keek rond maar zag geen andere uitweg, behalve vr Abu Sa`ied. Daarom probeerde hij het nogmaals, maar Abu Sa`ied duwde hem tegen zijn borst harder weg dan de eerste keer. Hij schold Abu Sa`ied uit en daarna kwam hij bij Marwaan en deed zijn beklag over wat Abu Sa`ied hem had aangedaan. Abu Sa`ied kwam echter na hem ook bij Marwaan, die tegen hem zei: Wat is er tussen jou en de zoon van je broer gebeurd?' Hierop zei Abu Sa`ied: `Ik heb de Profeet horen zeggen: "Als iemand van jullie bidt richting een sutrah die hem afschermt van de mensen en een ander vr hem langs wil lopen, laat hij hem dan wegduwen. Als hij echter weigert, moet hij hem bevechten, want hij is een shaytaan".'

Hoofdstuk: De zondigheid van wie vr een biddende persoon langsloopt
320. Overgeleverd van Abu Djuhaim is dat de Boodschapper van AllahSallalahu 'alaihi wasalam heeft gezegd: "Als degene die langsloopt vr de biddende persoon zou weten wat op hem rust [aan zondigheid], zou veertig [wachtend] staan beter voor hem zijn dan het langslopen vr hem".' De overlevenaar heeft gezegd: 'lk weet niet [meer] of veertig dagen, maanden of jaren heeft gezegd.'

Hoofdstuk: Bidden achter iemand die slaapt
321. Overgeleverd van `Aaichah dat zij heeft gezegd: `De Profeet verrichtte het gebed, terwijl ik dwars op zijn bed lag te slapen. Als hij het witr-gebed wilde verrichtten, wekte hij mij en ik verrichtte het witr-gebed.'

Hoofdstuk: Als men een klein meisje op zijn schouder draagt tijdens het gebed
322. Overgeleverd van Abu Qataadah Al-Amsaari is dat de Boodschapper van AllahSallalahu 'alaihi wasalam het gebed verrichtte, terwijl hij Umaamah de dochter Zainab, de dochter van de Boodschapper van AllahSallalahu 'alaihi wasalam en van Adul 'Aas lbn Rabie`ab 1bn 'Abd Shams optilde. Als hij knielde, legde hij haar neer. Als hij vervolgens opstond, tilde hij haar weer op.'

Hoofdstuk: Als een vrouw viezigheid van de biddende persoon afwerpt
323. Overgeleverd van `Abdullaah Ibu Mas`ood is dat de Profeet aanroeping verrichtte tegen Quraish toen zij vruchtvliezen over hem gooiden, zoals eerder vermeld [nummer 178]. Aan het eind van deze overlevering zegt hij: 'Zij werden gesleurd naar de waterbron [tijdens de slag] van Badr en de Boodschapper van AllahSallalahu 'alaihi wasalam zei: "De mensen van de waterbron zijn opgevolgd door vervloeking."

9. Het boek van de gebedstijden

Top I
Hoofdstuk: De gebedstijden324. Overgeleverd van Ibn Mas'oed Al-Ansaari is dat hij een keer binnenkwam bij Al-Mughierah Ibn Sho'bah, die het gebed eens had uitgesteld, terwijl hij zich in Irak bevond. Hij zei toen: `O Mugierah, wat is dit?' Jij weet toch dat Djibriel is neergedaald en heeft gebeden en dat de Boodschapper van AllahSallalahu 'alaihi wasalam toen ook heeft gebeden? Daarna heeft hij weer gebeden en de Boodschapper van AllahSallalahu 'alaihi wasalam heeft toen ook gebeden. Daarna heeft hij weer gebeden en de Boodschapper van AllahSallalahu 'alaihi wasalam heeft toen ook gebeden. Daarna heeft hij weer gebeden en de Boodschapper van AllahSallalahu 'alaihi wasalam heeft toen ook gebeden. Daarna heeft hij weer gebeden en de Boodschapper van AllahSallalahu 'alaihi wasalam heeft toen ook gebeden.' Vervolgens zei hij: Dit is wat mij is opgedragen.'

Hoofdstuk: Het gebed is een boetedoening
325. Overgeleverd van Hudhayfah is dat hij heeft gezegd: `Wij zaten eens bij Omar toen hij zei: `Wie van jullie kent de uitspraak van de Boodschapper van AllahSallalahu 'alaihi wasalam met betrekking tot de beproeving? Ik antwoordde: `Ik [ken zijn uitspraak], precies zoals hij het heeft gezegd.' Hij zei: `Jij hebt durft' Ik zei: `De beproeving van een persoon in zijn gezin, eigenamen, kinderen en buren heeft als boetedoening het gebed, vasten, geven van aalmoezen, het gebieden [van de deugd] en het verbieden [van het verwerpelijke].' Hij zei: 'Dat is niet wat ik bedoel. Ik bedoel de beproeving die net zo opwelt als de opwellingen van de zee.' Hij [Hudhayfah] zei: `O leider van de gelovigen, maak je geen zorgen. Tussen jou en tussen hen [die beproevingen] bevindt zich een gesloten deur.' Hij vroeg: `Wordt hij [de deur] opengebroken of geopend?' Hij antwoordde: `Hij wordt opengebroken.' Hij zei: `Dan wordt hij daarna dus nooit meer gesloten.' Wij vroegen [aan Hudhayfah]: `Wist 'Omar van deze deur?' Hij antwoordde: `Ja, net zoals hij wist dat de nacht eerder komt dan morgen. Ik heb hem immers een overlevering verteld die niet aan vergissing onderhevig is.' Wij waren te bang om Hudhayfah te vragen, daarom droegen wij Masroeq op om hem te vragen [wie de deur is]. Hij antwoordde: 'Omar is de deur'.

326. Overgeleverd van Ibn Mas'oed is dat een man een vrouw had gekust. Hij kwam bij de Profeet en vertelde hem dit. Hierop zond Allah het volgende vers neer: (En verricht het gebed in de twee uiteinden van de dag en in sommige nabije uren van de nacht. Voorzeker, de goede daden verwijderen de slechte daden) [Soerah Hoed (11):114]. De man vroeg: `O Boodschapper van AllahSallalahu 'alaihi wasalam, geldt dit alleen voor mij?' Hij antwoordde: "(Dit geldt] voor mijn gehele Ummah in algemene zin."

326. Overgeleverd van Ibn Mas'oed in andere overlevering is dat hij heeft gezegd: "Voor iedereen van mijn Ummab die dat begaat"

Hoofdstuk: De verdienste van het tijdig verrichten van het gebed
327. Overgeleverd van Ihn Mas'oed is dat hij de Profeet vroeg: Welke daad is het meest geliefd bij Allah?' Hij antwoordde: "Het gebed op tijd verrichten." Hij zei: 'En wat daarna?' Hij antwoord: "Daarna goedheid tegen beide ouders. Hij zei: `En wat daarna?' Hij antwoordde: "Het strijden op de weg van Allah." Hij [Ibn Mas'oed] heeft gezegd: Hij heeft deze voor me genoemd. En als ik door had gevraagd, had hij meer genoemd.'

Hoofdstuk: De vijf [dagelijkse] gebeden zijn een boetedoening
328. Overgeleverd van Abu Hurairah is dat hij de Boodschapper van AllahSallalahu 'alaihi wasalam heeft horen zeggen: "Als er een rivier zou stromen voor de deur van iemand van jullie, waarin hij zichzelf dagelijks wast, denken jullie dat er dan iets zou overblijvan zijn viezigheid?" Men antwoordde: Er zal niets overblijven van zijn viezigheid.' Hij zei: "Dat is nu het voorbeeld van de vijf [dagelijkse] gebeden: Allah wist daarmee de zonden uit".

Hoofdstuk: De biddende persoon bevindt zich in een vertrouwelijk gesprek met zijn Heer
329. Overgeleverd van Anas lbn Maalik is dat de Profeet heeft gezegd: "Wees gematigd tijdens de knieling en laat iemand van jullie [daarin] zijn onderarmen niet uitstrekken [op de grond] zoals een hond dat doet. En als hij spuugt [tijdens het gebed], laat hij dan niet vr zich spugen en ook niet rechts van hem. Hij bevindt zich namelijk in een vertrouwelijk gesprek met zijn Heer."

Hoofdstuk: Het gebed uitstellen tot het koeler wordt ten tijde van hevige hitte
330. Overgeleverd van Abu Hurairah is dat de Profeet heeft gezegd: "Als de hitte hevig wordt, stel het gebed dan uit tot het afkoelt. Hevige hitte is namelijk afkomstig van de uitademing van de hel. Het vuur heeft geklaagd bij haar Heer en heeft gezegd: `O mijn Heer, mijn delen hebben elkaar opgegeten.' Daarom gaf hij haar toestemming om twee keer uit te ademen: n keer in de winter en n keer in de zomer. Dat is de [verklaring voor] de meest hevige hitte die jullie ondervinden en de meest bittere kou."

331. Overgeleverd van Abu Dharr is dat hij heeft gezegd: `Wij waren eens met de Profeet tijdens een reis. De gebedsoproeper wilde de oproep voor het middaggebed doen. De Profeet zei toen: Laat het afkoelen." Daarna wilde hij weer de oproep doen en hij zei tegen hem: "Laat het afkoelen." Totdat wij de schaduw van de heuvels konden zien.'

Hoofdstuk: De tijd van het dhuhrgebed is na het middaguur
332. Overgeleverd van Anas Ibn Maalik dat de Boodschapper van AllahSallalahu 'alaihi wasalam naar buiten ging nadat de zon zijn hoogste punt had gepasseerd. Nadat hij het dhuhrgebed had verricht, ging hij op de preekstoel staan. Hij noemde het Uur en vertelde dat het geweldige zaken bevat. Vervolgens zei hij: "Wie over iets wil vragen, mag dat doen. Ik zal al jullie vragen beantwoorden, zolang ik mij op deze plek bevind." Hierop begonnen de mensen veelvuldig te huilen, terwijl hij vaak heraalde: "Vraag mij." `Abdullaah Ibn Hudhaafah As-Sahmiy stond toen op en vroeg: Wiee is mijn vader?' Hij antwoordde: Jouw vader is Hudhaafah." Hij ging door met het vaak herhalen van: "Vraag mij." Omar ging op zijn knien zitten en zei: Wij zijn tevreden niet Allah als Heer, de Islaam als religie en Mohammad als Profeet. Vervolgens zweeg hij en daarna zei hij: Het paradijs en de het vuur zijn zonet aan mij getoond in de breedte van deze muur. Ik heb nooit zoveel goeds [als het het paradijs] en zoveel kwaads [als het vuur] gezien.

333. Overgeleverd van Abu Barzah is dat hij heeft gezegd: `De Profeet verrichtte het ochtendgebed, terwijl men kon zien wie zijn buurman was. Hij reciteerde daarin tussen de zestig en de honderd [verzen]. Hij verrichtte het dhuhr-gehed als de zon haar hoogste punt had gepasseerd. En [hij verrichtte] het `asr-gebed op een tijdstip dat iemand naar het uitende van Al-Madienah kon gaan en terugkeren, terwijl de zon nog helder was. Ik [de overleveraar] ben vergeten wat hij over het maghreb-gebed heeft gezegd. Hij had er geen moeite mee om het `ishaa-gebed uit te stellen, tot de [eerste] derde van de nacht.' En daarna zei hij: `Tot de helft van de nacht.'

Hoofdstuk: Het uitstellen van het dhuhr-gebed tot aan het `asr-gebed
334. Overgeleverd van lbn `Abbaas is dat de Profeet eens in Al-Madienah zeven en acht [rak`as na elkaar] heeft gebeden: het dhuhr-gebed samen met het `asr-gebed [= zeven] en het maghreb-gebed samen met het `ishaa-gebed [= acht].

Hoofdstuk: De tijd van het `asr-gebed
335. De overlevering van Abu Barzah [nr. 333] die kortgeleden is gepasseerd, waarin de gebedstijden zijn vermeld. In ieze overlevering heeft hij bij het noemen van het 'ishaa-gebed toegevoegd: `Hij hield er niet van om ervoor te slapen of erna te praten.'

336. Overgeleverd van Anas Ibn Maalik is dat hij heeft gezegd: `Wij verrichtten het asr-gebed. Als een persoon daarna vertrok naar [de stam van] Banu `Amr lbn Awf, trof hij hen aan terwijl zij het asr-gebed nog aan het verrichten waren.'

336. Overgeleverd van Anas Ibn Maalik is dat de Boodschapper van AllahSallalahu 'alaihi wasalam gerwoonlijk het 'asr-gebed verrichtte, terwijl de zon hoog stond en helder was. Men kon naar Al-`Awaali [buitenwijken van Al-Madienah] vertrekken en hij kwam dan aan, terwijl de zon nog hoog stond. Sommige delen van Al-`Awaali van Al-Madienah bevinden zich op een afstand van ongeveer vier mijlen.'

Hoofdstuk: Wie het `asr-gebed mist
338. Overgeleverd van Ibn `Omar is dat de Boodschapper van AllahSallalahu 'alaihi wasalam heeft gezegd: "Voor wie het 'asr-gehed mist is het net alsof hij zijn familie en en rijkdom heeft verloren."

Hoofdstuk: Wie het `asr-gebed laat
339. Overgeleverd van Buraidah is dat hij op een bewolkte dag zei: `Bid het `asr- gebed vroeg, want de Profeet heeft gezegd: "Wie het `asr-gebed laat; zijn daden zullen tenietgedaan worden".'

Hoofdstuk: De verdienste van het `asr-gebed
340. Overgeleverd van Djarier is dat hij heeft gezegd: "Tijdens een nacht bevonden wij ons bij de Profeet, toen hij naar de maan keek en zei: "Jullie zullen jullie Heer zien, net zoals jullie deze maan zien, zonder dat jullie enig onrecht aangedaan zal worden in Zijn aanschouwing. Als jullie in staat zijn om niet afgehouden te worden van een gebed vr zonsopgang [fadjrj en een gebed vr zonsondergang [`asr], doe dat dan." Vervolgens reciteerde hij: (...en verheerlijk de lofprijzingen van je Heer voor zonsopgang en voor de ondergang) [Soerah Qaaf (50):39].'

341. Overgeleverd van Abu Hurairah is dat de Boodschapper van AllahSallalahu 'alaihi wasalam heeft gezegd: "Naar jullie toe komen opeenvolgend engelen in de nacht en engelen overdag. Zij verzamelen zich tijdens het fadjr-gebed en het `asr-gebed. Vervolgens stijgen degenen die bij jullie verbleven op [naar de hemel] en vraagt Hij [Allah] hen, terwijl Hij alles over hen weet: "Hoe hebben jullie Mijn dienaren achtergelaten?" Zij [de engelen] antwoorden: 'Toen wij hen achterlieten waren zij in gebed en toen wij bij hen kwamen waren ze [ook] in gebed.'

Hoofdstuk: Wie n rak'ah van het 'asr-gebed haalt vr zonsondergang
342. Overgeleverd van Abu Hurairah is dat de Boodschapper van AllahSallalahu 'alaihi wasalam, heeft zegd: "Als iemand van jullie n rak'ah ah in het `asr-gebed haalt voordat de zon is ondergegaan, laat hij dan zijn gebed complereren. En als iemand van jullie n rak'ah van het ochtendgebed haalt voordat de zon is opgekomen, laat hij dan zijn gebed completeren."

343. Overgeleverd van 'Abdullaah Ibn Omar is dat hij de Boodschapper van AllahSallalahu 'alaihi wasalam heeft horen zeggen: "Jullie verblijftermijn in vergelijking met de naties die jullie zijn voorgegaan, is als de tijd tussen het `asr-gebed tot aan zonsondergang. De mensen van de Thora [Tawraat] kregen de Thora; zij handelden ernaar totdat het middaguur aanbrak. Toen verzwakten zij [en waren er niet meer toe in staat]. Daarom ontvingen zij [een beloning gelijk aan het gewicht van] qiraat [gewichtsmaat]. Vervolgens kregen de mensen van het Evangelie [Indjiel het Evangelie; zij handelden ernaar totdat het `asr-gebed aanbrak. Toen verzwakten zij [en waren er niet meer toe in staat]. Daarom ontvingen zij [een beloning gelijk aan het gewicht van] een qiraat [gewichtsmaat]. Vervolgens kregen wij de Qor'aan en handelden ernaar tot zonsondergang. Wij ontvingen daarom een beloning gelijk aan het gewicht van] twee qiraat [gewichtsmaat]. Hierop zeiden de mensen van beide geschriften: `O onze Heer, U heeft hun twee giraat gegeven en ons maar n giraat, terwijl wij meer hebben gedaan.' Hierop antwoordde Allah: "Heb ik jullie enig onrecht aangedaan in jullie beloning?" Zij antwoordden: `Nee.' Hij zei: "Dat is Mijn Gunst die Ik schenk aan wie Ik wil"."

Hoofdstuk: De tijd van het maghreb-gebed
344. Overgeleverd van Raafi` Ibn Khadiedj is dat hij heeft gezegd: Wij verrichtten het maghreb-gebed met de Profeet. Als iemand van ons daarna vertrok, kon hij nog steeds de plek zien waar zijn speer terecht kon komen.'

345. Overgeleverd van Djaabir Ibn `Abdillaah is dat hij heeft gezegd: `De Profeet verrichtte het dhuhr-gebed gewoonlijk tijdens de middaghitte; 'asr terwijl de zon helder was; maghreb als zij [de zon] onder was gegaan; en 'ishaa soms en soms: als hij zag dat zij zich hadden verzameld, vervroegde hij haar. Als hij zag dat zij later kwamen, stelde hij het uit; fadjr bad de Profeet in de [ochtend]duisternis'.'

Hoofdstuk: De tijd van het maghreb gebed
346. Overgeleverd van `Abdullaah Ibn Mughaffal Al-Muzani is dat de Profeet heeft gezegd: "Laat de bedoeenen jullie niet overtreffen wat betreft de naam van jullie maghreb-gebed." De bedoeenen noemden het namelijk het ishaa-gebed.

Hoofdstuk: De verdienste van het 'ishaa-gebed
347. Overgeleverd van `Aaichah is dat zij heeft gezegd: `Op een nacht stelde de Profeet het `ishaa-gebed uit tot diep in het donker. Dat was vr de verspreiding van de Islaam. Hij kwam pas naar buiten nadat 'Omar zei: `De vrouwen kinderen zijn in slaap gevallen.' Hij kwam naar buiten en zei tegen de mensen in de moskee: "Niemand op aarde wacht er op [het gebed], behalve jullie".'

348. Overgeleverd van Abu Moesaa is dat hij heeft gezegd: `Ik en mijn vrienden met mij mee waren gekomen in de boot, waren neergestreken in [de vallei van] Baqie` Buthaan. De Profeet bevond zich in Al-Madienah. Elke nacht met het 'ishaa-gebed ging er om de beurt een groepje van hen naar de Profeet. Ik en mijn vrienden troffen de Profeet een keer aan toen hij met bepaalde zaken van hem bezig was. Daarom stelde hij het gebed tot na het midden van de nacht. Vervolgens kwam de Profeet naar buiten en leidde hen in het gebed. Toen hij klaar was met zijn gebed, zei hij tegen de aanwezigen: "Wees geduldig en verheug jullie. Tot de gunsten van Allah aan jullie behoort het feit dat er niemand van de mensen op dit tijdstip bidt, behalve jullie." Of hij heeft gezegd: "Op dit moment heeft niemand anders dan jullie gebeden." Hij [de overleveraar] weet niet welke van de twee uitspraken hij heeft gedaan.' Abu Moesaa heeft gezegd: `Wij keerden terug en waren verheugd met wat wij hadden gehoord van de Boodschapper van AllahSallalahu 'alaihi wasalam

Hoofdstuk: Slapen voor het `ishaa-gebed voor wie vermoeid is
349. In de eerder vermelde overlevering [nummer 347] waarin staat dat de Boodschapper van AllahSallalahu 'alaihi wasalam op een nacht het `ishaa-gebed uitstelde, totdat 'Omar hem wekte. In deze overlevering is daaraan toegevoegd, dat zij zegt: `Zij verrichtten het gebed gewoonlijk na het verdwijnen van het avondschemer tot aan de eerste derde van de nacht.' In een overlevering van Ibn Abbaas zegt hij: `De Profeet van Allah kwam naar buiten. Het is alsof ik hem nu nog zie, terwijl bet water van zijn hoofd druppelt, met zijn hand op zijn hoofd. Hij zei toen: "Als ik het mijn Ummah niet te moeilijk zou maken, dan had ik hen opgedragen om het [`ishaa-gebed] op dit tijdstip te bidden".'

Ibn `Abbaas vertelt [innavolging van de vorige overlevering] dat de Profeet zijn hand op zijn hoofd had gelegd, met zijn vingers licht gespreid. Vervolgens plaatste hij zijn vingertoppen de zijkant van zijn hoofd en daarna nam hij zijn vingers bij elkaar. Hij ging er over zijn hoofd mee, totdat zijn duim zijn oorlel raakte bij zijn slaap en zijn baard. Hij vertraagde noch versnelde zijn beweging.

Hoofdstuk: De tijd van het ishaa-gebed is tot aan het midden van de nacht
351. Anas vertelt dezelfde overlevering en daarin: `Het is alsof ik kijk naar de glittering van zijn ring tijdens die nacht.'

Hoofdstuk: De verdienste van het fadjr-gebed
352. Overgeleverd van Abu Moesaa is de Boodschapper van Allah heeft gezegd: "Wie de twee koele gebeden [`asr en fadjr] verricht, zal het paradijs betreden.

Hoofdstuk: De tijd van het fadjr-gebed
353. Overgeleverd van Zayd Ibn Thaabit dat hij heeft gezegd: `Wij nuttigden de sahoer met de Boodschapper van AllahSallalahu 'alaihi wasalam waarna wij opstonden voor het gebed.'Ik vroeg: `Hoeveel tijd was er tussen beide [de gebedsoproep en de sahoer]?' Hij antwoordde: 'De tijd die nodig is voor het reciteren van] vijftig of zestig [verzen uit de Qor'aan].'

354. Overgeleverd van Sahl Ibn Sa`d is dat hij heeft gezegd: 'Ik nuttigde de sahoer met mijn gezin. Ik moest me vervolgens haasten om het fadjr-gebed met de Boodschapper van AllahSallalahu 'alaihi wasalam te halen.'

Hoofdstuk: Bidden na het fadjr-gebed totdat de zon opkomt
355. Overgeleverd van Ibn 'Abbaas is dat hij heeft gezegd: `Er waren rechtschapen mannen bij mij, waarvan de meest rechtschapen in mijn ogen 'Omar was. Zij getuigden dat de Profeet heeft verboden om te bidden na het ochtendgebed totdat de zon opkomt, en na het `asr-gebed totdat de zon ondergaat.'

356. Overgeleverd van Ibn 'Omar is dat de Boodschapper van AllahSallalahu 'alaihi wasalam heeft gezegd: "Beoog met jullie gebed geen zonsopgang en ook niet haar ondergang."

357. Overgeleverd van Ibn 'Omar is dat de Boodschapper van AllahSallalahu 'alaihi wasalam heeft gezegd: "Als de [bovenste] rand van de zon opkomt, stel het gebed dan uit totdat zij opkomt. En als de rand van de zon ondergaat, stel het gebed dan uit tot dat zij ondergaat."

358. Overgeleverd van Abu Hurairah is dat de Boodschapper van AllahSallalahu 'alaihi wasalam twee vormen van handel, twee vormen van kleding en twee gebeden heeft verboden. Hij heeft namelijk verboden om te bidden na het fadjr-gebed totdat de zon opkomt, na het `asr-gebed totdat de zon ondergaat.

Hoofdstuk: Geen gebed beogen vr zonsopgang
359. Overgeleverd van Mu`aawiyah is dar hij heeft gezegd: `Jullie verrichten een gebed dat wij de Boodschapper van AllahSallalahu 'alaihi wasalam nooit hebben zien verrichten, terwijl wij hem hebben meegemaakt. Hij heeft deze [rak`as] zelfs verboden, (Hij bedoelt daarmee de twee rak`as na het `asr-gebed).

Hoofdstuk: Het inhalen van gemiste gebeden en dergelijke na het `asr-gebed
360. Overgeleverd van `Aaichah is dat zij heeft gezegd: 'Bij Degene Die hem [d.w.z. de Profeet heeft weggenomen, hij heeft deze twee [rak`as na het 'asr-gebed] nooit gelaten, totdat hij Allah heeft ontmoet. Hij heeft Allah pas ontmoet nadat [het verrichten van] het gebed hem zwaar viel en hij veel van zijn gebeden zittend verrichtte (zij bedoelt hiermee de twee rak`as na het`asr-gebed). De Profeet verrichtte deze twee [rak`asl, maar hij verrichtte ze niet in de moskee. Hij was namelijk bang dat hij het te zwaar zou maken voor zijn Ummah. Hij hield er immers van om zo veel mogelijk voor hen te verlichten.'

361. Overgeleverd van Aaichah is dat zij heeft gezegd: `Het verrichten van twee rak`as [d.w.z. twee gebeden] liet de Boodschapper van AllahSallalahu 'alaihi wasalam niet na, zowel openlijk als heimelijk: twee rak`as vr het ochtendgebed en twee rak`as na het 'asr-gebed.'

Hoofdstuk: De gebedsoproep na het verlopen van de gebedstijd
362. Overgeleverd van Abu Qataadah is dat hij heeft gezegd: `Tijdens een nacht reisden wij mee met de Profeet. Sommige mensen zeiden: `O Boodschapper van Allah, waarom strijkt u niet niet ons neer aan het einde van de nacht?' Hij antwoordde: "Ik vrees dat jullie wegens slaap het gebed zullen missen." Hierop zei Bilaal: `Ik zal jullie wel wekken.' Zij gingen toen liggen en Bilaal steunde met zijn rug tegen zijn rijdier. Zijn ogen overmanden hem en hij viel in slaap. Toen de Profeet ontwaakte, was de (bovenste] rand van de zon al opgekomen. Hij zei toen: "0 Bilaal, waar is wat je had gezegd?" Hij zei: `Ik heb nog nooit zo geslapen.' Hij zei toen: "Allah heeft jullie zielen genomen toen Hij dat wenste en Hij heeft ze aan jullie teruggeven toen Hij dat wenste. 0 Bilaal, sta op en roep de menscn op tot gebed." Hij verricht de zon was opgekomen en helder werd, stond hij op en verrichte het gebed.

Hoofdstuk: De mensen leiden lijdens een gezamenlijk gebed na het verlopen van de gebedstijd
363. Overgeleverd van Djaabir Ibn Abdillaah is dat Omar Ibn Al-Khattaab op de dag van Al-Khandaq aankwam nadat de zon onder was gegaan. Hij begon de ongelovigen van Quraish uit te schelden en hij zei: `O Boodschapper van AllahSallalahu 'alaihi wasalam ik heb het 'asr-gebed slechts kunnen verrichten toen de zon bijna onder was gegaan.' Hierop zei de Profeet: "bij Allah, ik heb het ook nog niet gebeden." Vervolgens daalden we af naar Buthaan. De Boodschapper verrichtte daar wudoe' voor het gebed en wij verrichtte het asr-gebed [pas] nadat de zon was ondergegaan en daarna verrichtte hij het maghrebgebed.'

Hoofdstuk: Wie een gebed vergeet dient dit te verrichten op het moment dat hij het zich herinnert
364. Overgeleverd van Anas lbn Maalik is dat de Profeet heeft gezegd: "Wie een gebed vergeet dient dit te verrichten op het moment dat hij het zich herinnert. Er is geen andere boetedoening voor dan dat: (En verricht het gebed voor Mijn gedenking) [Soerah Taa-Haa (20):14]."

Hoofstuk:
365. Overgeleverd van Anas Ibn Maalik is dat de Boodschapper van AllahSallalahu 'alaihi wasalam heeft gezegd: "Jullie bevinden je in gebed zolang jullie wachten op het gebed.

Hoofdstuk:
366. Overgeleverd van Ibn 'Omar is dat de Profeet [in navolging van de overlevering van nr. 96] heeft gezegd: "Niemand van degenen die zich vandaag de dag op het aardoppervlak bevindt, zal er [over 100 jaar] nog zijn." Hij bedoelde daarmee dat die generatie er niet meer zal zijn.

367. Overgeleverd van `Abdur-Rahmaan Ibn Abi Bakre is dat de mensen van As-Suffah arm waren. De Profeet zei daarom: "Wie voedsel heeft voor twee mensen, laat hij een derde persoon meenemen. En wie voor vier heeft, laat hij dan een vijfde of zesde persoon meenemen." Abu Bakr nam drie personen mee en de Profeet vertrok met tien. Hij [de overleveraar] zegt: `Het ging hier om mij, mijn vader, mijn moeder, (en misschien heeft hij gezegd:) mijn vrouw en een bediende die gedeeld werd door ons en door het huis van Abu Bakr. Abu Bakr nuttigde het avondmaal bij de Profeet en hij bleef na het bidden van het `ishaa-gebed. Vervolgens keerde hij terug [naar huis]. Hij bleef dus totdat de Profeet het avondmaal had genuttigd en kwam aan totdat een gedeelte die Allah wenst was verstreken van de nacht.

Zijn vrouw zei toen tegen hem: `Wat heeft je weerhouden van je gasten? Hij vroeg: `Heb je ze dan geen avondmaal aangeboden?' Zij antwoordde: Zij weigeren [te eten] totdat jij komt. Het is hen aangeboden, maar zij weigerden.' Hij [de overleveraar] zegt: `Ik ging weg en stopte me. Hij zei tegen mij: `O Ghunthar [scheldwoord]!' Hij schold me uit en tierde tegen me en zei: `Eet niet smakeijk.' Hij zei: 'Bij Allah, ik eet er nooit van!' Bij Allah, elke keer als wij een hap namen groeide er onder haar meer dan dat. Totdat zij verzadigd raakten. Het [eten] was uiteindelijk meer geworden dan wat er ervoor was. Toen Abu Bakr ernaar keek was het evenveel als in het begin of meer. Hij zei toen tegen zijn vrouw: dochter van Banu Paaris, wat is dit?' Zij antwoordde: `O verkoeling van mijn ogen, het is nu drie keer zoveel geworden als ervoor.' Abu Bakr at ervan en zei: `Dat [het zweren om niet te eten] was van de Satan. Hij nam een hap en droeg het [eten] in de ochtend naar de Profeet. Er was een verbond tussen ons en een volk. Toen de termijn was verlopen, verdeelde ons onder twaalf mannen. Onder elke man bevond zich een aantal mensen, waarvan Allah de aantallen weet. Zij allen aten ervan [het voedsel van Abu Bakr].

10. Het boek van de gebedsoproep [adhaan]

Top I

Hoofdstuk: Het begin van de gebedsoproep
368. Overgeleverd van Ibn 'Omar is dat hij heeft gezegd: `Toen de moslims naar Al-Madienah kwamen, verzamelden zij zich gewoonlijk en schatten de gebedstijden in, omdat niemand de op oproep ernaar deed. Op een dag discussieerde zij hierover en sommigen van hen zeiden: `Gebruik een bel [of klok] net als bel van de christenen.' Anderen zeiden: gebruik een hoorn zoals de hoorns van de joden.' Hierop zei 'Omar: Waarom sturen jullie niet iemand om tot het gebed op te roepen?' De Boodschapper van AllahSallalahu 'alaihi wasalam zei toen: "0 Bilaal, sta op en roep op het gebed".

369. Overgeleverd van Anas is dat hij heeft gezegd: `Bilaal werd bevolen om de [woorden van] de adhaan twee keer uit te spreken en [die van] de iqaamah n keer, behalve de uitspraak 'qad gaamatis-salaah' [deze dient twee keer uitgesproken te wordenj.'

Hoofdstuk: De verdienste van de gebedsoproep
370. Overgeleverd van Abu Hurairah is dat de Boodschapper van AllahSallalahu 'alaihi wasalam heeft gezed: "Als de gebedsoproep wordt gedaan neemt de shaytaan de hielen terwijl hij winden laat, zodat hij de gebedsoproep niet hoort. Als de gebedsoproep gedaan is, komt hij terug. Als vervolgens de igaamah voor het gebed wordt gedaan, neemt hij weer de hielen. Als de igaamah is gedaan, komt hij weer terug om dingen in te fluisteren in het hart van de persoon. Hij zegt dan: Denk hieraan en denk daaraan.' Hij laat hem zaken herinneren waar hij van tevoren niet aan dacht. Jij gaat net zo lang door totdat een persoon niet meer weet hoeveel [rak`as] hij heeft gebeden."

Hoofdstuk: Het verheffen van de stem bij de gebedsoproep
371. Overgeleverd van Abu Sa`ied Al-Khudrie is dat hij de Boodschapper van AllahSallalahu 'alaihi wasalam heeft horen zeggen: "Iedereen die het bereik van de stem van een gebedsoproeper hoort, of het nou een djinn, mens of iets anders is, zal voor hem getuigen tijdens de Opstandingsdag."

Hoofdstuk: De gebedsoproep spaart levens
372. Overgeleverd van Anas lbn Maalik is dat de Profeet de gewoonte had om [de vijanden] aan te vallen als de morgen aanbrak en afwachtte. Als hij een gebedsoproep hoorde, spaarde hij hen en als hij geen gebedsoproep hoorde, viel hij hen aan.

Hoofdstuk: Wat men zegt bij het horen van de gebedsoproeper
373. Overgeleverd van Abu Sa'ied Al-Khudrie is dat de Boodschapper van AllahSallalahu 'alaihi wasalam heeft gezegd: "Als jullie de gebedsoproep horen, zeg dan hetzelfde als de gebedsoproeper zegt."

374. Overgeleverd van Mu`aawiyah is hetzelfde overlevering tot aan zijn uitspraak: `En ik getuig dat Mohammad de Boodschapper van AllahSallalahu 'alaihi wasalam is.' Bij het zeggen van: `Kom naar het gebed,' zei hij: Er is geen macht en geen kracht behalve met Allah.' Hij heeft gezegd: Zo hebben jullie Profeet horen zeggen.'

Hoofdstuk: Aanroeping bij het horen van de gebedsoproep
375. Overgeleverd van Djaabir Ibn `Abdillaah is dat de Boodschapper van AllahSallalahu 'alaihi wasalam heeft gezegd:" Wie na het horen van de gebedsoproep het volgende zegt: O Allah, Heer van deze complete aanroeping en dit blijvend gebed, schenk Mohammad al-wasielah [de hoogste positie in het paradijs die slechts hem toekomt] en al-fadhielah [een verhoogde rang ten op zichte van alle schepsels], en zend hem op de geprezen positie, die U hem heeft beloofd.' Voor hem zal mijn bemiddeling worden toebedeeld tijdens de Opstandingsdag."

Hoofdstuk: Het trekken van loten omwille van de gebedsoproep
376. Overgeleverd van Abu Hurairah is dat de Boodschapper van AllahSallalahu 'alaihi wasalam heeft gezegd: "Als de mensen zouden weten wat gebedsoproep en de eerste rij in het gezamenlijke gebed] bevatten [aan beloning] en zij geen andere manier zouden vinden om dit te verkrijgen behalve het trekken van loten, dan hadden zij hierom loten getrokken. En als zij zouden weten wat het gebed van de duisternis ['ishaa-gebed] in het ochtendgebed bevatten [aan beloning], dan zouden zij er zelfs kruipend naar toe komen.

Hoofdstuk: De gebedsoproep van een blinde als iemand hem op de hoogte brengt
377. Overgeleverd van 1bn 'Omar is dat de Boodschapper van AllahSallalahu 'alaihi wasalam heeft gezegd: "Als Bilaal de gebedsoproep verricht is het [nog] nacht. Eet daarom en drink, totdat Ibn Umm Maktoem de gebedsoproep verricht." Hij [de overleveraar] heeft gezegd: `Hij was een blinde man, die pas de gebedsoproep deed nadat men tegen hem had gezegd: `De ochtend is aangebroken, de ochtend is aangebroken'.'

Hoofdstuk: De gebedsoproep na het ochtendgloren
378. Overgeleverd van Hafsah is dat de Boodschapper van AllahSallalahu 'alaihi wasalam als de gebedsoproeper was opgestaan voor [de gebedsoproep van] het ochtendgebed, en het ochtendgloren was aangebroken - twee lichte rak`as verrichtte voordat de oproep voor het beginnen van het gebed werd gedaan.

Hoofdstuk: De gebedsoproep vr het ochtendgloren
379. Overgeleverd van `Abdullaah Ibn Mas'ood is dat de Profeet heeft gezegd: "laat de gehedsoproep van Bilaal niemand van jullie van [het nuttigen van] zijn sahoer weerhouden. Hij roept namemelijk op tot het gebed terwijl het nog nacht is, zodat degene onder jullie die vrijwillige nachtgebeden verricht, terugkeert. En zodat hij de slapende onder jullie wekt. En dus niet om aan te geven dat het ochtendgloren is aangebroken." Hij wees vervolgens met zijn vingers naar boven en boog ze naar beneden *, totdat het [ochtendgloren] zo aanbreekt en hij (zoals Zuhair aangeeft) wees met zijn wijs- en middelvinger boven elkaar, om ze vervolgens te spreiden naar rechts en links **.

Hoofdstuk: Tussen elke twee gebedsoproepen [d.w.z. adhaan en iqaamah] is er een gebed
380. Overgeleverd van `Abdullaah Ibn Mughaffal Al-Muzani is dat de Boodschapper van AllahSallalahu 'alaihi wasalam drie keer heeft gezegd: "Tussen elke twee gebedsoproepen [d.w.z. adhaan en igaamah] is er een gebed voor wie dat wil." En in een andere overlevering: "Tussen elke twee gebedsoproepen [d.w.z. adhaan en igaamah] is er een gebed, tussen elke twee gebedsoproepen is er een gebed." De derde keer zei hij: "Voor wie dat wil [verrichten]."

* Met dit gehaar verwees de Profeet naar het zogenaamde leugenachtige' ochtendgloren, waarmee het verticale licht wordt bedoeld. Dit licht is onderdeel van de nacht en geeft dus niet met het aanbreken van het ochtendgloren aan. Bij dit licht mag men nog steeds zijn Sahoer nuttigen.. [Ontleend aan: 'Awn Al-Baari Lihalli Adillat il-Boekharie, deel 1, pagina 693] [Voetnoot van de vertaler]

** Met dit gebaar verwees de Profeet naar het zogenaamde 'ware' ochtendgloren, waar het horizontale licht wordt bedoeld. Dit licht komt op en spreidt zich rechts en links over de horizon. [Ontleend aan: 'Awn Al-Baari Lihalli Adillat il-Boekharie, deel 1, pagina 393 ] [Voernoot van de vertaler]

Hoofdstuk: Wie beweert dat tijdens reizen slechts n gebedsoproeper tot het gebed oproept
381. Overgeleverd van Maalik Tbn Al-Huwayrith is dat hij heeft gezegd: `Ik kwam bij de Profeet met een groepje mensen van mijn volk. Wij verbleven twintig nachten bij hem. Hij was barmhartig en aardig. Toen hij onze heimwee naar onze gezinnen zag, zei hij: "Keer terug en verblijf met hen. Onderwijs hen en verricht het gebed. Als het gebed aanbreekt, Laat iemand van jullie dan de gebedsoproep voor jullie doen. En laat de oudste van jullie voorgaan in het gebed".'

382. Overgeleverd van Maalik Ibn Al-Huwayrith is dat hij heeft gezegd: `Er kwamen twee mannen naar de Profeet die op reis wilden gaan. De Profeet zei: "Als jullie vertrekken, roep dan op tot het gebed en tot de igaamah. Laat vervolgens de oudste van jullie voorgaan in het gebed".

Hoofdstuk: De gebedsoproep en iqaamah voor de reiziger als het een groep betreft
383. Overgeleverd van 1bn 'Omar is dat de Boodschapper van AllahSallalahu 'alaihi wasalam gebedsoproeper opdroeg om op te roepen tot het gebed. Vervolgens zei hij erna: `Bid thuis.' Dit was ten tijde van koude of regenachtige nachten tijdens reizen.'

Hoofdstuk: Als men zegt dat zij het gebed hebben gemist
384. Overgeleverd van Abu Qataadah is dat hij heeft gezegd: `Terwijl wij eens gebed verrichtten met de Boodschapper van AllahSallalahu 'alaihi wasalam hoorde hij mannen lawaai maken. Hij zei na afloop van het gebed: "Wat is er met jullie aan de hand?" Zij antwoordden: 'Wij haasten ons naar het gebed.' Hij zei: "Doe dat niet. Als jullie naar het gebed komen, kom dan in rust [en kalmte]. Wat jullie halen [met de imaamj, bid dat dan en wat jullie hebben gemist, maak daarvoor jullie gebed af.

Hoofdstuk: Wanneer de mensen op staan voor het gebed als de iqaamah ervoor wordt gedaan
385. Overgeleverd van Abu Qataadah at de Boodschapper van AllahSallalahu 'alaihi wasalam heeft gezegd: "Als de iqaamah voor het gebed wordt gedaan, sta dan niet op [voor het gebed] totdat jullie mij zien."

Hoofdstuk: Als de imaam beziggehouden wordt na de iqaamah
386. Overgeleverd van Anas Ibn Maalik is dat hij heeft gezegd: `De oproep tot het beginnen van het gebed werd een keer gedaan, terwijl de Profeet aan het fluisteren was tegen een man aan de rand van de moskee. Hij stond pas op om het gebed te verrichten, nadat de mensen in slaap waren gevallen.'

Hoofdstuk: De verplichting van het gezamenlijke gebed
387. Overgeleverd van Abu Hurairah is dat de Boodschapper van AllahSallalahu 'alaihi wasalam heeft gezegd: "Bij Degene in Wiens Hand mijn ziel ligt, ik was van plan om de opdracht te geven tot her hakken van hout. Vervolgens zou ik de opdracht geven om de gebedsoproep te doen. Daarna zou ik een man hevelen om de mensen voor te gaan in het gebed. Vervolgens zou ik vertrekken naar mannen [die het gebed niet bijwonen] om hun huizen te verbranden. Bij Degene in Wiens hand mijn ziel ligt, als iemand van hen zou weten dat hij daar een vet (en vlezig] bot zou aantreffen of twee stukjes goed voetvlees, dan had hij het `ishaa-gebed zeker bijgewoond."

Hoofdstuk: De verdienste van het gezamenlijke gebed
388. Overgeleverd van lbn 'Omar is dat de Boodschapper van AllahSallalahu 'alaihi wasalam heeft gezegd: "Het gezamenlijke gebed is zevenentwintigmaal beter dan het individuele gebed."

Hoofdstuk: De verdienste van het gezamenlijke fadjr-gebed
389. Overgeleverd van Abu Hurairah is dat hij de Boodschapper van Allah heeft horen zeggen: "Het gezamenlijke gebed is vijfentwintigmaal beter dan het gebed dat iemand van jullie individueel verricht. De engelen van de nacht en de engelen van de dag komen bijeen tijdens het fadjr-gehed." Vervolgens zegt Abu Hurairah: `Lees als jullie willen [het volgende vers]: (Voorwaar de Qor'aan recitatie van het vroege ochtendgloren wordt bijgewoond) [Soerah Al-Israa' (17):79].

390. Overgeleverd van Abu Moesaa is dat de Profeet heeft gezegd: "De persoom met de meeste beloning voor het gebed is degene onder hen die het verst loopt. Degene die op het gebed wacht totdat hij het met de imaam verricht, ontvangt een grotere beloning dan degene die bidt en vervolgens gaat slapen."

Hoofdstuk: De verdienste van het vroeg vertrekken naar het dhuhr-gebed
391. Overgeleverd van Abu Hurairah is dat de Boodschapper van AllahSallalahu 'alaihi wasalam heeft gezegd: "Terwijl een man op een weg liep, trof hij een doornige tak aan op de weg. Hij verwijderde hem van de weg. Allah bedankte hem hiervoor en vergaf hem zijn zonden." Vervolgens zei hij: "Er zijn vijf [soorten] martelaren: wie overlijdt aan de pest, wie overlijdt aan buikziekte, wie overlijdt wegens verdrinking, wie overlijdt wegens instorting en de martelaar [die strijdt] op de weg van Allah." De rest van de overlevering is reeds gepasseerd [nr. 376]

Hoofdstuk: De beloning verwachten van het lopen naar de moskee
392. Overgeleverd van Anas Ibn Maalik is dat Banu Salamah wilden verhuizen om dichtbij de Profeet te wonen. De Boodschapper van AllahSallalahu 'alaihi wasalam keurde het echter af dat zij Al-Madienah leeg zouden laten lopen. Daarom zei hij: "Waarom rekenen jullie niet op de beloning van jullie voetstappen?"

Hoofdstuk: De verdienste van het gezamenlijke `ishaa-gebed
393. Overgeleverd van Abu Hurairah is dat de Boodschapper van AllahSallalahu 'alaihi wasalam heeft gezegd: "Er is geen zwaarder gebed voor de hypocrieten dan fadjr en `ishaa. Als zij zouden weten wat beide bevatten [aan beloning], dan zouden zij er zelfs kruipend naar toe komen.

Hoofdstuk: Wie in de moskee zit in afwachting van het gebed en de verdienste van moskeen
394. Overgeleverd van Abu Hurairah is dat de Profeet heeft gezegd: "Zeven worden door Allah beschaduwd door de schaduw van Zijn Troon op de dag dat er een schaduw zal zijn, behalve de schaduw van Zijn Troon: de rechtvaardige leider; een jongeman die opgegroeid is met de aanbidding van zijn Heer; een man wiens hart verbonden is aan de moskeen; twee mannen die van elkaar houden omwille van Allah: zij komen bij elkaar en aan uit elkaar omwille daarvan; een man die wordt uitgenodigd [verleid] door een vrouw met afkomst en schoonheid, maar zegd: `Ik vrees Allah:, een man die een aalmoes geeft en deze verbergt, waardoor zijn linkerhand niet weet wat zijn rechterhand uitgeeft; en een man die Allah in afzondering gedenkt, waardoor zijn ogen gaan stromen [met tranen]."

Hoofdstuk: De verdienste van wie naar de moskee gaat of ervan terugkeert
395. Overgeleverd van Abu Hurairah is dat de Profeet heeft gezegd: "Voor wie naar de moskee gaat en terugkeert, maakt Allah zijn vestigingsplaats klaar in het paradijs elke keer als hij gaat of terugkeert.

Hoofdstuk: Als de iqaamah voor het gebed is gedaan, is er geen ander gebed dan het verplichte gebed
396. Overgeleverd van `Abdullaah Ibn Maalik lbn Buhaynah is dat de Boodschapper van Allah een man twee rak`as zag bidden terwijl de iqaamah voor het gebed al was gedaan. Toen de Boodschapper van AllahSallalahu 'alaihi wasalam zijn gebed afrondde, gingen de mensen om hem heen zitten. De Boodschapper van AllahSallalahu 'alaihi wasalam zei tegen de man in kwestie: "Bid je het ochtendgebed in vier rak`as? Bid je het ochtendgebed in vier rak`as?"

Hoofdstuk: De grens waarbinnen de zieke het gezamenlijke gebed dient bij te wonen
397. Overgeleverd van `Aaichah is dat zij heeft gezegd: `Toen de Boodschapper van AllahSallalahu 'alaihi wasalam de ziekte kreeg waaraan hij overleed, brak eens de tijd van het gebed aan en de gebedsoproep werd gedaan. Hij zei toen: "Draag Abu Bakr op om de mensen voor te gaan in het gebed." Men zei tegen hem: `Abu Bakr is een treurige man. Als hij op uw plek gaat staan, zal hij niet in staat zijn om de mensen te leiden in het gebed.' Hij herhaalde zijn woorden en zij herhaalden hun woorden. Toen hij zijn woorden voor de derde keer herhaalde, zei hij: "jullie zijn net als de vrouwen die betrokken waren bij [het verhaal van] Yoesoef. Draag Abu Bakr op om de mensen voor te gaan in het gebed." Abu Bakr kwam naar buiten en verrichtte het gebed. De Profeet voelde zich wat fitter. Daarom ging hij steunend tussen twee mannen naar buiten. Het is alsof ik steeds kijk naar hoe hij zijn voeten sleepte van de pijn. Abu Bakr wilde toen naar achteren treden. De Profeet gebaarde echter naar hem om op zijn plek te blijven. Hij werd gebracht en ging naast hem [Abu Bakr] zitten. De Profeet bad, Abu Bakr volgde zijn gebed en de mensen volgden het gebed van Abu Bakr.' In een andere versie: `Hij zat links van Abu Bakr en Abu Bakr verrichtte het gebed staand.'

398. Overgeleverd van `Aaichah is dat zij heeft gezegd: `Toen de Profeet traag werd en zijn pijn verhevigde, vroeg hij zijn vrouwen toestemming om in mijn huis verpleegd te worden. Zij gaven hem toestemming.' De rest van de overlevering verder genoemd.

Hoofdstuk: Verricht de imaam het gebed met de aanwezigen en preekt hij op vrijdag ten tijde van regen?
399. Overgeleverd van Ibn `Abbaas is dat hij preekte op een modderige dag. Hij beval de gebedsoproeper toen hij aankwam bij `kom naar het gebed', om te zeggen: `Bid thuis'. Men keek elkaar aan alsof zij dit afkeurden. Hierop zei hij: `Het is alsof jullie dit afkeuren. Dit is echter gedaan door wie beter is dan ik, namelijk Profeet. Het [gebed] is verplicht, maar ik wilde jullie geen moeilijkheid brengen'.'

400. Overgeleverd van Anas Ibn Maalik is dat een man van de Ansaar zei: `Ik ben niet in staat om met u te bidden.' Hij was een zwaarlijvige man. Hij bereidde een maaltijd voor de Profeet en nodigde hem uit in zijn huis. Hij spreidde een rieten mat voor hem uit en hij besprenkelde de rand ervan. Hij verrichtte twee rak`as op de rieten mat.' Een man van Aal Djaaroed zei tegen Anas Ibn Maalik: `Verrichtte de Profeet het [vrijwillige] voormiddaggebed [ad-dohaa]?' Hij antwoordde: `1k heb hem dit gebed niet zien verrichten, behalve op die dag.'

Hoofdstuk: Als het eten is geserveerd en de oproep tot het gebed is gedaan
401. Overgeleverd van Anas Ibn Maalik is dat de Boodschapper van Allah heeft gezegd: "Als het avondeten wordt gebracht, begin daar dan mee voordat jullie het avondgebed verrichten en heb geen haast tijdens [het nuttigen van] jullie avondeten."

Hoofdstuk: Als men zijn gezin dient en de iqaamah wordt gedaan
402. Overgeleverd van `Aaichah is dat men haar vroeg: `Wat deed de Proeet thuis?' Zij antwoordde: Hij diende zijn gezin, maar zodra de tijd van het gebed aanbrak, vertrok hij naar het gebed.'

Hoofdstuk: Wie de mensen voorgaat in het gebed met de bedoeling om hun het gebed van de Profeet en zijn zijn Soennah te onderwijzen
403. Overgeleverd van Maalik Ibn Al-Huwarith is dat hij heeft gezegd: `Ik ga jullie voor in het gebed, maar mijn intentie is niet het gebed. lk verricht echter het gebed zoals ik het de Profeet heb zien bidden.'

Hoofdstuk: De mensen van kennis en vendienste komen als eerst in aanmerking om inraam te zijn
404. Overgeleverd van Aaichah is eerder genoemde overlevering [nummer 397]: "Draag Abu Bakr op om de mensen voor te gaan in het gebed." In deze versie heeft ze gezegd: `Als Abu Bakr op uw plek gaat staan, zullen de mensen niet kunnen horen vanwege zijn gehuil. Draag daarom 'Omar op om de mensen voor te gaan in het gebed.' `Aaichah heeft gezegd dat ze ook Hafsah vroeg om tegen hem te zeggen dat als Abu Bakr op uw plek gaat staan, zullen de mensen hem niet zullen horen vanwege zijn gehuil. Draag daarom 'Omar op om de mensen voor te gaan in het gebed. Hafsah deed dit. De Boodschapper van Allah zei toen: "Hou op! Jullie zijn waarlijk net als de vrouwen die betrokken waren bij [het verhaal van] Yoesoef. Draag Abu Bakr op om de mensen voor te gaan in het gebed." Hafsah zei toen tegen `Aaichah: 'Ik heb nooit iets goeds met jou meegemaakt'.'

405. Overgeleverd van Anas is dat Abu Bakr hen voorging in het gebed ten tijde van de ziekte van de Profeet waaraan hij overleed. Toen zij op een maandag in rijen in gebed waren, opende de Profeet het gordijn van zijn huis. Hij keek staand naar ons. Zijn gezicht was als een bladzijde van de Qor'aan, terwijl hij glimlachte. Wij waren zo verheugd de Profeet te zien, dat wij bijna in beproeving geraakten. Abu Bakr stapte achteruit om in de rij te gaan staan, omdat hij dacht dat de Profeet naar buiten kwam voor het gebed. De Profeet gebaarde echter naar ons dat we ons gebed moesten afmaken en hij liet het gordijn zakken. Op deze dag overleed hij.

Hoofdstuk: Als iemand de mensen is voorgegaan in het gebed en de gewoonlijke imaam binnenkomt
406. Overgeleverd van Sahl Ibn Sa`d As-Saa'idie is dat de Boodschapper van AllahSallalahu 'alaihi wasalam naar Banu `Amr lbn `Awf ging om hen te verzoenen. Toen de gebeddstijd aanbrak, kwam de gebedsoproeper naar Abu Bakr en zei tegen hem: `Ga jij de mensen voor in het gebed, dan zal ik de iqaamah doen?' Hij antwoordde: 'Ja.' Abu Bakr verrichtte het gebed. De Boodschapper van AllahSallalahu 'alaihi wasalam kwam aan terwijl mensen in gebed waren. Hij liep door de mensen heen totdat hij in de [eerste] rij stond. De mensen begonnen in hun te klappen. Abu Bakr keek gewoonlijk niet om tijdens zijn gebed. De mensen gingen echter net zo lang door met klappen totdat hij omkeek. Hij zag toen de Boodschapper van AllahSallalahu 'alaihi wasalam. De Boodschapper van AllahSallalahu 'alaihi wasalam gebaarde naar hem dat hij op zijn plek moest blijven. Abu Bakr hief zijn handen op en loofde Allah voor datgene wat de Boodschapper van AllahSallalahu 'alaihi wasalam hem opdroeg. Vervolgens ging Abu Bakr achteruit totdat hij in de rij stond. De Boodschapper van AllahSallalahu 'alaihi wasalam ging naar voren en verrichtte het gebed. Toen hij klaar was, zei hij: "0 Abu Bakr, waarom bleef je niet op je plek toen ik je opdroeg?" Abu Bakr antwoordde: Het is niet aan de zoon van Abu Quhaafah [d.w.z. Abu Bakr] om vr de Boodschapper van AllahSallalahu 'alaihi wasalam te bidden.' Vervolgens zei de Boodschapper van AllahSallalahu 'alaihi wasalam "Waarom klapten jullie zoveel? Als iemand door iets wordt getroffen tijdens zijn gebed, laat hij dan tasbieh [subhaan Allah] uitspreken. Als hij tasbieh uitspreekt, wordt er naar hem omgekeken. Het klappen is namelijk voor de vrouwen".

Hoofdstuk: De imaam is aangesteld om gevolgd te worden
407. Overgeleverd van `Aaichah is dat zij heeft gezegd: `Toen de Profeet traag werd, vroeg hij : "Hebben de mensen al gebeden?" Wij antwoordden: 'Nee, zij wachten op u.' Hij zei: "Vul voor mij de wastobbe met water." Wij deden dat en hij waste zich. Toen hij wilde opstaan, raakte hij bewusteloos. Toen hij ontwaakte, vroeg hij: "Hebben de mensen al gebeden?" Wij antwoordden: `Nee, zij wachten op u, o Boodschapper van AllahSallalahu 'alaihi wasalam.' Hij zei: "Vul voor mij de wastobbe met water." Hij ging zitten en waste zich. Toen hij wilde opstaan, raakte hij bewusteloos. Toen hij ontwaakte, vroeg hij: "Hebben de mensen al gebeden?" Wij antwoordden: `Nee, zij wachten op u, o Boodschapper van AllahSallalahu 'alaihi wasalam.' Hij zei: "Vul voor mij de wastobbe met water." Hij ging zitten en waste zich. Toen hij wilde opstaan, raakte hij bewusteloos. 'Toen hij ontwaakte, vroeg hij: "Hebben de mensen al gebeden?" Wij antwoordden: `Nee, zij wachten op u, o Boodschapper van Allah.' Zij zei: 'De mensen bleven in de moskee, terwijl zij wachtten op de Boodschapper van AllahSallalahu 'alaihi wasalam om het late avondgebed te verrichten.' Zij zei: `Daarna zond de Profeet naar Abu Bakr om de mensen voor te gaan in het gebed. De gezant ging naar hem toe en zei tegen hem: `De Boodschapper van Allah draagt je op om de mensen voor te gaan in het gebed.' Abu Bakr, die een fijngevoelige man was, zei: `O 'Omar, ga jij de mensen voor in het gebed.' `Omar antwoordde: `Jij bent daar meer gerechtigd toe.' Daarom ging tijdens die dagen Abu Bakr hen voor in het gebed.'

408. Overgeleverd van `Aaichah is de eerder genoemde overlevering dat de Profeet wegens ziekte het gebed thuis verrichtte. ln deze versie zegt hij: "Als hij de imaami zittend bidt, bid dan ook zittend.

Hoofdstuk: Wanneer knielt de volger van de imaam?
409. Overgeleverd van Al-Baraa' Ibn Aazib is dat als de Boodschapper van AllahSallalahu 'alaihi wasalam zei: "Allah hoort wie Hem looft," boog niemand van ons zijn rug totdat de Profeet neerknielde. Wij knielden dan na hem neer.

Hoofdstuk: De zonde van wie zijn hoofd opheft vr de imaam
410. Overgeleverd van Abu Hurairah is dat de Profeet heeft gezegd: "Vreest niemand van jullie als hij zijn hoofd vr de imaam opheft dat Allah zijn hoofd verandert in de kop van een ezel of dat Allah zijn gedaante verandert in de gedaante van een ezel?"

Hoofdstuk: De slaaf, vrijgelaten slaaf of jonge, onvolwassen knaap als imaam
411. Overgeleverd van Anas lbn Maalik is dat de Profeet heeft gezegd: "Luister en gehoorzaam. Ook al wordt een Ethiopir met een hoofd als een rozijn als jullie leider aangesteld."

Hoofdstuk: Als het gebed van de imaam onvolledig en dat van de volgers volledig is
412. Overgeleverd van Abu Hurairah is dat de Boodschapper van AllahSallalahu 'alaihi wasalam heeft gezegd: "Zij [de imaams] bidden omwille van jullie. Als zij dit correct doen, dan komt ze [de beloning] zowel jullie als hun toe. Als zij dit fout doen, dan komt ze [de beloning] jullie toe en is dat [de bestraffing] tegen hen."

Hoofdstuk: Men staat rechts van de imaam, parallel aan hem als zij met zijn tween zijn
413. Overgeleverd van Ibn `Abbaas is de overlevering van zijn overnachting bij zijn tante van moederskant, die eerder is vermeld [nummer 97]. In deze versie zegt hij: `Hierop sliep hij totdat hij snurkte. Hij snurkte gewoonlijk als hij sliep. Vervolgens kwam de gebedsoproeper naar hem toe. Hierop ging hij naar buiten en verrichtte het gebed, zonder wudoe' te verrichten.'

Hoofdstuk: Als de imaam het [gebed] lang maakt en een persoon wegens een behoefte uit dit gebed stapt en [individueel] bidt
414. Overgeleverd van Djaabir Ibn `Abdillaah is dat Mu`aadh Ibn Djabal gewoonlijk met de Profeet bad om volgens terug te keren en zijn mensen te leiden in het gebed. Op een nacht bad hij het `ishaa-gebed en reciteerde Soerah Al-Bagarah. Een man ging daarom weg. Het was alsof Mu`aadh slecht over hem sprak. Toen dit bericht hij de Profeet kwam zei hij: "Hij [Mu`aadh is een persoon die beroering veroorzaakt, hij is een persoon die beroering veroorzaakt, hij persoon die beroering veroorzaakt." Drieaal, of hij zei iets soortgelijks. Hij hem beval om twee soerahs van gemiddelde lengte uit Al-Mufassal [van soerah 50 tot en met 114] te reciteren.'

Hoofdstuk: De imaam verlicht tijdens de staande positie en vervolmaakt het buigen en knielen
415. Overgeleverd van Abu Mas'oed is dat een man eens zei: `O Boodschapper van AllahSallalahu 'alaihi wasalam, bij Allah, ik blijf weg van het ochtendgebed vanwege die en die, omdat hij het [gebed] verlengt.' Ik heb de Profeet tijdens een vermaningstoespraak nooit bozer gezien dan zijn boosheid op die dag. Hij zei: "Onder jullie bevinden zich mensen die anderen afstoten. Laat eenieder van jullie die de mensen voorgaat, het [gebed] kort houden. Achter hem bevinden zich namelijk zwakkeren, ouderen en mensen met behoeften."

416. Overgeleverd van Djaabir is de overlevering van Mu'aadh en dat de Profeet tegen hem zei: "Waarom reciteer je niet `Sabbih isma rabbikkal a`laa [Soerah 87]' Wash-shamsi wa dhuhaahaa [Soerah 91]', Wal-layli idhaa yaghshaa [Soerah 92]'?"

Hoofdstuk: Het gebed kort doch compleet verrichten
417. Overgeleverd van Anas Ibn Maalik is dat hij heeft gezegd: De Profeet verrichtte het gebed kort en volmaakt.'

Hoofdstuk: Wie het gebed verlicht bij het huilen van een kind
418. Overgeleverd van Abu Qataadah is dat de Profeet heeft gezegd: "Soms sta ik in het gebed met de intentie om het lang te maken. Ik hoor dan het gehuil van een kind en verkort mijn gebed, omdat ik het niet moeilijk wil maken voor zijn moeder."

Hoofdstuk: Het rechtlijnig maken van de rijen bij de iqaamah
419. Overgeleverd van An-Nu`maan Ibn Bashier is dat de Profeet heeft gezegd: "Of jullie maken jullie rijen rechtlijnig, of Allah zal jullie gezichten veranderen."

Hoofdstuk: Dat de imaam zich tot de mensen wendt bij het rechtlijnig maken van de rijen
420. Overgeleverd van Anas Ibn Maalik is dat de Profeet heeft gezegd: "Maak jullie een recht en sta dicht tegen elkaar aan. Ik zie jullie namelijk achter mijn rug."

Hoofdstuk: Als zich tussen de imaam en de mensen een muur of gordijn bevindt
421. Overgeleverd van `Aaichah is dat de Boodschapper van AllahSallalahu 'alaihi wasalam tijdens de nacht het gebed in zijn kamer verrichtte. Omdat de muur van de kamer laag was, konden de mensen de persoon van de Profeet zien. De mensen stonden op en volgden hem in zijn gebed. In de ochtend spraken de mensen hierover. Tijdens de tweede nacht verrichtte hij wederom de nachtgebeden. Er stonden weer mensen op die hem volgden in zijn gebed. Dit deden zij gedurende twee of drie nachten. Daarna bleef de Boodschapper van AllahSallalahu 'alaihi wasalam zitten en ging niet meer naar buiten. In de ochtend spraken de mensen hierover. Hij zei toen: "Ik vreesde dat het gebed tijdens de nacht verplicht gesteld zou worden voor jullie."

Hoofdstuk: Het nachtgebed
422. In de overlevering van de versie van Zayd Ibn Thaabit is het dat hij zei: "Ik heb begrepen wat ik heb gezien van jullie. Bid daarom - o mensen - in jullie huizen. Het beste gebed is immers het gebed van een persoon in zijn huis, behalve het verplichte [gebed]."

11. Het boek van de hoofdstukken aangaande de beschrijving van het gebed

Top I

Hoofdstuk: Het opheffen van de handen bij de eerste takbier tezamen met het beginnen [van het gebed]423. Overgeleverd van 'Abdullaah Ibn Omar is dat de Boodschapper van AllahSallalahu 'alaihi wasalam de gewoonte had om zijn beide handen op te heffen ter hoogte van zijn schouders als hij het gebed begon, als hij de takbier uitsprak voor de buiging. En als hij zijn hoofd ophief uit de buigstand hief hij ze ook op en zei: "Sami' Allahu liman hamidah [Allah hoort wie Hem looft]." Hij deed dit overigens niet tijdens knieling.

Hoofdstuk: Het plaatsen van de rechterhand op de linkerhand
24. Overgeleverd van Sahl Ibn Sa`d is dat hij heeft gezegd: `De mensen werden bevolen dat men zijn rechterhand op zijn linkerarm plaatst tijdens het gebed.'

Hoofdstuk: Wat men zegt na de [openings] takbier
425. Overgeleverd van Anas Ibn Maalik dat de Profeet, Abu Bakr en 'Omar het gebed begonnen met: (Alle lof komt toe aan Allah, De Heer der werelden) [Soerah Al-Faatihah (1):2].

426. Overgeleverd van Abu Hurairah is dat de Boodschapper van AllahSallalahu 'alaihi wasalam kort stil was tussen de [openings] takbier en de recitatie. Ik vroeg hem: `O Boodschapper van AllahSallalahu 'alaihi wasalam, ik verlos u met mijn vader en moeder. Wat zegt u tijdens uw stilte tussen de [openings] hakbier en de recitatie?' Hij antwoordde: "Ik zeg: `O Allah, verwijder tussen mij en mijn zonden net zoals U verwijderd hebt tussen het oosten en het westen. O Allah, reinig mij van zonden net zoals het witte kleed gereinigd wordt van viezigheid. 0 Allah, was mijn zonden met water, sneeuw en hagel'."

Hoofdstuk:
427. Overgeleverd van Asmaa Bint Abi Bakr is de eerder genoemde overlevering van de zonsverduistering. ln deze versie zegt zij dat hij heeft gezegd: "Het paradijs is zodanig naar mij genaderd dat ik - als ik had gedurfd - er vruchten van voor jullie had kunnen plukken. Het vuur is eveneens naar mij genaderd, totdat ik zei: "O mijn Heer, zal ik tot hen behoren?" Op een gegeven moment zag ik een vrouw die werd gekrabd door een poes. Ik vroeg: "Wat is er met haar aan de hand?" Men antwoordde: `Zij heeft haar gevangen gehouden, totdat zij dood is gegaan van de honger. Zij heeft haar niet gevoerd en ook niet losgelaten om te eten van de insecten op aarde".'

Hoofdstuk: Een blik werpen op de imaam tijdens het gebed
428. Overgeleverd van Khabbaab is dat men hem vroeg: `Reciteerde de Boodschapper van AllahSallalahu 'alaihi wasalam tijdens het dhuhr- `ast-gebed?' Hij antwoordde: Ja.' Men vroeg: `Hoe wisten jullie dat?' Hij antwoordde: `Door het bewegen van zijn baard.'

Hoofdstuk: Omhoog kijken naar de hemel tijdens het gebed
429. Overgeleverd van Anas Ibn Manlik is dat de Profeet heeft gezegd: "Waarom kijken mensen omhoog naar de hemel tijdens het gebed?" Zijn woorden werden streng wat dat betreft, totdat hij zei: "Zij moeten daarmee ophouden of hun zicht worden weggerukt."

Hoofdstuk: Om zich heen kijken tijdens het gebed
430. Overgeleverd van `Aaichah is dat zij de Boodschapper van AllahSallalahu 'alaihi wasalam heeft gevraagd over een persoon die om heen kijkt tijdens het gebed. Hij antwoordde: "Dat is diefstal van de duivel [satan] omdat hij steelt uit het gebed van de dienaar."

Hoofdstuk: De recitatie is verplicht voor zowel de imaam als de volgers tijdens alle gebeden
431 Overgeleverd van Djaabir Ibn Samurah is dat hij heeft gezegd: `De mensen van Kufa deden hun beklag over Sa'd bij 'Omar, die hem daarom ontsloeg. Hij stelde toen Ammaar als hun leider aan. Hun beklag ging zover dat ze vertelden dat hij het gebed niet naar behoren verrichtte. Daarom stuurde hij iemand naar hem en zei tegen hem: `O Abu Ishaaq [= Sa`d], zij beweren dat je het gebed niet naar behoren verricht.' Abu Ishaaq antwoordde: `Bij Allah, ik verrichtte voor hen hetzelfde gebed als dat van de Boodschapper van Allah, zonder er ook maar iets van weg te laten. Als ik het ishaa-gebed verrichtte, verlengde ik de eerste twee [rak`as] en verlichtte de laatste twee.' Hij zei: `Dat is ook hoe ik over jou denk, o Abu Ishaaq.' Hij zond daarom n of meerdere mannen met hem mee naar Kufa en vroeg de mensen van Kufa over hem. Hij verliet geen enkele moskee zonder over hem te vragen. Men sprak vol lof over hem, totdat hij een moskee van Banu Abs binnenging. Een man onder hen stond op. Zijn naam was Usaamah Ibn Qataadah en zijn roepnaam was Abu Sa`dah. Hij zei: Aangezien je ons bezweert: Sa'd liep niet mee met het leger, hij verdeelde niet eerlijk en hij oordeelde niet rechtvaardig.' Hierop zei Sa`d: 'Bij Allah, ik doe drie aanroepingen: O Allah, als deze dienaar van U een leugenaar is en is opgestaan voor vertoning en roem, verleng dan zijn leven, verleng zijn armoede en stel hem bloot aan beproevingen,' Als hij hierna gevraagd werd, zei hij: lk ben een beproefde, oude man, die getroffen is door de aanroeping van Sa`d'.' Je overleveraar vertelt dat Djaabir heeft zezegd: `Ik heb hem daarna gezien. Hij was zo oud dat de haren van zijn wenkbrauwen over zijn ogen vielen. Hij hield meisjes op de weg staande en kneep hen.'

432. Overgeleverd van `Ubaadah lbn As'aamit is dat de Boodschapper van AllahSallalahu 'alaihi wasalam heeft gezegd: "Wie de openingssoerah van het Boek niet reciteert, heeft geen gebed."

433. Overgeleverd van Abu Hurairah is dat de Boodschapper van AllahSallalahu 'alaihi wasalam de moskee binnenkwam toen een man binenkwam en het gebed verrichtte. Hij groette de Boodschapper van AllahSallalahu 'alaihi wasalam. De Boodschapper van AllahSallalahu 'alaihi wasalam groette hem terug en zei: "Keer terug en bid, want je hebt niet gebeden." De man keerde terug en verrichtte hetzelfde gebed als hij had gebeden. Vervolgens kwam hij naar de Profeet toe en groette hem. De Boodschapper van AllahSallalahu 'alaihi wasalam antwoordde: 'Keer terug en bid, want je hebt niet gebeiden." Dit herhaalde zich drie keer. Hierna zei de man: `Bij Degene Die u met de waarheid heeft gezonden, ik kan het niet beter [verrichten] dan dit. Leert u het mij. Hij zei: "Als je opstaat voor het gebed, zeg dan de takbier. Reciteer vervolgens wat voor jou mogelijk [en gemakkelijk] is aan Qor'aan. Buig daarna, totdat je in rust buigt. Hef jezelf vervolgens op totdat je rechtop staat. Kniel daarna, totdat je in rust knielt. Hef jezelf vervolgens op, totdat je in rust zit. Verricht dit vervolgens in je gehele gebed".'

Hoofdstuk: De recitatie tijdens het dhuhr-gebed
434. Overgeleverd van Abu Qataadah is dat hij heeft gezegd: `De Profeet : reciteerde in de eerste twee rak`as van het dhuhr-gebed Soerah Al-Faatihah en twee [andere] Socrahs. Hij verlengde de eerste [rak`ahj en verkortte de tweede. Soms liet hij ons een vers horen. Hij reciteerde in het `asr-gebed Soerah Al-Faatihah en twee [andere] soerahs. Hij verlengde de eerste [rak`ah] en verkortte de tweede. Hij verlengde de eerste rak`ah van het ochtendgebed en verkortte de tweede.'

Hoofdstuk: De recitatie tijdens het maghreb-gebed
435. Overgeleverd van Ibn `Abbaas is dat hij heeft gezegd dat Umm Al-Fadhl hem Soerah Al-Mursalaat hoorde reciteren en tegen hem zei: `O mijn zoon, door te reciteren heb je me herinnerd aan deze soerah. Het is namelijk het laatste dat ik de Boodschapper van AllahSallalahu 'alaihi wasalam heb horen reciteren in het maghreb-gebed.

436. Overgeleverd van Zayd Ibn Thaabit is dat hij heeft gezegd: `Ik heb de Profeet tijdens her maghreb-gebed de langste van de twee langste soerahs horen reciteren [Al-Maa'idah en A1-A`raaf, of Al-A`raaf en Al-An`aam].'

Hoofdstuk: Hardop reciteren tijdens het maghreb-gebed
437. Overgeleverd van Djubair Ibn Mu`tim is dat hij heeft gezegd: `Ik heb de Boodschapper van AllahSallalahu 'alaihi wasalam tijdens het maghreb-gebed Soerah At-Toer horen reciteren.'

Hoofdstuk: Tijdens het `ishaa-gebed met een sadjdah [vers gevolgd door knieling] reciteren
438. Overgeleverd van Abu Hurairah is dat hij heeft gezegd: `Ik heb achter Abul-Qaasim het gebed van de duisternis [`ishaa] verricht. Hij reciteerde daarin: (Wanneer de hemel uiteenbarst...) [84] en vervolgens knielde hij. Daarom zal ik erom blijven knielen, totdat ik hem ontmoet [in het hiernarnaals].'

Hoofdstuk: De recitatie tijdens het `ishaa-gebed
439. Overgeleverd van Al-Baraa' Ibn 'Aazib is dat de Profeet eens op reis was. Hij reciteerde toen in n van de twee rak`as Soerah At-Tien. En in een andere versie zegt hij: `Ik heb nooit iemand gehoord met een mooiere stem of recitatie dan hij.'

Hoofdstuk: De recitatie tijdens het fadjr-gebed
440. Overgeleverd van Abu Hurairah is dat hij heeft gezegd: `Tijdens elk gebed wordt gereciteerd. Wat de Boodschapper van AllahSallalahu 'alaihi wasalam ons heeft laten horen, laten wij jullie ook horen. En wat hij niet heeft laten horen, laten wij jullie ook niet horen. Als je niets toevoegt aan Umm Ul-gor'aan [Soerah Al-Faatihah], dan is zij afdoende. Als je wel iets toevoegt, is dat goed.'

Hoofdstuk: Hardop reciteren tijdens het fadjr-gebed
441. Overgeleverd van `Ubaydullaah Ihn `Abbaas is dat hij heeft gezegd: `De Profeet vertrok met een aantal van zijn metgezellen met als bestemming de markt van `Ukkaadh. De duivels [satans] waren afgeschermd van het nieuws uit de hemel en er werden meteoren op hen afgevuurd. Daarom keerden de duivels terug naar hun volk, dat vroeg: Wat is er met jullie aan de hand?' Zij antwoordden: `Wij zijn afgeschermd van het nieuws uit de hemel en er zijn meteoren op ons afgevuurd.' Het volk zei: `Er moet iets gebeurd zijn waardoor jullie afgeschermd zijn van het nieuws uit de hemel. Reis daarom oostwaarts en westwaarts en ga op zoek naar datgene wat jullie afgeschermd heeft van het nieuws uit de hemel.' Degenen onder hen die vertrokken naar Tihaamah, gingen richting de Profeet, die zich [op een plek] in Nakhlah bevond. Hun bestemming was de markt van `Ukkaadh. Hij verrichtte het ochtendgebed met zijn metgezellen. Toen zij de Qor'aan hoorden, luisterden zij ernaar en zeiden: Allah, dit is wat ons heeft afgeschermd van het nieuws uit de hemel.' Daarom keerden zij terug naar hun volk en zeiden: O volk van ons (Voorwaar, wij hebben een wonderbaarlijke recitatie gehoord, die leidt naar het Rechte Pad. Wij geloven erin en zullen nooit een deelgenoot [in de aanbidding] toeschrijven aan onze Heer) [Soerah Al-Djinn (72):2,3].' Hierop zond Allah op Zijn Profeet neer: (Zeg [0 Mohammad]: `Er is aan mij geopenbaard dat een groep van de Djinn luisterde...) [Soerah Al-Djinn (72)]. Dus de woorden van de Djinn zijn aan hem geopenbaard.'

442. Overgeleverd van lbn `Abbaasi is dat hij heeft gezegd: `De Profeet heeft [hardop] gereciteerd waar hem dat gedragen is en hij heeft gezwegen [stil gereciteerd] waar hem dat opgedragen is. (En jouw Heer is nooit vergeetachtig) Soerah Maryam (19):64]. (Voorzeker, in de Boodschapper van AllahSallalahu 'alaihi wasalam [Mohammad] hebben jullie een goed voorbeeld) [Soerah Al-Ahzaab (33):21].

Hoofdstuk: Het combineren van twee soerahs in een rak'ah, het reciteren van de afsluitende verzen [van bepaalde soerahs], het reciteren van soerahs zonder de onderlinge volgorde aan te houden en het reciteren van het begin van een soerah
443. Overgeleverd van Ibn Mas`oed is dat een man bij hem kwam die tegen hem zei: `Ik heb afgelopen nacht [alle soerahs van] Al-Mufassal [van soerah 50 tot en met 114] gereciteerd in n rak`ah.' Hij zei: Dat is net als het vluchtig oplezen van pozie! Ik herinner mij de gecombineerde soerahs die de Profeet reciteerde en hij noemde twintig soerahs uit Al-Mufassal. Twee soerahs tijdens elke rak'ah.'

Hoofdstuk: Tijdens de laatste twee rak'as reciteert men Soerah Al-Faatihah
444. Overgeleverd van Abu Qataadah is dat de Profeet in de eerste twee rak'as van het dhuhr-gebed Umm U1-qor`aan [Soerah Al-Faatihah] en twee [andere] Soerahs reciteerde. En in de laatste twee rak`as reciteerde hij Umtn Umm-qor'aan [Soerah Al-Faatihah]. Soms liet hij ons een vers horen. Hij maakte de eerste [rak`ah] langer dan de tweede. Hetzelfde deed hij in het `asr- en het ochtendgebed.

Hoofdstuk: De imaam zegt hardop Aamien
445. Overgeleverd van Abu Hurairah is dat de Profeet heeft gezegd: "Als de imaam `Aamien' zegt, zeg dan `Aamien'. Wiens Aa'mien namelijk overeenkomt met a'mien van de engelen, zullen al zijn voorgaande zonden worden vergeven."

Hoofdstuk: De verdienste van het zeggen van Aamien
446. Overgeleverd van Abu Hurairah is dat de Boodschapper van AllahSallalahu 'alaihi wasalam heeft gezegd: `Jullie zeggen `Aamien' en de en engelen in de hemel zeggen `Aamien'. Als de ene [Aa'mien] met de andere overeenkomt de Aa'mien van de engelen, zullen al zijn voorgaande zonden worden vergeven.

Hoofdstuk: Als men buigt achter de rij
447. Overgeleverd van Abu Bakrah is dat hij bij de Profeet aankwam, terwijl hij zich in buigstand [ruku`] bevond. Daarom boog hij ook voordat hij in de rij stond. Toen hij dat aan de Profeet vertelde zei hij: "Moge Allah je gretigheid meerderen, maar doe het niet meer."

Hoofstuk: De uitspraak van de takbier completeren tijdens de buiging
448. Overgeleverd van `Imraan Ibn Husain is dat hij het gebed verrichtte met Ali in Al-Basrah en zei: `Deze man ons herinnerd aan het gebed dat wij verrichtten met de Boodschapper van AllahSallalahu 'alaihi wasalam. En hij vertelde dat hij elke keer dat hij zich ophief of neerboog de takhier uitsprak.

Hoofdstuk Het uitspreken van de takbier als men zich opheft uit de knieling
449. Overgeleverd van Abu Hurairah is dat hij heeft gezegd: `Als de Boodschapper van AllahSallalahu 'alaihi wasalam opstond voor het gebed had hij de gewoonte om de takbier uit te spreken bij het opstaan. Vervolgens sprak hij de takbier uit als hij de buiging verrichtte. Daarna zei hij: "Sami' Allahu liman hamidah [Allah hoort wie Hem looft]," als hij zijn ruggengraat ophief uit de buigstand en hij zei dan terwijl hij stond: "Rabbanaa walak alhamd [O onze Heer, aan U komt alle lof toe]." Vervolgens sprak hij de takbier uit als hij zich neerwierp voor de knieling. Daarna sprak hij de takhier uit als hij zijn hoofd ophief. Vervolgens sprak hij de takhier uit als hij knielde. Daarna sprak hij de takhier uit als hij zijn hoofd ophief. Hij verrichtte dit alles vervolgens in zijn [gehele] gebed totdat hij het completeerde. Hij sprak de takhier gewoonlijk ook uit bij het opstaan van de tweede rak`ah na het zitten [voor de tashahhud].'

Hoofdstuk: Het plaatsen van de handpalmen op de knien tijdens de buiging
450. Overgeleverd van Sa`d Ibn Abi Waqqaas is dat zijn zoon Mos`ab naast hem bad. Hij heeft gezegd: `Ik verweefde mijn vingers en plaatste mijn handen tussen mijn dijen. Mijn vader verbood mij om dat te doen en zei: Wij deden dit ook, maat het werd ons verboden en wij werden bevolen om onze palmen op onze knien te plaatsen'.'

Hoofdstuk: Een rechte rug tijdens de buiging
451. Overgeleverd van Al-Baraa' is dat hij heeft gezegd: `De buiging van de Profeet, zijn knieling, zijn zit tussen de twee knielingen, en het opheffen van zijn hoofd na de buiging, waren allemaal - behalve het staan en het zitten - ongeveer gelijk aan elkaar.'

Hoofdstuk: Aanroeping tijdens de buiging
452. Overgeleverd van `Aaichah is dat zij heeft gezegd: `De Profeet zei tijdens zijn buiging en zijn knieling "Verheerlijkt bent U, 0 Allah, Onze Heer en door U te loven, O Allah, vergeeft U mij.

453. Overgeleverd van haar in een andere versie is: `Hiermee paste hij de Qor'aan toe.

Hoofdstuk: De verdienste van de uit spraak: `O Allah, onze Heer, aan U aan komt alle lof toe'
454. Overgeleverd van Abu Hurairah is de Boodschapper van AllahSallalahu 'alaihi wasalam heeft gezegd: "Als de inmaam 'Sami' Allahu liman hamidah [Allah hoort wie Hem looft] zegt, zeggen jullie dan `Allahumma rabanaa lak alhamd [0 Allah, onze Heer, aan U komt alle lof toe] Wiens uitspraak namelijk overeenkomt met de uitspraak van de engelen, zullen al zijn voorgaande zonden worden vergeven."
455. Overgeleverd van Abu Hurairah is dat hij heeft gezegd: Ik zal een gebed lijkend op dat van de Profeet verrichten.' Abu Hurairah reciteerde qunoet tijdens de laatste rak`ah van het dhuhr-, `ishaa- en fadjr-gebed, nadat hij `Sami` Allahu liman hamidah [Allah hoort wie Hem looft]' had gezegd. Hierin verrichtte hij aanroeping voor de gelovigen en vervloekte hij de ongelovigen.'
456. Overgeleverd van Anas is dat hij heeft gezegd: `De qunoet werd gereciteerd tijdens het maghreb- en het fadjr-gebed.'

457. Overgeleverd van Rifaa`ah Ibn Raafi` Az-Zuraqiy is dat hij heeft gezegd: 'Wij verrichtten eens het gebed achter de Profeet. Toen hij zijn hoofd ophief uit de buiging, zei hij: "Sami` Allahu liman hamidah [Allah hoort wie Hem looft]." Een man achter hem zei toen: `Rabbanaa walak Al-Hamdu, Hamdan kathieran, tayyiban, mubaarakan fieh. [0 onze Heer, aan U komt alle lof toe; veel lof, die goed en gezegend is].' Toen de Boodschapper van AllahSallalahu 'alaihi wasalam klaar was met zijn gebed, zei hij: "Wie van jullie heeft die woorden uitgesproken?" Hij zei: `Ik.' zei toen: "Ik heb meer dan dertig engelen zich ernaar zien haasten om het als eerste op te schrijven.".

Hoofdstuk: In rust staan bij het opheffen van het hoofd na de buiging
458. Overgeleverd van Anas is dat hij ons het gebed van de profeet beschreef. Hij verrichtte daarom het gebed. Als hij zijn hoofd ophief uit de buigstand, stond hij [zo lang] rechtop, totdat men zou zeggen: `Hij is vergeten [om te knielen]

Hoofdstuk: Het uitspreken van de takbier bij het zich neerwerpen voor de knieling
459. Overgeleverd van Abu Hurairah is dat hij heeft gezegd: `Als de Boodschapper van AllahSallalahu 'alaihi wasalam zijn hoofd ophief, zei hij: Sami Allahu liman hamidah. Rabbanaa walak alhamd [Allah hoort wie Hem looft. 0 onze heer, U komt alle lof toe]." Hij verrichtte aanroeping voor mannen die hij bij naam noemde. Hij zei: "0 Allah, red Al-Walied Ibn Al-Walied, Salamah Ibn Hishaam, `Ayyaash Ibn Abi Rabie'ah en de zwakken onder de gelovigen. O AIlaab, verhevig de ellende van [de stam van] Mudhar en laat zijn [ellende] zijn als de droogte en hongersnood ten tijde van Yoesoef." De Oosterlingen van Mudhar waren toentertijd tegen hem.'

Hoofdstuk: De verdienste van de knieling
460. Overgeleverd van Abu Hurairah is dat de mensen vroegen: `O Boodschapper van AllahSallalahu 'alaihi wasalam, zullen wij onze Heer zien tijdens de Opstandingsdag?' Hij antwoordde: "Twijfelen jullie aan [het zien van] de maan in een nacht van volle maan als het onbewolkt is?" Zij zeiden: 'Nee, O Boodschapper van AllahSallalahu 'alaihi wasalam.' Hij zei: "Twijfelen jullie aan de zon als het onbewolkt is?" Zij zeiden: `Nee.' Hij zei: `jullie zullen Hem [Allah] op dezelfde wijze zien. De mensen zullen tijdens de Opstandingsdag worden verzameld en Hij zal zeggen: "Wie de gewoonte had om iets [of iemand] aan te bidden, moet dat nu volgen." Sommigen van hen zullen de zon volgen, anderen zullen de maan volgen en anderen de Tawaaghiet. Uiteindelijk blijft deze Ummah [natie] over met ertussen haar hypocrieten. Vervolgens komt Allah tot hen en zegt: `Ik hen jullie Heer." Zij zullen antwoorden: `U bent onze Heer.' Allah zal hen dan roepen en As-Siraat * zal worden gelegd over het midden van de hel.

Ik [zegt de Profeet] zal de eerste zijn van de boodschappers die met zijn natie oversteekt. Niemand zal op die dag spreken, behalve de boodschappers en zij zullen zeggen: `0 Allah, red ons, red ons.' In de hel bevinden zich haken net als de doorns van as-sa`daan [wetenschappelijke naam is: neurada procumbens]. Hebben jullie de doorns van as-sa`daan gezien?" Zij antwoordden: Ja.' Hij zei: "Zij zijn net als de doorns van as-sa`daan. Niemand weet echter hoe groot zij [de haken] zijn behalve Allah. Zij [de haken] rukken de mensen weg in overeenstemming met hun daden. Sommigen van hen worden vernietigd vanwege hun daden. Anderen worden [in stukken] gescheurd en ontsnappen uiteindelijk, totdat Allah de genade wenst voor wie Hij wil van de bewoners van het vuur. Hij beveelt de engelen dan om iedereen die Allah aanbad eruit te halen en zij zullen hen eruit halen. Zij [de engelen] herkennen hen aan de sporen van sudjuud [knieling]. Allah heeft het vuur namelijk verboden om de sporen van sudjuud op te eten. Daarom zullen zij het vuur verlaten. Het gehele menselijke lichaam wordt opgegeten door het vuur, behalve de sporen van sudjuud. Zij verlaten [tot op het bot] verbrand het vuur. Her Water vuur het Leven wordt over hen heen gegoten en zij zullen groeien zoals een zaadje groeit in d oever van een vloedgolf. Vervolgens rondt Allah rechtspraak tussen de dienaren af. Uiteindelijk blijft er n man over tussen paradijs en het vuur. Hij is de laatste bewoner van het vuur die her paradijs zal betreden.

Zijn gezicht zal richting het vuur gewend zijn en hij zal zeggen: `0 mijn Heer, wendt mijn gezicht af van het vuur. Zijn geur heeft mij vergiftigd en zijn vlammen hebben mij verbrand.' Hij [Allah] zal zeggen: "Zul je om iets anders vragen als jouw verzoek words ingewilligd?" Hij zal antwoorden: `Nee, bij Uw Glorie.' Hij zal Allah wat hij wil aan beloften en afspraken geven. Vervolgens zal Allah zijn gezicht afwenden van het vuur. Als hij dan met zijn gezicht richting het paradijs staat en zijn schoonheid ziet, zal hij zwijgen voor een periode die Allah wil. Vervolgens zal hij zeggen: `0 mijn Heer, laat U mij naar voren gaan tot de poort van het paradijs.' Allah zal dan tegen hem zeggen: "Heb je geen beloftes en afspraken gemaakt om niets anders te vragen dan je hebt gevraagd?" Hij zal antwoorden: `0 mijn Heer, laat U mij niet de meest ongelukkige van Uw dienaren zijn.' Hij Allah zal zeggen: "Als je dit krijgt, zul je dan om niets anders vragen?" Hij zal antwoorden: `Nee, bij Uw Glorie. Ik zal om niets anders vragen.' Hij zal zijn Heer wat hij wil aan beloften en afspraken geven. Vervolgens zal Hij hem dan tot de poort van het paradijs laten naderen. Als hij bij zijn poort komt, zal hij zijn pracht en praal zien en wat het bevat aan frisheid en vreugde. Hij zal dan zwijgen voor een periode die Allah wil. Vervolgens zal hij zeggen: `O mijn Heer, laat U mij het paradijs betreden.' Allah zal zeggen: "Wee jou! 0 zoon van Aadam, wat ben je toch een bedrieger! Heb je geen beloftes en afspraken gemaakt om niets anders vragen dan je hebt gekregen?"

Hij zal dan zeggen: O mijn Heer, maakt U mij niet tot de meest ongelukkige van Uw dienaren.' Allah ik zal om hem lachen en zal hem vervolgens toestaan om het paradijs te betreden. Hij zal tegen hem zeggen: Wens [wat je wilt]." Hij zal wensen totdat zijn wensen opraken. Allah zal dan tegen hem zeggen: "Wens meer van zus en zo." Zijn Heer zal hem hieraan herinneren. Als a1 zijn wensen op zijn geraakt, zal Allah zeggen: "Dit alles zal jou toekomen en het gelijke ervan eraan toegevoegd." Overgeleverd van Abu Sa`ied Al-Khudrie dat hij tegen Abu Hurairah heeft gezegd dat de Boodschapper van AllahSallalahu 'alaihi wasalam heeft gezegd: "Dit alles zal jou toekomen en het tienvoudige ervan eraan toegevoegd." Abu Hurairah zei: `Wat ik heb onthouden is dat de Boodschapper van AllahSallalahu 'alaihi wasalam heeft gezegd: ""Dit alles zal jou toekomen en het gelijke ervan eraan toegevoegd".'

* Siraat berekent oorspronkelijk een weg. Het wordt echter ook gebruikt voor de brug die wordt gelegd over de hel voor de mensen om over ie steken op de Dag van de Berechting. Het wordt omschreven als scherper dan een zwaard en dunner dan een haar.

Hoofdstuk: Knielen op zeven botten
461. Overgeleverd van Ibn `Abbaas is dat de Profeet heeft gezegd: "Ik ben bevolen om de knieling op zeven botten te verrichten: het voorhoofd (en hij wees met zijn hand naar zijn neus), beide handen, beide knieen en de uiteinden [tenen] van beide voeten. Bovendien voeg ik mijn kleding niet samen en mijn haar ook niet."

Hoofdstuk Een tijdje zitten tussen twee knielingen
462. Overgeleverd van Anas lbn Maalik is dat hij heeft gezegd: `Ik probeer niet tekort te schieten om jullie voor te gaan in het gebed net zoals ik de Profeet ons heb zien voorgaan in het gebed.' De rest van de overlevering is reeds eerder [nummer 458] genoemd.

Hoofdstuk: De onderarmen op de grond leggen tijden de knieling
463. Overgeleverd van Anas is dat de Profeet heeft gezegd: "Wees gematigd tijdens de knieling en laat iemand van jullie [daarin] zijn onderarmen niet uitstrekken [op de grond] zoals een bond dat doet."

Hoofdstuk: Wie rechtop gaat zitten in de oneven posities van zijn gebed en vervolgens opstaat
464. Overgeleverd van Maalik lbn Al-Huwayrith Al-laythie is dat hij de Profeet heeft zien bidden. Als hij zich in de oneven posities [rak`ahs] van zijn gebed bevond, stond hij pas op na rechtop te zijn gaan zitten.

Hoofdstuk: De takbier uitspreken bij het opstaan na twee knielingen
465. Overgeleverd van Abu Sa`ied Al-Khudrie is dat hij het gebed verrichtte en hardop de takbier uitsprak toen hij zijn hoofd ophief uit de knieling, toen hij knielde, toen hij zich ophief en toen hij opstond na twee rak`as. Hij zei: Zo heb ik de Profeet gezien.'

Hoofdstuk: Zitten tijdens de tashahhud volgens de soennah
466. Overgeleverd van `Abduliaah Ibn Omar is dat hij als hij tijdens het gebed zat hij in kleermakerszit zat. Hij zag zijn zoon hetzelfde doen en verbood hem dat. Hij zei tegen hem: `Het is de soennah in het gebed om je rechtervoet richtop te plaatsen en je linkervoet te buigen. Toen hij hem zei: `Maar jij doet het ook, antwoordde hij: `Mijn voeten kunnen mij niet meer dragen.'

467. Overgeleverd van Abu Humaid is dat hij heeft gezegd: `Ik het gebed van de Boodschapper van AllahSallalahu 'alaihi wasalam het best van jullie onthouden. Ik heb gezien dat hij - als de takbier uitsprak - zijn handen ter hoogte van zijn schouders ophief. Als hij boog plaatste hij zijn handen op zijn knieen en boog zijn rug recht. Als hij zijn hoofd ophief, stond hij rechtop totdat elke ruggenwervel op zijn plek terugkeerde. Als hij kielde, plaatste hij zijn beide handen, zonder zijn onderarmen op de grond te leggen of tegen zijn lichaam aan te plakken. Hij richtte zijn tenen naar de gebedsrichting. Als hij zat na twee rak`as [voor de tashahhud], zat hij op zijn linkervoet en plaatste zijn rechtervoet rechtop. Als hij zat na de laatste rak`ah, schoof hij zijn linkervoet naar voren, plaatste de andere voet rechtop en ging op zijn zitvlak zitten.'

Hoofdstuk: Wie van mening is dat de eerste tashahhud niet verplicht is
468. Overgeleverd van 'Abdullaah Ibn Buhaynah uit de stam van Azd Shanu'ah, die een bondgenoot van Banu `Abd Manaaf was en een metgezel van de Profeet is dat de Profeet hen eens leidde in het dhuhr-gebed. Hij stond na de eerste twee rak`as op, zonder te zitten [voor de tashahhud]. De mensen stonden met hem op. Toen hij klaar was met het gebed, wachtten de mensen op zijn tasliem. Hij sprak echter de takbier uit terwijl hij zat en hij knielde tweemaal voordat hij tasliem verrichtte. Daarna verrichtte hij tasliem.

Hoofdstuk: Tashahhud tijdens de laatste rak`ah
469. Overgeleverd van `Abdullaah Ibn Mas`ood is dat hij heeft gezegd: 'Als wij het gebed achter de Profeet verrichtten, zeiden wij gewoonlijk: 'As-Salaam [vrede] zij met Djibriel, As-Salaam zij met Miekaa'iel, As-Salaam zij met die en die.' Toen Profeet [eens] zijn gebed beindigde, keerde hij zijn gezicht naar ons toe en zei: A1laah is As-Salaam. Als iemand van jullie klaar is met het gebed dan moet hij zeggen: At-Tahiyaatu Lillaahi Wasalawaatu Wat-Tayyihaat. As-Salaamu Aaika Ayyuhaa An-Nlabiyyu Wa Rahmatullaahi Wa Barakaatuh. As-Salaamu Alaynaa Wa `Alaa `Ibaad Illaah Is-Saalihien (als men dit zegt, dan omvat hij hiermee elke oprechte dienaar in de hemel en op aarde) Ash-Hadu Al-Laa Ilaaha Illalaah Wa Ash-Hadu Anna Mohammadan Aduhu Warasoeloh [Grootheid, gebeden en alle goede dingen komen toe aan Allah. Vrede, de genade van Allah en Zijn zegeningen zij met u, O Profeet. Vrede zij net ons en met de oprechte dienaren van Allah. Ik getuig dat er geen ware god is behalve Allah, en ik getuig dat Mohammad Zijn dienaar en Zijn Boodschapper is].

Hoofdstuk: Aanroeping vr de tasliem
470. Overgeleverd van `Aaichah de echtgenote van de Profeet - is dat Boodschapper van AllahSallalahu 'alaihi wasalam gewoonlijk de volgende aanroeping zei tijdens het gebed: "0 Allah, ik zoek bescherming hij tegen de kwelling van het graf, en ik zoek bescherming bij U tegen de beproeving van Al-Masieh Ad-Dadjaal [antichrist], en ik zoek bescherming bij U tegen de beproeving van het leven en de beproeving van de dood. 0 Allah, ik zoek bescherming bij U tegen zonden en schulden. Iemand vroeg hem: Waarom vraagt u zo vaak bescherming tegen schulden?' Hierop antwoordde hij: "Als iemand de gewoonte heeft om te lenen, liegt hij terwijl hij spreekt en verbreekt hij telwijl hij belooft."
471. Overgeleverd van Abu Bakr As Siddieg is dat hij de Boodschapper van AllahSallalahu 'alaihi wasalam vroeg: `keert u mij een aanroeping die ik kan zeggen tijdens mijn gebed.' Hij antwoordde: "Zeg: 0 Allah, ik heb mezelf veel onrecht aangedaan en niemand vergeeft de zonden, behalve U. Schenkt U mij daarom vergiffenis uit Uw vergevensgezindheid en weest U mij genadig. U bent de Vergevensgezinde, de Genadevolle."

Hoofdstuk: Het uitkiezen van aanroeping na de tashahhud
472. Overgeleverd van `Abdullaah Ibn Mas`ood is de overlevering inzake tashahhud, die reeds vermeld is [nr. 469]. In deze versie voegt hij eraan toe: "...Ik getuig dat er geen ware god is behalve Allah, en ik getuig dat Mohammad Zijn dienaar en Zijn Boodschapper is. Vervolgens mag hij zelf de aanroeping uitkiezen die hem het meest aanspreekt en roept aan."

Hoofdstuk: De tasliem
473. Overgeleverd van Omm Salamah is dat zij heeft gezegd: `Als de Boodschapper van AllahSallalahu 'alaihi wasalam de tasliem verrichtte, stonden de vrouwen op nadat hij zijn tasliem had afgemaakt. Hij bleef nog even zitten voordat hij opstond.'

Hoofdstuk: Men verricht de tasliem als de imaam de tasliem verricht
474. Overgeleverd van `Itbaan is dat hij heeft gezegd: `Wij verrichtten het gebed met de Profeet. Wij verrichtten de tasiem als hij de tasliem verrichtte.'

Hoofdstuk: Gedenking na het gebed
475. Overgeleverd van Ibn `Abbaas is dat het ten tijde van de Profeet voorkwam dat men met luide stem gedenking uitsprak, nadat de mensen het verplichte gebed hadden afgerond. Ibn `Ab-baas heeft gezegd: `Als ik dat hoorde, wist dat ze klaar waren met het gebed.'

476. Overgeleverd van Abu Hurairah is dat hij heeft gezegd dat de armen bij de Profeet kwamen en zeiden: 'De rijken met rijkdommen zijn ervandoor gegaan met de hoge rangen en blijvende genieting. Zij bidden namelijk net zoals wij bidden en zij vasten net zoals wij vasten. Zij bezitten echter overtollige rijkdommen waarmee zij hadj en `umrah verrichten, en zij doen mee aan de djihaad en geven aalmoezen.' Hij zei: "Zal ik jullie iets vertellen? Als jullie dit aangrijpen halen jullie in wie jullie heeft ingehaald en niemand na jullie zal jullie inhalen. Jullie zullen daarmee de beste zijn van de mensen onder wie jullie je bevinden, behalve wie hetzelfde [als jullie] verricht: spreek na elk gebed de tasbieh, de tahmied en de takbier driendertig keer uit".' De overleveraar zegt: `Wij verschilden daarna onderling van mening. Sommigen zeiden: moeten de tasbieh driendertig keer uitspreken, de tahmied driendertig keer en de takbier vierendertig keer.' Daarom keerde ik naar hem terug en hij zei: `Je spreekt de tasbieh, de tahmied en de takbier uit, totdat ze allemaal driendertig keer zijn geweest".'

477. Overgeleverd van Al-Mughierah Ibn Sho`bah is dat de Profeet de gewoonte had om na elk verplicht gebed te zeggen: "Er is geen ware God behalve Allah alleen. Hij heeft geen deelgenoot. Aan Hem behoort het Koninkrijk en aan Hem behoort alle lof en Hij is tot alles machtig. 0 Allah, wat U geeft kan niemand tegenhouden en wat U tegenhoudt kan niemand geven. De rijkdom [en weelde] van de weelderige baat hem niet tegen U".

Hoofdstuk: De imaam wendt zicht tot de mensen na de tasliem
478. Overgeleverd van Samurah lbn Djundub is dat hij heeft gezegd: `Als de Profeet een gebed had verricht, wendde hij zich met zijn gezicht tot ons.'

479. Overgeleverd van Zayd Ibn Khaalid Al-Djuhani is dat hij heeft gezegd: `De Boodschapper van AllahSallalahu 'alaihi wasalam ging ons eens voor in het ochtendgebed in Al-Hudaibiyyah na een regenachtige nacht. Toen hij klaar was met het gebed, wendde hij zich tot de mensen en zei: "Weten jullie wat jullie Heer heeft gezegd?" Zij antwoordden: `Allah en Zijn Boodschapper weten het beter.' Hij zei: "Allah heeft gezegd: "Op deze morgen zijn sommigen van Mijn dienaren gelovigen in Mij en [ardere] ongelovigen. Wie zegt dat het heeft geregend door de Gunst van Allah en Zijn Genade, is een gelovige in Mij en ongelovige in de sterren. Wie echter dat het heeft geregend door die en die ster, is een ongelovige in Mij en een gelovige in de sterren"."

Hoofdstuk: Als men de mensen leidt in het gebed, zich iets herinnert en over hun schouders heen loopt
480. Overgeleverd van `Ugbah is dat hij gezegd: `Ik heb eens achter de Profeet het `asr-gebed gedaan in Al-Madienah. Nadat hij tasliem had verricht, stond hij gehaast op. Hij liep over de schouders van de mensen heen naar n van de kamers van zijn vrouwen. De mensen schrokken van zijn haast. Toen hij naar buiten kwam, zag hij dat zij verbaasd waren door zijn haast. Daarom zei hij: "Ik herinnerde mij een goudklomp bij ons. 1k wilde niet dat hij mij zou bezighouden. Daarom heb ik bevolen om hem te verdelen".

Hoofdstuk: Zich naar rechts of links wenden na afloop van het gebed
481. Overgeleverd van `Abdullaah lbn Mas`oed is dat hij heeft gezegd: `Laat niemand van jullie een deel van zijn gebed aan de shaytaan geven door te denken dat het noodzakelijk voor hem is om zich alleen maar naar rechts te wenden [na afloop van het gebed]. Ik heb de Boodschapper van AllahSallalahu 'alaihi wasalam zich vaak naar links zien wenden.'

Hoofdstuk: Wat is overgeleverd over rauwe knoflook, ui en prei
482. Overgeleverd van Djaabir Ibn `Abdillaah is dat de Profeet heeft gezegd: "Wie van deze plant eet (d.w.z. knoflook), laat hij dan niet naar onze moskeen komen." De overleveraar heeft gezegd dat hij aan Djaabir vroeg: `Wat bedoelt hij daarmee?' Hij antwoordde: `Ik denk dat hij er rauwe knoflook mee bedoelt.' Of: `... stinkende knoflook ...'

483. Overgeleverd van Djaabir is dat de Profeet heeft gezegd: "Wie knoflook of ui heeft gegeten, laat hij ons (of: onze moskee) dan mijden en laat hij thuisblijven." Een keer werd bij de Profeet een aan met gekookte groenten gebracht. Toen hij de geur ervan rook, vroeg hij ernaar. Er werd hem verteld welke groenten de pan bevatte. Hierop zei hij tegen iemand van zijn metgezellen die bij hem was: `Breng het dichterbij." Toen hij zag dat hij een afkeer had van het eten ervan, zei hij: "Eet, want ik onderhoud vertrouwelijke gesprekken met wie jij dat niet doet."

484. In een andere overlevering: `Een keer werd bij de Profeet een bord gebracht.' Met andere woorden: een bord met groenten.

Hoofdstuk: De wudoe' van jongens
485. Overgeleverd van Ibn Abbaas is dat de Profeet langs een afgezonderd graf kwam. Hij leidde hen in het gebed en zij maakten er rijen op.

486. Overgeleverd van Abu Sa`ied Al-Khudrie is dat de Profeet heeft geoegd: "De wassing op vrijdag is verplicht voor elke volwassene."

487. Overgeleverd van Ibn `Abbaas is dat een man hem vroeg: `Heb jij het `eid-gebed met de Boodschapper van Allah meegemaakt (waaraan ook de vrouwen deelnamen)?' Hij antwoordde: `ja. En als het mijn positie ten opzicht van hem (vanwege zijn jonge leeftijd) niet was, dan had ik het niet meegemaakt. Hij kwam aan bij de vlag die naast het huis van Kathier Ibn As-Salt staat. Daar preekte hij. Vervolgens kwam hij bij de vrouwen. Hij sprak hen vermanend toe, herinnerde hen en beval hen om aalmoezen te geven. Vrouwen gingen met hun handen naar hun nekken en gooiden [kettingen] in het kleed van Bilaal. Vervolgens gingen hij en Bilaal naar huis.'

Hoofdstuk Bezoek van vrouwen aan de moskeen tijdens de nacht of ochtendduisternis
488. Overgeleverd van Ibn 'Omar is dat de Profeet heeft gezegd: "Als jullie vrouwen jullie toestemming vragen om in de nacht naar de moskee te gaan, geef hen dan toestemming."

12. Het boek van djumu`ah [het vrijdaggebed]

Top I
Hoofdstuk: De verplichting van djumu`ah
489. Overgeleverd van Abu Hurairah is dat hij de Boodschapper van AllahSallalahu 'alaihi wasalam heeft horen zeggen: "Wij zijn de laatsten, maar wij zullen de eersten zijn tijdens de Opstandingsdag, ondanks dat zij het boek vr ons hebben gekregen. Dit [vrijdag] is de dag die hen verplicht is gesteld, maar zij verschilden er van mening over en Allah leidde ons ernaar. Mensen volgen ons na deze dag: de joden morgen en de christenen overmorgen."

Hoofdstuk: Parfumeren voor djumu`ah
490. Overgeleverd van Abu Sa`ied Al-Khudrie is dat hij heeft gezegd: `Ik getuig dat de Boodschapper van AllahSallalahu 'alaihi wasalam heeft gezegd: "De wassing op vrijdag is verplicht voor elke volwassene, alsmede [het gebruiken van] siwaak en het gebruik van parfum indien voorhanden".'

Hoofdstuk: De verdienste van djumu`ah
49I. Overgeleverd van Abu Hurairah is in de Boodschapper van AllahSallalahu 'alaihi wasalam heeft ztzegd: "Wie de wassing verricht op vrijdag gelijk aan de wassing vanwege seksuele onreinheid [djanaabah] en vervolgens gaat, is alsof hij een kameel heeft geofferd. Wie tijdens het tweede uur gaat, is alsof hij een koe heeft geofferd. Wie tijdens het derde uur gaat, is alsof hij een ram met horens heeft geofferd. Wie tijdens het vierde uur gaat, is alsof hij een kip heeft geofferd. Wie tijdens het vijfde uur gaat, is alsof hij een ei heeft geofferd. Als de imaam vervolgens naar buiten komt, dan zijn de engelen aanwezig om te luisteren naar de gedenking."

Hoofdstuk: Olie insmeren op djumu'ah
492. Overgeleverd van Salmaan Al-Faarisie is dat de Profeet heeft gezegd: "Elke man die zich op vrijdag wast, zich grondig reinigt, zich insmeert met zijn olie of zijn huisparfum opdoet, om vervolgens naar buiten te gaan zonder twee mensen te scheiden [die in de moskee naast elkaar zitten], vervolgens datgene bidt wat voor hem voorbeschikt is en daarna luistert als de imaam spreekt: zijn zonden tussen deze en aankomende vrijdag worden dan vergeven."

493. Overgeleverd van Ibn `Abbaas is dat tegen hem werd gezegd dat de Profeet zou hebben gezegd: "Verricht de wassing op vrijdag en was jullie hoofden, ook al bevinden jullie je niet in staat van seksuele onreinheid, en doe parfum op." Hij zei: 'Wat betreft de wassing: ja. Wat betreft de parfum: dat weer ik niet.'

Hoofdstuk: Men trekt zijn mooiste kleren aan
494. Overgeleverd van 'Omar is dat hij een gewaad van zuivere zijde bij de deur van de moskee zag. Hij zij daarom: `O Boodschapper van AllahSallalahu 'alaihi wasalam, als u dit [gewaad] koopt, kunt u het op vrijdag aantrekken en als de afvaardigingen bij u komen.' De boodsehapper van Allah zei: Dit wordt aangetrokken door wie geen aandeel heeft in het hiernamaals." Vervolzens werden eens meerdere van zulke gewaden bij de Boodschapper van AllahSallalahu 'alaihi wasalam gebracht. Hij gaf toen een gewaad ervan aan 'Omar Ibn Al-Khattaab 'Omar zei toen: `O Boodschapper van Allah, u geeft mij dit, terwijl u eerder over het gewaad van `Otaarid uw uitspraak hebt gedaan!' De Boodschapper van AllahSallalahu 'alaihi wasalam antwoordde: "Ik heb het je niet gegeven om aan te trekken." 'Omar Ibn Al-Khattaab gaf het vervolgens aan een broer van hem in Mekkah, die een veelgodenaanbidzer was.

Hoofdstuk: Het gebruiken van siwaak op vrijdag
495. Overgeleverd van Abu Hurairah is dat de Boodschapper van AllahSallalahu 'alaihi wasalam heeft gezegd: "Als ik het niet te moeilijk zou maken voor de gelovigen mijn ummah (of: voor de mensen), dan had ik ze [het gebruiken van] de siwaak bevolen voor elk gebed."

496. Overgeleverd van Anas is dat de Boodschapper van AllahSallalahu 'alaihi wasalam heeft gezegd: Ik heb jullie veelvuldig gewezen op [het gebruiken van] de siwaak."

Hoofdstuk: Wat gereciteerd wordt tijdens het ochtendgebed op vrijdag
497. Overgeleverd van Abu Hurairah is dat de Profeet tijdens het ochtendgebed op vrijdag Soerah As-Sadjdah [32] en Soerah Al-Insaan [76] reciteerde.

Hoofdstuk: Djumu`ah in dorpen en steden
498. Overgeleverd van `Abdullaah Ibn 'Omar is dat hij heeft gezegd dat hij de Boodschapper van Allah heeft horen zeggen: "Jullie zijn allemaal hoeders en jullie zijn allemaal verantwoordelijk voor jullie onderdanen. De Imaam [heerser] is een hoeder en hij is verantwoordelijk voor zijn onderdanen. De man is een hoeder van zijn familie en hij is verantwoordelijk voor zijn onderdanen. De vrouw is een hoedster in het huis van haar echtgenoot en zij is verantwoordelijk voor haar onderdanen. De bediende is een hoeder in de rijkdommen van zijn heer en hij is verantwoordelijk voor zijn onderdanen." Hij heeft gezegd: `Volgens mij heeft hij ook gezegd: "De man is hoeder in de rijkdommen van zijn vader en hij is verantwoordelijk voor zijn onderdanen. En jullie zijn allemaal hoeders en verantwoordelijk voor jullie onderdanen".'

Hoofdstuk: Is de wassing voor vrijdag verplicht voor wie het vrijdaggebed niet verplicht is?
499. De overlevering van Abu Hurairah "Wij zijn de laatsten, maar wij zullen de eersten zijn ..." Deze is eerder vermeld [nr. 489]. In deze overlevering voegt hij erna nog aan toe dat hij heeft gezegd: Het is verplicht voor elke moslim om zich tijdens elke zeven dagen op n dag te wassen. Hij wast dan zijn hoofd en zijn lichaam."

Hoofdstuk: Vanaf waar men naar djumu`ah komt en voor wie het verplicht is
500. Overgeleverd van `Aaichah is dat zij echtgenote van de Profeet is dat zij heeft gezegd: 'De mensen kwamen afwiselend naar djumuah vanuit hun huizen en vanuit Al-`Awaali [oostelijke buitenwijken van A1-Madienah]. Zij kwamen door stof, en werden getroffen door stof en zweet, waardoor zij transpireerden. iemand van hen kwam bij de Boodschapper van AllahSallalahu 'alaihi wasalam, terwijl hij zich bij mij bevond. De Profeet zei toen: "Waarom reinigen jullie jezelf niet op deze dag?"

Overgeleverd van `Aaichah is dat zij heeft gezegd: `De mensen werken gewoonlijk voor zichzelf. Als zij naar djamu`ah kwamen, kwamen zij in hun [werk] situatie. Daarom werd hen verzocht om de wassing te verrichten.

502. Overgeleverd van Anas Ibn Maalik is dat de Profeet het vrijdaggebed verrichtte als de zon haar hoogste punt verliet.

Hoofdstuk: Als het erg warm is op vrijdag
503. Overgeleverd van Anas Ibn Maallk is dat hij heeft gezegd: De Profeet had de gewoonte om het gebed te vervroegen als het erg koud was, en om het gebed uit te stellen als het erg warm was, dat wil zeggen het vrijdaggebed.'

Hoofdstuk: Lopen naar djumu`ah
504. Overgeleverd van Abu `Abs is dat hij, terwijl hij naar djumu`ah liep, heeft gezegd dat hij de Profeet heeft horen zeggen: "Wiens voeten bestoft raken op de weg van Allah, hem verbiedt Allah voor het vuur."

Hoofdstuk: Men mag zijn broeder niet laten opstaan van zijn zitplek om er zelf op te gaan zitten
505. Overgeleverd van Ibn 'Omar is dat hij heeft gezegd: 'De Profeet heeft verboden dat men zijn broeder laat opstaan van zijn zitplek om er zelf op te gaan zitten.' Men vroeg: `Geldt dit voor djumu`ah?' Hij antwoordde: `Voor zowel djumu`ah als anders.'

Hoofdstuk: En gebedsoproeper op vrijdag
506. Overgeleverd van As-Saaib Ibn Yazied is dat hij heeft gezegd: De gebedsoproep op vridag werd als de imaam op de preekstoel ging zitten, tentijde van de Profeet, Abu Bkr en Omar. Ten tijde van Othmaan was het aantal mensen toegenomen. Daarom voegde hij de derde gebebsoproep toe vanaf Az-Zawraa.

Hoofdstuk: De imaam beantwoordt de gebedsoproeper vanaf zijn preekstoel op vrijdag
508. Overgeleverd van Mu`aawiyah Ibn Abi Sufyaan is dat hij op vrijdag op de preekstoel ging zitten. Toen de gebedsoproeper de oproep deed, zei hij: Allah is Grootste, Allah is de Grootste.' Mu'aawiyah zei toen: Allah is De Grootste, Allah is de Grootste.' Hij zei: `Ik getuig dat er geen ware God is behalve Allah.' Mu`aawiyah zei toen: `Ik ook.' Hij zei: `Ik getuig dat Mohammad de Boodschapper van AllahSallalahu 'alaihi wasalam is.' Mu'aawiyah zei toenn: `Ik ook.' Toen hij klaar was met de gebedsoproep, zei hij: `O mensen, ik heb de Boodschapper van AllahSallalahu 'alaihi wasalam op deze plek horen zeggen wat jullie mij net hoorden zeggen toen de gebedsoproeper de oproep deed.'

Hoofdstuk: De vrijdagspreek vanaf de preekstoel
509. De overlevering van Sahl 1bn Sa`d As-Saa`iedie inzake de preekstoel, die reeds eerder gepasseerd is [nr. 249]. Hierin is vermeld dat hij erop heeft gebeden en achteruit liep. In deze overlevering voegt hij eraan toe: `Toen hij klaar was, wendde hij zich tot de mensen en zei: "0 mensen, ik heb dit gedaan zodat jullie mij volgen en mijn gebed leren".'

510. Overgeleverd van Djaabir Ibn `Abdilllaah is dat hij heeft gezegd: `Er was een boomstam waarop de Profeet stond [als hij de mensen toesprak]. Toen men de preekstoel voor hem plaatste, hoorden wij de boomstam een geluid maken als [tien maanden] zwangere kamelen. Totdat de Profeet neerdaalde en zijn hand erop [de hoornstam] legde.'

Hoofdstuk: Staand preken
511. Overgeleverd van Ibn 'Omar is dat hij heeft gezegd: `De Profeet preekte staand, ging vervolgens zitten en stond weer op. Net zoals jullie vandaag de dag doen.

Hoofdstuk: Wie na het uitspreken van de lofprijzingen tijdens de preek 'vervolgens dit' zegt
512. Overgeleverd van Amr 1bn Taghlib is dat er rijkdommen of buit werden gebracht bij de Boodschapper van AllahSallalahu 'alaihi wasalam. Hij gaf hiervan aan sommige mannen en onthield anderen. Het nieuws kwam tot hem dat degenen die hij had onthouden verwijten maakten. Hij prees Allah en loofde hem. Vervolgens zei hij: "Vervolgens dit: bij Allah, ik geef een man en laat en man, terwijl ik degene die ik laat meer lief heb dan degene die ik geef. Ik geef achter mensen vanwege wat ik in hun harten zie aan ongeduld en angst. Terwijl anderen toevertrouw aan wat Allah in hun harten heeft geplaatst aan rijkdom en goedheid. Onder hen bevindt zich Amr Ibn Taghlib." Bij Allah, ik zou deze woorden van de Boodschapper van AllahSallalahu 'alaihi wasalam niet eens willen ruilen voor rode kamelen.

513. Overgeleverd van Abu Humaid As-Saa`iedie is dat de Boodschapper van AllahSallalahu 'alaihi wasalam op een avond opstond na het gebed. Hij sprak de geloofsgetuigenis uit, loofde Allah met de woorden die hem toekomen en daarna zei hij: "Vervolgens dit:..."

514. Overgeleverd van Ibn `Abbaas is dat hij heeft gezegd: `De Profeet besteeg eens de preekstoel, tijdens zijn laatste ontmoeting waaraan hij deelnam. Hij droeg een groot gewaad over zijn schouders. Om zijn hoofd had hij en zwarte tulband gebonden. Hij loofde Allah en prees Hem. Vervolgens zei hij: "0 mensen, kom dichterbij." De mensen verzamelden zich om hem heen. Hij zei daarna: "Vervolgens dit: deze gemeenschap van de Ansaar zal afnemen en de mensen zullen toenemen. Eenieder die op enige wijze leiding heeft over een onderdeel van de ummah van Mohammad en in staat is om in die positie iemand te benadelen of een ander te bevoordelen, laat hem dan accepteren van de goeddoener onder hen en de slechtdoener onder hen vergeven".'

Hoofdstuk: Als de imaam tijdens zijn preek een man ziet aankomen, draagt hij hem op om twee rak`as te verrichten
515. Overgeleverd van Djaabir Ibn `Abdillaah is dat hij heeft gezegd: `Er kwam eens een man terwijl Profeet de mensen preekte op vrijdag. Hij zei tegen hem: "O jij, heb je gebeden?" Hij antwoordde: `Nee.' Hij zei: "Sta op en bid twee rak`as."

Hoofdstuk: Vragen om regen tijdens de vrijdagpreek
516. Overgeleverd van Anas Ibn Maalik is dat hij heeft gezegd: `Tijdens het leven van de Profeet werden de mensen eens getroffen door droogte. Terwijl de Profeet aan het preken was op een vrijdag, stond een bedoeen op en zei: `O Boodschapper van AllahSallalahu 'alaihi wasalam, onze bezittingen [vee] zijn vernietigd en onze kinderen lijden honger. Wilt u Allah voor ons aannroepen?' Hierop hief hij zijn handen op, terwijl wij geen spoor van de wolken zagen in de lucht. Bij Degene in Wiens Hand mijn ziel is, zodra hij zijn handen liet zakken ontstonden er wolken net als regen. Voordat hij neerdaalde van zijn preekstoel zag ik de regen neervallen op zijn baard. Het regende die dag, de dag erna, de derde dag en de vierde dag, tot de volgende vrijdag. Toen stond diezelfde bedoeen - of een andere - op en zei: `O booodschapper van Allah, de huizen zijn ingestort en onze eigendommen [vee] zijn verdronken. Wilt u Allah voor ons aanrroepen?' Hierop hief hij zijn handen op zei: "O Allah, om ons heen en niet op ons." Hij hoefde met zijn hand maar naar een richting te wijzen en de wolken losten op. Al-Madienah werd als een hol [omringd door wolken] en de vallei van Qanaat stroomde een maand lang. Niemand kwam uit een andere regio zonder te spreken van de overvloedige regen.'

Hoofdstuk: Luisteren op vrijdag terwijl de imaam preekt
517. Overgeleverd van Abu Hurairah is dat de Boodschapper van AllahSallalahu 'alaihi wasalam heeft gezegd: "Als je op vrijdag tegen de persoon naast je luister' zegt, terwijl de imaam preekt, dan heb je ongeldig gesproken."

Hoofdstuk: Het uur dat op vrijdag is
518. Overgeleverd van Abu Hurairah, is dat de Boodschapper van AllahSallalahu 'alaihi wasalam de vrijdag noemde en zei: "Er is een uur op vrijdag: indien de moslim dit tijdstip treft, terwijl hij staand aan het bidden is en aan Allah het goede vraagt, zal Allah hem dat geven." Hij gaf met zijn hand aan dat het een korte periode betreft.

Hoofdstuk: Als de mensen tijdens het vrijdaggebed weggaan bij de imaam
519. Overgeleverd van Djaabir lbn Abdillaah is dat hij heeft gezegd: `terwijl wij eens aan het bidden waren met de Profeett, kwam er een karavaan aan die voedsel bij zich had. De mensen vertrokken erheen, totdat er slechts twaalf mannen achter bleven met de Profeet. Hierop daalde dit vers uit Soerah Al-Djumu`ah neer: (En als zij wat handel of vermaak zien, gaan zij uit elkaar daarheen en laten zij jou staan) Soerah Al-Djumu`ah (62):111.

Hoofdstuk: Het bidden vr en na het vrijdaggebed
520. Overgeleverd van `Abdullaah Ibn Omar is dat de Boodschapper van AllahSallalahu 'alaihi wasalam twee rak'as verrichtte vr het dhuhr-gebed en twee rak`as erna, na het maghreb-gebed twee rak`as thuis en na net `ishaa-gebed twee rak`as. Hij verrichtte geen gebeden na het vrijdaggebed totdat hij vertrok. Daarna verrichtte hij twee rak`as.

13. Het boek van het angstgebed

Hoofdstuk: Het angstgebed

Top I
521. Overgeleverd van `Abdullaah Ihn 'Omar is dat hij heeft gezegd: 1k streed mee met de Boodschapper van AllahSallalahu 'alaihi wasalam in de buurt van Nadjd. Toen wij tegenover de vijand stonden, gingen wij in rijen staan. De Boodschapper van AllahSallalahu 'alaihi wasalam stond op om ons voor te gaan in het gebed. Een groep stond met hem op om met hem te bidden en een andere groep wendde zich tot de vijand. De Boodschapper van AllahSallalahu 'alaihi wasalam verrichtte de buigng met de mensen die met hem waren en twee knielingen. Vervolgens vertrokken zij naar de plek van de groep die nog niet had gebeden. Toen zij kwamen, verrichtte de Boodschapper van Allah met hen een buiging en twee knielingen. Vervolgens verrichtte hij de tasliem. Daarna stond eenieder van hen op en verrichtte net zichzelf een buiging en twee knietlingen.

Hoofdstuk: Het angstgebed te voet en rijdend verrichten
522. Overgeleverd van Ibn 'Omar in een andere versie is dat de Profeet heeft gezegd: "Als zij [de vijand] met meer dan dat [aantal] zijn, laat hen dan staand en rijdend bidden."

Hoofdstuk: Het gebed van de achter volger en de achtervolgde, rijdend en gebarend
523. Overgeleverd van Ibn 'Omar is dat hij heeft gezegd: `Toen de Profeet terugkeerde van [de slag van) Al-Ahzaab zei hij tegen ons: "Niemand mag het `asr-gebed verrichten, behalve [na aankomst] in Banu Quraidhah." Onderweg brak de tijd van het 'ast-gebed aan voor sommigen van hen. Sommigen zeiden: `We bidden niet totdat we zijn aangekomen [in Banu Quraidhah].' Anderen zeiden: 'We bidden wel. Dit [uitstellen van het gebed] is niet de bedoeling geweest van hem.' Toen men dit vertelde aan de Profeet heeft hij niemand van hen berispt.'

14. Het boek van de twee 'eid [feesten]

Top I
Hoofdstuk: Speren en schilden op de dag van `eid
524. Overgeleverd van `Aaichah is dat zij heeft gezegd: `De Boodschapper van AllahSallalahu 'alaihi wasalam kwam binnen, terwijl zich bij mij twee jonge meisjes bevonden, die het lied van [de oorlog van] Bu'aath zongen. Hij ging op het bed liggen en wendde zijn gezicht af. Vervolgens kwam Abu Bakt binnen. Hij snauwde mij af en zei: De fluit van de Satan bij de Profeet!?' De Boodschapper van AllahSallalahu 'alaihi wasalam wendde zich tot hem en zei: "Laat ze." Toen zijn aandacht was afgeleid, wenkte ik naar hen en zij vertrokken.'

Hoofdstuk: Vr vertrek eten op de dag van `eid-ul-fitr
525. Overgeleverd van Anas Ibn Maalik is dat hij heeft gezegd: `De Boodschapper van AllahSallalahu 'alaihi wasalam vertrok op de dag van `eid-ul-fitr [`suikerfeest'] niet [naar de gebeds-plaats] totdat hij enkele dadels had gegecn.' Van hem [Anas is ook overgeleverd via een andere keten dat hij een oneven aantal [dadels] at.

Hoofdstuk: Eten op de dag van het offeren
526. Overgeleverd van Al-Baraa' Ibn Aazib is dat hij de Profeet heeft horen preken en dat hij zei: "Het eerste waarmee we beginnen op deze dag [`eid ul-adhaa, offerfeest] is het gebed en vervolgens keren we terug om [het offer] te slachten. Wie het zo doet heeft onze Soennah getroffen."

527, Overgeleverd van Al-Baraa' lbn `Aazib is dat hij heeft gezegd: `De Profeet preekte ons op de dag van het offeren na het gebed. Hij zei: "Wie net als wij gebed verricht en net als wij offer brengt, hij heeft het ritueel volbracht. Wie echter vr het gebed heeft geofferd, heeft het vr het gebed gedaan en hem komt het ritueel niet toe." Abu Burdah, de oom van moederskant van Al-Baraa', zei toen: `0 Boodschapper van AllahSallalahu 'alaihi wasalam, ik heb mijn ooi vr het gebed geofferd. Ik weet namelijk dat dit een dag is van eten en drinken. Daarom wilde ik graag dat mijn ooi het eerste is wat geofferd wordt in mijn huis. Ik heb dus mijn ooi geofferd en ik heb mijn maaltijd genuttigd voordat ik naar het gebed kwam. Hij zei: `Jouw ooi is een vleesooi [en geen ritueel ooi]." Hij zei toen: `O Boodschapper van AllahSallalahu 'alaihi wasalam, wij hebben een vrouwtjesgeit, die ik meer lief heb dan twee ooien. Voldoet deze dan voor mij [als offer]?' Hij antwoordde: ")a, maar het zal nooit meer voldoen voor iemand na jou".'

Hoofdstuk: Vertrekken naar de gebedsplaats

528. Overgeleverd van Abu Sa`ied Al-Khudrie is dat hij heeft gezegd: `De Boodschapper van AllahSallalahu 'alaihi wasalam vertrok op de dag van `eid ul-fitr en `eid ul-adhaa naar de gebedsplaats. Het eerste waarmee hij begon was het gebed. Na het afronden van her gebed wendde hij zich staand tot de mensen, terwijl de mensen in hun rijen zaten. Hij vermaande hen, adviseerde hen en beval hen. Als hij vervolgens een expeditic op pad wilde sturen, deed hij dat. En als hij iets wilde bevelen, deed hij dat. Daarna vertrok hij.' Abu Sa`eed heeft gezegd: `De mensen gingen op deze manier verder, totdat ik eens naar buiten ging op een dag van 'eid ul-fitr of `eid ul-adhaa met Marwaan, toen hij de leider was van Al-Madienah. Toen wij aankwamen bij de gebedsplaats, stond daar een preekstoel gebouwd was door Kathier Ibn As-Salt. Manwaan wilde deze bestijgen alvorens het gebed te hebben verricht. Ik trok toen aan zijn gewaad, maar hij trok terug. Hij ging naar boven en preekte vr het gebed. Ik zei toen tegen hem: `Bij Allah, u heeft een wijziging doorgevoerd.' Hij antwoordde: `O Abu Sa`eed, wat jij wist is verdopen.' Ik antwoordde: `Bij Allah, wat ik weet is beter dan wat ik niet weet.' Hij zei toen: `De mensen bleven na het gebed niet meer voor mij zitten. Daarom heb ik het [preken] voor het gebed gedaan'.'

Hoofdstuk: Lopen en rijden naar de `eid en het verrichten van het gebed vr de preek
529. Overgeleverd van Ihn `Abbaas en Djaabir Ibn `Abdillaah is dat zij hebben gezegd: `Er werd geen gebedsoproep gedaan op zowel de dag van `eid ul-fitr als van `eid ul-adhaa.'

Hoofdstuk: De preek na het `Eid gebed
530. Overgeleverd van Ibn `Abbaas is dat hij heeft gezegd: `Ik heb de `eid bijgewoond met de Boodschapper van AllahSallalahu 'alaihi wasalam, Abu Bakr, 'Omar en `Othmaan. Zij verrichtten allemaal het gebed vr de preek.'

Hoofdstuk: De verdienste van daden tijdens de dagen van tashreeq
531. Overgeleverd van Ibn `Abbaas is dat de Profeet heeft gezegd: "Er zijn geen dagen waarin daden beter zijn dan de daden [die verricht worden] in deze [eerste tien dagen van Dhul-Hidjah]." Zij vroegen: `Zelfs de djihaad niet?' Hij antwoordde: "Zelfs Djihaad nier, behalve een man die is vertrokken met gevaar voor zijn eigen leven en rijkdommen en met niets hiervan terugkeert."

Hoofdstuk: Het uitspreken van de takbier tijdens de dagen van Mina en bij het vroege vertrek naar `Arafah
532. Overgeleverd van Anas Ibn Maalik is dat men hem vroeg over de talbiyah, hoe zij dit deden met de Profeet. Hij antwoordde: `Sommigen van ons spraken talbiyah uit, en dit werd niet afgekeurd. lnderen spraken de takbier uit, en dit werd ook niet afgekeurd.'

Hoofdstuk: Het slachten en offeren op de dag van het offeren in de gebedsplaats
533. Overgeleverd van Ibn 'Omar is dat de Profeet slachtte of offerde de gebedsplaats.

Hoofdstuk: Wie via een andere weg terugkeert op de dag van `eid
534. Overgeleverd van Djaabir is dat hij heeft gezegd: 'Als het een slag van `eid was, keerde de Profeet via een andere weg terug.'

535. De overlevering van `Aaichah inzake de Abessiniers, die reeds eerder vermeld is [nr. 285]. In deze overlevering voegt zij eraan toe dat 'Omar hen afsnauwde. De Profeet zei toen: "Laat ze. "Wees veilig om Banu Arfadah."

15. Het boek van het witr-gebed

Top I

Hoofdstuk: Wat is overgeleverd over het witr-gebed
536. Overgeleverd van Ibn 'Omar is dat een man de Boodschapper van AllahSallalahu 'alaihi wasalam vroeg over het [vrijwillige] nachtgebed. Hierop zei de Boodschapper van Allah: "Het [vrijwillige] nachtgebed bestaat uit twee twee rak`as. Als iemand van jullie [het aanbreken van] de ochtend vreest, bidt hij n rak`a die als witr wordt aangemerkt voor wat hij heeft gebeden."

537. Overgeleverd van Aaichah is dat de Boodschapper van AllahSallalahu 'alaihi wasalam elf rak`as bad. Dat was zijn gebed, d.w.z. tijdens de nacht. Zijn knieling duurde net zo ang als de tijd waarin iemand van jullie vijftig verzen reciteert, alvorens hij zijn hoofd ophief. Hij verrichtte twee rak`as voor het fadjr-gebed. Daarna ging hij op rechterzij liggen, totdat de gebedsoproeper bij hem kwam voor het gebed.

538. Overgeleverd van `Aaichah is dat zij heeft gezegd: De Boodschapper van AllahSallalahu 'alaihi wasalam heeft witt gebeden tijdens elk moment van de nacht. Hij eindigde met het bidden van witr tot vlak voor het ochtendgloren.'

Hoofdstuk: Laat men het laatste van zijn gebed oneven zijn
539. Overgeleverd van Ibn `Omar is dat hij heeft gezegd dat de Profeet heeft gezegd: "Laat het laatste van jullie nachtelijke gebeden oneven [witr] zijn."

Hoofdstuk: Witr op een dier verrichten

540. Overgeleverd van `Abdullaah Ibn 'Omar is dat hij heeft gezegd: `De Boodschapper van Allah verrichtte witr op een kameel.'

Hoofdstuk: Het reciteren van qunoet [smeekbede] vr en na de buiging
541. Overgeleverd van Anas is dat hem werd gevraagd of de Profeet qunoet verrichtte tijdens het ochtendgebed. Hij antwoordde: `Ja.' Men vroeg: `Verrichtte hij qunoet vr de buiging?' Hij antwoordde: `Na de buiging voor een korte periode.'

542. Overgeleverd van Anas is dat hem werd gevraagd over de qunoet. Hij antwoordde: `De qunoet werd verricht.' Men vroeg: Vr of na de buiging?' Hij antwoordde: `Ervoor.' Hij zei: Die-en-die heeft mij echter verteld dat jij na de buiging zegt.' Hij antwoordde: `Hij heeft zich ergist. De Boodschapper van AllahSallalahu 'alaihi wasalam heeft [slechts] een maand lang na de buigzing qunoet verricht. Ik denk dat hij een troep mensen, die `de recitatoren' werden genoemd, bestaande uit ongeveer zeventig mannen, naar een volk van veelgodenaanbidders stuurde. Zij waren in aantal minder dan zij. Tussen hen en de Boodschapcr van Allah was een verbond [die zij echter verbraken en zij doodden de `recitatoren']. Daarom verrichtte de Boodschapper van AllahSallalahu 'alaihi wasalam een maand lang qunoet, waarin hij aanroeping tegen hen verrichtte.'

In een andere overlevering van hem zegt hij: `De Boodschapper van AllahSallalahu 'alaihi wasalam verrichtte een maand lang qunoet, waarin aanroeping deed tegen [de stammen van] Ri`l en Dhakwaan.'

543. Hij heeft ook gezegd: `De qunoet werd verricht tijdens het maghreb- en het -fadjr-gebed.'

16. Het boek van het vragen om regen

Top I

Hoofdstuk: Het vragen om regen
544. Overgeleverd van `Abdullaah Ibn Zayd is dat hij heeft gezegd: `De Boodschapper van AllahSallalahu 'alaihi wasalam vertrok om om regen te bidden. Hij keerde daarbij zijn gewaad binnenstebuiten.' In een andere versie van hem heeft hij gezegd: `Vervolgens had hij twee rak`as.'

Hoofdstuk: De aanroeping van de Profeet "0 Allah, laat hun [ellende] zijn als de droogte en hongersnood ten tijde van Yoesoef."
545. Overgeleverd van Abu Hurairah is de eerder vermelde overlevering [nr. 459] waarin de Profeet aanroeping verrichtte voor de onderdrukten van de gelovigen en tegen [de stam van] Mudhar. Aan het einde van deze overlevering staat dat de Profeet heeft gezegd: "[De stam van] Ghifaar moge Allah hen vergeven en [de stam van] Aslam moge Allah hen vrede geven."

546. Overgeleverd van `Abdullaah Ibn Mas`ood is dat hij heeft gezegd: `Toen de Profeet zag dat zijn volk [de stam van Quraish] zich afwendde [van de islaam], zei hij: "O Allah, [zend op hen] zeven [jaren van droogte] net als de zeven [jaren van droogte] van Yoesoef" Zij [de stam van Quraish] werden getroffen door een droogte die alles uitroeide, totdat zij zelfs dierenhuiden, kadavers en bedorven vlees aten. Als zij naar de hemel keken, zagen zij rook vanwege de honger. Daarom kwam Abu Sufyaan naar hem toe en zei: `O Mohammad, jij beveelt om Allah te gehoorzamen en om de familiebanden aan te halen. Jouw volk is vernietigd. Roep Allah daarom voor hen aan.' Allah heeft gezegd: (Wacht daarom op de Dag waarop de hemel een zichtbare rook zal voortbrengen ... Voorwaar jullie zullen terugkeren [naar ongeloof]. Op de Dag wanneer Wij jullie zullen grijpen met groot geweld. Voorwaar, Wij zullen wraak nemen.) [Soerah Ad-Dukhaan (44):10 - 16]. Het grote geweld daarmee wordt de dag van Badr bedoeld. De rook is reeds gepasseerd, alsmede het geweld, de strijd en het [eerste] vers uit Soerah Ar-Roem.'

Overgeleverd van 1bn 'Omar is dat hij heeft gezegd: `Ik dacht aan een uitspraak van de dichter, toen ik keek naar het gezicht van de Profeet terwijl hij om regen vroeg. Hij daalde pas neer als elke dakgoot tekeerging [vanwege het overvloedige regenwater]. Het betreft de uitspraak van Abu Taalib: `Een witte [man] die verzocht wordt om regen te vragen met de wolken in het gezicht, de verzorger van de wezen en beschermer van de weduwen'.'

548. Overgeleverd van 'Omar Ibn Al-Khattaab is dat als zij droogte hadden, Al-Abbaas Ibn Abdil-Muttalib verzocht om regen te vragen. Hij zei dan: `O Allah, wij zochten toenadering tot U middels [de aanroeping verricht door] onze Profeet [tijdens zijn leven] en U gaf ons regen. Nu vragen wij U middels [de aanroeping verricht door] de oom van vaderskant van onze Profeet: geef ons regen.' Zij ontvingen dan ook daadwerkelijk regen..

Hoofdstuk: Vragen om regen in de moskee waar het gezamenlijke gebed wordt verricht
549. De overlevering van Anas met betrekking tot de man die de moskee binnenkwam, terwijl de Profeet staand aan het preken was. Hij vroeg hem om aanroeping te doen omwille van regen. Deze overlevering is al vaak vermeld. In deze versie: 'Wij zagen de zon vervolgens zes dagen niet meer. Daarna kwam op de volgende vrijdag een man via dezelfde deur binnen. De Boodschapper van AllahSallalahu 'alaihi wasalam stond weer te preken. Hij ging tegenover hem staan en zei: `0 Boodschapper van AllahSallalahu 'alaihi wasalam, de bezittingen [vee] zijn vernietigd en de wegen zijn afgesneden. Wilt u Allah daarom voor ons aanroepen om het [de regen] voor ons weg te nemen?' Hierop hief de Boodschapper van AllahSallalahu 'alaihi wasalam zijn handen op en zei: "0 Allah, om ons heen en niet op ons. 0 Allah, op de heuvels, de bergen, de rotsen, de valleibodems en waar de bomen groeien." Hierop hield het op met regenen. Wij liepen naar buiten in de zon.'

Hoofdstuk: Vragen om regen tijdens de vrijdagpreek, zonder gewend te zijn naar de gebedsrichting
550. Van hem is ook overgeleverd dat hij zijn handen ophief en zei: "0 Allah, schenk ons regen. 0 Allah, schenk ons regen. 0 Allah, schenk ons regen."

Hoofdstuk: Hoe de Profeet zijn rug naar de mensen wendde
551. De overlevering van `Abdullaah Ibn Zayd inzake het vragen om regen, die reeds eerder is vermeld [nr. 544]. In deze versie heeft hij gezegd: `Hij wendde zijn rug naar de mensen en wendde zich aan aanroepend naar de gebedsrichting. Vervolgens keerde hij zijn gewaad binnenstebuiten. Daarna verrichtte hij met ons twee rak'as, waarin hij hardop reciteerde.'

Hoofdstuk: De imaam heft zijn handen op tijdens het vragen om regen
552. Overgeleverd van Anas is dat hij heeft gezegd: `De Profeet hief zijn handen bij geen enkele aanroeping op, behalve bij het vragen om regen. Hij hief ze op, dat de witheid van zijn oksels te zien was.

Hoofdstuk: Wat gezegd wordt als het regent
553. Overgeleverd van `Aaichah is dat de Boodschapper van Allah, als hij regen zag, zei: "0 Allah, [laat het] nuttige regenval [zijn]."

Hoofdstuk: Als de wind waait
554. Overgeleverd van Anas is dat hij heeft gezegd: `Als er een hevige wind waaide, kon men dat aflezen aan het gezicht van de Profeet.'

Hoofdstuk: De uitspraak van de Profeet: "Mij is overwinning geschonken door de oostenwind."
555. Overgeleverd van lbn `Abbaas is dat de Profeet heeft gezegd: "Mij is overwinning geschonken door de oostenwind en `Aad is vernietigd door de westenwind."

Hoofdstuk: Wat er is gezegd over aardbevingen en de tekenen
556. Overgeleverd van Ibn 'Omar is dat de Profeet heeft gezegd: "0 Allah, zegen onze Levant en onze Jemen." Men vroeg: 'En onze Nadjd?' Hij zei: "0 Allah, zegen onze Levant en onze Jemen." Men vroeg: 'En onze Nadjd?' Hij zei: "Daar [in Nadjd] zijn de aardbevingen en de beproevingen en daar bevindt zich de hoorn van de shaytaan."

Hoofdstuk: Niemand behalve Allah weet wanneer het gaat regenen
557. Overgeleverd van Ibn 'Omar is dat de Boodschapper van AllahSallalahu 'alaihi wasalam heeft gezegd: "De sleutel van het verborgene bestaat uit vijf [zaken] die alleen Allah weet: niemand weet wat er morgen zal plaatsvinden; niemand weet wat zich in de baarmoeders zal bevinden; geen enkele ziel weet wat hij morgen zal verdienen; geen enkele ziel weet in welk land hij zal overlijden; en niemand weet wanneer het zal regenen."

Top I
17. Het boek van de eclips

Hoofdstuk: Bidden bij zonsverduistering
558. Overgeleverd van Abu Bakrah is dat hij heeft gezegd: `Wij waren eens bij de Boodschapper van AllahSallalahu 'alaihi wasalam toen de zon verduisterde. De Profeet stond op, terwijl hij zijn gewaad over de grond sleepte, totdat hij de moskee betrad. Wij gingen ook naar binnen. Hij bad met ons twee rak`as. Toen de zon weer helder was, zei hij: "De zon en de maan verduisteren niet vanwege de dood van iemand. Als jullie hen dus [verduisterd] zien, bid dan en doe aanroeping, totdat de eclips weer is opgehelderd." In een andere versie van hem zegt hij dat hij heeft gezegd: "Maar Allah boezemt daarmee Zijn dienaren angst in." De overlevering met betrekking tot de eclips is veelvuldig herhaald. In de overlevering van Al-Mughierah Ibn Sho`bah heeft hij gezegd: `De zon verduisterde ten tijde van de Boodschapper van AllahSallalahu 'alaihi wasalam op de dag dat [zijn zoon van Maariah Al-Qibtiyyah] Ibraahiem overeed. De mensen zeiden: `De zon is verduisterd vanwege het overlijden van lbraahiem.' De Boodschapper van AllahSallalahu 'alaihi wasalam zei toen: "De zon en de maan verduisteren niet vanwege de dood of de geboorte van iemand. Als jullie hen dus [verduisterd] zien, bid dan en roep Allah aan".'

Hoofdstuk: Geven van aalmoezen bij zonsverduistering
559. Overgeleverd van `Aaichahi is dat zij heeft gezegd: `De zon verduisterde ten tijde van de Boodschapper van AllahSallalahu 'alaihi wasalam. Hierop leidde de Boodschapper van Allah de mensen in het gebed en hij verlengde zijn staan [giyaam]. Daarna boog hij en hij verlengde zijn buiging. Vervolgens stond hij en hij verlengde zijn staan, maar wel minder lang dan de eerste staande positie. Daarna boog hij en hij verlengde zijn buiging, maar wel minder lang dan de eerste buiging. Hierna knielde hij en hij verlengde zijn knieling. Vervolgens deed hij in de tweede rak`ah hetzelfde als wat hij had gedaan in de eerste. Uiteindelijk draaide de Boodschapper zich om, terwijl de zon weer tevoorschijn was gekomen. Hij preekte voor de mensen, loofde Allah en prees Hem, en zei: "De zon en de maan behoren tot de tekenen van Allah, en zij verduisteren niet vanwege de dood of de geboorte van iemand. Als jullie hen dus [verduisterd] zien, roep dan Allah aan, spreek de takbier uit, bid en geef aalmoezen." Vervolgens zei hij: "0 natie van Mohammad! Er is niemand jaloerser dan Allah als Zijn dienaar of dienares overspel pleegt. 0 natie van Mohammad! Bij Allah, als jullie zouden weten wat ik weet, dan hadden jullie veel gehuild en weinig gelachen".'

Hoofdstuk: Het oproepen tot het gezamenlijke gebed bij een eclips
560. Overgeleverd van Abdullaah Ibn Amr is dat hij heeft gezegd: 'Toen de zon verduisterde ten tijde van de Boodschapper van AllahSallalahu 'alaihi wasalam werd er opgeroepen: `Het gebed word gezamenlijk verricht.'

Hoofdstuk: Het vragen van bescherming tegen de kwelling van het graf tijdens een eclips
561. Overgeleverd van `Aaichah de echtgenote van de Profeet is dat een jodin bij haar kwam bedelen. Daarna zei zij [de jodin] tegen haar: `Moge Allah je beschermen tegen de kwelling van het graf' Hierop vroeg Aaichah de Boodschapper van AllahSallalahu 'alaihi wasalam: Worden de mensen gekweld in hun graven?' De Boodschapper van AllahSallalahu 'alaihi wasalam antwoordde: Ik zoek bescherming hij Allah daartegen." Vervolgens noemt zij de overlevering van de eclips en zegt op het einde: Vervolgens droeg hij hen op om becherming te vragen tegen de kwelling van het graf.'

Hoofdstuk: Het gezamenlijke eclipsgebed
562. Overgeleverd van Abdullaah Ibn Abbaas is dat hij de lange overlevering van de eclips heeft genoemd vervolgens heeft hij gezegd dat men vroeg: `O Boodschapper van AllahSallalahu 'alaihi wasalam, wij zagen dat u ergens naar greep op uw plek en daarna liep u achteruit.' Hij antwoordde: "Ik zag het paradijs en ik greep naar een tros. Als ik hem te pakken had gekregen, dan hadden jullie ervan kunnen eten zolang de wereld bestaat. Ik heb ook het vuur gezien. Ik heb nooit zo'n afschuwelijk aanblik gezien als vandaag. lk heb ook gezien dat de meesten van zijn bewoners bestaan uit vrouwen." Zij vroegen: `Hoe komt dat, o Boodschapper van AllahSallalahu 'alaihi wasalam?' Hij antwoordde: "Vanwege hun ondankbaarheid." Men vroeg: `Zijn zij Allah ondankbaar?' Hij antwoordde: `Zij zijn hun echtgenoten ondankbaar en zij ontkennen goedheid. Als jij je hele leven goed voor iemand van hen bent en zij vervolgens iets van jou ziet, zal zij zeggen: `Tk heb nooit iets goeds van jou gezien'."

Hoofdstuk: Wie graag [slaven] wil vrij laten bij zonsverduistering
563. Overgeleverd van Asmaa dat zij heeft gezegd: De Profeet heeft opgedragen om vrijlating [van slaven] hij zonsverduistering.'

Hoofdstuk: Gedenking bij een eclips
564. Overgeleverd van Abu Moesaa is dat hij heeft gezegd: `Toen de zon verduisterde, stond de Profeet geschrokken op. Hij vreesde dat het Uur zou aanbreken. Hij kwam naar de moskee en verrichtte een gebed met het langste staan, de langste buiging en knieling die ik ooit van hem had gezien. Hij zei toen: "Deze tekenen worden door Allah gezonden, niet vanwege het overlijden of de geboorte van Iemand. Allah boezemt er echter angst mee in hij Zijn dienaren. Als jullie hiervan iets zien, vlucht dan naar Zijn gedenking, Zijn aanroeping en Zijn vergiffenis".'

Hoofdstuk: Hardop reciteren bij een eclips
565. Overgeleverd van `Aaichah is dat zij heeft gezegd: `De Profeet reciteerde hardop tijdens het erlipsgebed. Toen hij klaar was met zijn recitatie, sprak hij de takbier uit en boog. Nadat hij zich had opgeheven uit de buiging, zei hij: Sami Allahu liman hamidah. Rahbanaa walak alhamd [Allah hoort wie Hem looft. 0 onze Heer, U komt alle lof toe]." Vervolgens reciteerde hij opnieuw tijdens het eclipsgebed, bestaande uit vier buigingen en vier knielingen in twee rak`as.'

18. Het boek van knieling tijdens Qor'aan-recitatie en de soennah hierin

Top I

Hoofdstuk: Wat is overgeleverd over Qor'aan-knieling en de soennah hierin
566. Overgeleverd van `Abdullaah Ibn Mas`ood is dat hij heeft gezegd: `De Profeet reciteerde [Soerah nr. 53] An-Nadjm in Mekkah. Hij knielde tijdens de recitatie en de aanwezigen knielden met hem mee, behalve een oude man. Hij nam een handvol zand die hij ophief naar zijn voorhoofd en hij zei: `Dit is genoeg voor mij.' Ik zag dat hij later als ongelovige werd gedood.'

Hoofdstuk: De knieling in Soerah [nr. 38] Saad
567. Overgeleverd van Ibn `Abbaas is dat hij heeft gezegd: `De knieling van [Soerah nr. 38] Saad behoort niet tot de verplichte knielingen. Desondanks zag ik de Profeet ervoor knielen.'

Hoofdstuk: Het knielen van de moslims tezamen met de veelgodenaanbidders, terwijl de veelgodenaanbidder onrein is en geen wudoe' heeft verricht
568. Zijn overlevering dat de Profeet knielde tijdens de recitatie van [Soerah nr. 53] An-Nadjm. Deze is recentelijk vermeld [nr. 566] via de versie van Ibn Mas`ood. In deze overlevering voegt hij eraan toe: `Zowel de moslims, de veelgodenaanbidders, de djinn's als de mensen knielden met hem mee.'

Hoofdstuk: Wie een vers van knieling reciteert, maar niet knielt
569. Overgeleverd van Zayd Ibn Thaabit is dat hij heeft gezegd: `Ik reciteerde voor de Profeet (Soerah nr. 53] Am Nadjm, maar hij knielde niet.'

Hoofdstuk: De knieling van (Als de hemel uiteensplitst ...)
570. Overgeleverd van Abu Hurairah is dar hij (Als de hemel uiteensplitst ...) Soerah Al-Inshigaaq (84)] reciteerde en vervolgens knielde. Toen men hem daar over vroeg, antwoordde hij: Als ik de Profeet niet had zien knielen, dan had ik niet geknield.'

Hoofdstuk: Wie wegens drukte geen plek vindt om te knielen
571. Overgeleverd van Ibn 'Omar is dat hij heeft gezegd: `Als de Profeet voor ons een Soerah reciteerde met Daarin een knieling, dan knielde hij en knielden wij. 'Totdat sommigen van ons geen plek konden vinden om hun voor hoofd neer te leggen.'

19. Het boek van het verkorten van het gebed

Top I

Hoofdstuk: Wat is overgeleverd overhet verkorten en hoelang men moet verblijven om te verkorten
572. Overgeleverd van Ibn `Abbaas is dat hij heeft gezegd: `De Profeet verbleef eens negentien [dagen] terwijl hij het gebed verkortte.'

573. Overgeleverd van Anas is dat hij heeft gezegd: `Wij vertrokken samen met de Profeet van Al-Madienah naar Mekkah. Hij bad steeds twee, twee rak'as, totdat wij naar Al-Madienah terugkeerden.' Er werd hem gevraagd: `Hoelang verbleven jullie in Mekkah?' Hij antwoordde: Wij verbleven daar tien [dagen]'.'

Hoofdstuk: Het gebed in Mina
574. Overgeleverd van `Abdullaah Ibn 'Omar is dat hij heeft gezegd: `Ik heb met de Profeet in Mina twee rak`as gebeden. Zo ook met Abu Bakr en 'Omar en met `Othmaan tijdens het eerste gedeelte van zijn kalifaat. Daarna completeerde hij het gebed.'

575. Overgeleverd van Haarithah Ibn Wahb 4 is dat hij heeft gezegd: `De Profeet bad met ons in Mina twee rak`as, terwijl het zo veilig was als maar kan.'

576. Overgeleverd van Ibn Mas`ood is dat men hem vroeg: `Othmaan bidt met ons in Mina vier rak`as.' Hij zei toen: 'Voorwaar, aan Allah behoren wij en voorwaar, tot Hem zullen wij terugkeren.' Vervolgens zei hij: `Ik heb met de Boodschapper van AllahSallalahu 'alaihi wasalam in Mina twee rak`as gebeden. Ik heb met Abu Bakr As-Siddieq in Mina twee rak`as gebeden. En ik heb met 'Omar Ibn Al-Khattaab in Mina twee rak`as gebeden. Ik hoop dat van de vier rak`as mij er twee rak`as als geaccepteerd worden toegerekend.'

Hoofdstuk: Bij welke reisafstand het gebed wordt verkort
577. Overgeleverd van Abu Hurairah is dat de Profeet heeft gezegd: "Het is voor een vrouw die gelooft in Allah en de Laatste Dag niet toegestaan om een reisafstand van een dag af te leggen, zonder dat zij vergezeld wordt door een mahram."

Hoofdstuk: Men bidt het maghreb gebed op reis in drie rak`as
578. Overgeleverd van `Abdullaah Ibn Omar is dat hij heeft gezegd: Als de Profeet haast had tijdens een reis, zag ik dat hij het maghreb-gebed uitstelde en het in drie rak`as had. Daarna verrichtte hij de tasliem. Daarna kwam het niet vaak voor dat hij wachtte voordat hij opriep tot het beginnen van het 'ishaa-gebed en het in twee rak`as bad. Daarna verrichtte hij de tasliem. Hij verrichtte na het `ishaa-gebed geen vrijwillige gebeden, totdat hij in het midden van de nacht opstond.'

579. Overgeleverd van Djaabir is dat hij heeft gezegd: `De Profeet verrichtte rijdend de vrijwillige gebeden, zonder gewend te zijn tot de gebedsrichting.'

Hoofdstuk: Het vrijwillige gebed op een ezel verrichten
580. Overgeleverd van Anas Ibn Maalik is dat hij [rijdend] op een ezel het gebed verrichtte, terwijl zijn gezicht links van de gebedsrichting was gewend. Men vroeg hem: Waarom bid je niet naar de gebedsrichting?' Hij antwoordde: `Als ik de Boodschapper van AllahSallalahu 'alaihi wasalam het niet had zien doen, dan had ik het ook niet gedaan.'

Hoofdstuk: Wie op reis na het gebed geen vrijwillige gebeden verricht
581. Overgeleverd van lbn 'Omar is dat hij heeft gezegd: `ik heb de Profeet vergezeld en ik heb hem op reis nooit vrijwillige gebeden zien verrichten. Allah heeft immers gezegd: (Voorzeker, in de Boodschapper van AllahSallalahu 'alaihi wasalam hebben jullie een goed voorbeeld.) Soerah Al-Ahzaab (33):37]'.'

Hoofdstuk: Wie op reis vrijwillige gebeden verricht, maar niet vr of na het [verplichte] gebed
582. Overgeleverd van `Aamir Ibn Rabie`ah is dat hij de Profeet het vrijwillige nachtgebed zag verrichten op de rug van zijn rijdier, ongeacht welke richting het opging.'

Hoofdstuk: Het samenvoegen van het maghreb- en `ishaa-gebed op reis
583. Overgeleverd van Ibn `Abbaas is dat hij heeft gezegd: `De Bood schapper van Allah voegde het dhuhr en `asr-gebed samen als hij op reis was. Hij voegde ook het maghreb- en `ishaa-gebed samen.'

Hoofdstuk: Wie niet in staat is om zittend te bidden, mag [liggend] op zijn zij bidden
584. Overgeleverd van Imraan Ibn Husain is dat hij heeft gezegd: `Ik had last van aambeien. Daarom vroeg ik de Profeet over het gebed. Hij zei: "Bid stand. Als je dat niet kunt, dan zittend. En als je dat niet kunt, dan [liggend] op je zij.

Hoofdstuk: Als men zittend bidt en vervolgens beter wordt of zichzelf fit voelt, maakt hij de rest [staand] af
585. Overgeleverd van `Aaichah de moeder van de gelovigen, is dat zij de Boodschapper van AllahSallalahu 'alaihi wasalam nooit zittend heeft zien bidden, totdat hij oud werd. Hij reciteerde dan zittend. Als hij wilde buigen, stond hij op en reciteerde ongeveer dertig of veertig verzen. Vervolgens boog hij.'

586. Van haar is ook in een andere versie overgeleverd: `Vervolgens deed hij in de tweede rak`ah hetzelfde. Als hij klaar was met zijn gebed keek hij; als ik wakker was, praatte hij met mij. Als ik sliep, ging hij liggen.'

20. Het boek van de tahadjud * - gebeden

Top I
Hoofdstuk: Het tahadjud-gebed tijdens de nacht
587. Overgeleverd van Ibn `Abbaas is dat de Profeet als hij tijdens de nacht opstond om tahadjud te bidden, zei: "0 Allah, aan U komt alle lof toe; U bent de Handhaver van de hemelen en de aarde en van wie zich daarin bevindt. En aan U komt alle lof toe; U bent het Licht van de hemelen en de aarde en van wie zich daarin bevindt. En aan U komt alle lof toe; U bent de Koning van de hemelen en de aarde en van wie zich daarin bevindt. En aan U komt alle lof toe; U bent de Waarheid, Uw Belofte is waarheid, de ontmoering met U is waarheid, Uw Woord is waarheid, het paradijs is waarheid, het vuur is waarheid, de Profeten zijn waarheid, Mohammad is waarheid en het Uur is waarheid. 0 Allah, aan U heb ik mij overgegeven, in U geloof ik, op U vertrouw ik, naar U keer ik in berouw terug, met U vecht ik en tot U wend ik mij voor arbitrage. Vergeeft U mij daarom wat ik eerder en later heb gedaan, wat ik heimelijk cn publiekelijk heb gedaan. U brengt naderbij en U brengt naderbij en zendt weg, er is geen ware God behalve U. En er is geen macht en geen kracht behalve met Allah.

* Tahadjud: vrijwillige nachtgebeden die op elk moment, na het `ishaa-gebed en vdr het fadjr gebed, verricht kunnen worden.

Hoofdstuk: De verdienste van de vrij willige nachtgebeden
588. Overgeleverd van Ibn 'Omar is dat hij heeft gezegd: `Tijdens het leven van de Profeet was het zo dat als iemand een droom had gehad, hij deze aan de Boodschapper van AllahSallalahu 'alaihi wasalam vertelde. Daarom verlangde ik ernaar om een droom te krijgen, zodat ik deze aan de Boodschapper van Allah kon vertellen. Ik was toen een jonge knaap die in de moskee sliep tijdens het leven van de Boodschapper van AllahSallalahu 'alaihi wasalam. Ik droomde eens dat twee engelen mij grepen en mij meenamen naar het vuur. Het was omringd met een muur, net zoals een put omringd is met een muur. Het had twee kanten. Ik trof daar mensen aan die ik herkende. Ik begon te zeggen: `Ik zoek bescherming bij Allah tegen het vuur.' Een andere engel kwam ons tegen en zei tegen mij: Wees niet bang.' Ik vertelde mijn droom aan Hafsah, die hem op haar beurt vertelde aan de Boodschapper van AllahSallalahu 'alaihi wasalam. Hij zei toen: "Wat een goede man is `Abdullaah. Verrichtte hij maar gebeden tijdens de nacht".' Vanaf dat moment sliep hij slechts weinig tijdens de nacht.

Hoofdstuk: Een zieke die geen vrijwillige nachtgebeden verricht
589. Overgeleverd van Djundub Ibn Abdillaah is dat hij heeft gezegd: `De Profeet werd eens ziek, waardoor hij tijdens n of twee nachten geen vrijwillige gebeden verrichtte.'

Hoofdstuk: De Profeet spoorde aan tot het verrichten van vrijwillige gebeden overdag en in de nacht, zonder dit te verplichten
590. Overgeleverd van `Ali Ibn Abi Taalib is dat de Boodschapper van AllahSallalahu 'alaihi wasalam op een nacht bij hem en Faatimah - de dochter van de Boodschapper van AllahSallalahu 'alaihi wasalam - [thuis] kwam en tegen hen zei: "Bidden jullie [twee] niet [tijdens de nacht]?" Hij zegt dat hij antwoordde: `O Boodschapper van AllahSallalahu 'alaihi wasalam, onze zielen zijn in de Hand van Allah. Als Hij wil ons wil laten ontwaken, laat Hij ons ontwaken.' Toen wij dit zeiden, verliet hij ons zonder te reageren op mij. Toen hij wegliep, sloeg hij op zijn dij en ik hoorde hem zeggen: "(Maar de mens is meer twistziek dan alles.) [Soerah Al-Kahf (18):54]."

591. Overgeleverd van `Aaichah is dat zij heeft gezegd: `De Boodschapper van AllahSallalahu 'alaihi wasalam liet het verrichten van sommige daden graag verricht zou hebben, uit angst dat de mensen ernaar zouden handelen en ze vervolgens voor hen verplicht gesteld zouden worden. De Boodschapper van AllahSallalahu 'alaihi wasalam heeft nooit het vrijwillige voormiddaggebed verricht, maar ik verricht het wel vrijwillig.'

Hoofdstuk: De Profeet stond in de nacht op om te bidden, totdat zijn voeten opzwelden
592. Overgeleverd van Al-Mughierah lbn Sho`bah is dat hij heeft gezegd: `De Profeet stond in de nacht op om te bidden, totdat zijn voeten (of: benen) opzwelden. Als men hem dan hierover vroeg, antwoordde hij: "Moet ik dan geen dankbare dienaar zijn?"'

Hoofdstuk: Wie slaapt vlak voor het aanbreken van de dag
593. Overgeleverd van `Abdullaah Ibn `Amr Ibn Al-`Aas is dat de Boodschapper van Allah tegen hem heeft gezegd: "Het meest geliefde gebed bij Allah is het gebed van Daawoed. En het meest geliefde vasten bij Allah is het vasten van Daawoed Hij sliep de helft van de nacht, had een derde van de nacht en sliep weer een zesde van de nacht. En hij vastte n dag en at n dag."

594. Overgeleverd van `Aaichah is dat zij heeft gezegd: `De meest geliefde daad bij de Profeet was [de daad] die blijvend was.' Men vroeg haar: Wanneer stond hij op?' Zij antwoordde: `Hij stond op als hij de haan hoorde kraaien.'

595. In een andere overlevering: `Als hij de haan hoorde kraaien stond hij op om te bidden.'

596. In een andere overlevering van haar zegt zij: `Vlak voor het aanbreken van de dag, sliep hij altijd bij mij.' Zij bedoelde hiermee de Profeet.

Hoofdstuk: Lang staan tijdens de nachtgebeden
597. Overgeleverd van `Abdullaah Ibn Mas`ood is dat hij heeft gezegd: 'Tijdens een nacht bad ik met de Profeet Hij bleef zo lang staan dat ik van plan was om een slechte daad te begaan.' Men vroeg: Wat was je dan van plan?' Hij antwoordde: `Ik was van plan om te gaan zitten en de Profeet te laten staan.'

Hoofdstuk: Het nachtgebed van de Profeet en het aantal rak`as dat hij verrichtte
598. Overgeleverd van Tbn `Abbaas is dat hij heeft gezegd: `Het gebed van Profeet tijdens de nacht bestond uit dertien rak`as.'

599. Overgeleverd van `Aaichah is dat zij heeft gezegd: `De Profeet bad gewoonlijk dertien rak`as tijdens de nacht, waaronder het witr-gebed en de twee [vrijwillige] rak`as voor het fadjr-gebed.'

Hoofdstuk: Het bidden en slapen van de Profeet tijdens de nacht en de afgeschafte nachtgeheden
600. Overgeleverd van Anas lbn Maalik is dat hij heeft gezegd: De Profeet vastte soms tijdens sommige maanden niet, totdat wij dachten dat hij de hele maand niet had gevast. En dan vastte hij soms weer, totdat wij dachten dat hij de hele maand niet had gegeten. Als je hem tijdens de nacht biddend wilde zien, dan zag je hem ook daadwerkelijk zo. Wilde je hem slapend zien, dan zag je hem ook daadwerkelijk zo.'

Hoofdstuk: De duivel zet knopen op het achterhoofd als men niet bidt tijdens de nacht
601. Overgeleverd van Abu Hurairah dat de Boodschapper van AllahSallalahu 'alaihi wasalam heeft gezegd: "Als iemand van jullie slaapt, dan knoopt de duivel [shaytaan] drie knopen op zijn achterhoofd. Hij slaat bij elke knoop [en zegt]: `Blijf nog een lange nacht slapen.' Als hij nu echter opstaat en Allah gedenkt, raakt n knoop los. Als hij vervolgens wudoe' verricht, raakt nog een knoop los. Als hij bidt, raakt nog een knoop los. Hij zal dan in de ochtend energiek zijn en in een goede stemming verkeren. En anders zal hij in de ochtend in een slechte stemming verkeren en lui zijn."

Hoofdstuk: Als men slaapt en niet bidt, urineert de shaytaan in zijn oor
502. Overgeleverd van `Abdullaah dat bij de Boodschapper van AllahSallalahu 'alaihi wasalam een man werd genoemd die de hele nacht had geslapen, totdat de ochtend aanbrak. Hij zei hierover: "Dat is een man in wiens oor de shaytaan heeft geurineerd."

Hoofdstuk: Het verrichten van aan roeping en gebed aan het einde van de nacht
513. Overgeleverd van Abu Hurairah is dat de Boodschapper van AllahSallalahu 'alaihi wasalam heeft gezegd: "Onze Heer, de Gezegende, de Verhevene, daalt elke nacht neer naar de wereldse hemel, als het laatste derde van de nacht overblijft. Hij zegt dan: "Wie roept Mij aan en Ik zal hem verhoren? Wie vraagt Mij en ik zal hem geven? Wie vraagt Mij om vergeving en Ik zal hem vergeven?""

Hoofdstuk: Wie tijdens het eerste gedeelte van de nacht slaapt en tijdens het laatste gedeelte ervan opstaat
604. Overgeleverd van Aaichah is dat haar werd gevraagd over het gebed van de Profeet tijdens de nacht. Zij zei: Hij sliep tijdens het eerste gedeelte ervan stond op tijdens het laatste gedeelte ervan. Hij bad en keerde daarna terug naar zijn bed. Als de gebedsoproeper de oproep deed, stond hij op. Als hij daar behoefte aan had, verrichtte hij de wassing en anders verrichtte hij de wudoe' en ging naar bulten.

Hoofdstuk: De nachtgebeden van de Profeet tijdens de ramadhaan en daarbuiten
605. Overgeleverd van `Aaichah is dat haar werd gevraagd over zijn gebed tijdens de ramadhaan. Zij zei: `De Boodschapper van AllahSallalahu 'alaihi wasalam overschreed zowel tijdens de ramadhaan als daarbuiten niet de elf rak`as. Hij verrichtte vier rak`as: vraag niet hoe mooi en hoe lang deze waren. Vervolgens verrichtte hij vier rak`as: vraag niet hoe mooi en hoe lang deze waren. Vervolgens verrichtte hij drie rak`as: Zij heeft gezegd dat ze vroeg: `O Boodschapper van AllahSallalahu 'alaihi wasalam, slaapt u voordat u witr heeft gebeden?' Hij antwoordde: "O `Aaichah, mijn ogen slapen, maar mijn hart slaapt niet."

Hoofdstuk: Afkeurenswaardigheid van extremisme in de aanbidding
606. Overgeleverd van Anas is dat hij heeft gezegd: `De Profeet kwam eens binnen, terwijl er een touw gespannen was tussen twee pilaren. Hij vroeg: "Wat is dit voor touw?" Men antwoordde: Dit touw is van Zainab. Als zij verzwakt raakt, houdt zij zich eraan vast.' Hij zei: "Nee, maak het los. Laat iemand van jullie bidden zolang hij energiek is. Als hij verzwakt raakt, laat hij dan gaan zitten".'

Hoofdstuk: Afkeurenswaardigheid van het laten van de nachtgebeden voor wie ze verrichtte
607. Overgeleverd van Abdullaah Ibn Amr 1bn Al-Aas is dat hij heeft gezegd dat de Boodschapper van AllahSallalahu 'alaihi wasalam tegen hem heeft gezegd: "0 Adullaah, wees niet zoals die-en-die; hij had de gewoonte om tijdens de nacht te bidden, maar heeft later de nachtgebeden ge1aten."

Hoofdstuk: De verdienste van wie tijdens de nacht ontwaakt en bidt
608. Overgeleverd van `Ubaadah Tbn As-Saamit is dat de Profeet heeft gezegd: "Wie tijdens de nacht ontwaakt en zegt: 'Er is geen ware God behalve Allah alleen. Hij heeft geen deelgenoot. Aan behoort het Koninkrijk en aan Hem behoort alle lof en Hij is tot alles machtig. Alle lof komt toe aan Allah. Verheerlijkt Alllaah. Er is geen ware god, behalve Allah. En Allah is de Grootste. Er is geen macht en geen kracht behalve met Allah. En vervolgens zegt: `O Allah, vergeef mij.' Of aanroeping verricht; hij worden verhoord. Als hij vervolgens verricht en bidt, wordt zijn gebed geacepteerd."

609. Overgeleverd van Abu Hurairah is dat hij - terwijl hij eens zijn vermanende woorden uitsprak en de Boodschapper van AllahSallalahu 'alaihi wasalam noemde - heeft gezegd: `Een broeder van jullie bezigt geen vulgair taalgebruik.' Hij bedoelde daarmee Adullaah lbn Rawaahah [die de volgende verzen zei:] `En onder ons bevindt zich de Boodschapper van AllahSallalahu 'alaihi wasalam, die Zijn Boek reciteert, als de ochtend aanbreekt. Hij heeft ons de leiding getoond na blindheid. Onze harten zijn ervan overtuigd dat wat hij heeft gezegd zal plaatsvinden. Hij brengt de nacht door gescheiden van zijn bed, terwijl de veelgodenaanbidders in diepe slaap zijn gedompeld.'

610. Overgeleverd van Ibn 'Omar is dat hij heeft gezegd: `Tijdens het leven van de Profeet zag ik in een droom dat ik in mijn hand een stuk brokaat had. Het vloog mij naar elke plek in het paradijs die ik wenste. En ik droomde dat twee personen naar mij kwamen...' En hij noemde de rest van de overlevering die reeds gepasseerd is [nr. 588].

Hoofdstuk: Wat er is overgeleverd omtrent het verrichten van de vrijwillige gebeden in twee twee rak`as
611. Overgeleverd van Djaabir Ibn `Abdillaah is dat hij heeft gezegd: 'De Boodschapper van AllahSallalahu 'alaihi wasalam leerde ons om istikhaarah * te verrichten voor alle zaken net zoals hij ons een soerah uit de Qo'aan leerde. Hij zei: "Als iemand aan jullie besluit om een zaak te ondernemen, laat hij dan twee rak`as bidden buiten de verplichte gebeden om. Vervolgens moet hij zeggen: "0 Allah, ik vraag U het goede bij Uw kennis, en ik vraag U om kracht bij Uw kracht en ik vraag U van Uw geweldige gunst. U hebt kracht en ik heb geen kracht. U bezit [alle] kennis en ik bezit geen kennis; U hebt [allesomvattende kennis van alles wat verborgen is. 0 Allah, als U weet dat deze kwestie goed is voor mij in mijn religie, mijn leven en in mijn uiteindelijke bestemming [in het hiernamaals] - of hij heeft gezegd: "In mijn spoedige en komende leven - schrijf het dan voor mij voor, maak het makkelijk voor mij en zegen het voor mij. En als U weet dat deze kwestie slecht is voor mij in mijn religie, mijn leven en in mijn uiteindelijke bestemming [in het hiernamaals] - of hij heeft gezegd: "In mijn spoedige en komende leven - wend het dan van mij af en wend mij ervan af. Schrijft U mij het goede voor waar het zich ook bevindt en laat mij er vervolgens tevreden mee zijn." Hij zei: "Vervolgens moet hij zijn kwestie noemen." [1162]

* Istikhaarah: een gebed bestaande uit twee Rak'as waarin de persoon in kwestie zich tot Allah om te vragen om leiding naar het rechte pad in een bepaalde kwestie die hij wil ondernemen.

Hoofdstuk Waakzaamheid over de twee rak`as voor het fadjr-gebed en wie ze als vrijwillig benoemt
612. Overgeleverd van Aaichah is dat zij heeft gezegd: `De Profeet was over geen enkele vorm van vrijwillige aanbidding meer waakzaam en alert dan over de twee [vrijwillige] rak`as voor het fadjrgebed.'

Hoofdstuk: Wat gereciteerd wordt tijdens de twee rak`as voor het fadjr-gebed
613. Van haar is ook overgeleverd dat zij heeft gezegd: `De Profeet verlichtte de twee rak`as voor het ochtendgebed, totdat ik me soms afvroeg of hij wel Soerah Al-Faatihah had gereciteerd.'

Hoofdstuk: Het voormiddaggebed verrichten tijdens verblijf
614. Overgeleverd van Abu Hurairah is dat hij heeft gezegd: `Mijn boezemvriend heeft mij drie zaken aanbevolen, die ik nooit zal laten totdat ik sterf: het vasten van drie dagen in elke maand; [het bidden van] het voormiddaggebed; en om het witr-gebed te verrichten vr het slapen gaan.'

Hoofdstuk: De twee rak`as vr het dhuhr-gebed
615. Overgeleverd van `Aaichah is dat de Profeet nooit vier rak`as vr het dhuhr-gebed liet alsook twee rak`as vr het vroege ochtendgebed.

Hoofdstuk: Bidden vr het maghreb-gebed
516. Overgeleverd van `Abdullaah Al-Muzani is dat de Profeet heeft gezegd: "Bid [twee vrijwillige rak`as vr het maghreb-gebed." Na drie keer herhalen, zei hij: "Voor wie dat wil." Hij wilde namelijk niet dat de mensen het als een soennah zouden aanzien.

21. Het boek van het gebed in de moskee van Mekkah en Al-Madienah.

Top I

Hoofdstuk: De verdienste van het gebed in de moskee van Mekkah en Al-Madienah
617. Overgeleverd van Abu Hurairah is dat de Profeet heeft gezegd: "Men mag slechts afreizen naar drie moskeen: de moskee van de Boodschapper, Masdjid Al-Naraam en Masdjid Al-Aqsaa."

618. Overgeleverd van Abu Hurairah is dat de Profeet heeft gezegd: "Een gebed in deze moskee van mij is beter dan duizend gebeden in andere moskeen, behalve in Masdjid Al-Haraam."

Hoofdstuk: De moskee van Qubaa'
619. Overgeleverd van Ibn 'Omar is dat hij het voormiddaggebed slechts op twee momenten verrichtte: als hij aankwam in Mekkah, omdat hij daar altijd in de voormiddag aankwam. Hij verrichtte dan de rondgang om het huis en bad vervolgens twee rak`as achter de standplaats van Ibraahiem. En op de dag dat hij naar de moskee van Qubaa' kwam. Hij kwam namelijk elke zaterdag naar Qubaa'. Als hij de moskee binnenkwam, wilde hij deze pas verlaten na erin gebeden te hebben. Hij vertelde ook dat de Boodschapper van AllahSallalahu 'alaihi wasalam hem [de moskee van Qubaa'] zowel rijdend als lopend bezocht. En hij zei: `Ik doe zoals ik mijn metgezellen heb zien doen. Ik houd niemand tegen om op elk moment tijdens de nacht of de dag te bidden. Beoog echter [met jullie gebed] geen zonsopgang en ook niet haar ondergang.'

Hoofdstuk: De verdienste van wat zich tussen het graf en de preekstoel bevindt
620. Overgeleverd van Abu Hurairah is dat de Profeet heeft gezegd: "Wat zich tussen mijn huis en mijn preekstoel bevindt is een tuin van de tuinen van het paradijs. Mijn preekstoel bevindt zich bonen mijn hawdh [bassin, waarmee Alhaw-Kawthar wordt bedoeld]."

22. Het boek van Bezigheid tijdens het Gebed

Hoofdstuk: Verboden spraak tijdens het gebed
621. Overgeleverd van Abdullaah Ibn Mas`ood is dat hij heeft gezegd: groetten de Profeet terwijl hij zich in gebed bevond en hij groette ons dan terug. Toen wij echter terugkwamen van An-Nadjaashi groetten wij hem, maar hij groette ons niet terug. Hij zei: "Tijdens het gebed bevindt zich een [geweldige] bezigheid".'

622. En in een overlevering van Zayd Ibn Argam is dat hij heeft gezegd: `Wij spraken elkaar gewoonlijk tijdens het gebed, totdat [het volgende vers] werd geopenbaard: (En sta voor Allah in oprechte gehoorzaamheid) [Soerah Al-Bagarah (2):238]. Het werd ons toen verplicht om te zwijgen.'

Hoofdstuk: Het wegvegen van kiezelsteentjes tijdens het gebed
623. Overgeleverd van Mu`aigieb is dat de Profeet over een man die de aarde waarop hij knielde glad streek, heeft gezegd: "Als je dat per se moet doen, doe het dan n keer."

Hoofdstuk: Als een rijdier ontsnapt tijdens het gebed
624. Overgeleverd van Abu Barzah Al-Aslami is dat hij eens tijdens een veldslag aan het bidden was met de teugels van zijn rijdier in zijn hand. Het rijdier begon zich te verzetten en hij volgde het. Toen men hem hierop aansprak, zei hij: `Ik heb zes, zeven of acht veldslagen met de Boodschapper van Allah meegemaakt. Ik heb zijn mildheid gezien. Ik heb liever dat ik terugkeer met mijn rijdier, dan dat ik het laat terugkeren naar zijn stal en ik het daardoor moeilijk krijg.'

625. Overgeleverd van Aaichah is dat zij de overlevering van de eclips noemde. In deze overlevering zegt hij: "En ik heb het vuur gezien met zijn onderlinge delen die elkaar vernietigen. In het vuur zag ik Amr Ibn Luhayy, die [de traditie vang As-Sawaa'ib * heeft gentroduceerd." * As-Sawaa'ib [meervoud van Saa'ibah]: is een vrouwtjeskameel die de veelgodenaanbiders vrijlieten voor hun afgod. Zij mocht vrijelijk grazen en drinken en hoefde geen last te dragen.. [Ontleend aan o.a.: Tafsier Tbn Kathier, hij de uitleg van vers 103 van Soerah Al-Maa'idah] [Voetnoor van de vertaler]

Hoofdstuk: Men groet niet terug tijdens het gebed
626. Overgeleverd van Djaabir Ibn `Abdillaah is dat hij heeft gezegd: `De Boodschapper van AllahSallalahu 'alaihi wasalam zond mij voor een taak, waarop ik vertrok. Toen ik terugkeerde, had ik de taak volbracht. lk kwam bij de Profeet en groette hem. Hij groette mij echter niet terug. Mijn hart raakte vervuld van verdriet, waarvan Allah weet hoe erg. Ik zei in mezelf: Wellicht is de Boodschapper van AllahSallalahu 'alaihi wasalam boos op mij omdat ik niet snel genoeg ben teruggekomen.' lk groette hem nogmaals, maar hij groette mij niet terug. Het verdriet in mijn hart werd nog erger dan de eerste keer. Vervolgens groette ik hem nogmaals en hij groette mij terug en zei: "Wat mij ervan weerhield om je terug te groeten was dat ik in gebed was." Hij bevond zich op zijn rijdier, niet naar de gebedsrichting gewend.'

Hoofdstuk: Met de handen op de lenden bidden
627. Overgeleverd van Abu Hurairah is dat de Profeet heeft verboden dat men bidt met zijn handen op zijn lenden.

23. Het boek van vergeetachtigheid tijdens het gebed

Top I
Hoofdstuk: Als men vijf [rak`asl heeft gebeden
628. Overgeleverd van `Abdullaah Tbn Mas`ood is dat de Boodschapper van AllahSallalahu 'alaihi wasalam eens het dhuhr-gebed verrichtte met vijf rak`as. Men vroeg hem: 'Is het gebed uitgebreid?' Hij vroeg: "Hoezo?" Men zei: `U heeft vijf rak`as gebeden.' Hierop knielde hij tweemaal na het verrichten van de tasliem.

Hoofdstuk: Als men wordt aangesproken tijdens het gebed, met zijn hand gebaart en luistert
629. Overgeleverd van Umm Salamah is dat zij heeft gezegd: `Ik heb de Profeet de twee rak`as na het `asr-gebed noren verbieden. Vervolgens zag ik hem deze [twee rak`as] bidden, terwijl zich bij mij vrouwen van de Ansaar bevonden. Ik stuurde een slavin naar hem toe en zei tegen haar: `Ga naast hem staan en zeg tegen hem dat Umm Salamah u het volgende vraagt: `O Boodschapper van AllahSallalahu 'alaihi wasalam, ik heb u deze twee [rak`asj horen verbieden en nu zie ik u ze bidden.' Als hij met zijn hand wuift, wacht dan op hem.' De slavin deed dit en hij wuifde met zijn hand, waarop zij op hem wachtte. Toen hij zijn gebed had afgemaakt, zei hij: "0 dochter van Abu Umayyah, jij vroeg me over de twee rak`as na het `asr-gebed. Er kwamen mensen naar mij toe [van de stam] van `Ahd Al-Qais en hielden mij bezig, waardoor ik de twee rak`as na het dhuhr-gebed niet kon verrichten. Dat zijn dus deze twee [rak`as die ik net heb verricht]."

24 Het boek van uitvaarten [djanaa'iz]

Top I
Hoofdstuk: Wiens laatste woorden 'Laa Ilaaha IllAllah [er is geen ware God behalve Allah]' zijn
630. Overgeleverd van Abu Dharr is dat de Boodschapper van AllahSallalahu 'alaihi wasalam heeft gezegd: `Er is iemand [Djihriel] bij mijn Heer vandaan naar mij toegekomen die mij vertelde (of het goede nieuws bracht) dat elk persoon van mijn ummah die geen enkele deelgenoot aan Allah toekent, het naradijs zal betreden." Ik vroeg: `Ook al heeft hij overspel gepleegd en gestolen?' Hij antwoordde: "Ook al heeft hij overspel gepleegd en gestolen."

631. Overgeleverd van `Abdullaah Ibn Mas`ood is dat de Boodschapper van AllahSallalahu 'alaihi wasalam heeft gezegd: "Wie overlijdt tertijl hij een deelgenoot aan Allah toeschrijft, zal het vuur betreden." En ik zeg: Wie overlijdt zonder ook maar een enkele deelgenoot aan Allah toe te schrijven, zal het paradijs betreden.'

Hoofdstuk: Het gebod om de begrafenisstoeten te volgen
632. Overgeleverd van Al-Baraa' lbn Aazib is dat hij heeft gezegd: `De Profeet heeft ons zeven [zaken] opgedragen en zeven [zaken] verboden. Hij heeft ons opgedragen om: de begrafenisstoeten te volgen, de zieke te bezoeken, gehoor te geven aan de uitnodiger, het helpen van de onderdrukte, het vervullen van de eed, teruggroeten en het beantwoorden van iemand die niest. En hij heeft ons verboden: zilveren keukengerei [en schalen], een gouden ring, zijde, dibaadj, passie, en istabraq [dit zijn drie vormen van zijden kledingsstukken].'

Hoofdstuk: Bij een overledene binnenkomen nadat hij in zijn lijkkleed is gewikkeld
633. Overgeleverd van Umm Al-`Alaa een vrouw van de Ansaar, die de belofte van trouw aan de Profeet had gegeven - is dat de muhaadjiroen middels loting werden verdeeld [over de Ansaar]. Ons werd `Othmaan Ibn Madh`oen toebedeeld. Daarom lieten wij hem neerstrijken in ons huis. Hij werd echter getroffen door de ziekte waaraan hij overleed. Nadat hij overleed, werd gewassen en in zijn lijkkleed werd gewikkeld, kwam de Boodschapper van AllahSallalahu 'alaihi wasalam binnen. Ik zei: `Moge de genade van Allah over jou zijn, o Abu As-Saa'ib. lk getuig voor je dat Allah jou vereerd heeft.' De Profeet vroeg: "Hoe weet jij dat Allah hem vereerd heeft?" Ik antwoordde: 'Ik verlos u met mijn vader, O Boodschapper van AllahSallalahu 'alaihi wasalam. Wie anders zou Allah dan vereren?' Hij zei: "Wat hem betreft: de overtuigende waarheid [= de dood] is tot hem gekomen. Bij Allah, ik hoop het goede voor hem. Bij Allah, ik ben de Boodschapper van AllahSallalahu 'alaihi wasalam en ik weet niet eens wat er niet mij gedaan zal worden." Hierop zei zij: Bij Allah, ik zal na hem nooit meer zuiverheid voor iemand getuigen.'

634. Overgeleverd van Djaabir Ibn `Abdilaah is dat hij heeft gezegd: Toen mijn vader werd gedood, haalde ik het kleed van zijn gezicht en huilde, terwijl zij mij dat verboden. De Profeet verbood mij dit echter niet. Mijn tante van vaderskant, Faatimah, begon ook te huilen. De Profeet zei toen: "Of je nu huilt of niet, de engelen hebben hem beschaduwd met hun vleugels tot het moment dat jullie hem optilden [van het slagveld]".'

Hoofdstuk: Dat men de verwanten van een overledene persoonlijk op de hoogte stelt van diens overlijden
635. Overgeleverd van Abu Hurairah is dat de Boodschapper van AllahSallalahu 'alaihi wasalam het ,verlijden van An-Nadjaashi aan de menen bekendmaakte op zijn overlijdensdag. Hij vertrok naar de gebedsplaats, ging met hen in rijen staan en hij verrichtte vier keer de takbier.'

536. Overgeleverd van Anas is dat de Boodschapper van AllahSallalahu 'alaihi wasalam heeft gezegd: 'De vlag is overgenomen door Zayd en hij overleed. Daarna is hij overgenomen door Dja`far die eveneens overleed. Vervolgens nam 'Abdullaah Ibn Rawaahah hem over en hij overleed ook. De tranen stroomden hier uit de ogen van de Boodschapper van AllahSallalahu 'alaihi wasalam. Uiteindelijk nam Khaalid Ibn Al-Walled hem over, zonder dat hij daartoe werd aangewezen, en de overwinning werd hem geschonken."

Hoofdstuk: De verdienste van de persoon wiens kind overlijdt terwijl hij de beloning hiervan berekent
637. En van hem is overgeleverd dat de Profeet heeft gezegd: "Elke moslim van wie drie kinderen overlijden voordat zij de pubertijd [de leeftijd waarop zonden worden genoteerd] hebben bereikt, wordt door Allah het paradijs binnengebracht, vanwege Zijn Genade voor hen."

Hoofdstuk: Het is aanbevolen om de overledene een oneven aantal keren te wassen
638. Overgeleverd van Umm 'Atiyyah Al-Ansaariyyah is dat zij heeft gezegd: 'De Boodschapper van AllahSallalahu 'alaihi wasalam kwam bij ons binnen toen zijn dochter [Zainab] overleed en hij zei: "Was haar driemaal, vijfmaal of meer als jullie zien dat dat nodig is. Gebruik water en lotus en gebruik tijdens de laatste keer kamfer (of een keetje kamfer). Nadat jullie klaar zijn, laat het mij dan weten." Toen wij klaar waren, lieten wij hem dit weten. Hij gaf ons zijn lendendoek en zei: "Plaats deze rechtstreeks op haar huid".'

Hoofdstuk: Men begint met [het wassen van] de rechterkant van de overledene
639. En in een andere overlevering heeft hij gezegd: "Begin met haar rechterdelen en met haar ledematen die normaliter tijdens de wudoe' worden gewassen." Zij heeft nog gezegd: Wij kamden haar haren in drie vlechten.'

Hoofdstuk: Witte kleden voor de overledene
640. Overgeleverd van `Aaichah is dat de Boodschapper van AllahSallalahu 'alaihi wasalam is omhuld in drie, Jemenitische, witte, katoenen kleden, zonder een gewaad of een tulband.

Hoofdstuk: Een lijkgewaad bestaande uit twee kleden
641. Overgeleverd van Ibn `Abbaas is dat hij heeft gezegd dat een man, terwijl hij stond in `Arafah, van zijn kameel viel. Hij brak hierdoor zijn nek. De Profeet zei toen: "Was hem met water en lotus, wikkel hem in twee kleden, balsem hem niet en bedek zijn hoofd niet. Hij zal namelijk tijdens de Opstandingsdag opgewekt worden, terwijl hij de talbiyah uitspreekt."

Hoofdstuk: Een lijkgewaad voor de overledene
642. Overgeleverd van Ibn `Omar is dat toen Abdullaah Ibn Ubayy overleed, zijn zoon naar de Profeet kwam en zei: `O Boodschapper van Allah, geeft u mij uw gewaad, zodat ik hem erin kan wikkelen. Bid voor hem en vraag Allah om hem te vergeven.' De Profeet gaf hem zijn gewaad en zei: "Houd mij op de hoogte zodat ik voor hem kan bidden." Toen hij hem op de hoogte bracht de Profeet voor hem wilde bidden, trok 'Omar hem en zei: Allah heeft u toch verboden om voor de hypocrieten te bidden?' Hij antwoordde: "lk heb twee keuzes, namelijk: (Of jij [0 Mohammad] nu wel vergiffenis voor hen vraagt of geen vergiffenis voor hen vraagt, al vraag je zeventig keer vergiffenis voor hen, Allah zal hen niet vergeven) [Soerah At-Tawbah (9):80]." En hij verrichtte het gebed voor hem. Hierop werd het volgende vers geopenbaard: (En bid nooit voor iemand van hen die overlijdt) [Soerah At-Tawbah (9):84]

643. Overgeleverd van Djaabir is dat hij heeft gezegd: `De Profeet kwam bij Abdullaah Ibn Ubayv nadat hij in zijn graf was geplaatst. Hij haalde hem eruit, blies met zijn speeksel op zijn lichaam en deed hem zijn gewaad aan.'

Hoofdstuk: Als men een lijkgewaad heeft waarmee slecht het hoofd of de voeten bedekt kunnen worden, bedekt men daarmee het hoofd
644. Overgeleverd van Khabbaab is dat hij heeft gezegd: Wij emigreerden met de Profeet omwille van het Aangezicht van Allah. Onze beloning werd daarom gevestigd door Allah. Onder ons waren er die overleden, zonder ook maar iets van hun beloning af te snoepen, zoals Mus'ab Ihn Umayr. Onder ons waren er ook wier vruchten rijp zijn geworden en die deze plukken. Hij [Mus`ab Ibn `Umayr] werd gedood op de dag van [de slag om] Uhud. Wij troffen niets anders aan om hem in te wikkelen dan een mantel. Als wij zijn hoofd ermee bedekten, kwamen zijn voeten naar buiten. En als wij zijn voeten bedekten, kwam zijn hoofd naar buiten. De Profeet droeg ons daarom om zijn hoofd te bedekken en om citroengras op zijn voeten te plaatsen.'

Hoofdstuk: Wie zijn lijkgewaad ten tijde van de Profeet voorbereidde, zonder dat hij dat afwees
645. Overgeleverd van Sahl is dat een vrouw bij de Profeet kwam met een geworven mantel met franjes. Weten jullie wat een mantel is? Zij antwoorden: `Een cape.' Hij zei: 'Ja.' Zij zei: `Ik heb hem eigenhandig geworven en ben gekomen om hem u aan te trekken.' De Profeet nam hem aan omdat hij hem nodig had. Hij kwam naar buiten toe en had hem als iendendoek aangetrokken. Iemand vond hem mooi en zei: Wat is hij toch mooi. Mag ik hem hebben?' De aanwezigen zeiden: Je hebt niet goed gehandeld. De Profeet heeft hem aangetrokken omdat hij hem nodig heeft. En jij weet dat hij nooit iemand iets onthoudt.' Hij zei: `Bij Allah, ik heb hem niet erom gevraagd om hem aan te trekken. Ik heb hem echter erom gevraagd om hem mijn lijkgewaad te laten zijn.' Sahl heeft gezegd: 'En hij werd inderdaad zijn lijkgewaad.'

Hoofdstuk: Vrouwen die met uitvaarten meelopen
646. Overgeleverd van Umm `Atiyyah is dat zij heeft gezegd: `Het werd ons verboden om met uurvaarten mee te lopen, maar dit werd niet bekrachtigd.'

Hoofdstuk: Een vrouw die rouwt om een ander dan haar echtgenoot
647. Overgeleverd van Umm Habiebah, de echtgenote van de Profeet is dat zij de Boodschapper van AllahSallalahu 'alaihi wasalam heeft horen zeggen: "Het is niet toegestaan voor een vrouw die gelooft in Allah en de Laatste Dag om langer dan drie [nachten] te rouwen om een dode, behalve om haar echtgenoot: vier maanden en tien dagen."

Hoofdstuk: Gravenbezoek
648. Overgeleverd van Anas Ibn Maalik is dat de Profeet langs een vrouw kwam, die huilde bij een graf. Hij zei tegen haar: "Vrees Allah en wees geduldig" Zij antwoordde: `Ga weg van mij. Jij ben niet door mijn rampspoed getroffen.' Zij herkende hem namelijk niet. Men vertelde haar dat het de Profeet was. Zij kwam bij de deur van de Profeet, waar ze geen portiers aantrof. Zij zei: 'Ik herkende u niet.' Hij antwoordde: "Geduld is bij de eerste slag."

Hoofdstuk: De uitspraak van de Profeet: "De overledene wordt gekweld vanwege bepaalde [vormen van] gehuil van zijn verwanten om hem." Als hij zelf de gewoonte had om te jammeren
649. Overgeleverd van Usaamah lbn Zayd is dat hij heeft gezegd: `De achter van de Profeet stuurde iemand naar hem toe met het nieuws: Een van mijn zoons ligt op sterven. Wilt u naar ons toe komen?' Hij stuurde iemand met de groeten en de boodschap: "Alles wat Allah neemt behoort tot Hem en alles wat Hij geeft behoort tot Hem. En alles heeft bij Hem een vastgestelde termijn. Wees daarom geduldig en bereken je beloning bij Allah." Zij stuurde hierop [weer] iemand naar hem toe, zwerend dat hij moest komen. Hierna stond de Profeet op, vergezeld door Sa`d Ibn `Libaadah, Mu`aadh Ibn Djabal, Ubayy Ibn Ka'b, Zayd Ibn Thaabit en andere mannen. De gingen werd naar de Boodschapper van AllahSallalahu 'alaihi wasalam gedragen, terwijl zijn adem stokte alsof het een leren waterkruik was. Hierop raakten zijn ogen vervuld van tranen. Sa'd zei toen: `O Boodschapper van Alaah, wat is dit?' Hij antwoordde: "Dit is genade die Allah in de harten van Zijn Dienaren heeft geplaatst. Allah heeft immers genade voor Zijn dienaren die barmhartig zijn".'

650. Overgeleverd van Anas abn Maalik dat hij heeft gezegd: `Wij woonden de vervaart bij van een dochter van de Boodschapper van AllahSallalahu 'alaihi wasalam. De Boodschapper van Allah zat bij het graf en huilde. Hij vroeg: "Wie van ju11e heeft afgelopen nacht geen geslachtsgemeenschap gehad?" Abu Talhah antwoordde: `Ik.' Daarop zei hij tegen hem: "Daal neer [in het graf]." Hierop daalde hij neer in haar graf.'

651. Overgeleverd van 'Omar is dat de Boodschapper van Allah heeft gezegd: "De overledene wordt gekweld vanwege bepaalde [vormen van] gehuil van zijn verwanten om hem." Deze overlevering kwam tot `Aaichah na het overlijden van 'Omar en zij zei: `Moge Allah 'Omar genadig zijn. Bij Allah, de Boodschapper van AllahSallalahu 'alaihi wasalam heeft niet gezegd dat de gelovige wordt gekweld vanwege bepaalde [vormen van] gehuil van zijn verwanten om hem. De Boodschapper van AllahSallalahu 'alaihi wasalam heeft echter gezegd: "Allah vermeerdert de kwelling van de ongelovige vanwege het gehuil van zijn verwanten om hem." Zij zei: jullie hebben genoeg aan de Oor'aan: (En geen enkele drager van een last zal de last van een ander dragen) Soerah Faatir (35):18].'

652. Overgeleverd van `Aaichah is dat zij heeft gezegd: `De Boodschapper van Allah liep langs een jodin om wie gehuild werd door haar verwanten en hij zei: "Zij huilen om haar en zij wordt gekweld in haar graf".'

Hoofdstuk: Het afkeurenswaardige bewenen van een dode
653. Overgeleverd van Al-Mughierah is dat hij de Profeet heeft horen zeggen: "Liegen over mij is niet als liegen over een willekeurig ander. Wie opzettelijk over mij liegt, mag zijn plek in het vuur bestijgen." En ik heb de Profeet horen zeggen: "Degene die beweend wordt, wordt gekweld zolang hij beweend wordt."

Hoofdstuk: De Profeet treurt om Sa'd Ibn Khawlah
654. Overgeleverd van Sa'd Tbn Abi Waqqaas is dat hij heeft gezegd: De Profeet kwam bij mij op ziekenbezoek in het jaar van de afscheidsbedevaart, vanwege een hevige ziekte die mij velde. Ik vroeg: 'U ziet hoe hevig mijn ziekte is geworden. Ik ben een vermogend man en mijn enige erfgenaam is een dochter. Mag ik tweederde van mijn vermogen als aalmoes schenken?' Hij antwoordde: "Nee." Ik vroeg: 'De helft?' Hij antwoordde: Nee." Vervolgens zei hij: "Een derde en een derde is groot (of: veel). Dat je je erfgenamen rijk achter laat is immers beter dan dat je ze behoeftig en bedelend hij de mensen achterlaat. Het is zo dat je voor elke uitgave die je doet omwille van het Aangezicht van Allah beloond zal worden. Dit geldt zelfs voor het hapje eten dat je in de mond van je echtgenote plaatst." Ik zei: '0 Boodschapper van AllahSallalahu 'alaihi wasalam, word ik achtergelaten nadat mijn vrienden zijn vertrokken?' Hij antwoordde: "Als je wordt achtergelaten zul jij voor elke goede daad die je begaat in rang en positie verheven worden. Het kan zo zijn dat jij achtergelaten wordt opdat bepaalde mensen [de moslims] nut van jou zullen hebben en anderen [de ongelovigen] door jou geschaad zullen worden. 0 Allah, completeer de emigratie van mijn metgezellen en laat hen niet achterwaarts terugkeren." De Profeet treurde echter om de armzalige Sa`d lbn Khawlah, omdat hij in Mekkah overleed.

Hoofdstuk: Het verbod op het scheren van de haren bij rampspoed
655. Overgeleverd van Abu Moesaa is dat hij ernstig ziek raakte en buiten bewustzijn raakte, terwijl zijn hoofd in de schoot van een vrouw van zijn familie lag. Hierop huilde zij. Op dat moment kon hij niet op haar reageren. Toen hij echter bijkwam zei hij: `Ik ben vrij van degenen waarvan de Boodschapper van AllahSallalahu 'alaihi wasalam zichzelf heeft gevrijwaard. De Boodschapper van AllahSallalahu 'alaihi wasalam heeft zichzelf gevrijwaard van de vrouw die luidruchtig schreeuwt, de vrouw die haar haren scheert en de vrouw die haar kleding verscheurt [tijdens rampspoed].

Hoofdstuk: Als men bij ramspoed zit met verdriet dat van hem af is te lezen
656. Overgeleverd van `Aaichah is dat zij heeft gezegd: `Toen de Profeetd het bericht vernam van de moord op Ibn Haarithah, Dja`far en lbn Rawaahah, zat hij en was het verdriet van hem af te lezen. Ik keek naar hem door de kier van de deur. Er kwam een man naar hem toe die hem vertelde over het geween van de [verwante] vrouwen van Dja'far. Hij beval hem om hen dat te verbieden. Hij ging en kwam vervolgens een tweede keer terug. Hij vertelde hem dat zij hem niet gehoorzaamden. Hij zei: "Verbied hen dat." Hij kwam weer een derde keer bij hem en zei: Bij Allah, ik kan hen niet aan o Boodschapper van AllahSallalahu 'alaihi wasalam.' Zij beweert dat hij toen zei: "Gooi aarde in hun monden".'

Hoofdstuk: Wie zijn verdriet niet toont bij rampspoed
657. Overgeleverd van Anas Ibn Maalik is dat hij heeft gezegd: 'Een zoon van Abu Talhah overleed, terwijl Abu Talkah buiten was. Toen zijn vrouw zag dat hij was overleden, maakte zij iets klaar en p1aatste het ergens in huis. Toen Abu Talhah thuiskwam, vroeg hij: `Hoe gaat het met de jongen?' Zij antwoordde: `Zijn ziel is gekalmeerd en ik hoop dat hij tot rust is gekomen.' Abu Talhah dacht dat zij de waarheid sprak. Hij bracht de nacht [met haar] door. In de ochtend waste hij zich. Toen hij naar buiten wilde gaan, vertelde hem dat hij was overleden. Hij verrichtte het gebed met de Profeet en vertelde de Profeet wat zij had gedaan. De Boodschapper van AllahSallalahu 'alaihi wasalam zei toen: Moge Allah jullie beider nacht zegenen".' Een man van de Ansaar heeft gegezegd: 'Ik zag dat zij negen zonen kregen. Elk van hen reciteerde de Qor'aan.'

Hoofdstuk: De uitspraak van de Profeet: "Wij zijn zeer verdrietig om jou."
658. Overgeleverd van Anas Ibn Maalik is dat hij heeft gezegd: `Wij gingen samen met de Boodschapper van AllahSallalahu 'alaihi wasalam naar binnen bij de smid, Abu Saif. Hij was de echtgenoot van de zoogmoeder van Ibraahiem [de zoon van de Profeet. De Boodschapper van AllahSallalahu 'alaihi wasalam tilde hem op, kuste hem en rook aan hem. Wij kwamen nog een keer terug toen Ibraahiem zijn laatste adem uitblies. De ogen van de Boodschapper van AllahSallalahu 'alaihi wasalam begonnen te vloeien en `Abdur-Rahmaan lbn `Awf zei tegen hem: `U ook o Boodschapper van AllahSallalahu 'alaihi wasalam?' Hij antwoordde: O Ibn `Awf, het is [een uiting van] genade." Vervolgens huilde hij nogmaals en zei : "Het oog huilt en het hart is verdrietig, maar wij zeggen alleen maar wat onze Heer tevreden stelt. En wij zijn - o Ibraahiem - zeer verdrietig om jouw afscheid".'

Hoofdstuk: Huilen bij een zieke
659. Overgeleverd van `Abdullaah Ibn 'Omar is dat hij heeft gezegd: Sa`d lbn `Ubaadah werd ziek en de Boodschapper van AllahSallalahu 'alaihi wasalam kwam hem samen met `Abdur-Rahmaan 1bn `Awf, Sa`d Ibn Abi Waqqaas en `Abdullaah Ibn Mas`ood bezoeken. Toen hij bij hem binnenkwam, trof hij zijn familieleden aan. Hij vroeg: "Is hij overleden?" Men antwoordde: `Nee, o Boodschapper van AllahSallalahu 'alaihi wasalam!' Hierop huilde de Profeet. Toen de aanwezigen de Profeet zagen huilen, begonnen zij ook te huilen. Hij zei: "Horen jullie niet? Allah straft niet vanwege een tranend oog of een verdrietig hart. Hij straft echter of schenkt genade vanwege deze (en hij wees naar zijn tong). De overledene wordt gekweld vanwege het geween van zijn familie om hem".'

Hoofdstuk: Wat is verboden aan bewening en gehuil en de berisping van deze daad
660. Overgeleverd van Umm Atiyyah is dat zij heeft gezegd: 'Bij het geven van de gelofte van trouw, beloofden wij de Profeet om geen dode te bewenen. Geen enkele vrouw heeft deze belofte gehouden, behalve vijf: Umm Sulaim, Umm Al-Alaa, de dochter van Abu Sabrah, de echtgenote van Mu`aadh en nog een andere vrouw.'

Hoofdstuk: Opstaan voor een uitvaart
661. Overgeleverd van `Aamir Ibn Rabie`ah is dat de Profeet heeft gezegd: Als iemand van jullie een uitvaart ziet maar hij niet mee loopt, laat hij dan opstaan totdat hij haar voorbij is of zij hem voorbij is, of totdat het [lijk] wordt neergelegd voordat het hem voorbij is."

Hoofdstuk: Wanneer men weer gaat zitten nadat hij is opgestaan voor een uitvaart
662. Overgeleverd van Abu Hurairah is dat hij de hand van Marwaan vastpakte terwijl zij een uitvaart bijwoonden. Zij gingen zitten voordat het [lijk] werd neergelegd. Abu Sa`ied kwam toen aanlopen en pakte de hand van Marwaan vast en zei: `Sta op, want bij Allah, hij weet dat Profeet ons dit heeft verboden.' Abu Hurairah zei toen: `Hij heeft gelijk'.'

Hoofdstuk: Wie opstaat voor de uit vaart van een jood
663. Overgeleverd van Djaabir Ibn 'Abdillaah is dat hij heeft gezegd: `Er kwam een uitvaart langs en de Profeet stond ervoor op en wij stonden in navolging van hem ook op. Wij zeiden: `O Boodschapper van AllahSallalahu 'alaihi wasalam, het is de uitvaart van een jood.' Hij zei: "Als jullie een uitvaart zien, sta dan op".'

Hoofdstuk: De mannen dragen de uitvaart en niet de vrouwen
664. Overgeleverd van Abu Sa`ied Al-Khudrie is dat de Boodschapper van AllahSallalahu 'alaihi wasalam heeft gezegd: "Als de uitvaart wordt neergelegd en de mannen haar op hun schouders dragen; als het een rechtschapen persoon betreft, zal hij zeggen: 'Bied mij aan.' En als het een niet rechtschapen persoon betreft, zal hij zeggen: `O wee mij, waar brengen jullie mij naar toe?' Alles en iedereen hoort haar stem, behalve de mensen. Als de mensen dit zouden horen, dan zouden zij flauwvallen."

Hoofdstuk: Haast met de uitvaart
665. Overgeleverd van Abu Hurairah is dat de Profeet heeft gezegd: "Heb haast met de uitvaart. Als het namelijk rechtschapen is, dan brengen jullie het voort naar iets goeds. Als het echter anders [dan rechtschapen] is, dan is het kwaad waar jullie je schouders van ontlasten."

Hoofdstuk: De verdienste van het meelopen met een uitvaart
566. Overgeleverd van Ibn 'Omar is dat men tegen hem zei dat Abu Hurairah heeft gezegd: `Wie met een uitvaart meeloopt, ontvangt [een beloning gelijk aan] n qiraat [berg].' Hij [Ibn Omar] zei toen: `Abu Hurairah brengt ons veelvuldig informatie.' `Aaichah bevestigde echter de woorden van Abu Hurairah en zei dat zij de Boodschapper van AllahSallalahu 'alaihi wasalam dit heeft horen zeggen. Hierop Ibn 'Omar: Wij hebben vele Qiraats voorbij laten gaan.'

Hoofdstuk: De afkeurenswaardigheid van het bouwen van moskeen op graven
667. Overgeleverd van `Aaichah is dat de Profeet toen hij doodziek werd, heeft gezegd: "Moge Allah de joden en de christenen vervloeken; zij hebben de graven van hun profeten als moskeen [gebedsplaatsen] aangenomen." Zij heeft gezegd: 'Als het dat niet was, dan hadden ze zijn graf zichtbaar geplaatst. Ik vrees echter dat men hem dan als moskee aanneemt.'

Hoofdstuk: Bidden voor een kraamvrouw die overlijdt tijdens haar kraambed
668. Overgeleverd van Samurah Ibn Djundub is dat hij heeft gezegd: `Ik heb achter de Profeet gebeden voor een vrouw die overleed in haar kraambed. Hij stond ter hoogte van het midden van haar [lichaam].'

Hoofdstuk: Het reciteren van Soerah Al-Faatihah tijdens het begrafenisgebed
669. Overgeleverd van Ibn `Abbaas is dat hij een begrafenisgebed verrichtte, waarin hij Soerah Al-Faatihah reciteerde en hij zei: `Zodat zij weten dat dit een Soennah is.'

Hoofdstuk: De dode hoort het geluid van voetstappen
670. Overgeleverd van Anas is dat de Profeet heeft gezegd: "Als de dienaar in zijn graf wordt geplaatst en zijn mensen bij hem weggaan, hoort hij het geluid van hun voetstappen. Twee engelen zullen bij hem komen en zij zullen hem laten zitten. Zij zullen hem vragen: Wat zei jij gewoonlijk over deze man Mohammad ?' Hij zal antwoorden: `Ik getuig dat hij de dienaar van Allah is en Zijn Boodschapper.' Er zal dan gezegd worden: `Kijk naar jouw plek in het vuur. Allah heeft deze voor jou verruild voor een plek in het paradijs'." De Profeet van Allah heeft gezegd: "Hij zal dus beide plekken zien. De ongelovige - of de huichelaar - zal echter antwoorden: 1k weet het niet. Ik zei wat de mensen zeiden.' Tegen hem zal gezegd worden: Jij hebt niet geweten en je hebt niet gereciteerd.' Vervolgens zal hij met een ijzeren hamer geslagen worden tussen zijn oren. Hij zal een schreeuw inbrengen die alles en iedereen in zijn nabijheid zal horen, behalve de mensen en de Djinn."

Hoofdstuk: Wie het verkiest om begraven te worden in het Heilige Land of iets soortgelijks
671. Overgeleverd van Abu Hurairah is dat hij heeft gezegd: `De Engel des doods werd gezonden naar Moesaa. Toen hij bij hem aankwam, sloeg hij hem [en prikte zijn oog uit]. Hij keerde terug naar zijn Heer en zei: `U heeft mij gezonden naar een dienaar die de dood niet wenst.' Allah gaf hem zijn oog terug en zei: "Keer terug en zeg tegen hem dat hij zijn hand moet plaatsen op de rug van een stier. Voor elk haartje dat hij met zijn hand bedekt krijgt hij een jaar langer [te leven]." Hij [Moesaa] vroeg: `O mijn Heer, wat volgt na die periode?' Hij antwoordde: "De dood." Hij zei: `Dan [verkies ik de dood] nu.' Hij vroeg Allah om hem tot een steenworp afstand van het Heilige Land te brengen.' De Boodschapper van AllahSallalahu 'alaihi wasalam heeft gezegd: "Als ik mij daar bevond, dan had ik jullie zijn graf langs de weg laten zien, bij de rode duinen".'

Hoofdstuk: Bidden voor een martelaar
672. Overgeleverd van Djaahir Ibn `Abdillaah is dat hij heeft gezegd: `De Profeet combineerde steeds twee mannen van hen die gedood waren tijdens [de slag om] Uhud in n gewaad. Vervolgens vroeg hij: "Wie van hen heeft meer van de Qor'aan tot zich genomen?" Degene van de twee naar wie men wees, plaatste hij dan voorop in het graf en zei: "Ik getuig voor deze mensen tijdens de Opstandingsdag." Hij droeg op om hen te begraven in hun bloed, zonder gewassen te worden, en hij verrichtte geen gebed voor hen.'

Hoofdstuk: Als een kind moslim wordt en overlijdt, wordt er dan voor hem gebeden? En wordt de islaam voorgelegd aan een kind?
673. Overgeleverd van `Ugbah Ibn `Aamir is dat de Profeet op een dag naar buiten ging en het begrafenisgebed verrichtte voor hen die gedood waren tijdens [de slag om] Uhud. Vervolgens wendde hij zich tot de preekstoel en zei: "Ik ben jullie voorganger en jullie getuige. Bij Allah, ik kijk nu naar mijn hawdh [bassin, waarmee Al-Kawthar wordt bedoeld]. Mij zijn de sleutels van de wereldse schatten gegeven, of de sleutels van de aarde. Bij Allah, ik vrees niet dat jullie na mij veelgoderij zullen gaan bedrijven, maar ik vrees voor jullie dat jullie omwille van haar [de wereld] zullen gaan wedijveren".'

Overgeleverd van Ibn 'Omar is dat hij heeft gezegd: "Omar vertrok samen met de Profeet en een groepje mannen richting Ibn Sayyaad. Zij troffen hem spelend met de kinderen aan, bij de burcht van Banu Maghaalah. Ibn Sayyaad had toen bijna de pubertijd bereikt. Hij had niets door, totdat de Profeet op zijn hand sloeg. Hij vroeg aan Ibn Sayyaad: "Getuig jij dat ik de Boodschaprer van Allah ben?" Ibn Sayyaad keek naar hem en zei: 'Ik getuig dat jij de Boodschapper van de ongeletterden bent.' Ibn Sayyaad vroeg toen aan de Profeet: 'Getuigt u dat ik de Boodschapper van AllahSallalahu 'alaihi wasalam ben?' Hij negeerde hem en zei: "Ik geloof in Allah en in Zijn Boodschappers." Hij vroeg aan hem: "Wat zie jij in je visioenen?" Ibn Sayyaad antwoordde: `Zowel de waarachtige als de leugenachtige [visioen] komt tot mij.' De Profeet zei toen: "Jij bent in de war gebracht" Vervolgens zei de Profeet tegen hem: "Ik heb iets voor jou verborgen gehouden." Ibn Sayyaad zei toen: `Dat is Ad-Dukh.' Hij zei tegen hem: "Zwijg! Je zult je positie niet overtreffen." 'Omar zei toen: `O Boodschapper van AllahSallalahu 'alaihi wasalam, laat mij zijn hoofd afhakken.' De Profeet zei: "Als hij hem [de Dadjaal/antichrist] is, dan ben jij niet degene die op hem afgestuurd zal worden. En als hij hem niet is, dan zit er geen goeds in voor jou om hem te doden".'

`Abdullaah Ibn 'Omar heeft gezegd: Daarna vertrok de Boodschapper van AllahSallalahu 'alaihi wasalam samen met Ubayy Ibn Ka'b naar de palmboomgaard waar Ibn Sayyaad zich bevond. Hij probeerde stiekem iets van Ibn Sayyaad te horen voordat Ibn Sayyaad hem zag. De Profeet zag hem liggend in een fluwelen gewaad met een markering of een knisperend geluid. De moeder van lbn Sayvaad zag de Boodschapper van AllahSallalahu 'alaihi wasalam verscholen achter de palmboomstammen en zij zei tegen Ibn Sayyaad: `O Saaf (war de naam van Ibn Savyaad was), daar is Mohammad.' Ibn Sayyaad schrok op. De Profeet zei toen: Als ze hem had gelaten, dan had hij ons helderheid verschaft":

* De Profeet had (een gedeelte van] Soerah Ad-Dukhaan [Soerah 44] hem gehouden. Zoals de gewoonte van de waarzeggers is, pikken zij slechts zij slechts enkele woorden op van hun helpers vab de Djinn en hun influistreringen. Daarna antwoordde Ibn Sayyaad slechts met Ad-Dukh. [Ontleend aan: Awn Al-Baar Lihalli Adillat il-Bhoeharie, deel 2, pagina 345] [Voetnoot van de vertaler]

675. Overgeleverd van Anas is dat hij heeft gezegd: 'Een joodse knaap, die de bediende van de Profeet was, raakte ziek. De Profeet kwam bij hem op bezoek. Hij ging hij zijn hoofd zitten en zei tegen hem: "Word moslim." Hij keek naar zijn vader die bij hem was en hij zei tegen hem: `Gehoorzaam Abul-Qaasim.' Hierop werd hij moslim. Toen de Profeet vertrok zei hij: "Alle lof komt toe aan Allah Die hem heeft gered van het vuur.

676. Overgeleverd van Abu Hurairah is de Boodschapper heeft gezegd: 'Elk kind wordt geboren op al-fitrah [de natuurlijke, islamitische aanleg]. Het zijn volgens zijn ouders die hem tot jood, christen of magir maken. Net als een dier bevalt van een volmaakte jongen; tref jullie daar enige verminking in aan?"

Vervolgens zei Abu Hurairah (De Fitrah van Allah [d.w.z. het Islamitische monothesme] waarop Hij de mensheid heeft geschapen. Er is geen wijziging aan te brengen in de creatie van Allah. Dat is de rechte religie) [Soerah Ar-Roem (30):30].'

Hoofdstuk: Als de veelgodenaanbidder bij zijn dood `Er is geen ware god behalve Allah' zegt
677. Overgeleverd van Al-Musayyab Ibn Hazn is dat hij heeft gezegd: `Toen Abu Taalib op zijn sterfbed lag, kwam de Boodschapper van AllahSallalahu 'alaihi wasalam bij hem [op bezoek]. Hij trof bij hem Abu Djahl Ibn Hishaam en Abdullaah Ibn Abi Urnayyah Ibn Al-Mughierah aan. De Boodschapper van AllahSallalahu 'alaihi wasalam zei tegen Abu Taalib: "0 oom [van vaderskant]! Zeg: 'Laa Ilaaha IllAllah [er is geen ware God behalve Allah]', woorden waarmee ik voor u zal getuigen [en pleiten] bij Allah." Abu Djahl en 'Abdullaah lbn Abi Umayyah zeiden: `0 Abu Taalib! Je gaat je toch niet afkeren van de religie van Abdul-Muttalib?' De Boodschapper van AllahSallalahu 'alaihi wasalam bleef doorgaan met hem uit te nodigen en zij beiden bleven hun woorden herhalen, totdat Abu Taalib uiteindelijk tegen hen zei dat hij loyaal bleef aan de religie van 'Abdul-Muttalib. Hij weigerde dus om Laa Ilaaha IllAllah' te zeggen. Daarom zei de Boodschapper van Allah: "Bij Allah, ik zal Allah blijven vragen om u te vergeven, zolang mij niet verboden wordt om dat te doen." Hierop openbaarde Allah: (Het is niet aan de...) [Soerah At-Tawbah (9):113].

Hoofdstuk: Een vermanende toespraak houden bij het graf, met de toehoorders eromheen
678. Overgeleverd van `Ali is dat hij heeft gezegd: Wij bevonden ons bij een uitvaart in Bagie` Al-Ghargad [begraafplaats van Al Madienahj, toen de Profeet bij ons kwam zitten. Wij gingen om hem heen zitten. Hij had een wandelstok bij zich. Hij boog zijn hoofd en begon met zijn wandelstok tegen de grond te schrapen en zei: "Voor iedereen van jullie en voor elke geschapen ziel is zijn plek in net paradijs en in het vuur opgeschreven. Over hem is opgeschreven of hij ongelukkig of gelukkig zal zijn." Een man vroeg: 0 Boodschapper van AllahSallalahu 'alaihi wasalam, zullen wij dan niet gewoon vertrouwen op wat voor ons opgeschreven is en het verrichten van daden laten?' Wie van ons immers behoort bij de gelukkigen, zal richting de laden van de gelukkigen worden geleid. En wie van ons behoort tot de ongelukkigen zal richting de daden van de ongelukken worden geleid.' Hij antwoordde: Voor de gelukkigen zullen de daden van geluk gemakkelijk gemaakt worden. En voor de ongelukkigen zullen de daden van ongeluk gemakkelijk gemaakt worden." Vervolgens reciteerde hij: (Wat betreft hij die geeft en Allah vreest en in het bestee gelooft...) [Soerah Al-Layl (92):5,6].

Hoofdstuk: Wat er is overgeleverd met betrekking tot de zelfmoordenaar
679. Overgeleverd van Thaabit 1bn Adh-Dhahhaak is dat de Profeet heeft gezegd: "Wie valselijk en doelbewust zweert hij een andere religie dan de Islaam, is hij zoals hij heeft gezegd. En wie zichzelf doodt met een stuk ijzer, wordt daarmee gekweld in het vuur van de hel."

680. Overgeleverd van Djundub is dat de Profeet heeft gezegd: "Een man was gewond en doodde zichzelf. Daarom zei Allah: "Mijn dienaar heeft zich gehaast tot Mij. Ik heb het paradijs voor hem verboden"."

681. Overgeleverd van Abu Hurairah is dat de Profeet heeft gezegd: "Wie zichzelf wurgt, zal zichzelf ook wurgen in het vuur. Wie zichzelf steekt, zal zichzelf steken in het vuur."

Hoofdstuk: De overledene die wordt geprezen door de mensen
682. Overgeleverd van Anas 1bn Maalik is dat hij heeft gezegd: 'Zij kwamen langs een begrafenisstoet, die zij prezen met lof. Hierop zei de Profeet van Allah: "Het is bekrachtigd." Vervolgens kwamen zij langs een begrafenisstoet, die zij misprezen. Hierop zei de Profeet van Allah "Het is bekrachtigd." 'Omar Ihn Al-Khattaab zei toen: `Wat bedoelt u met `het is bekrachtigd'?' Hij antwoordde: "Voor wie jullie prezen, is het paradijs bekrachtigd. En voor wie jullie misprezen, is het vuur bekrachtigd. Jullie zijn de getuigen van Allah op aarde".'

683. Overgeleverd van 'Omar is dat de Profeet heeft gezegd: "Elke moslim van wiens goedheid vier mensen getuigen, zal door Allah het paradijs binnengebracht worden." Wij vroegen: `En drie?' Hij antwoordde: "Ook drie." Wij vroegen: `En twee?' Hij antwoordde: "Ook twee." Wij vroegen hein vervolgens niet naar n.

Hoofdstuk: Wat is overgeleverd met betrekking tot de kwelling van het graf
684. Overgeleverd van Al-Baraa Ibn Aazib is dat de Profeet heeft gezegd: "Als de gelovige in zijn graf tot zitten gebracht wordt, zal men tot hem komen. Als hij dan getuigt dat er geen ware god is behalve Allah en dat Mohammad de Boodschapper van AllahSallalahu 'alaihi wasalam is dan is dat wat er wordt bedoeld met Zijn Woorden: (Allah zal degenen die geloven standvastig houden met het standvastige woord ...) Soerah Ibraahiem (14):27]."

685. Overgeleverd van Ibn 'Omar is dat hij heeft gezegd: De Profeet keek naar de [gedode] mensen in de put [bij Badr] en zei: "Hebben jullie kunnen achterhalen of dat wat jullie Heer jullie beloofd heeft de waarheid is?" Men vroeg hen: `Spreekt u de doden aan?' Hij antwoordde: `Jullie kunnen niet beter dan hen horen. Alleen antwoorden zij niet".'

686. Overgeleverd van `Aaichah is dat zij heeft gezegd; `De Profeet heeft echter gezegd: "Zij weten nu dat wat ik zei de waarheid is." Allah heeft namelijk gezegd: (Voorwaar, jij kunt de doden niet laten horen...) [Soerah An-Naml (27):80].

687. Overgeleverd van Asmaa Bint Abi Bakr is dat zij heeft gezegd: 'De Boodschapper van AllahSallalahu 'alaihi wasalam stond op om te preken. Hij noemde de beproeving van het graf waarin de persoon beproefd wordt. Toen hij dat noemde, schreeuwden de moslims het uit.'

Hoofdstuk: Het zoeken van bescherming tegen de kwelling van het graf
688. Overgeleverd van Abu Ayyoub is dat hij heeft gezegd: 'De Profeet ging naar buiten toen de zon was ondergegaan. Hij hoorde een geluid en zei: "Dat zijn de joden die in hun graven worden gekweld".'

689. Overgeleverd van Abu Hurairah is dat de Boodschapper van Allah gewoonlijk deze aanroeping zei: "0 Allah, ik zoek bescherming bij U tegen de kwelling van het graf, en tegen de kwelling van het vuur, en tegen de beproeving van het leven en de dood en tegen de beproeving van Al-Masieh Ad-Dadjaal [antichrist]."

Hoofdstuk: Aan de overledene wordt zijn bestemming getoond in de vroege ochtend en in de vooravond
590. Overgeleverd van 'Abdullaah lbn Omar is dat de Boodschapper van AllahSallalahu 'alaihi wasalam heeft gezegd: "Als iemand van jullie overlijdt, dan wordt zijn bestemming aan hem getoond in de vroege ochtend en in de vooravond. Als hij hoort tot de bewoners van het paradijs, dan [is de bestemming die aan hem wordt getoond] van de bewoners van het paradijs. Als hij behoort tot de bewoners van het vuur, dan [is de bestemming die aan hem wordt getoond) van de bewoners van hett vuur. Er zal tegen hem gezegd worden: 'Dit is jouw bestemming totdat Allah jou opwekt tijdens de Opstandingsdag.

Hoofdstuk: Wat is overgeleverd met betrekking tot de kinderen van de moslims
691. Overgeleverd van AI-Baraa is dat de Boodschapper van AllahSallalahu 'alaihi wasalam toen [zijn zoon] Ibraahiem overleed, heeft gezegd: Heeft een zoogmoeder in het paradijs.

Hoofdstuk: Wat is overgeleverd met betrekking tot de kinderen van de veelgodenaanbidders
692. Overgeleverd van Ibn `Abbaas is dat hij heeft gezegd: `De Boodschapper van AllahSallalahu 'alaihi wasalam werd gevraagd over de [eindbestemming van de] kinderen van de veelgodenaanbidders. Hij antwoordde: "Toen Allah hen schiep, wist Hij al wat zij zouden gaan doen".'

693. Overgeleverd van Samurah Ibn Djundub is dat hij heeft gezegd: `De Profeet had de gewoonte om na het verrichten van het gebed zijn gezicht tot ons te wenden en te vragen: "Wie van jullie heeft afgelopen nacht iets gedroomd?" Hij [Samurah] heeft gezegd: `Als iemand wat gedroomd had, vertelde hij deze droom. Hij reageerde hier dan op door Maa Shaa Allah * [wat Allah wil] te zeggen. Zo stelde hij op een dag dezelfde vraag: "Heeft iemand van jullie iets gedroomd?" Wij antwoordden: `Nee.' Hij zei "Tk heb afgelopen nacht wel twee mannen gezien [in een droom] die naar mij toe kwamen, mijn handen vastpakten en me meenamen naar het heilige Land. Plotseling zag ik een zittende man en een staande man met in zijn hand een ijzeren haak [of tang]." Hij heeft gezegd: "Een haak [of tang] die hij in zijn mondhoek [van de zittende man] drukte - totdat hij zijn nek bereikte. Vervolgens deed hij hetzelfde met zijn andere mondhoek. ln de tussentijd was zijn eerste mondhoek genezen en keerde hij ernaar terug om dezelfde handeling te herhalen. Ik vroeg: "Wat is dit?" Zij [de twee mannen] antwoordden: `Kom mee', en wij gingen verder, totdat wij aankwamen bij een man die op zijn achterhoofd lag. Een andere man rond bij zijn hoofd met een steen of een rotsblok, waarmee hij zijn hoofd verpletterde. Elke keer als hij hem op zijn hoofd wierp, rolde de steen weg. Hij ging dan achter de steen aan en pakte hem [weer] op. Als hij terugkwam bij deze man, was zijn hoofd in de tussentijd genezen en bevond zich weer in zijn natuurlijke staat. Hierop gooide hij de steen nogmaals [op zijn hoofd]. Ik vroeg: "Wie is dit?" Zij [de twee mannen] antwoordden: `Kom mee', en wij gingen verder naar een hol net als een oven smal van boven en wijd van onderen. Eronder brandde vuur. Als de vuurvlam omhoogkwam, werden zij [de personen erin] omhoog geheven, totdat zij bijna uit kwamen. Als het vuur weer bedaarde, keerden zij er weer in terug [naar beneden]. Erin bevonden zich naakt mannen en vrouwen. Ik vroeg: "Wat is dit. Zij [de twee mannenj antwoordden: Kom mee', en wij gingen verder, totdat wij aankwamen bij een rivier van bloed, waarin oen man stond. Ter hoogte van het midden van de rivier stond een andere] man met stenen vr hem. Als de man in de rivier aankwam en de rivier uit wilde lopen, wierp de [andere] man een steen in zijn mond, waardoor hij terugkeerde naar waar hij stond. Elke keer als hij aankwam om de rivier uit te lopen, wierp hij een steen in zijn mond, waardoor hij terugkeerde in zijn oorspronkelijke staat. Tk vroeg: "Wat is dit?" Zij [de twee mannen] antwoordden: `Kom mee', en wij gingen verder, totdat wij aankwamen bij een groene tuin, waarin een kolossale boom stond. Bij zijn stam bevonden zich een oude man en kinderen. Een andere man stond dicht bij de boom, met voor zich een vuur dat hij aanwakkerde. Zij [de twee mannen] stegen met mij de boom in en lieten mij naar binnen gaan in een huis. Ik heb nooit een mooier huis gezien. In het huis bevonden zich jonge en oude mannen, vrouwen en kinderen. Vervolgens verlieten zij met mij het huis, stegen verder met mij de boom in en lieten mij een [ander] huis binnengaan. Dit huis was mooier en beter. In het huis bevonden zich oude en jonge mensen. Ik zei tegen hen [de twee mannen]: "Jullie hebben mij rondgeleid deze nacht. Willen jullie mij vertellen wat ik heb gezien?" Zij zeiden: `Dat is goed. Je zag een persoon wiens mondhoek werd verscheurd; hij was een leugenaar. Hij had de gewoonte om een leugen te vertellen, die vervolgens namens hem werd naverteld, totdat zij de hele wereld bereikte. Wat je zag zal bij hem herhaald worden tot de Opstandingsdag. Je zag een persoon wiens hoofd werd verbrijzeld. Hij was een man aan wie Allah kennis van de Qor'aan heeft gegeven. Hij had echter de gewoonte om tijdens de nacht te slapen en overdag er niet naar te handelen. Zijn straf zal herhaald worden tot de Opstandingsdag. De personen die je hebt gezien in het hol, dat zijn de overspeligen. En de persoon die je hebt gezien in de rivier, dat zijn degenen die ribaa (rente, interest, woeker] consumeren. De oude man bij de stam van de boom, dat is Ibraahiem. De kinderen om hen heen dat zijn de kinderen van de mensen. De persoon die het vuur aanwakkerde: dat is MIaalik, de bewaarder van het vuur. Het eerste huis waarin je naar binnen bent gegaan: dat is de verblijfplaats [in het paradijs] van de massa van de gelovigen. Dit tweede huis is de verblijfplaats van de martelaren. Ik ben Djibriel en dit is Miekaa'iel. Hef [nu] je hoofd op.' Ik hief mijn hoofd op en zag boven mij [iets] wat lijkt op wolken. Zij [de twee mannen] zeiden: Dat is jouw huis.' Ik zei: "Laat mij mijn huis binnengaan." Zij antwoordden: 'Je hebt nog wat leven te gaan, dat je nog niet volbracht hebt. Als je [je resterende] leven volbracht hebt, mag je je huis betreden".'

* Maa Shaa Allah: Een Arabische uitdrukking die letterlijk betekent: wat Allah wil. Deze uitdrukking duidt op een goed voorteken. [Ontleend aan de woordenlijst van de Engelse interpretatie van de Qor'aan van Muhammad Al-Hilali en Muhammad Khan] [Voetnoot van de vertaler].

Hoofdstuk: Plotselinge dood
694. Overgeleverd van Aaichah is dat een man tegen de Profeet zei: `Mijn moeder is plotseling overleden. ik denk dat als zij kon spreken, dat zij dan aalmoezen had gegeven. Komt haar een beloning toe als ik namens haar een aalmoes geef?' Hij antwoordde: "Ja."

Hoofdstuk: Wat is overgeleverd met betrekking van het graf van de Profeet Abu Bakr en 'Omar
695. Overgeleverd van `Aaichahi is dat zij heeft gezegd: `Tijdens zijn [overlijdens] ziekte zocht de Boodschapper van AllahSallalahu 'alaihi wasalam naar verontschuldiging [om zijn dagen door te brengen in het huis van Aaichah en zei]: "Waar ben ik vandaag? Waar ben ik morgen?" Hij vond dat de dag [die hij] met Aaichah [mocht doorbrengen] maar niet wilde komen. Toen mijn dag aanbrak, nam Allah zijn ziel [terwijl hij zich bevond] tussen mijn zij en mijn borst. Hij werd in mijn huis begraven.'

696. Overgeleverd van 'Omar Ihn Al-Khattaab is dat hij heeft gezegd: `De Boodschapper van AllahSallalahu 'alaihi wasalam is overleden, terwijl hij tevreden was over deze zes personen. Hij noemde de zes personen: `Othmaan, `Ali, Talkah, Az-Zubair, Abdur-Rahmaan lbn `Awf en Sa'd lbn Abi Waqqaas.'

Hoofdstuk: Het verbod op het uit schelden van de doden
697. Overgeleverd van `Aaichah is dat de Profeet heeft gezegd: "Scheld de doden niet uit. Zij zijn immers heengegaan naar wat zij hebben verricht."

25. Het boek van zakaat *

Top I
Hoofdstuk: De verplichting van zakaat
698. Overgeleverd van Ibn `Abbaas is dat de Profeet Mu'aadh naar Jemen zond en tegen hem zei: `Nodig hen uit naar de getuigenis dat er geen ware God is behalve Allah en dat ik de Boodschapper ben van Allah. Als zij jou hierin gehoorzamen, breng ze er dan van op de hoogte dat Allah hen vijf gebeden verplicht heeft gesteld, elke dag en nacht. Als zij jou hierin gehoorzamen, breng ze er dan van op de hoogte dat Allah hen een aalmoes van hun rijkdommen verplicht heeft gesteld, die genomen wordt van hun rijken om teruggegeven te worden aan hun armen.

* Zakaat is een bepaalde vaste verhouding van de rijkdom en van elke vorm van bezit dat in aanmerking komt voor zakaat van de moslim. Zakaat dient elk jaar afgedragen te worden omwille van de armen in de moslimgemeenschap. Het afdragen van zakaat is plicht, aangezien het n van de zuilen van de islaam is. Zakaat is het grootst economische instrument om sociale rechtvaardigheid te vestigen en om de moslimgemeenschap te leiden naar welvaart en veiligheid. [Ontleend aan de woordenlijst van de Engelse interpretatie van de Qor'aan van Muhammad Al-Hilali en Muhammad Khan] [Voetnoot van de vertalen]

699. Overgeleverd van Abu Ayyoub is dat een man aan de Profeet vroeg: Vertelt u mij over een daad die mij het paradijs binnenbrengt.' Men vroeg zich af: Wat is er met hem? Wat is er met hem?' "De Profeet zei: "Hij heeft de behoefte om over iets te vragen. Jij dient Allah te aanbidden en geen enkele deelgenoot aan Hem toe te kennen, de zakaat af te dragen en de familiebanden aan te halen."

700. Overgeleverd van Abu Hurairah is dat een bedoeien naar de Profeet kwam en zei: `Wijs mij op een daad, waarmee ik het paradijs kan betreden als ik die bega. Hij zei: "Aanbid Allah en ken geen enkele deelgenoot aan hem toe, verricht de verplichte gebeden, draag de verplichte zakaat af en vast tijdens de ramadhaan." Hij zei: `Bij Degene in Wiens Hand mijn ziel ligt, ik zal hieraan niets toevoegen.' Toen hij vertrok, zei de Profeet: "Wie zich verheugt om te kijken naar een man van het paradijs, laat hij dan naar deze man kijken."

701. Overgeleverd van Abu Hurairah is dat hij heeft gezegd: `Toen de Boodschapper van AllahSallalahu 'alaihi wasalam overleed en Abu Bakr na hem kwam [als kalief aangesteld], vervielen sommige Arabieren in ongeloof. 'Omara, zei toen [tegen Abu Bakt]: `Hoe kun je tegen deze mensen strijden, terwijl de Boodschapper van AllahSallalahu 'alaihi wasalam heeft gezegd: "Ik hen bevolen om de mensen te bestrijden, totdat zij `Laa Ilaaha IllAllah [er is geen ware God behalve Allah]' zegt, heeft zijn eigendom en ziel tegen mij beschermd, behalve met haar recht. Zijn afrekening is uiteindelijk aan Allah?" Hij [Abu Bakr] antwoordde: `Bij Allah, ik zal degenen die onderscheid maken tussen het gebed en de zakaat zeker bestrijden. De zakaat is immers verplicht gesteld op rijkdom. Bij Allah, als zij mij zelfs een geitje onthouden dat zij wel aan de Boodschapper van AllahSallalahu 'alaihi wasalam afdroegen, dan zal ik ze om deze onthouding bestrijden.' Hierna zei 'Omar lbn Al-Khattaab: `Bij Allah, op dat moment zag ik dat Allah de borst van Abu Bakr had geopend voor de strijd en ik wist op dat moment dat dit besluit correct was'.'

Hoofdstuk: De zonde van de weigeraar van zakaat
702. Overgeleverd van Abu Uurairah is dat de Profeet heeft gezegd: "Kamelen zullen [tijdens de Opstandingsdag] tot hun eigenaar komen, in hun mooiste hoedanigheid. Als hij de verplichting [van zakaat] die op hen rustte niet afdroeg, zullen zij hem vertrappen met hun poten. Schapen zullen [tijdens de Opstandingsdag] tot hun eigenaar komen, in hun mooiste hoedanigheid. Als hij de verplichting [van zakaat] die op hen rustte niet afdroeg, zullen zij hem vertrappen met hun poten en hem op de hoorns nemen." Hij heeft ook gezegd: "Een van hun rechten is dat zij bij het drinkwater gemolken worden." Hij heeft verder gezegd: "Laat niemand van jullie tijdens de Opstandingsdag aankomen met een blatend ooi op zijn schouders gedragen, om te vragen: `O Mohammad [beteken wat voor mij].' Ik zal dan antwoorden: "Ik kan je van geen enkelnut zijn ten opzichte van Allah. Ik heb [de boodschap] immers volbracht." Laat niemand van jullie tijdens de Opstandingsdag aankomen met een knorren de kameel op zijn schouders gedragen, om te vragen: `O Mohammad. [beteken wat voor mij].' lk zal dan antwoorden: "Ik kan je van geen enkelnut zijn ten opzichte van Allah. Ik heb [de boodschap] immers volbracht."

703. Overgeleverd van Abu Hurairah is dat de Boodschapper van AllahSallalahu 'alaihi wasalam heeft gegegd: "Wie van Allah rijkdom heeft gekregen, waarvan hij de zakaat niet heeft afgedragen, wordt [die rijkdom] tijdens de Opstandingsdag voor hem afgebeeld als een kale slang met twee zwarte vlekken tussen zijn ogen. Hij zal tijdens de Opstandingsdag om zijn nek gehangen worden en hij zal hem bij zijn twee mondhoeken grijpen, terwijl hij zegt: `Ik ben jouw rijkdom, ik ben jouw schat'." Vervolgens riciteerde hij: (En laat hen die hebzuchtig niet denken dat ...) [Soerah Al-Imraan (3):180].

Hoofdstuk: Datgene waarover zakaat is afgedragen, wordt niet meer aangemerkt als `kanz' [rijkdom waarover geen zakaat is afgedragen]
704. Overgeleverd van Abu Sa`ied is dat de Profeet heeft gezegd: "Op minder vijf ugivyah [735 gram zilver] is geen zakaat [verschuldigd]. Op minder vijf kamelen is geen zakaat [verschuldigd]. Op minder dan vijf awsuq [ongeveer 735 kg aan graan of dadels] is ook geen zakaat [verschuldigd]."

Hoofdstuk: Het geven van een aalmoes uit eerlijke verdiensten
705. Overgeleverd van Abu Hurairah is dat de Boodschapper van AllahSallalahu 'alaihi wasalam heeft gezegd: "Als iemand evenveel als een dadel uit eerlijke verdienste als aalmoes geeft - en Allah accepteert alleen het eerlijke - neemt Allah die met Zijn Rechterhand aan. Hij brengt ze groot voor hem, net zoals iemand van jullie zijn veulen grootbrengt, totdat het net zoals een berg wordt."

Hoofdstuk: Het geven van aalmoezen voordat deze geweigerd worden
706. Overgeleverd van Haarithah Ibn Wahb is dat hij de Profeet heeft horen zeggen: "Geef aalmoezen. Er zal namelijk een tijd komen dat iemand met zijn aalmoes rondloopt en niemand vindt die haar wil aannemen. Men zal zeggen: `Als je er gisteren mee was gekomen, had ik ze aangenomen. Nu heb ik er echter geen behoefte meer aan'."

707. Overgeleverd van Abu Hurairah is dat de Profeet heeft gezegd: "Het Uur zal pas aanbreken nadat onder jullie rijkdom zal toenemen, totdat ze overvloedig zal stromen. De bezitter van rijkdom zal zich dan zorgen maken om wie zijn aalmoes zal aannemen. Hij zal ze aanbieden, maar degene aan wie hij ze aanbiedt, zal zeggen: `Ik heb er geen behoefte aan'."

608. Overgeleverd van `Adiy Ibn Haatim is dat hij heeft gezegd: `Ik was eens bij de Boodschapper van AllahSallalahu 'alaihi wasalam toen twee mannen hij hem kwamen: de ene klaagde over armoede en de andere over dieven op de weg. De Boodschapper van AllahSallalahu 'alaihi wasalam zei toen: "Wat betreft de dieven op de weg: het zal niet lang duren voordat een karavaan zal kunnen vertrekken vanuit Mekkah, zonder bewaker. Wat betreft armoede: het Uur zal pas aanbreken nadat iemand van jullie rondgaat met zijn aalmoes en niemand aan zal treffen die ze van hem aanneemt. Vervolgens zullen jullie tussen de Handen van Allah staan, zonder dat zich tussen hem en Hem een sccherm is. Ook zal er geen tolk aanwezig zijn om voor hem te vertalen. Hij zal voorwaar tegen hem zeggen: "Heb Ik jou geen rijkdom geschonken?" Hij zal dan antwoorden: Jawel.' Hij zal voorwaar tegen hem zeggen: "Heb lk geen Boodschapper naar jou gezonden?" Hij zal dan antwoorden: 'Jawel.' Hij zal rechts van hem kijken en niets anders zien dan het uur. Daarna zal hij links van hem kijken niets anders zien dan het vuur. Laat iemand van jullie zich dus beschermen tegen het vuur, al is het met een halve model. Wie die niet vindt, dan met een goed woord".'


Hoofdstuk: Bescherm jullie zelf tegen het vuur, al is het maar met een halve dadel en een kleine aalmoes
709. Overgeleverd van Abu Moesaa is dat de Profeet heeft gezegd: "Er zal zeker een tijd komen waarin iemand met een aalmoes van goud rondgaat en niemand aan zal treffen om haar van hem aan te nemen. Men zal dan ook zien dat veertig vrouwen hun hem zullen zoeken bij een enkele man, vanwege het tekort aan mannen en overschot aan vrouwen."

710. Overgeleverd van Abu Mas`ood Al-Ansaari is dat hij heeft gezegd: 'Als de Boodschapper van Allah ons opdroeg om aalmoezen te geven, vertrokken sommigen van ons naar de markt om te werken als kruier. Daarmee verdiende men dan een mudd [mudd = ongeveer 2/3 kg, die als aalmoes werd uitgegeven. Terwijl sommigen vandaag de dag honderdduizend aan bezit hebben.'

711. Overgeleverd van `Aaichah, is dat zij heeft gezegd: `Er kwam een vrouw bij mij binnen met twee dochters om te bedelen. Zij trof bij mij slechts n dadel aan, die ik haar gaf. Zij verdeelde deze dadel tussen haar twee dochters, zonder er zelf van te eten. Vervolgens stond zij op en vertrok. Toen de Profeet binnenkwam vertelde ik hem hierover en hij zei: "Voor wie beproefd wordt met deze dochters, zullen zij een schild tegen het vuur zijn.

Hoofdstuk: Welke aalmoes de beste is
712. Overgeleverd van Abu Hurairah is dat een man naar de Profeet kwam en hem vroeg: `O Boodschapper van AllahSallalahu 'alaihi wasalam! Wat is de aalmoes met de grootste beloning?' Hij antwoordde: "Wanneer je een aalmoes geeft terwijl je gezond en gretig bent, armoede vreest en hoopt op rijkdom. Geef jezelf geen uitstel totdat je ziel je keel bereikt en dan pas zegt: `Geef zo veel aan die en die en geef zoveel aan die en die.' Terwijl het dan toch al toekomt aan die en die [erfgenamen]."

713. Overgeleverd van Aaichah is dat sommige echtgenotes van de Profeet aan hem vroegen: Wie van ons zal zich het snelst bij u voegen?' Hij antwoordde: "Zij met de langste hand van jullie." Daarom pakten zij een staaf en begonnen daarmee hun onderarmen te meten. Sawdah had de langste hand van hen. Later begrepen zij dat met de lengte van haar hand [het geven van] aalmoezen werd bedoeld. En zij voegde zich inderaad het snelst van ons bij hem [na de nood]. Zij hield erg van [het geven van] aalmoezen.

Hoofdstuk: Als men onbewust een aalmoes geeft aan een rijke
714. Overgeleverd van Abu Hurairah is dat de Boodschapper van AllahSallalahu 'alaihi wasalam heeft gezegd: "Een man heeft gezegd: 'Ik zal een aalmoes schenken.' Hierop vertrok hij met zijn aalmoes en legde die [onbewust] in de hand van een dief. De volgende ochtend vertelden de mensen: 'Er is een aalmoes geschonken aan een dief.' Hierop zei de man: '0 Allah, aan U komt alle lof toe. Ik zal een aalmoes schenken.' Hij vertrok met zijn aalmoes en legde die [onbewust] in de hand van een overspelige vrouw. De volgende ochtend vertelden de mensen: 'Er is afgelopen nacht een aalmoes geschonken aan een overspelige vrouw.' Hierop zei de man: `O Allah, aan U komt alle lof toe. [Heb ik mijn aalmoes geschonken] aan een overspelige vrouw? Ik zal een aalmoes schenken.' Hij vertrok met zijn aalmoes en legde die [onbewust] in de hand van een rijke. De volgende ochtend vertelden de mensen: `Er is een aalmoes geschonken aan een rijke.' Hierop zei de man: `O Allah, aan U komt alle lof toe. [Heb ik mijn aalmoes geschonken] aan een dief, een overspelige vrouw en een rijke?' Vervolgens kwam er iemand naar hem toe en er werd tegen hem gezegd: `Door je aalmoes aan de dief te schenken, zal hij zich misschien onthouden van zijn diefstal. De overspelige vrouw zal zich misschien onthouden van haar overspel. De rijke zal hier misschien lering uit trekken en [daardoor] uitgeven van wat Allah hem heeft geschonken [aan rijkdom]."

Hoofdstuk: Als men onbewust een aalmoes geeft aan zijn zoon
715. Overgeleverd van Ma'n Ibn Yazied is dat hij heeft gezegd: `Ik, mijn vader en mijn opa gaven de Boodschapper van Allah de gelofte van trouw. Hij verloofde mij en huwde mij. Bovendien heb ik mijn beklag bij hem gedaan. Mijn vader, Yazied, had eens een aalmoes van een paar dinars aan een man in de moskee zegeven. Ik kwam bij hem en nam het [geld van de aalmoes]. 'Toen ik ermee hij hem [mijn vader] aankwam, zei hij: `Bij Allah, ik had jou er niet mee bedoeld.' Ik beklaagde mij over hem bij de Boodschapper van AllahSallalahu 'alaihi wasalam en hij zei: "Aan jou, o Yazied, komt toe wat je intentie was, en aan jou, 0 Ma'n komt toe wat je hebt genomen".

Hoofdstuk: Wie zijn bediende op draagt om een aalmoes te geven, zonder het zelf te overhandigen
716. Overgeleverd van `Aaichah is dat de Boodschapper van AllahSallalahu 'alaihi wasalam heeft gezegd: "Als een vrouw van het voedsel van haar huis besteedt, zonder verspilling, ontvangt zij haar beloning voor haar uitgave. Haar echtgenoot ontvangt beloning voor het verdienen ervan en de beheerder [ontvangt aan beloning] evenveel. Niemand van hen vermindert maar iets van de beloning van de ander.

Hoofdstuk: Wie zijn bediende op draagt om een aalmoes te geven, zonder het zelf te overhandigen
717. Overgeleverd van Hakiem 1bn Hizaam is dat de Profeet heeft gezegd: "De hoge hand is beter dan de lage hand. En begin met wie je onderhoudt. De beste aalmoes is [die wordt gegeven op basis] van rijkdom [of overschot.] Wie zich onthoudt van het vragen aan anderen, zal Allah voldaanheid schenken. Aan wie het kan stellen zonder [het vragen van] de mensen, zal Allah rijkdom schenken."

718. Overgeleverd van Ibn 'Omar is dat de Boodschapper van AllahSallalahu 'alaihi wasalam terwijl hij op de preekstoel stond en aalmoezen, het zich onthouden van bedden en bedelen noemde, heeft gezegd: "De hoge hand is beter dan de lage hand. De hoge hand is de uitgevende hand en de lage hand is de bedelende."

Hoofdstuk: Aansporen tot aalmoezen en het bemiddelen hierin
719. Overgeleverd van Abu Moesaa is dat hij heeft gezegd: `Als er bij de Boodschapper van AllahSallalahu 'alaihi wasalam een bedelaar kwam of men hem om een gunst vroeg, zei hij: `Bemiddel en jullie zullen ervoor beloond worden. En Allah zal op de tong van Zijn Profeet datgene wat Hij wil laten uitkomen".'

720. Overgeleverd van Asmaa' is dat de Profeet tegen haar heeft gezegd: "Onthoud anderen niet [van aalmoezen] zodat jij ook niet onthouden zal worden [van voorziening]." In een andere ooverlevering: "Wees niet berekenend [met aalmoezen], zodat Allah jou ook niet berekend zal voorzien [van zegeningen]."

Hoofdstuk: Het geven van aalmoezen waartoe men in staat is
721. In een andere overlevering "Onthoud niet, zodat Allah ook niet van jou zal onthouden. Geef een een beetje uit, zoveel als je kunt."

Hoofdstuk: Wie een aalmoes heeft gegeven ten tijde van polythesme en vervolgens moslim is geworden
722. Overgeleverd van Hakiem Ibn Hizaam is dat hij vroeg: `O Boodschapper van AllahSallalahu 'alaihi wasalam tijdens de periode van onwetendheid verrichtte ik bepaalde vormen van aanbidding, zoals het geven van aalmoezen, het vrijkopen van slaven en het onderhouden van de familiebanden. Word ik hiervoor beloond?' De Profeet antwoordde: `Je bent moslim geworden met behoud [van de beloning] van al je voorgaande goede daden."

Hoofdstuk: De beloning van de bewaarder die op last van de eigenaar een aalmoes geeft, zonder verspilling
723. Overgeleverd van Abu Moesaa is dat de Profeet heeft gezegd: "De betrouwbare, islamitische bewaarder, die datgene waartoe hij is opgedragen volledig, onverkort en met een gerust hart uitvoert (of: uitgeeft), en het overhandigt aan wie hem opgedragen is; hij wordt aangemerkt als n van de twee aalmoesgevers."

Hoofdstuk: De uitspraak van Allah (Wat betreft hij die geeft en Allah vreest ...) en de uitspraak van de engelen: `O Allah, geef de besteder van rijkdom compensatie.'
724. Overgeleverd van Abu Hurairah is dat de Profeet heeft gezegd: "Elke dag waarop de ochtend voor de dienaren aanbreekt, dalen twee engelen neer. De ene zegt: `O Allah, geeft de besteder compensatie.' De andere zegt: `O Allah, geef de onthouder verlies'."

Hoofdstuk: Het voorbeeld van de gierige en de aalmoesgever
725. Overgeleverd van Abu Hurairah is dat de Profeet heeft gezegd: "Het voorbeeld van de gierige en de besteder is net als het voorbeeld van twee mannen met een ijzeren harnas aan, vanaf hun borsten tot aan hun sleutelbeenderen. Elke keer als de besteder uitgeeft, verruimt het [dit harnas] zich (of: bedekt het cen groter gedeelte van zijn huid), totdat het zijn vingers gedekt en zijn sporen uitwist. Elke keer als de gierige de intentie heeft om uit te geven, steekt elke ring ervan [dit harnasj op zijn plaats. Hij probeert het [harnas] te verruimen, maar het verruimt niet."

Hoofdstuk: Op elke moslim berust een aalmoes. Wie die niet bezit, laat hij dan met het goede handelen
726. Overgeleverd van Abu Moesaa is dat de Profeet heeft gezegd: "Op elke Moslim berust [het geven van] een aalmoes." Zij vroegen: 'O Profeet van Allah, hoe zit het dan niet wie niets bezit [om weg te geven]?' Hij antwoordde: Hij moet met eigen hand werken. Hiermee bezorgt hij zichzelf profijt en kan hij aalmoezen schenken." Zij vroegen: Wat als hij dat niet kan?' Hij antwoordde: Dan kan hij de weemoedige hulpbehoevende bijstaan." Zij vroegen: `Wat als hij [zelfs] daartoe niet in staat is?' Hij antwoordde: "Laat hij dan met het goede handelen en zich afhouden van het kwaad. Dat is dan voor hem een aalmoes".

Hoofdstuk: Hoeveel men aan zakaat of aalmoes geeft
727. Overgeleverd van Umm `Atiyyah is dat zij heeft gezegd: `Er werd een ooi gestuurd naar Nusaibah Al-Ansaariyyah en zij stuurde een deel ervan naar `Aaichah. De Profeet vroeg [toen hij thuiskwam]: "Heb je wat in huis?" Ze antwoordde: `Nee, behalve dat Nusaibah ons een deel van dat ooi heeft gestuurd. Hierop zei hij: "Breng het maar, want het heeft haar bestemming bereikt'.'

Hoofdstuk: Het afdragen van zakaat in niet-financile vorm
728. Overgeleverd van Anas is dat Abu Bakr aan hem schreef wat Allah aan Zijn Boodschapper had opgedragen: "Wiens zakaat een eenjarige vrouwtjeskameel bedraagt, maar die niet bezit, maar wel een tweejarige vrouwtjeskameel bezit, dan wordt die van hem geaccepteerd. De [zakaat] inner geeft hem dan twintig [zilveren] dirhams of twee ooien [als `wisselgeld'] terug. Als hij geen eenjarige vrouwtjeskameel bezit, zoals dat zou moeten, maar wel een tweejarige mannetjeskameel bezit, dan wordt deze van hem geaccepteerd en hij krijgt niets terug."

Hoofdstuk: Wat uit elkaar is, wordt niet samengevoegd, en wat samengevoegd is, wordt niet uit elkaar gehaald
729. Overgeleverd van Anas is dat Abu Bakr aan hem schreef wat de Boodschapper van AllahSallalahu 'alaihi wasalam had opgedragen: "Wat uit elkaar is, wordt niet samengevoegd, en wat samengevoegd is, wordt niet uit elkaar gehaald, uit angst [voor het afdragen van meer] zakaat" [Voor de begrijpepelijkheid een wat minder letterlijke vertaling: `Men mag geen gescheiden kuddes samenvoegen, of samengevoegde kuddes scheiden, om zo minder zakaat af te dragen"]

Hoofdstuk: Wat wordt afgedragen door twee partners; daarover verrekenen zij naar verhouding onderling
730. In een andere overlevering staat dat Abu Bakr aan hem schreef wat de Boodschapper van AllahSallalahu 'alaihi wasalam had opgedragen: "Wat [gezamenlijk] wordt afgedragen [aan zakaat] door twee [zaken] partners; daarover verrekenen zij naar verhouding [van hun inleg] onderling."

Hoofdstuk: Zakaat over kamelen
731. Overgeleverd van Abu Sa`ied Al-Khudrie is dat een bedoeien de Boodehapper van Allah vroeg over emigratie. Hij zei: "O wee jij! Deze kwestie is moeilijk. Heb jij kamelen waarover jij zakaat afdraagt?" Hij antwoordde: `Ja.' Hierop zei hij: "Al verricht je in dat geval je daden in achter de zeen, zal Allah niets verminderen van [de beloning van] je daden."

Hoofdstuk: Wie een aantal kamelen bezit waarvan hij een eenjarige vrouwtjeskameel dient af te dragen aan zakaat, maar die niet bezit
732. Overgeleverd van Anas is dat Abu Bakt aan hem de verplichte zakaat schreef die Allah aan Zijn Boodschapper had opgedragen: "Wie een aantal kamelen bezit waarover hij een vierjarige vrouwtjes kameel als zakaat dient te af te dragen, terwijl hij geen vierjarige vrouwtjeskameel bezit, maar wel een driejarige vrouwtjeskameel, dan wordt de driejarige vrouwtjeskameel geaccepteerd en hij dient er twee ooien aan toe te voegen indien deze voor handen zijn of anders twintig [zilveren] dirhams. Wie een aantal bezit waarover hij een driejarige vrouwtjes kameel als zakaat dient te af te dragen, terwijl hij geen driejarige vrouwtjeskameel bezit, maar wel een vierjarige vrouwtjeskameel, dan wordt de vierjarige vrouwtjeskameel geaccepteerd. De [zakaat] inner geeft hem dan twintig [zilveren] dirhams of twee ooien [als `wisselgeld'[ terug. Wie een aantal bezit waarover hij een driejarige vrouwtjes kameel als zakaat dient te af te dragen, terwijl hij alleen een tweejarige vrouwtjeskameel bezit, dan wordt de tweejarige vrouwtjeskameel geaccepteerd en hij dient er twee ooien aan toe te voegen of twintig [zilveren] dirhams. Wie een aantal bezit waarover hij een tweejarige vrouwtjes kameel als zakaat dient te af te dragen, terwijl hij alleen een driejarige vrouwtjeskameel bezit, dan wordt de driejarige vrouwtjeskameel geaccepteerd. De [zakaat] inner geeft hem dan twintig [zilvesn] dirhams of twee ooien [als `wisselgeld] terug. Wie een aantal bezit waarover een tweejarige vrouwtjes kameel als zakaat dient te af te dragen, terwijl hij geen tweejarige vrouwtjeskameel bezit, maar wel een eenjarige vrouwtjeskameel, dan wordt de eenjarige vrouwtjeskameel geacapteerd en hij dient er twintig [zilveren] dirhams of twee ooien aan toe te voegen."

Hoofdstuk: Zakaat over schapen
733. Overgeleverd van Anas is dat Abu Bakr aan hem de volgende brief schreef, toen hij hem uitzond naar Bahrein:
In de naam van Allah, de Erbarmer, de barmhartige. Dit is de verplichting van zakaat die de Boodschapper van AllahSallalahu 'alaihi wasalam opgelegd aan de moslims en die door Allah is opgedragen aan Zijn Boodapper. Als een moslim wordt gevraagd het overeenkomstige af te dragen, laat het dan afdragen. Wie echter om meer wordt gevraagd, laat hij dit [meerdere] dan afdragen: van elke vierentwintig kamelen of minder, dienen ooien te worden dragen; n ooi over elke vijf [kamelen]. Als men er vijfentwintig tot vijfendertig bezit, dan dient hij een eenjarige vrouwtjeskameel af te dragen. Als men er zesendertig tot vijfenveertig bezit, dan dient hij een tweejarige vrouwtjeskameel af te dragen. Als men er zesenveertig tot zestig bezit, dan dient hij een driejarige, paringsrijpe vrouwtjeskameel af te dragen. Als men er eenenzestig tot vijfenzeventig bezit, dan dient hij een vierjarige vrouwtjeskameel af te dragen. Als men er zesenzeventig tot negentig bezit, dan dient hij twee eenjarige vrouwtjeskamelen af te dragen. Als men er eenennegentig tot honderdentwintig bezit, dan dient hij tweedriejarige, paringsrijpe vrouwtjeskamelen af te dragen. Over alles meer dan honderdentwintig, dient hij over elke veertig een eenjarige vrouwtjeskameel af te dragen en voor elke vijftig een driejarige vrouwtjeskameel. Wie slechts vier kamelen bezit, hoeft hierover geen zakaat af te dragen, behalve als de eigenaar dat wenst. Als het er vijf worden, dient hij een ooi af te dragen. Wat betreft de zakaat over grazende schapen: als men veertig tot honderden-twintig schapen bezit, dient hij een ooi af te dragen. Als men er meer dan honderdentwintig tot tweehonderd bezit, dient hij twee ooien af te dragen. Als men er meer dan tweehonderd tot driehonderd bezit, dient hij drie ooien af te dragen. Als men er meer dan driehonderd bezit, dient hij voor elke honderd een ooi af te dragen. Als men n ooi minder dan het [minimum aantal van] veertig grazende schapen bezit, hoeft hij hierover geen zakaat af te dragen, behalve als de eigenaar dat wenst. Wat betreft zilver, dient men een kwart van een tiende [= nveertigste = 2,5%] aan zakaat af te dragen. Als het slechts [de waarde van] honderdnegentig [dirharms] betreft, is hier geen zakaat over verschuldigd, behalve als de eigenaar dat wenst.'

Hoofdstuk: Voor de zakaat wordt alleen het ongedeerde genomen
734. Overgeleverd van Anas is dat Abu Bakr aan hem de verplichte zakaat schreef die de Boodschapper van AllahSallalahu 'alaihi wasalam had opgedragen: "De zakaat mag niet worden afgedragen in de vorm van een oud [en tandloos] dier, een dier met een gebrek en ook geen bok, behalve als de [zakaat] inner dat wenst."

Hoofdstuk: De beste rijkdommen van de mensen worden niet afgenomen voor zakaat
735. Overgeleverd van Ibn `Abbaas is de overlevering van de uitzending van Mu`aadh naar Jemen, die reeds eerder is vermeld [nr. 698] In deze overlevtring heeft hij gezegd: `Je zult aankomen bij een volk van de mensen van het boek ..." Hij noemde de rest van de overlevering en zei op het laatst: `En behoed je voor [het afnemen van] de beste rijkdommen van de mensen."

Hoofdstuk: Zakaat geven aan naasten
736. Overgeleverd van Anas Ibn Maalik is dat hij heeft gezegd: `Abu Talhah had de meeste rijkdom van de Ansaar in Al-Madienah, in de vorm van palmbomen. Het meest geliefd bij hem van zijn rijkdommen was [de boomgaard] Bairuhaa, die uitkeek op de moskee. De Boodschapper van AllahSallalahu 'alaihi wasalam betrad hem en dronk van zijn zoete water.' Anas heeft gezegd: `Toen dit vers neerdaalde: (Jullie zullen al-birr [vroomheid, piteit] niet verkrijgen, totdat jullie uitgeven van wat jullie liefhebben.) [Soerah Al-Imraan (3):92], stond Abu Talhah op naar de Boodschapper van AllahSallalahu 'alaihi wasalam en zei: `O Boodschapper van AllahSallalahu 'alaihi wasalam, Allah zegt: (Jullie zullen al-birr [vroomheid, piteit] niet verkrijgen, totdat jullie uitgeven van wat jullie liefhebben.) [Soerah Al-Imraan (3):92] en het meest geliefd bij mij van mijn rijkdommen is [de boomgaard] Bairuhaa. Ik schenk hem als aalmoes voor Allah en ik hoop op de goedheid en beloning bij Allah. 0 Boodschapper van AllahSallalahu 'alaihi wasalam, geef het uit zoals u wilt. Hierop zei de Boodschapper van AllahSallalahu 'alaihi wasalam: "Geweldig. Dat is zeker een winstgevende rijkdom. Dat is zeker een winstgevende rijkdom. Ik heb gehoord wat je erover hebt gezegd. Ik ben van mening dat je het moet uitgeven aan je verwanten." Abu Talhah zei toen: 'Ik zal dat doen, 0 Boodschapper van AllahSallalahu 'alaihi wasalam.' Abu Talhah verdeelde het over zijn verwanten en zijn neven van vaderskant.'

737. Overgeleverd van Abu Sa`ied Al-Khudrie is de eerder genoemde overlevering [nr. 210] die vertelt over het vertrek van de Boodschapper van AllahSallalahu 'alaihi wasalam naar de gebedsplaats. In deze overlevering zegt hij: Toen hij terugkeerde naar huis, kwam Zainab, de echtgenote van Ibn Mas'oed, de toestemming vroeg om binnen te konen. Men zei: `O Boodschapper van AllahSallalahu 'alaihi wasalam, dit is Zainab.' Hij vroeg: "Welke van vele Zainabs?" Hij antwoordde: De vrouw van 'Abdullaah Ibn Mas'oed: De Boodschapper van AllahSallalahu 'alaihi wasalam zei: "ja, laat haar binnenkomen." Zij werd binnengelaten en zij zei: `O Profeet van Allah, n heeft vandaag opgedragen om aalmoezen te geven en ik had wat sieraden van mij bij me. Ik wilde deze als aalmoes geven, maar Ibn Mas'oed beweert dat hij en zijn kindeeren het meest rcchthebbend zijn op mijn aalmoes. De Profeet zei toen: "Ibn Mas`oed heeft gelijk. Je echtgenoot en je kinderen zijn het meest rechthebbend op aalmoes".'

Hoofdstuk: De moslim is geen zakaat verschuldigd over zijn paard
738. Overgeleverd van Abu Hurairah is dat de Profeet heeft gezegd: "De moslim is geen zakaat verschuldigd over zijn over zijn paard of over zijn dienaar."

Hoofdstuk: Het geven van aalmoezen aan wezen
739. Overgeleverd van Abu Sa`ied Al-Khudrie is dat de Profeet op een dag op de preekstoel ging zitten en wij gingen om hem heen zitten. Hij zei: "Wat ik voor vrees na mij is wat Allah voor jullie beschikbaar stelt aan de pracht en praal van het wereldse." Een man vroeg: `O Boodschapper van AllahSallalahu 'alaihi wasalam! Kan het goede dan iets kwaads voortbrengen?' De Profeet zweeg. Men vroeg hem: `Wat is er met jou aan de hand? Waarom vraag jij de Profeet iets en antwoordt hij jou niet?' Wij gingen ervan uit dat er aan hem werd geopenbaard. Hij veegde het zweet van zich af en zei: "Waar is de vraagsteller?" Alsof hij hem prees. Hij zei: "Het goede brengt geen kwaads voort. Wat langs een rivier groeit, doodt of doodt [het vee ook] bijna, doordat het zich een indigestie vreet. Behalve datgene wat vegetatie eet. Het eet totdat zijn zij gevuld is. Daarna wendt het zich tot de zon en werpt zijn mest uit of urineert en graast weer verder. Deze rijkdom is groen en zoet. Gezegend is voor de moslim wat hij ervan geeft aan de arme, de wees en de reiziger." Of zoals de Profeet heeft gezegd. "Voor wie dus rijkdom onrechtmatig neemt, is het net als wie eet en niet verzadigd raakt. En tijdens de Opstandingsdag zal het tegen hem getuigen."

Hoofdstuk: Zakaat voor de echtgenoot en wezen die onder de hoede van een persoon zijn
740. Overgeleverd van Zainab, de vrouw van `Abdullaah lbn Mas`oed is de overlevering die recentelijk gepasseerd is [nr. 737]. In deze overlevering zegt zij: 'Toen ik hierop vertrok naar de Profeet trof ik een vrouw van de Ansaar aan bij de deur. Zij kwam voor hetzelfde doel als ik. Toen kwam Bilaal langslopen en wij vroegen hem: `Vraag de Profeet of het afdoende voor mij is om aalmoezen te geven aan mijn echtgenoot en aan weeskinderen die onder mijn hoede staan?' Bilaal stelde hem de vraag. De Boodschapper van AllahSallalahu 'alaihi wasalam zei: "Ja. Zij ontvangt een dubbele beloning: de beloning van verwantschap en de beloning van aalmoes".'

741. Overgeleverd van Umm Salamah is dat zij vroeg: `O Boodschapper van AllahSallalahu 'alaihi wasalam komt mij een beloning toe als ik uitgeef omwille van de kinderen van Abu Salamah? Het zijn immers ook mijn zoons.' Hij antwoordde: "Geef uit omwille win hen en de beloning van wat je uitgeeft omwille van hen zal je toekomen."

Hoofdstuk: De uitspraak van Allah (... voor de vrijkoop van slaven, en voor de schuldenaren en op de Weg van Allah)
742. Overgeleverd van Abu Hurairah is de Boodschapper van Allah op tot het afdragen van zakaat. Er werd toen gezegd: `Ibn Djamiel, Khaalid Ibn Ibn-Walled en Al-Abbaas Ibn Abdil-Mutalib hebben zich onthouden [van betaling van zakaat].' Hierop zei de Proteet: "Deze ondankbaarheid van Ibn Djamiel komt slechts voort uit het feit dat hij arm was en dat Allah en Zijn Boodschapper hem verrijkt hebben. Wat Khaaltid betreft, jullie doen Khaalid onrecht aan. Hij heeft namelijk zijn schilden en zijn ammunitie geschonken omwille van Allah. Wat [de zakaat van Al-Abbaas Ibn `Abdil-Muttalib - de oom van vaderskant van de Boodschapper van AllahSallalahu 'alaihi wasalam - betreft, die is hem verschuldigd en het gelijke ervan erbij."

Hoofdstuk: Zich onthouden van bedelen
743. Overgeleverd van Abu Saijed Al-Khudrie is dat mensen van de Ansaar iets van de Boodschapper van AllahSallalahu 'alaihi wasalam vroegen en hij gaf het hun. Zij vroegen hem weer iets en hij gaf het ze, totdat wat hij had opraakte. Hij zei toen: "Alles wat ik aan goeds bezit, daar zal ik jullie niet van onthouden. Wie zich echter onthoudt van het vragen aan anderen, zal Allah voldaanheid schenken. Aan wie het kan stellen zonder [het vragen van] de mensen, zal Allah rijkdom schenken. Voor wie geduldig is, zal Allah geduld vergemakkelijken. Niemand heeft een betere en bredere gunst ontvangen, dan geduld."

744. Overgeleverd van Abu Hurairah is dat de Boodschapper van AllahSallalahu 'alaihi wasalam heeft gezegd: `Bij Degene in Wiens Hand mijn ziel ligt, dat iemand van jullie zijn touw pakt en hout gaat kappen en op zijn rug vervoert, is beter voor hem dan het vragen aan iemand, of hij hem nou geeft of niet."

745. Overgeleverd van Az-Zubair Ibn Al-Awwaam is dat hij de Profeet heeft zezegd: "Dat iemand van jullie zijn touw pakt en terugkeert met een bundel hout en dit verkoopt, waardoor Allah zijn gezicht redt, is beter voor hem dan het vragen aan mensen, of zij hem nou geeft of niet"

746. Overgeleverd van Hakiem Ibn Hizaam is dat hij heeft gezegd: `Ik vroeg de Profeet eens [om iets] en hij gaf het mij. Ik vroeg hem nog een keer iets en hij gaf het mij. lk vroeg het vervolgens nog een keer iets en hij gaf het mij. Hierop zei hij: "O Hakiem, deze rijkdom is zoet en groen. Voor wie ervan neemt met een vrijgevige ziel, zal de rijkdom gezegend worden. Voor wie er echter van neemt met een gretige ziel, zal de rijkdom niet gezegend worden. Hij is net als de persoon die eet, maar niet verzadigd raakt. En de hoge hand is beter dan de lage hand." Hakiem heeft gezegd dat hij toen vroeg: O Boodschapper van Allah, bij Degene Die u met de Waarheid heeft gezonden, ik zal u van niemand meer iets aannemen, totdat ik deze wereld verlaat.' Abu Bakr nodigde Hakiem daarna uit om te ontvangen. Hij weigerde echter om dit van hem aan te nemen. 'Omar nodigde Hakiem daarna uit om hem te geven. Hij weigerde echter om iets van hem aan te nemen. Omar zei toen: `Ik getuig ten overstaan in jullie o moslims, dat ik Hakiem zijn deel van de oorlogsbuit aanbied. Hij weigert echter om dit aan te nemen.' Hakiem nam tot zijn dood van niemand meer iets aan na de Boodschapper van AllahSallalahu 'alaihi wasalam .'

Hoofdstuk: Wie van Allah iets ontvangt zonder te vragen of ernaar te verlangen
747. Overgeleverd van `Omar is dat hij heeft gezegd: `De Boodschapper van AllahSallalahu 'alaihi wasalam schonk mij giften. Ik zei dan tegen hem: `Geeft u het aan iemand die er meer behoefte aan heeft dan ik.' Hij zei dan: "Neem het aan. Alles wat naar jou toekotnt van deze rijkdom, zonder dat je ernaar verlangt of erom vraagt, neem het dan aan. Wat echter niet zo is, laat je ziel het niet begeren".'

Hoofdstuk: Wie bij de mensen bedelt om zijn bezit te vergroten
748. Overgeleverd van `Abdullaah Ihn `Omar is dat de Profeet heeft gezegd: "Een persoon gaat door met het bedelen bij de mensen, totdat hij tijdens de Opstandingsdag komt met geen enkel stukje vlees op zijn gezicht." En hij heeft gezegd: "De zon zal tijdens de Opstandingsdag dichterbij komen, totdat het zweet het midden van de oren bereikt. Terwijl zij zich in die situatie bevinden, vragen zij Aadam, daarna Moesaa en daarna Mohammad om hulp."

Hoofdstuk: De afbakening van rijkdom
749. Overgeleverd van Abu Hurairah is dat de Boodschapper van AllahSallalahu 'alaihi wasalam heeft zezegd: "De behoeftige is niet hij die bij de mensen langsgaat en wordt weggestuurd met n of twee happen, of met n of twee dadels. de behoeftige is echter hij die geen rijkdom heeft wat voldoende voor hem is, en die niet wordt opgemerkt om aalmoezen aan te geven en niet opstaat om bij de mensen te bedelen."

Hoofdstuk: Het schatten van de dadelopbrengst
750. Overgeleverd van Abu Humaid As-Saa'iedie 4 is dat hij heeft gezegd: 'Wij voerden samen met de Profeet de slag om Tabuk. Toen hij aankwam bij de vallei van A1-Quraa, troffen wij een vrouw aan in haar boomgaard. De Profeet zei tegen zijn metgezellen: "Schat de opbrengst van deze oogst.' De Boodschapper van AllahSallalahu 'alaihi wasalam schatte de opbrengst van de oogst op tien awsuq [ongeveer 1500 - 1800 kg.] Hij zei tegen haar: "Houd bij hoeveel het jou opbrengt." Toen wij aan aankwamen in Tabuk, zei hij: "Vannacht zal er een krachtige wind waaien. Laat niemand opstaan en wie een kameel heeft, hij hem dan vastbinden." Wij bonden onze kamelen vast en er waaide een krachtige wind. Een man stond op en werd [door de wind] weggeblazen naar de berg Tayyi. De koning van Elah schonk de Profeet een witte muilezel en hij [de Profeet] schonk hem een mantel en hij bevestigde zijn positie aan zijn streek. Toen hij weer aankwam bij de vallei van Al-Quraa, vroeg hij aan de vrouw: "Hoeveel heeft je boomgaard opgeleverd?" Zij antwoordde: `Tien awsuq, gelijk aan de schatting van de Boodschapper van AllahSallalahu 'alaihi wasalam.' De Profeet zei toen: "Ik wil mij naar Al-Madienah haasten. Wie zich met mij mee wil haasten, laat hij dat dan doen." Toen hij Al-Madienah zag, zei hij: "Dit is Taabah." Toen hij de berg van Uhud zag, zei hij: "Dit is een bergje dat van ons houdt en waar wij van houden. Zal ik jullie vertellen welke stammen van de Ansaar de beste zijn?" Zij antwoordden: 'Jawel.' Hij zei: "De stam van Banu An-Nadjaar, daarna de stam van Banu Abdil Ash-Hal, daarna de stam van Banu Saa`idah of de stam van Banu Al-Haarith Ibn Al-Khazradj. En in alle stammen van de Ansaar bevindt zich goeds".'

Hoofdstuk: De afdracht van een tiende over wat bevloeid wordt door hemel water of stromend water
751. Overgeleverd van `Ahdullaah Ibn 'Omar is dat de Profeet heeft gezegd: "Wat door de hemel [d.w.z. regen] of natuurlijke bronnen is bevloeid [aan landbouw], of wat zijn water onttrekt aan een meer; daarover dient een tiende [aan zakaatj te worden afgedragen. Wat wordt bevloeid door besproeiing [aan landbouw]; daarover dient de helft van een tiende te worden afgedragen."

Hoofdstuk: Het geven van aalmoezen in de vorm van dadels bij het pukken van de dadelbomen en of een kind de dadels van een aalmoes mag aanraken
752. Overgeleverd van Abu Hurairah is dat bij de Boodschapper van Allah gewoonlijk dadels werden gebracht bij het plukken van de dadelbomen. Eenieder bracht dan [van] zijn dadels, totdat zich bij hem een berg aan dadels vormde. Al-Hasan en Al-Husain begonnen eens te spelen met die dadels. En van hen nam een dadel en deed die in zijn mond. De Boodschapper van Allah keek naar hem en haalde de dadel uit zijn mond en zei: "Weet je dan niet dat de familie van Mohammad geen aalmoezen eet?"

Hoofdstuk: Mag men zijn eigen aal moes [terug] kopen en het is niet erg als hij andermans aalmoes koopt
753. Overgeleverd van 'Omar is dat hij heeft gezegd: `Ik had een paard geschonken [omwille van de djihaad] op de weg van Allah. De [nieuwe] eigenaar van het paard verwaarloosde het echter en ik wilde [terug] kopen. Ik dacht dat hij het goedkoop van de hand zou doen. Toen ik de Profeet vroeg, zei hij: "Koop het en neem je aalmoes niet terug, ook al zou hij haar aan jou voor n dirham verkopen. Wie zijn aalmoes namelijk terugneemt is als iemand die zijn eigen braaksel eet".'

Hoofdstuk: Het schenken van aalmoezen aan de bevrijde slavinnen van de echtgenotes van de Profeet
754. Overgeleverd van Ibn Abbaas is dat hij heeft gezegd: `De Profeet trof een dode ooi aan, die als aalmoes was geschonken aan een bevrijde slavin van Maymounah. De Profeet zei toen: "Waarom benutten jullie haar huid niet?" Zij antwoordden: `Ze is dood zonder ritueel geslacht te wordeni.' Hij antwoordde: "Slechts het eten ervan is verboden".'

Hoofdstuk: Als een aalmoes wordt overgedragen
755. Overgeleverd van Anas is dat bij de Profeet het vlees van een aalmoes werd gebracht, dat was geschonken aan Barierah. Hij zei toen: "Het is voor haar een aalmoes en voor ons een geschenk."

Hoofdstuk: De Zakaat wordt gend bij de rijken en teruggebracht bij de armen, waar zij zich ook bevinden
756. De overlevering van Mu`aadh Ibn Djabal en zijn uitzending naar Jemen, is reeds eerder vermeld. In deze overlevering staat: "En kijk uit voor de aanroeping van de onderdrukte, want tussen zijn aanroeping en Allah is geen scherm."

Hoofdstuk: De imaam spreekt smeekgebeden en aanroepingen uit ten gunste van de aalmoesgever
757. Overgeleverd van `Abdullaah Ibn Abi Awfaa Iets is dat hij heeft gezegd: Als mensen hun aalmoezen [of zakaat] brachten bij de Boodschapper van Allah zei hij: "0 Allah, verhef hun naam." 'Mijn vader kwam bij hem zijn aalmoes [of zakaat] brengen en hij zei: "0 Allah, verhef de naam van de familie van Abu Awfaa"

Hoofdstuk: Wat uit de zee gehaald wordt
758. Overgeleverd van Abu Hurairah is dat de Profeet heeft gezegd: "Een man van Banu Israa'iel vroeg aan een andere man van Banu Israa'iel om hem duizend dinars te lenen en hij gaf ze hem. Hij kwam naar de zee [toen de tijd was gekomen om zijn schuld af te lossen], maar trof geen boot aan. Hij nam een stuk hout dat hij uitholde. Hij plaatste de duizend dinars erin en gooide het in de zee. De man die hem had geleend ging naar buiten en trof het stuk hout aan. Hij nam het mee als brandhout voor zijn gezin." Hij noemde de rest van de overlevering: Toen hij het [stuk hout] openzaagde, trof in het bedrag aan."

Hoofdstuk: Over opgegraven schatten is een vijfde verschuldigd
759. Overgeleverd van Abu Hurairah is dat de Boodschapper van AllahSallalahu 'alaihi wasalam heeft gezegd: "Schade veroorzaakt door een dier is vergeefs, schade veroorzaakt door een put is vergeefs en schade veroorzaakt door mijndelving is vergeefs. [D.w.z. dat schade, verwonding of dood veroorzaakt door drie genoemde zaken geen compensatie vereisen]. Over opgegraven schatten is een vijfde verschuldigd [aan de islamitische schatkist]."

Hoofdstuk: De Uitspraak van Allah (... en zij die zijn aangesteld om haar te verzamelen ...) en het afrekenen van de zakaat-inners met de imaam.
760. Overgeleverd van Abu Humaid As-Saa`idie is dat hij heeft gezegd: `De Boodschapper van AllahSallalahu 'alaihi wasalam stelde een man van [de stam van] Al-Asd aan om de zakaat van Banu Sulaim te collecteren. Zijn naam was Ibn Al-Lutbiyyah. Toen hij terugkeerde, rekende hij met hem af.'

Hoofdstuk:
761. Overgeleverd van Atlas Ibn Maalik is dat hij heeft gezegd: `Ik ging in de vroege ochtend naar de Boodschapper van AllahSallalahu 'alaihi wasalam met 'Abdullaah Ibn Abi Talhah, zodat hij bij hem tahniek * zou doen. Ik trof hem aan met een brandijzer in zijn hand, waarmee hij de als aalmoes geschonken kamelen brandmerkte.'

* Tahniek is dat men een op ccn dadel kauwt en deze vervolgens in de mond van een kind plaats en het wrijft met zijn wijsvinger totdat het oplost. [Ontleend aan: 'Awn Al-Baari Lihalli Adillat il-Boekharie, deel 2, pagina 495] [Voetnoot van de vertaler]

26. Het boek van zakaat-ul-fitr [verplichte zakaat die wordt afgedragen als de maand ramadhaan afloopt]
Hoofdstuk: De verplichting van zakaat-ul-fitr

Top I
762. Overgeleverd van `Abdullaah Ibn 'Omar is dat hij heeft gezegd: De Boodschapper van AllahSallalahu 'alaihi wasalam heeft zakaat-ul-fitr verplicht gesteld: een saa' [bijna drie kilo] aan dadels of een saa' aan gerst, namens elke moslim; slaaf of vrij mens, man of vrouw, groot of klein. Hij heeft opgedragen om haar af te dragen voordat de mensen [op de dag van het `suiker-feest'] naar de moskee vertrekken.'

Hoofdstuk: Zakaat-ul-fitr afdragen voor het `Eid-gebed
763. Overgeleverd van Abu Sa`ied Al-Khudrie is dat hij heeft gezegd: Wij gaven gewoonlijk zakaat-ul-fitr, toen de Boodschapper van Allah zich onder ons bevond, op de dag van het breken van het vasten [`suikerfeest']; een saa` aan voedsel. Ons voedsel was gerst, rozijnen, gedroogde melk en dadels.'

Hoofdstuk: Zakaat-ul-fitr namens de vrije persoon en de slaaf
764. Overgeleverd van Abdullaah Ibn 'Omar is dat hij heeft gezegd: De Boodschapper van AllahSallalahu 'alaihi wasalam heeft zakaat-ul-fitr verplicht gesteld: een saa' [bijna drie kilo] aan gerst, of een saa' aan dadels, namens elk kind en elke volwassene, elk vrij mens en elke slaaf.'

27. Het boek van de bedevaart [hadj]

Top I
Hoofdstuk: De verplichting van de hadj en zijn verdiensten
765. Overgeleverd van 'Abdullaah Ibn `Abbaas is dat hij heeft gezegd: `Al-Fadhl Ibn 'Abbaas reed achterop bij de Boodschapper van AllahSallalahu 'alaihi wasalam toen een vrouw uit [de stam van] Khat'am naar hem toe kwam. Al-Fadhl begon naar haar te kijken en zij keek naar hem. De Boodschapper van AllahSallalahu 'alaihi wasalam wendde het gezicht van Al-Fadhl af naar de andere kant. Zij vroeg: `O Boodschapper van AllahSallalahu 'alaihi wasalam, de hadj, die Allah Zijn dienaren heeft opgelegd, is verplicht voor mijn vader, terwijl hij een erg oude man is. Hij kan niet [eens meer] stevig zitten op een rijkameel. Mag ik namens hem de hadj verrichten?' Hij antwoordde: "Ja." Dit voorval heeft plaatsgevonden tijdens de afscheidsbedevaart [hadjat ul-wadaa'.]'

Hoofdstuk: De Uitspraak van Allah (Zij zullen naar jou komen, te voet en op elke scharminkelige kameel. Zij zullen komen vanuit elke diepe [en wijde] bergpas. Opdat zij voor hen nuttige zaken zullen aanschouwen...)
766. Overgeleverd van Ibn 'Omar is dit hij heeft gezegd: `Ik zag de Boodschapper van AllahSallalahu 'alaihi wasalam zijn rijkameel bestijgen in Dhul-Hulayfah. Als hij [zijn rijkameel] rechtovereind stond, sprak hij de talbiyah hardop uit.'

Hoofdstuk: Het verrichten van hadj op een pakzadel
767. Overgeleverd van Anas is dat hij heeft gezegd dat de Boodschapper van Allah de hadj heeft verricht op een pakzadel [van een kameel], die zowel hem als zijn bagage droeg.

Hoofdstuk: De verdienste van een geaccepteerde hadj
768. Overgeleverd van `Aaichah, de moeder van de gelovigen is dat zij heeft gezegd: `O Boodschapper van AllahSallalahu 'alaihi wasalam, wij zien dat de djihaad de beste daad is. Mogen wij [vrouwen] djihaad verrichten?' Hij antwoordde: "Nee, de beste djihaad is een geaccepteerde hadj".'

769. Overgeleverd van Abu Hurairah is dat hij de Profeet heeft horen zeggen: "Wie de hadj voor Allah verricht, zonder zich van vulgariteit te bedienen en geen zonden pleegt, zal terugkeren zoals hij was op de dag dat zijn moeder hem heeft gebaard."

Hoofdstuk: De grensplaats van ihraam voor de mensen van Jemen
770. Overgeleverd van Ibn 'Abbaas is dat de Profeet de volgende grensplaatssen [migaats] heeft aangesteld voor het binnentreden van ihraam]: voor de mensen van Al-Madienah; Dhul-Hulayfah. Voor de mensen van de Levant; Al-Djuhfah; Voor de mensen van Nadjd; Qarn Al-Manaazil. En voor de mensen van Jemen; Yalamlam. Zij zijn [grensplaatsen voor hun inwoners en voor eenieder ander dan hun inwoners die langs hen gaat, als hij hadj en `umrah wenst te verrichten. Voor wie zich na hen bevindt, is het zijn beginplek [die aangemerkt wordt als zijn grensplaats]. Dit gaat zo door tot de inwoners van Mekkah: zij nemen ihraam aan vanuit Mekkah zelf."

771. Overgeleverd van `Abdullaah Ibn `Omar is dat de Boodschapper van AllahSallalahu 'alaihi wasalam zijn rijkameel liet neerknielen in de brede rivierbedding in Dhul-Hulayfah, alwaar hij een gebed verrichtte. Abdullaah Ibn 'Omar verrichtte dit gewoonlijk ook.

Hoofdstuk: De Profeet vertrok via de weg van Ash-Shadjarah
772. Overgeleverd van Ibn 'Omar is dat de Boodschapper van AllahSallalahu 'alaihi wasalam [vanuit Al-Madienah] vertrok via de weg van Ash-Shadjarah en binnenging via de weg van Al-Mu`arras. Als de Boodschapper van AllahSallalahu 'alaihi wasalam vertrok naar Mekkah, verrichtte hij een gebed in de moskee van Ash-Shadjarah. En als hij terugkeerde, bad hij in Dhul-Hulayfah, in de bodem van de vallei. Daar overnachtte hij tot de ochtend aanbrak.

Hoofdstuk: De uitspraak van de Profeet "Al-'Agieq is een gezegende vallei."
773. Overgeleverd van 'Omar is dat hij de Profeet in de vallei van All-`Agieq heeft horen zeggen: "De afgelopen nacht er iemand bij mijn Heer vandaan naar toegekomen en zei: `Bid in deze gezegende vallei en zeg: `Een `umrah in een hadj.

774 Overgeleverd van Ibn 'Omar is dat de Profeet werd gezien terwijl hij zich bevond op de plek waar hij gewoonlijk aan het einde van de nacht neerstreek in Dhul-Hulayfah, in de bodem van de vallei. Er werd tegen hem gezegd: Jij bevindt je in een gezegende rivierbedding.

775. Overgeleverd van Ya'laa Ibn Umayyah is dat hij tegen 'Omar heeft gezegd: `Laat me zien hoe de Profeet is als aan hem werd geopenbaard.' Hij zei: `Er kwam een man naar de Profeet terwijl hij en een groep van zijn metgezellen zich in Al-Dji`raanah bevonden. De man vroeg: `O Boodschapper van AllahSallalahu 'alaihi wasalam wat is uw mening over een persoon die de ihraam heeft aangenomen voor een 'umrah, terwijl hij besmeurd is met parfum?' De Profeet zweeg een tijd en ontving openbaring. 'Omar gebaarde naar mij en ik kwam. Boven de Boodschapper van AllahSallalahu 'alaihi wasalam was een kleed voor de schaduw. Ik stak mijn hoofd naar binnen. Het gezicht van de Boodschapper van Allah was rood en hij maakte een snurkend geluid. Vervolgens werd deze situatie van hem opgeheven. Hij zei toen: "Waar is de man die vroeg over de `umrah?" De man werd gebracht en hij zei tegen hem: "Was de parfum die op jou is drie keer en trek het gewaad uit. Doe vervolgens tijdens je `umrah wat je tijdens je hadj ook doet".'

776. Overgeleverd van `Aaichah de echtgenote van de Profeet is dat zij heeft gezegd: `Ik parfumeerde de Boodschapper van AllahSallalahu 'alaihi wasalam voordat hij de ihraam wilde aannemen en ook toen hij zich ontdeed van ihraam, alvorens hij de rondgang om de Ka`bah verrichtte.'

Hoofdstuk: Wie met geklit haar de talbiyah hardop uitspreekt
777. Overgeleverd van Ibn 'Omar is dat hij heeft gezegd: `Ik heb de Boodschapper van AllahSallalahu 'alaihi wasalam de talbiyah hardop horen uitspreken, terwijl zijn haar geklit was.'

Hoofdstuk: Het aannemen van ihraam vanaf de moskee van Dhul-Hulayfah
778. Overgeleverd van Ibn 'Omari is dat hij heeft gezegd: `De Boodehapper van Allah heeft alleen maar de ihraam aangenomen [talbiyrah uitgeproken] vanaf de moskee.' Hiermee bedoelt hij de moskee van Dhul-Hulayfah.

Hoofdstuk: Rijdend of achterop zittend de hadj verrichten
779. Overgeleverd van lbn `Abbaas is dat Usaamah achterop reed bij de Profeet vanaf 'Arafah naar Al-Muzdalifah. Daarna reed Al-Fadhl achter vanaf Al-Muzdalifah naar Mina. Beiden hebben gezegd: `De Profeet is net zo lang doorgegaan met het uitspreken van talbiyah, totdat hij djamrah al-`aqaba stenigde.'

Hoofdstuk: Welke kleding en lendendoeken de muhrim aantrekt
780. Overgeleverd van Ibn `Abbaas is dat hij heeft gezegd: `De Profeet vertrok samen met zijn metgezellen vanuit Madienah, nadat hij zijn haren had gekamd en geolied en zijn boven- en onderkleed had omgewikkeld. Hij verbood een enkel boven- en onderkleed om te wikkelen, behalve die zodanig met safraan waren bewerkt dat zij sporen op de huid achterlieten. Toen de ochtend aanbrak, was hij in Dhul-Hulayfah. Hij besteeg zijn rijkameel. Toen hij bovenop Al-Baydaa' stond, spraken hij en zijn metgezellen hardop de talbiyah uit. Hij hing een markering om zijn badanah [kameel, koe of schaap om geofferd te worden]. Dit was toen er nog vijf dagen over waren van de maand Dhul-Qa`dah. Hij kwam aan in Mekkah toen er vier nachten waren verstreken van de maand Dhul-Hidjah. Hij verrichtte de rondgang [tawaaf] om de ka`bah en liep heen en weer tussen As-Safaa en Al-Marwah (sa`y). Hij verliet zijn [gewijde] staat van ihraam niet, vanwege zijn badanah die hij had gemarkeerd [als offerdier]. Hij streek neer op het hoge gedeelte van Mekkah bij Al-Hadjoen. Hij had immers ihraam aangenomen [talbiyah uitgesprokene met de intentie van hadj. Hij naderde de ka`bah, nadat hij de rondgang eromheen had verricht, niet meer totdat hij terugkeerde vanuit `Arafah. Hij beval zijn metgezellen om de rondgang om het huis te verrichten, heen en weer te lopen tussen As-Safaa en Al-Marwah, vervolgens hun haren te knippen en uiteindelijk uit de [gewijde toestand van] ihraam te treden. Dat gold voor wie geen [als offerdier] gemarkeerde badanah bij zich had. Voor wie van hen zijn vrouw bij zich had, was zij [weer] toegestaan voor hem, alsmede het dragen van parfum en kleding.'

Hoofdstuk: De talbiyah
781. Overgeleverd van `Abdullaah Ibn 'Omar is dat de talbiyah van de Boodschapper van AllahSallalahu 'alaihi wasalam als volgt was: Ik geef gehoor aan U. O Allah, ik geef gehoor aan U. Ik geef gehoor aan U. U geeft geen deelgenoot. lk geef gehoor aan U. Voorwaar, alle lof en gunsten komen U toe alsook de soevereiniteit. U heeft geen Deelgenoot."

Hoofdstuk: Het uitspreken van tahmied, tasbieh en takbier alvorens de talbiyah uit te spreken bij het bestijgen van het rijdier
782. Overgeleverd van Anas is dat hij heeft gezegd: `Toen wij in Al-Madienah waren, leidde de Boodschapper van AllahSallalahu 'alaihi wasalam ons in het dhuhr-gebed, bestaande uit vier rak`as. In Dhul-Hulayfah leidde hij ons in het `asr-gebed, bestaande uit twee rak`as. Daar overnachtte hij. Toen de ochtend aanbrak, besteeg hij [zijn rijdier], dat hem op Al-Baydaa' bracht. Hij sprak de tahmied, tasbieh en takbier uit. Vervolgens sprak hij hardop de talbiyah uit voor zowel een hadj als een `umrah. De mensen deden hetzelfde. Toen wij aankwamen [in Mekkah], beval hij de mensen om uit hun [wijde staat van] ihraam te treden. Op dag van tarwiyah [de achtste dag van Dhul-Hidjah] spraken zij hardop de talbiyah uit voor hadj.' Hij heeft gezegd: `De De Boodschapper van AllahSallalahu 'alaihi wasalam slachtte eigenhandig een aantal staande badanah's [kameel, koe of schaap om geofferd te worden]. Al-Madienah slachtte de Boodschapper van AllahSallalahu 'alaihi wasalam twee witte rammen.

Hoofdstuk: Zich tot de gebedsrichting wenden bij het uitspreken van de talbiyah
783. Overgeleverd van Ibn 'Omar is dat hij gewoonlijk de talbiyah uitsprak vanaf Dhul-Hulayfah. Als hij in [het heiligdom van] de haram aankwam, stopte hij hiermee. Als hij Dhu Tuwaa bereikte, overnachtte hij daar totdat de ochtend aanbrak. Nadat hij het ochtendgebed had verricht, waste hij zich. Hij beweerde dat de Boodschapper van AllahSallalahu 'alaihi wasalam dat ook had gedaan.

Hoofdstuk: Het uitspreken van de talbiyah als men in een vallei neerdaalt
784. Overgeleverd van Ibn `Abbaas is dat de Profeet heeft gezegd: "Wat betreft Moesaa, het is alsof ik naar hem keek toen hij neerdaalde in de vallei en de talbiyah uitsprak."

Hoofdstuk: Wie ten tijde van de Profeet dezelfde ihraam had aangenomen als de Profeet
785. Overgeleverd van Abu Moesaa is dat hij heeft gezegd: `De Profeet zond mij naar een volk in Jemen. Toen ik terugkwam, was hij in Al-Bathaa. Hij vroeg: "Met wat [voor intentie] heb jij ihraam aangenomen?" Ik antwoordde: `Ik heb dezelfde ihraam aangenomen als die van de Profeet.' Hij vroeg: "Heb je een offerdier bij zichgebracht?" Ik antwoordde: Nee.' Hij beval mij de rondgang om het Huis te verrichten en [heen en weer te lopen] tussen As-Safaa en Al-Manwah. Hij beval mij om vervolgens uit ihraam te treden." Ik kwam daarna bij een vrouw van mijn volk. Zij kamde mijn haren of waste mijn hoofd. Daarna kwam [het kalifaat van] 'Omar en hij zei: `Als wij ons aan de Qor'aan willen houden, dan heeft Hij ons opgedragen om volledigheid te betrachten. Allah heeft immers gezegd: (En verricht volledig de hadj en de `umrah voor Allah.) [Soerah Al-Bagarah (2):196]. En als wij ons willen houden aan de Soennah van onze Profeet Mohammad: hij is pas uit ihraam getreden nadat hij zijn offerdier had geslacht'.

Hoofdstuk: De Uitspraak van Allah (De hadj is [tijdens] de welbekende [maan] maanden...)
786. Overgeleverd van Aaichah is haar eerder vermelde overlevering met eetrekking tot hadj. In deze overlevering zegt zij: `Wij vertrokken met de Boodschapper van AllahSallalahu 'alaihi wasalam tijdens de maanden van de hadj, de nachten van de hadj en de plekken van de hadj. Wij streken neer in Sarif.' Zij heeft gezegd dat hij naar buiten kwam naar zijn metgezellen en tegen hen zei: "Wie van jullie geen offerdier bij zich heeft en haar [zijn hadj] wil omzetten in een `umrah, laat hij dat dan doen. Wie achter een offerdier bij zich heeft, die niet." Zij heeft gezegd: `Sommigen van zijn metgezellen voerden dit uit en anderen niet.' Zij heeft gezegd: `Wat betreft de Boodschapper van AllahSallalahu 'alaihi wasalam en sommigen van zijn metgezellen waren [financieel] krachtig en hadden offerdieren bij zich. Daarom konden zij niet overgaan op een `umrah.' En zij noemde de rest van de overlevering.

Hoofdstuk: Hadj in de vorm van tamattu`, qiraan en ifraad, en het verbreken van hadj door wie geen offerdier bij zich heeft
787.Van haar is een andere overlevering waarin zij zegt: Wij vertrokken met de Profeet en dachten dat het slechts de hadj betrof. Toen wij aankwamen, verrichtten wij de rondgang om het huis. De Profeet droeg degenen die geen offerdier bij zich hadden op om uit ihraam te treden. Wie geen offerdier bij zich had, trad uit ihraam. Zijn echtgenotes hadden ook geen offerdier bij zich en traden daarom ook uit ihraam. Safiyyah heeft gezegd: `Ik denk dat ik hen ophoud [vanwege mijn menstruatie].' Hij zei: "Moge onvruchtbaarheid en een keelziekte je treffen [dit is een welbekende Arabische uitspraak van onvrede waarvan de letterlijke betekenis niet gemeend is]. Heb je geen rondgang verricht op de offerdag?" Zij antwoordde: 'Jawel.' Hij zijn: "Dan is het niet erg. Je kunt vertrekken".'

788. Van haar is een andere overlevering waarin zij zegt: `Wij vertrokken met de Boodschapper van AllahSallalahu 'alaihi wasalam in het jaar van de afscheidsbedevaart. Sommigen van ons hadden ihraam aangenomen voor een `umrah, anderen voor hadj en een `umrah en anderen voor een hadj. De Boodschapper van AllahSallalahu 'alaihi wasalam had ihraam aangenomen voor hadj. Wie ihraam had aangenomen voor hadj of hadj en `umrah had gecombineerd, trad pas uit ihraam op de offerdag.'

789. Overgeleverd van 'Othmaan is dat hij zowel hadj tamattu` als hadj qiraan verbood. Toen `Ali dat zag, nam hij hraam aan voor beide [en sprak de volgende talbiyah uit]: `Ik geef gehoor aan U met een `umrah en een hadj.' Hij zei: `Ik zou de soennah van de Profeet nooit laten voor de uitspraak van wie dan ook'.

790. Overgeleverd van Ibn 'Abbaas is dat hij heeft gezegd: `Zij [de arabieren in de pre-islamitische periode] zagen het verrichten van een `umrah tijdens de hadj-maanden als n van de meest verdorven daden op aarde. Daarom verruiden zij [de maand] muharram met [de maand] safar en zeiden: `Als de kamelenruggen zijn genezen, de sporen zijn uitgewist en safar is afgelopen, is de `Umrah weer toegestaan voor wie haar wil verrichten.' Toen de Profeet en zijn metgezellen aankwamen op de ochtend van de vierde dag [van dhul-hidjah], terwijl zij ihraam hadden aangenomen voor de hadj, beval hij hen om deze [te beindigen en] om te zetten in een `umrah. Dit viel zwaar en daarom vroegen zij: `O Boodschapper van AllahSallalahu 'alaihi wasalam, wat voor een beeindiging?' Hij antwoordde: "Een beindiging? Hij antwoordde: "Een volledige beindiging."

791. Overgeleverd van Hafsah de echtgenote van de Profeet is dat zij vroeg: `O Boodschapper van Allah, waarom zijn de mensen na hun `umrah uit ihraam getreden en u niet?' Hij antwoordde: "Tk heb mijn haren geklit en mijn offerdier gemarkeerd. Daarom treed ik pas uit ihraam nadat ik geofferd heb".

792. Overgeleverd van 1bn `Abbaas is dat een man hem vroeg over tamattu` en zei: `De mensen hebben het mij verboden.' Hij droeg hem echter hiertoe op. De man zei: `Ik zag in een droom dat een man tegen mij zei: `Moge het een geaccepteerde hadj zijn en een geaccepteerde `umrah.' Ik vertelde dit aan Ibn `Abbaas, die zei: `Dat is de soennah van de Profeet.

793. Overgeleverd van Djaabir Ibn `Abdillaah is dat hij met de Profeet hadj heeft verricht, op de dag dat hij zijn offerdieren mee had genomen. Men had de ihraam aangenomen voor een afzonderlijke hadj. De Boodschapper van AllahSallalahu 'alaihi wasalam zei echter: "Ontbind jullie ihraam door de rondgang om het Huis te verrichten, tussen As-Safaa en Al-Marwah te lopen en jullie haren te knippen. Blijf vervolgens in staat van geen ihraam. Als de dag van tarwiyah aanbreekt, neem dan de ihraam aan voor hadj en maak van jullie bezoek tamattu`." Men vroeg: `Hoe kunnen wij nou tamattu` verrichten, terwijl wij ihraam hebben aangenomen [en uitgesproken] voor hadj?' Hij zei: "Doe wat ik jullie opdraag. Als ik zelf geen offerdier zou hebben meegenomen, had ik hetzelfde gedaan als wat ik jullie opdraag. Voor mij is echter geen enkel verbod toegestaan totdat het offerdier op zijn plek aankomt." Men volgde deze opdracht op.'

Hoofdstuk: Hadj tamattu`
794. Overgeleverd van `Imraan is dat hij heeft gezegd: `Wij hebben tamattu` verricht met de Boodschapper van AllahSallalahu 'alaihi wasalam en de Qor'aan is [daaromtrent] neergezonden. Ongeacht wat de opinie van iemand hierover is.'

Hoofdstuk: Vanaf waar men Mekkah binnenkomt
795. Overgeleverd van Ibn 'Omar is dat de Boodschapper van AllahSallalahu 'alaihi wasalam Mekkah binnenging langs Kadaa', via de hoge kronkel die zich in Al-Bathaa' bevindt en hij verliet haar via de lage kronkel.

Hoofdstuk: De verdienste van Mekkah en haar gebouwen
796. Overgeleverd van `Aaichah is dat zij aan de Profeet vroeg of het uurtje onderdeel van het Huis is? Hij antwoordde: "Ja." Zij vroeg: Waarom hebben zij hem dan niet aan het Huis toegevoegd?' Hij antwoordde: "Het budget van jouw volk was niet toereikend." Zij vroeg: Waarom is zijn deur zo hoog?' Hij antwoordde: `Jouw volk heeft dat gedaan zodat zij wie zij willen naar binnen laten en wie zij willen weerhouden. Als hei niet zo was dat jouw volk pas recentelijk nog in onwetendheid verkeerde en ik vrees dat hun harten het zouden afkeuren, dan had ik gekeken om het muurtje aan het Huis te voegen en om zijn deur ter hoogte van de grond te plaatsen."

797. In een andere overlevering van haar is het de Profeet heeft gezegd: "Als het niet zo was dat jouw volk pas recentelijk nog in onwetendheid verkeerde, dan had ik opgedragen om het Huis af te breken. lk zou dan datgene wat eruit is gehaald er weer aan voegen en ik zou het ter hoogte van de grond plaatsen. Ik zou het een oostelijke en een westelijkt deur geven. Hiermee zou ik de fundering van Ibraahiem hebben bereikt."

Hoofdstuk: Het erven en kopen van de Mekkaanse huizen en dat de mensen in het Heilige Huis gelijk zijn
798. Overgeleverd van Usaamah lbn Zayd Ibn Haarithah is dat hij vroeg: `O Boodschapper van Allah, verblijft u in uw huis te Mekkah?' Hij antwoordde: "Heeft `Agiel dan een woning of een huis voor ons nagelaten?" 'Aqiel en Taalib hadden namelijk samen van Abu Taalib gerfd. Terwijl Dja`far en `Ali niets hadden gerfd, omdat zij moslims waren. `Agiel en Taalib waren beiden ongelovig.

Hoofdstuk: Het neerstrijken van de Profeet in Mekkah
799. Overgeleverd van Abu Hurairah is dat de Boodschapper van AllahSallalahu 'alaihi wasalam toen hij wilde aankomen in Mekkah heeft gezegd: "Morgen strijken wij - met de Wil van Allah- neer op de heuvelrug van Banu Kinaanah (waarmee hij Al-Muhassab * bedoelt), waar zij het verdrag van ongeloof hebben gesloten." Dat was vanwege het feit dat [de stammem] Quraish en Banu Kinaanah ten verdrag hadden gesloten tegen Banu Haashim en Banu Al-Muttalib: zij zouden hen niet meer huwen en geen handel neer met hen drijven, totdat zij de Profeet aan hen zouden uitleveren.'

* Al-Muhassab: de naam van een plaats die zich bevindt tussen twee bergen. Hij ligt dichter bij Mina dan Mekka. Deze plek wordt ook wel `Al-Abtah', `Al-Bathaa', `Khaif Bani Kinaanah' en `Al-Hasbah' genoemd. Enkele van deze benamingen komen in de volgende overleveringen voor. [Voemoor van de vertaler, ontleend aan Tahqieq van Mukhtasar Sahieh Moslim van Sheikh Al-Albaani [pagina 197]

Hoofdstuk: De vernieling van de Ka`bah
800. Overgeleverd van Abu Hurairah is dat de Profeet heeft gezegd: "De Ka'bah zal verwoest worden door de spillebeen uit Abessini."

Hoofdstuk: De Uitspraak van Allah (Allah heeft de Kabah, het Heilige Huis, gemaakt tot een ondersteuning van de mensen alsmede de Heilige maand ...)
801. Overgeleverd van `Aaichah is dat zij vastten op [de dag van] `aashoeraa voordat [het vasten tijdens] ramadhaan verplicht werd gesteld. Het was de dag waarop de Ka`bah werd bekleed. Toen ramadhaan verplicht gesteld werd door Allah, zei de Boodschapper van AllahSallalahu 'alaihi wasalam: "Wie wil mag hem vasten en wie wil mag hem verbreken."

802. Overgeleverd van Abu Sa`ied Al-Khudrie is dat de Profeet heeft gezegd: "Zowel de hadj als de `umrah naar het Huis zullen zeker vervuld worden [zelfs] na de verschijning van Ya'djudj en Ma'djudj."

Hoofdstuk: De vernieling van de Kabah
803. Overgeleverd van Ibn `Abbaas is dat de Profeet hij heeft gezegd: Het is alsof ik naar hem kijk: zwart en met een hoogmoedige loop, terwijl hij haar [de Ka`bah] steen voor steen wegrukt."

Hoofdstuk: Wat er is gezegd over de Zwarte Steen
804. Overgeleverd van 'Omar is dat hij bij de Zwarte Steen kwam en hem kuste terwijl hij zei: `Ik weet dat je een steen bent en dat je niet schaadt en niet baat. Als ik de Boodschapper van AllahSallalahu 'alaihi wasalam jou niet had zien kussen, had ik je niet gekust'.'

Hoofdstuk: Over wie de Ka`bah niet betreden heeft
805. Overgeleverd van `Abdullaah Ibn Abi Awfaa is dat hij heeft gezegd: De Boodschapper van AllahSallalahu 'alaihi wasalam verrichtte 'umrah; hij deed de rondgang om het Huis en bad twee rak`as achter de standplaats [van Ibraahiem]. Er waren mensen met hem die hem afschermden van de mensen. Een man vroeg hem: 'Is de Boodschapper van AllahSallalahu 'alaihi wasalam [toen] de Ka`bah binnengelaan?' Hij antwoordde: `Nee'.'

Hoofdstuk: Wie takbier uitspreekt in alle hoeken en zijden van de Ka'bah
806. Overgeleverd van Ibn 'Abbaas is dat hij heeft gezegd: `Toen de Boodschapper van AllahSallalahu 'alaihi wasalam aankwam [in Mekkah], weigerde hij om het Huis te betreden terwijl afgoden zich erin bevonden. Hij beval om hem eruit te verwijderen. Zij verwijderden [ook] een afbeelding van Ibraahiem en Ismaa`iel met in hun handen Azlaam [loten niet daarop `doe' en 'doe niet' die in de periode van onwetendheid werden getrokken bij de intentie om iets te ondernemen. Bij `doe' werd de daad vootgezet en bij `doe niet' werd de daad staakt]. De Boodschapper van AllahSallalahu 'alaihi wasalam zei toen: "Moge Allah hen vernietigen. Allah, zij weten dat zij beiden nooit Azlaam hebben toegepast." Daarna betrad het Huis en sprak de takbier uit in al zijn hoeken en zijden, zonder erin te bidden.'

Hoofdstuk: Hoe de ramal-pas is begonnen
807. Overgeleverd van Ibn 'Abbaas is dat hij heeft gezegd: 'De Boodschapper van AllahSallalahu 'alaihi wasalam en zijn metgezellen kwamen aan in Mekkah en de veelgodenaanbidders zeiden: 'Zij zullen bij jullie aankomen, terwijl de koorts van Yathrib [de vroegere naam van Al-Madienah] hen verzwakt heeft. Daarom droeg de Profeet hen op om [de eerste] drie rondes [om de Ka`bah] in snelpas [= ramal] te lopen en om [in normale pas] te lopen tussen de twee hoeken [De Yamani hoek en de hoek van de Zwarte Steen]. Wat hem ervan weerhield om hen op te dragen om alle rondes in snelpas te lopen, was zijn zorg om hen.'

Hoofdstuk: Het aanraken van de Zwarte Steen bij het aankomen in Mekkah en het beginnen van de rond gang en liet in snelpas lopen van drie rondes
808. Overgeleverd van Ibn 'Omar is dat hij heeft gezegd: `Ik zag dat de Boodschapper van AllahSallalahu 'alaihi wasalam als hij aankwam in Mekkah en hij de Zwarte Steen had aangeraakt bij het begin van zijn rondgang, hij de eerste drie van de zeven rondes [om de Ka`bah] in snelpas liep.'

Hoofdstuk: Snelpas zowel tijdens de hadj als de `umrah
809. Overgeleverd van 'Omar Ibn Al-Khattaab is dat hij heeft gezegd: 'Waarom zouden wij in snelpas moeten lopen. Dat hebben wij [toentertijd] gedaan zodat de veelgodenaanbidders dat zouden zien." Allah heeft hen nu echter vernietigd.' Vervolgens zei hij: `Het is echter iets wat de Profeet heeft gedaan en daarom willen wij het niet graag laten.'

810. Overgeleverd van Ibn 'Omar is dat hij heeft gezegd: `Ik heb het aanraken van deze twee hoeken (de Yamani en de Zwarte Steen) in zowel drukte als rust niet gelaten, sinds ik de Boodehapper van Allah hen beide heb zien aanraken.'

Hoofdstuk: Het aanraken van de Hoek [van de Zwarte Steen] met een van wandelstok
811. Overgeleverd van Ibn `Abbaas is dat hij heeft gezegd: `Tijdens de afscheidsbedevaart heeft de Profeet de rondgang [om het Huis] verricht op een kameel en hij raakte de Hoek [van de Zwarte steen] aan met een wandelstok.'

Hoofdstuk: Het kussen van de Zwarte Steen
812. Overgeleverd van Ibn `Omar is dat een man hem vroeg over het aanraken van de [Zwarte] Steen. Hij antwoordde: `Ik heb gezien dat de Boodschapper van Allah hem aanraakte en kuste.' De man vroeg: `Stel nu eens voor dat ik er niet bij kan vanwege drukte of als ik weggedrukt wordt?' Hij antwoordde: `Stel je nu eens voor kun je naar Jemen verwijzen! Ik heb gezien dat de Boodschapper van AllahSallalahu 'alaihi wasalam hem aanraakte en kuste.'

Hoofdstuk: Wie de rondgang om het Huis verricht als hij in Mekkah aankomt alvorens terug te keren naar zijn huis
813. Overgeleverd van `Aaichah is dat het eerste waarmee de Profeet begon toen hij aankwam, was dat hij wudoe' verrichtte en vervolgens de rondgang [om het Huis] deed. Dit betrof geen `umrah. Vervolgens verrichtte zowel Abu Bakr als 'Omar de hadj op de zelfde manier als hij.

814. Overgeleverd van Ibn `Omar is de overlevering waarin de rondgang van de Profeet beschreven staat. Deze is recentelijk vermeld. In deze overlevering voegt hij toe dat hij twee rak`as bad en vervolgens heen en weer liep tussen As-Safaa en AI-Marwah.

Hoofdstuk: Praten tijdens de rondgang
815. Overgeleverd van Ibn `Abbaas is dat de Profeet terwijl hij eens de rondgang om de Ka`bah verrichtte, langs een persoon liep die zijn hand had vastgebonden aan een andere persoon met een riem of een koord of iets anders. De Profeet brak het met zijn hand en zei: "leid hem aan zijn hand."

Hoofdstuk: Geen naakte persoon zal de rondgang om het Huis verrichten en geen polythest zal de bedevaart verrichten
816. Overgeleverd van Abu Hurairah is dat hij heeft gezegd: `Tijdens de hadj waarvoor de Boodschapper van Allah hem als leider had aangesteld vr de afscheidsbedevaart, stuurde Abu Bakr Siddieq mij mee met een groep. Wij riepen de mensen op: Na dit jaar zal geen polythest de bedevaart verrichten en zal geen naakte persoon de rondgang om het Huis verrichten'.'

Hoofdstuk: Wie de Ka`bah niet meer nadert en geen rondgang verricht na de eerste rondgang totdat hij vertrekt naar `Arafah en terugkeert
817. Overgeleverd van `Abdullaah Ibn Abbaas is dat hij heeft gezegd: De Profeet kwam aan in Mekkah. Hij verrichtte de rondgang en liep heen en weer tussen As-Safaa en Al-Marwah. Na zijn rondgang naderde hij de Ka`bah niet meer totdat hij terugkeerde uit `Arafah.'

Hoofdstuk: Water schenken voor de pelgrim
818. Overgeleverd van Ibn 'Omar is dat Al-`Abbaas Ibn `Abdil-Muttalib toestemming vroeg aan de Boodschap van Allah om tijdens de nachten van Mina in Mekkah te overnachten, omdat hij een waterschenker was. Hij gaf hem toestemming hiervoor.

819. Overgeleverd van Ibn `Abbaas is dat de Boodschapper van Allah naar de drinkplaats kwam en om water vroeg. Al-`Abbaas zei [tegen zijn zoon]: '0 Fadhl, ga naar je moeder toe en breng de Boodschapper van Allah water bij haar vandaan.' Hij zei: "Geef me water om te drinken." Hij [Al-`Abbaasj zei: `O Boodschapper van AllahSallalahu 'alaihi wasalam, de mensen plaatsen hun handen erin.' Hij zei: Geef me water om te drinken." Vervolgens dronk hij ervan en ging daarna naar [de bron van] Zam-Zam, waar de mensen anderen water gaven en aan het werk waren. Hij zei: "Ga door met werken. Jullie verrichten een goede daad." Vervolgens zei hij: "Als ik niet zou vrezen dat anderen met jullie zouden wedijveren, dan zou ik neerdalen om het touw hierover [d.w.z. zijn schouder] te gooien [en water te dragen]." Hierbij wees hij naar zijn schouder.

820. Van hem is een andere overlevering waarin hij zegt: `Ik gaf de Boodschapper van AllahSallalahu 'alaihi wasalam te drinken uit Zam-Zam. Hij dronk staand.' In een andere overlevering van hem zegt hij dat hij toen niet op een kameel reed.

Hoofdstuk: De verplichting van As-Safaa en Al-Marwah
821. Overgeleverd van Aaichah is dat de zoon van haar zus, `Unwah Ibn Az-Zubair haar vroeg over de Uitspraak van Allah: (Voorwaar, As-Safaa en Al-Marwah behoren tot de gewijde symbolen van Allah. Het is voor hem die hadj of `umrah naar het Huis verricht geen overtreding om tussen beide te lopen.) [Soerah Al-Baqarah (2):158]. Hij zei: `Bij Allah, dan is het ook geen overtreding als een persoon de loop tussen As-Safaa en Al-Marwah niet verricht.' Zij zei: Wat slecht is jouw uitspraak, o zoon van mijn zus. Als het zou zijn zoals jij interpreteert, dan was het vers: (Het is voor hem geen overtreding om niet tussen beide te lopen). Dit vers is echter neergezonden vanwege mensen van de Ansaar. Voordat zij moslim werden, was het zo dat als zij de talbiyah uitspraken [voor hadj], deden zij dit in naam van de afgod Manaat, die zij aanbaden bij [de heuvel van] Al-Mushallal. Als iemand van hen [de Ansaar] de talbiyah had uitgesproken, ontweek hij het tussen As-Safaa en Al-Marwah. Toen zij vervolgens moslim werden, vroegen zij de Boodschapper van Allah hierover en zeiden: `O Boodschapper van AllahSallalahu 'alaihi wasalam, wij ontweken het lopen tussen As-en Al-Matwa.' Hierop zond Allah vers neer: (Voorwaar, As-Safaa en Al-Marwah behoren tot de gewijde symbolen van Allah...) [Soerah AlBaqarah]. `Aaichah heeft gezegd: `De Boodschapper van AllahSallalahu 'alaihi wasalam heeft het lopen tussen beide als soennah gebracht. Daarom is het aan niemand om het lopen tussen beide achterwege te laten.'

Hoofdstuk: Wat is overgeleverd met betrekking tot het lopen tussen As-Safaa en Al-Marwah
822. Overgeleverd van lbn 'Omar is dat hij heeft gezegd: `Als de Boodschapper van Allah de eerste rondgang [om het Huis] verrichtte, liep hij de eerste drie [rondes] in snelpas en vier in normale pas. Als hij tussen As-Safaa en Al-Marwah liep, rende hij in de dal van de rivierbedding.'

Hoofdstuk: De menstruerende vrouw verricht alle handeling [van hadj of `umrah] behalve de rondgang om het Huis. Wat als men zonder wudoe' tussen As-Safaa en Al-Marwah loopt?
823. Overgeleverd van Djaabir Ibn `Abdillaah is dat hij heeft gezegd: `De Profeet en zijn metgezellen namen de ihraam aan [traden in gewijde staat] voor de hadj. Niemand van hen had een offerdier bij zich, behalve de Profeet en Talhah. Toen `Ali aankwam uit Jemen en ook een offerdier hij zich had, zei hij: `Ik heb dezelfde ihraam aangenomen als de Profeet .' De Profeet droeg zijn metgezellen op om haar [de hadj] om te zetten in een `umrah. Zij moesten de rondgang [om het Huis] verrichten, daarna hun haren knippen en vervolgens uit ihraam treden. Behalve degenen die een offerdier bij zich hadden. Zij vroegen: `Moeten wij naar Mina vertrekken, terwijl onze geslachtsdelen nog druppelen? [dit is een gechargeerde uitspraak waarmee gedoeld wordt op net feit dat zij - nadat zij uit ihraam zijn getreden - weer geslachtsgemeenschap mogen hebben]' Toen de Boodschapper van AllahSallalahu 'alaihi wasalam dit vernam, zei hij: "Als ik van tevoren had geweten wat ik achteraf te weten ben gekomen, had ik geen offerdier bij zichgenomen. Als ik geen offerdier bij me zou hebben, dan was ik uit ihraam getreden".'

Hoofdstuk: Waar men het dhuhr-gebed verricht op de dag van tarwiyah
824. Overgeleverd van Anas Ibn Maallk is dat een man hem de volgende vraag stelde: `Kun je mij vertellen of je hebt onthouden waar de Profeet het dhuh- en het `asr-gebed heeft verricht op de dag van tarwiyah [de achtste van Dhul-Hidjah]? Hij antwoordde: `In Mina.' Hij vroeg: `Waar heeft hij dan het `asr-gebed verricht op de dag van vertrek [uit Mina]?' Hij antwoordde: `In Al-Abtah [= Muhassab].' Vervolgens zei hij: `Doe echter zoals jouw leiders doen.'

Hoofdstuk Vasten op de dag van 'Arafah
825. Overgeleverd van Umm Al-Fadhl is dat zij heeft gezegd: `De mensen twijfelden op de dag van `Arafah over het vasten van de Profeet. Daarom stuurde ik hem drinken, dat hij opdronk.'

Hoofdstuk: Rond het middaguur gaan op de dag van `Arafah
826. Overgeleverd van Ibn 'Omar is dat hij op de dag van `Arafah kwam toen de zon zijn hoogste punt had gepasseerd. Hij schreeuwde bij de tent van Al-Hadjaadj, die naar buiten kwam, terwijl hij bedekt was met een in saffoer gekleurd laken. Hij vroeg: `Wat is er aan de hand, o Abu 'Abdir-Rahmaan?' Hij zei: `je moet gaan als je de soennah wilt treffen.' Hij vroeg: `Op dit tijdstip?' Hij antwoordde: Ja.' Hij zei: Wacht dan op mij, totdat ik water over mijn hoofd heb gegoten. Daarna kom ik naar buiten.' Hij [Ibn 'Omar] steeg af [en wachtte] totdat Al-Hadjaadj naar buiten kwam. Saalim lbn Abdillaah - die met zijn vader was - zei tegen hem: `Als je [navolging van] de soennah wenst, geef dan een korte preek en haast je naar de standplaats [van `Arafah].' Hierop keek hij [Al-Hadjaadj] naar `Abdullaah. Toen 'Abdullaah dat zag, zei hij: `Hij heeft de waarheid gesproken.' 'Abdul-Malik had namelijk aan Al-Hadjaadj geschreven om 'Omar niet tegen te spreken tijdens hadj.'

Hoofdstuk: Zich haasten naar de standplaats [van `Arafah]
827. Overgeleverd van Djuhair Ibn Mut'im is dat hij heeft gezegd: `Ik verloor een kameel van mij en ging hem zoeken op de dag van `Arafah. Ik zag de Boodschapper van AllahSallalahu 'alaihi wasalam toen staan in `Arafah. Ik zei toen: Bij Allah, hij is toch van Al-Hums? Wat doet hij dan hier?' [Quraish werd namelijk tot Al-Hums gerekend]

Hoofdstuk: Wegrijden bij het verlaten van `Arafah
828. Overgeleverd van Usaamah Ibn Zayd is dat hem werd gevraagd over het rijden van de Boodschapper van AllahSallalahu 'alaihi wasalam tijdens de afscheidsbedevaart, toen hij vertrok [uit `Arafah]. Hij antwoordde: 'Hij reed langzaam. Als hij echter een opening vond, verhoogde hij zijn snelheid.

Hoofdstuk: De Profeet beveelt kalmte bij het vertrekken [uit `Arafah] en hij wijst met zijn zweep naar hen
829. Overgeleverd van Ibn `Abbaas is dat hij op de dag van Arafah samen met de Profeet vertrok. De Profeet hoorde toen achter zich hevig geschreeuw, stemmen en het slaan van kamelen. Hij wees daarop met zijn zweep naar hen en zei: "0 mensen, betracht kalmte. Goedeeid wordt namelijk niet bereikt door rijdieren tot haast te manen."

Hoofdstuk: Wie de zwakkeren van zijn familie in de nacht vooruitstuurt om in Muzdalifah te staan en aldaar aanroeping te verrichten en vanaf daar verder te gaan als de maan ondergaat
830. Overgeleverd van Asmaa' Bint Abi Bakr is dat zij tijdens de nacht van Al-Muzdalifah in A1-Muzdalifah neerstreek. Zij stond op om te bidden en bad enige tijd. Daarna vroeg zij [aan haar bediende]: `O zoontje van mij, is de maan ondergegaan?' Hij antwoordde: `Nee,' Zij bad toen nog een periode en vroeg weer: `O mijn zoontje, is de zon ondergegaan?' Hij antwoordde: `Ja.' Zij zei toen: `Vertrek,' en wij vertrokken en reden door totdat zij de djamrah had gestenigd. Daarna keerde zij terug en bad het ochtendgebed in haar huis. Hij vroeg haar: `H jij, wij zijn volgens mij in de nacht vertrokken.' Zij antwoordde: `O mijn zoontje, de Profeet heeft dit toegestaan voor de vrouwen'.'

831. Overgeleverd van `Aaichah is dat zij heeft gezegd: Wij streken neer in Al-Muzdalifah en Sawdah vroeg de Profeet toestemming om vr de mensenmenigte te vertrekken. Zij was namelijk een trage vrouw. Hij gaf haar toestemming en zij vertrok vr de mensenmenigte. Wij bleven echter tot de ochtend aanbrak en vertrokken samen met hem. Dat ik de Boodschapper van AllahSallalahu 'alaihi wasalam om toestemming zou hebben gevraagd, zoals Sawdah heeft gedaan, om met zijn Toestemming te vertrekken, heb ik meer lief dan alles wat vreugdegevend is.'

Hoofdstuk: Wanneer het ochtendgebed wordt verricht in Al-Muzdalifah
832. Overgeleverd van `Abdullaah is hij aankwam in Al-Muzdalifah en aldaarr de twee gebeden [maghreb en ishaa] verrichtte. Elk gebed afzonderlijk met een gebedsoproep en een igaamah. Tussen beide was het avondeten. Daarna bad hij toen de dageraad aanbrak. Sommigen zeidenn: `De dageraad is aangebroken,' terwijl anderen zeiden: `De dageraad is nog aangebroken.' Toen vertelde hij dat de dschapper van Allah heeft gezegd: Deze twee gebeden zijn van tijd gewijzigd op deze plek. Wat betreft maghreb en 'ishaa, laat de mensen niet naar A1-Muzdalifah komen, totdat de duisternis breekt. En het ochtendgebed is op dit tijdstip." Vervolgens stond hij [Ibn Mas'ood] totdat het licht [helder] werd. Daarna zei hij: `Als de leider van de gelovigen [`Othmaan] nu zou vertrekken, zou hij de soennah hebben getroffen.' Ik weet niet wie sneller was: zijn uitspraak het vertrek van Othmaan Hij ging zolang door met het uitspreken van de talbiyah, totdat hij op de offerdag djamrah Al-Aqabah stenigde.

Hoofdstuk: Wanneer men Al-Muzdalifah verlaat
833. Overgeleverd van 'Omar is dat hij Al-Muzdalifah het ochtendgebed verrichte. Vervolgens ging hij staan en zei: De veelgodenaanbidders vertrokken pas [Al-Muzdalifah naar Mina] nadat de zon opkwam en zij zeiden: `Zonneschijn op [de berg] Thabier.' De Profeet sprak hen echter tegen en hij vertrok voordat de zon opkwam.'

Hoofdstuk: Het rijden op offerkamelen
834. Overgeleverd van Abu Hurairah is dat de Boodschapper van AllahSallalahu 'alaihi wasalam een man zag die zijn offerkameel meedreef. Hij zei tegen hem: "Rijd erop." Hij zei: `Het is een offerkameel.' Hij zei tegen hem: "Rijd erop." Hij zei: `Het is een offerkameel.' Hij zei de tweede of derde keer: "Wee jij, rijd erop."

Hoofdstuk: Wie offerkamelen met zich meebrengt
835. Overgeleverd van Ibn 'Omar is dat hij heeft gezegd: 'Tijdens de afscheidsbedevaart combineerde de Boodschapper van AllahSallalahu 'alaihi wasalam de `umrah en de hadj [tamattu'] en hij offerde. Hij bracht zijn offerdier bij zich vanaf Dhul-Hulayfah. De Boodschapper van AllahSallalahu 'alaihi wasalam begon. Hij sprak luidkeels de talbiyah uit voor de `umrah en daarna sprak hij luidkeels de talbiyah uit voor de hadj. De mensen verrichtten samen met de Boodschapper van AllahSallalahu 'alaihi wasalam tamattu` van de `umrah naar de hadj. Sommigen van hen offerden, omdat zij een offerdier bij zich hadden gebracht, terwijl anderen niet offerden. Toen de Profeet aankwam in Mekkah zei hij tegen de mensen: "Wie van jullie een offerdier heeft meegebracht, niet uit de ihraam treden die hij heeft aangenomen, totdat hij zijn hadj voltooit. En wie van jullie geen offerdier heeft gebracht, laat hij de rondgang om het Huis verrichten, tussen As-Safaa en Al-Marwah heen en weer lopen en zijn haar knippen. Vervolgens kan hij uit zijn ihraam treden. Daarna neemt hij weer ihraam aan voor de hadj. Wie geen offerdier vindt, moet drie dagen vasten tijdens de hadj en zeven dagen als hij teruggekeerd is bij zijn familie".'

Hoofdstuk: Wie markeert en omkranst in Dhul-Hulayfah en daarna ihraam aanneemt
836. Overgeleverd door Al-Miswar Ibn lakhramah en Marwaan is dat beiden hebben gezegd: `Ten tijde van Al-Hudaibiyyab vertrok de Profeet samen met meer dan duizend van zijn metgezellen uit A1-Madienah. Toen zij aankwamen in Dhul-Hulayfah, omkransde de Profeet zijn offerdier en markeerde hij het. Vervolgens nam hij ihraam aan voor de 'umrah.

Hoofdstuk: Wie eigenhandig de omhangsels omkranst
837. Overgeleverd van `Aaichah is dat het bericht haar bereikte dat 'Abdulaah Ibn `Abbaas heeft gezegd: Voor wie een offerdier heeft gezonden, is hetzelfde verboden als wat voor een pelgrim verboden is, totdat hij zijn offerdier wordt geslacht.' `Aaichah antwoordde: `Het is niet zoals hij heeft gezegd. lk heb eigenhandig de omhangsels voor de offerdieren van de Boodschapper van Allah gevlochten. En de Boodschapper van AllahSallalahu 'alaihi wasalam heeft het offerdier vervolgens eigenhandig omkranst. Daarna zond hij het mee met mijn vader. Niets van wat Allah voor hem had toegestaan was voor de Boodschapper van AllahSallalahu 'alaihi wasalam verboden, totdat de offerdieren werden geslacht.'

Hoofdstuk: Het omkransen van schapen
838. Overgeleverd van Aaichah is dat zij heeft gezegd: `De Boodschapper van AllahSallalahu 'alaihi wasalam zond eens schapen als offerdieren maar Mekkah].' In een andere overlevering: `Hij omkransde de schapen terwijl hij zich bij zijn familie bevond, buiten de staat van ihraam.'

Hoofdstuk: Omhangsels van wol
839. Van haar is ook overgeleverd dat zij heeft gezegd: `Ik heb hun omhangsels gevlochten van wol die ik had.'

Hoofdstuk: De bedekkingen van offerdieren en deze als aalmoes weggeven
840. Overgeleverd van Ali is dat hij heeft gezegd: `De Boodschapper van AllahSallalahu 'alaihi wasalam heeft mij opgedragen om de bedekking en de huiden van de offerdieren die ik had geslacht als aalmoes te schenken.'

Hoofdstuk: Dat een man koeien slacht namens zijn vrouwen, zonder dat zij hiertoe opgedragen hebben
841. Overgeleverd van 'Aaichah is de reeds eerder vermelde overlevering waarin zij zegt: `Wij vertrokken samen met Boodschapper van AllahSallalahu 'alaihi wasalam toen er nog vijf dagen over waren van de maand Dhul-Qa`dah...' In deze overlevering staat een toevoeging: `...werd bij ons koeien vlees naar binnen gebracht. Ik vroeg: `Wat is dit?' Men antwoordde: `De Boodschapper van AllahSallalahu 'alaihi wasalam heeft namens zijn vrouwen geofferd.'

Hoofdstuk: Het slachten op de slachtplaats van de Profeet in Mina
842. Overgeleverd van `Abdullaah Ibn Omar is dat hij gewoonlijk slachte op de slachtplaats. `Ubaydullaah heeft gezegd: `Hij bedoelt daarmee de slachtplaats van de Boodschapper van AllahSallalahu 'alaihi wasalam.'

Hoofdstuk: Kamelen vastgebonden slachten
843. Van hem is ook overgeleverd dat een man zag die een knielend offerkamel slachtte. Hij zei tegen hem: `Laat het vastgebonden [aan de linkerpoot] staan. Dat is namelijk de Soennah van Mohammad.

Hoofdstuk: De slager krijgt niets van het offerdier
844. Overgeleverd van `Ali is dat hij heeft gezegd: `De Profeet beval mij om bij de offerdieren te gaan staan en om niets ervan te geven in ruil voor het slachten ervan.'

Hoofdstuk: Wat gegeten wordt aan offerdieren en wat als aalmoes wordt weggegeven
845. Overgeleverd van Djaabir Ibn `Abdillaah is dat hij heeft gezegd: Wij aten niet langer dan de drie dagen in Mina van het vlees van onze offerdieren. De Profeet gaf ons echter toestemming en zei: "Eet en bevoorraad." Daarom aten wij en maakten voorraad aan.'

Hoofdstuk: Knippen en scheren als men uit ihraam treedt
846. Overgeleverd van Ibn 'Omari is dat hij heeft gezegd: `De Boodschapper van AllahSallalahu 'alaihi wasalam scheerde zijn hoofd tijdens zijn bedevaart.'

847. Van hem is ook overgeleverd dat de Boodschapper van AllahSallalahu 'alaihi wasalam heeft gezegd: "0 Allah, wees hen die zich kaal scheren genadig." Zij vroegen: `O Boodschapper van AllahSallalahu 'alaihi wasalam, en zij die hun haar knippen?' Hij zei: "0 Allah, wees hen die zich kaal scheren genadig." Zij vroegen: O Boodschapper van AllahSallalahu 'alaihi wasalam, en zij die hun haar knippen?' Hij zei: "En hen die hun haar knippen."

848. Van Abu Hurairah is dezelfde overlevering. Alleen zegt hij daarin: "Vergef" in plaats van "wees genadig." Hij herhaalde dit drie keer en zei daarna: "En hen die hun haar knippen."

849. Overgeleverd van Mu'aawiyah is dat hij heeft gezegd: `Ik knipte het haar van de Boodschapper van AllahSallalahu 'alaihi wasalam met een breedpuntige pijl.'

Hoofdstuk: Het stenigen van de djimaar [ev. djamrah]
850. Overgeleverd van 1bn 'Omar is dat een man hem vroeg: Wanneer mag ik de djimaar [ev. djamrah] stenigen?' Hij antwoordde: `Als jouw leider stenigt, stenig jij haar dan ook.' Hij herhaalde zijn ring vraag en hij zei: Wij hielden de tijd in de gaten. Als de zon haar hoogste punt had gepasseerd, stenigden wij.'

Hoofdstuk: Het stenigen van de djimar [ev. djamrah] vanuit de valleibodem
851. Overgeleverd van Ihn Mas'ood is dat hij stenigde vanuit de valleibodem. Men zei tegen hem: `Er zijn mensen die stenigen vanaf haar bovenkant.' Hij zei: Bij Degene naast Wie er geen andere god is, dit is de standplek van degene op wie Soerah Al-Baqarah is neergezonden.'

Hoofdstuk: Het stenigen van de djimaar [ev. djamrah] met zeven kiezelsteentjes
852. Van hem is ook overgeleverd dat hij bij de grote djamrah [djamrat-ul`agabah] aankwam. Het Huis was links van hem en Mina rechts van hem. Hij stenigde met zeven [kiezelsteentjes] en zei: `Zo stenigde degene op wie Soerah A1-Bagarah is neergezonden.'

Hoofdstuk: Als men de [eerste] twee djamrahs heeft gestenigd, staat hij op de laagvlakte gewend tot de gebedsrichting
833. Overgeleverd van Ibn 'Omar is dat hij de dichtstbijzijnde djamrah stenigde met zeven kiezelsteentjes. Hij sprak na elk kiezelsteentje de takbier uit. Vervolgens trad hij naar voren, totdat hij bij de laagvlakte aankwam. Hij stond gewend tot de gebedsrichting. Hij stond lang en verrichtte aanroeping met opgeheven handen. Daarna stenigde hij de middelste [djamrah]. Vervolgens begaf hij zich naar links, totdat hij bij de laagvlakte aankwam. Hij stond gewend tot de gebedsrichting. Hij stond lang en verrichtte aanroeping met opgeheven handen. Hij stond gedurende een lange tijd. Vervolgens stenigde hij djamrah al-`agabah vanuit de valleibodem. Bij haar stond hij niet stil. Hij vertrok en zei: `Zo heb ik de Profeet het zien doen.'

Hoofdstuk: De afscheidsrondgang
854. Overgeleverd van Ibn `Abbaas is dat hij heeft gezegd: 'De mensen werd bevolen om hun laatste terugkeer laar het Huis te laten zijn. Alleen voor de menstruerende vrouw is een uitzondering gemaakt.'

835. Overgeleverd van Anas Ibn Maalik dat de Profeet het dhuhr-, `asr-, -raghreb- en `ishaa-gebed verrichtte, om ervolgens even te slapen in Al-Muhassab. Vervolgens reed hij naar het Huis en verrichtte de rondgang eromheen.

Hoofdstuk: Als een vrouw menstrueert nadat zij tawaaf-ul-ifaadhah heeft verricht
856. Overgeleverd van Ibn `Abbaas is dat hij heeft gezegd: `De menstruerende vrouw heeft toestemming gekregen om te vertrekken nadat zij tawaaf-ul-ifaahah heeft verricht.' Hij zegt dat hij Ibn 'Omar heeft horen zeggen: 'Zij mag niet vertrekken.' Later heb ik hem horen zeggen: `De Profeet heeft hen toestemming gegeven.'

Hoofdstuk: Al-Muhassab
857. Overgeleverd van Ibn `Abbaas is dat hij heeft gezegd: `[Het neerstrijken in] Al-Muhassab is niets dan een plek waarop de Boodschapper van AllahSallalahu 'alaihi wasalam neer is gestreken.

Hoofdstuk Het neerstrijken in Dhu Tuwaa alvorens Mekkah binnen te gaan en het neerstrijken in de brede rivierbedding van Dhul-Hulayfah bij het vertrekken uit Mekkah.
858. Overgeleverd van Ibn 'Omari is dat hij gewoonlijk als hij aankwam [in Mekkah vanuit Al-Madienah], in Dhu Tuwaa overnachtte. Als de ochtend aanbrak, ging hij [Mekkah] naar binnen. Als hij vetrok [vanuit Mina], ging hij langs Dhu Tuwaa. Daar overnachtte hij totdat de ochtend aanbrak. Hij vertelde dat de Profeet dat ook gewoonlijk deed.

28. Het boek van de kleine bedevaart [`umrah]

Hoofdstuk: De verplichting van de `umrah en haar verdiensten

Top I
859. Overgeleverd van Abu Hurairah is dat de Boodschapper van AllahSallalahu 'alaihi wasalam heeft gezegd: "De `umrah na een `umrah is een boetedoening voor wat zich tussen beide bevindt. En de geaccepteerde hadj heeft zeen andere beloning dan het paradijs."

Hoofdstuk: Wie de `umrah vr de hadj verricht
860. Overgeleverd van Ibn 'Omar is dat hem werd gevraagd over [het verrichten van] de `umrah vr de hadj. Hij antwoordde: Dat is niet erg.' Hij heeft ook gezegd: `De Profeet heeft `umrah verricht vr de hadj.'

Hoofdstuk: Hoe vaak de Profeet `umrah heeft verricht
861. Overgeleverd van 'Abdullaah Ibn Omar is dat men hem vroeg hoe vaak de Boodschapper van AllahSallalahu 'alaihi wasalam 'umrah heeft verricht. Hij antwoordde: "Vier keer, waarvan er n in [de maand] radjab.' De vrager zegt dat hij tegen `Aaichah zei" `O moeder [van de gelovigen], hoort u niet wat Abu `Abdir-Rahmaan zegt? Zij vroeg: Wat zegt hij dan?' Hij antwoordde: `Hij zegt dat de Boodschap van Allah vier keer een `umrah verricht, waarvan er n in [de radjab.' Zij zei: `Moge Allah genade hebben met Abu `Abdir-Rahmaan. Elke `umrah die hij heeft verricht was hij getuige van. Hij heeft nooit in radjab een `umrah verricht'.'

862. Overgeleverd van Anas is dat men hem vroeg hoe vaak de Profeet `umrah heeft verricht. Hij antwoordde: `Vier keer: een `umrah ten tijde van Al-Hudaibiyvah in dhul-qi`dah toen de veelgodenaanbidders hem tegenhielden; een `umrah in het jaar erna in dhul-gi`dah toen hij vrede met hen sloot; een `umrah vanuit Dji`raanah alwaar hij de oorlogsbuit van (ik denk) Hunain verdeelde.' Ik vroeg: 'Hoe vaak heeft hij hadj verricht?' Hij antwoordde: `Een keer.' In een andere overlevering staat dat de Profeet `umrah heeft verricht toen ze hem terugstuurden; en in het jaar erna de `umrah van Al-Hudaibiyyah; en een `umrah in dhul-gi`dah; en een 'um-rah samen met zijn hadj.

863. In een andere overlevering slaat dat de Profeet `umrah heeft verricht toen ze hem terugstuurden; en in het jaar erna de `umrah van Al-Hudaibiyvah; en een 'umrah in dhul-gi`dah; en een `umrah samen met zijn hadj.

864. Overgeleverd van Al-Baraa' Ibn `Aazib is dat hij heeft gezegd: `De Boodschapper van AllahSallalahu 'alaihi wasalam heeft - voordat hij hadj had verricht - tweemaal `umrah verricht in dhul-gi`dah.'

Hoofdstuk: De `umrah vanuit At-Tan`iem
865. Overgeleverd van `Abdur-Rahmaan Ibn Abi Bakr is dat de Profeet hem heeft opgedragen om `Aaichah achterop te nemen en haar `umrah te laten verrichten vanuit At-Tan`iem. Ook is overgeleverd dat Suraagah Ibn Maalik Ibn Dju`shum de Profeet tegenkwam terwijl hij djamrah al-`aqabah aan het stenigen was. Hij vroeg: `O Boodschapper van AllahSallalahu 'alaihi wasalam, is dit speciaal voor jullie [tijdens dit jaar]?' Hij antwoordde: "Nee, [dit geldt] voor altijd."

Hoofdstuk: De `umrah verrichten na de hadj zonder offerdier
866. De overlevering van Aaichah met betrekking tot de hadj. Deze is meerdere malen vermeld en is zelfs in zijn geheel opgenomen.

Hoofdstuk: De beloning van een 'umrah is al naar gelang de inspanning
867. Overgeleverd van `Aaichah is dat de Profeet tijdens de `umrah tegen haar heeft gezegd: "Zij [deze `umrah] zal [wat beloning betreft] al naar gelang je uitgaven of inspanning zijn."

Hoofdstuk: Wanneer de `umrahganger uit ihraam treedt
868. Overgeleverd van Asmaa Bint Abi Bakr is dat zij elke keer als zij langs Al-Hadjoen kwam, zei: 'Moge Allah Zijn Boodschapper Mohammad lofprijzen. Wij streken samen met hem hier neer. Wij waren toentertijd nog licht, met weinig rijdieren en weinig provisie. Ik, mijn zus Aaichah, Az-Zubair en die en die verrichtten `umrah. Nadat wij het Huis hadden geveegd [d.w.z. de rondgang hadden verricht traden wij uit ihraam. Wij namen later in de middag ihraam aan voor de hadj.'

Hoofdstuk: Wat men zegt na terugkeer van hadj, `umrah of strijd
869. Overgeleverd van Abdullaah Ibn 'Omar is dat de Boodschapper van AllahSallalahu 'alaihi wasalam als hij terugkeerde van een slagveld, een hadj of een `umrah en een verhoging besteeg, hij drie keer takbier uitsprak. Vervolgens zei hij: "Er is geen ware God behalve Allah alleen. Hij heeft geen deelgenoot. Aan Hem behoort het Koninkrijk en aan Hem behoort alle lof en Hij is tot alles machtig. Wij zijn terugkerend, berouwtonend, aanbiddend, knielend en onze Heer lovend. Allah heeft Zijn belofte waargemaakt, Zijn dienaar de overwinning geschonken en Hij heeft alleen de partijen verslagen."

Hoofdstuk: Als de pelgrim op zijn rij dier twee of drie mensen tegemoet komt
870. Overgeleverd van Ihn 'Abbaas is dat hij heeft gezegd: `Toen de Profeet aankwam in Mekkah, kwamen de jonge knapen van Banu 'Abdil-Muttalib hem tegemoet. Hij droeg n van hen voor zich en een ander achter zich.'

Hoofdstuk: Aankomen in de middag
871. Overgeleverd van Anas is dat hij heeft gezegd: `De Profeet kwam [na een reis] nooit in de nacht aan bij zijn familie. Hij kwam alleen in de ochtend of in de middag binnen.'

872. Overgeleverd van Djaabir is dat hij heeft gezegd: De Profeet heeft verboden dat men in de nacht thuiskomt bij zijn familie.

Hoofdstuk: Wie zijn kameel tot haast maant bij aankomst in Al-Madienah
873. Overgeleverd van Anas is dat hij heeft gezegd: `Als de Boodschapper van AllahSallalahu 'alaihi wasalam aankwam van een reis en de hogewegen van Al-Madienah zag, maande zijn kameel tot haast. Als het een ander rijdier was, liet hij het ook sneller lopen.' In een andere overlevering voegt hij hieraan toe: `Vanwege zijn liefde voor haar [Al-Madienah].'

Hoofdstuk: Een reis is een stuk kwelling
874. Overgeleverd van Abu Hurairah is dat de Profeet heeft gezegd: "Een reis is een stuk kwelling; hij ontneemt iemand van jullie zijn eten, drinken en slaap. Als hij dus aan zijn behoefte heeft voldaan, laat hij dan spoedig terugkeren naar zijn familie."

29. Het hoek van de muhsar [hij die verhinderd wordt om zijn hadj of 'umrah te voltooien]

Hoofdstuk: Als de `umrah-ganger verhinderd is

Top I
875. Overgeleverd van Ibn Abbaas is dat hij heeft gezegd: `De Boodschapper van AllahSallalahu 'alaihi wasalam was verhinderd [om zijn `umrah te verrichten]. Hij scheerde zich kaal, had [weer] geslachtsgemeenschap met zijn vrouwen en slachtte zijn offer. In het volgende jaar verrichtte hij een `umrah.'

Hoofdstuk: Verhinderd raken tijdens de hadj
876. Overgeleverd van Ibn 'Omar is dat hij heeft gezegd: `Hebben jullie niet genoeg aan de soennah van de Boodschapper van Allah? Als iemand van jullie verhinderd is voor de hadj, verricht de rondgang om het Huis, loopt heen en weer tussen As-Safaa en Al-Manwah en vervolgens treedt hij volledig uit ihraam. Hij verricht in het aankomende jaar dan de hadj. Hij slacht een offer of vast als hij geen offer vindt.'

Hoofdstuk: Slachten voor het kaal scheren bij verhindering
877. Overgeleverd door Al-Miswar is dat de Boodschapper van AllahSallalahu 'alaihi wasalam slachte voordat hij zich kaal scheerde en dat hij zijn metgezellen daartoe opdroeg.

Hoofdstuk: De Uitspraak van Allah (...of een aalmoes...) daarmee wordt het voeden van zes behoeftigen bedoeld
878. Overgeleverd van Ka`b 1bn 'Udjrah is dat hij heeft gezegd: `Tijdens Al-Hudaibiyyah stond de Boodschapper van AllahSallalahu 'alaihi wasalam bij mij, terwijl de luizen van mijn hoofd vielen. Hij zei: "Heb je last van deze beestjes?" Ik antwoordde: `Ja.' Hij zei: "Scheer je hoofd kaal (of: scheer je kaal)." Hij zei: `Vanwege mij is dit vers neergezonden: (Wie van jullie dan ziek is of last heeft van zijn hoofd...) Soerah Al-Baqarah (2):196]. De Profeet zei: "Vast drie dagen, verdeel een faraq [= drie saa` = ongeveer 9 kilo] over zes personen als aalmoes, of offer datgene waartoe jij in staat bent".'

Hoofdstuk: De compensatie [fidyah] is het voeden van een halve saa`
879. In een andere overlevering heeft hij gezegd: 'Dit vers is dus specifiek om mij neergezonden, maar het is in zijn algemeenheid ook op jullie van toepassing.'

30. Het boek van de sanctie op jagen en soortgelijks [tijdens gewijde staat]

Hoofdstuk: Als een persoon die zich niet in gewijde staat bevindt jaagt en dit schenkt aan een persoon in gewijde staat, mag hij dit eten

Top I
880. Overgeleverd van Abu Qataadah is dat hij heeft gezegd: `Wij vertrokken met de Profeet in het jaar van Al-Hudaibiyyah. Zijn metgezellen namen ihraam aan, maar ik niet. Wij kregen bericht dat de vijand zich bevond in Ghayqah en wij begaven ons in zijn rich:ng. Mijn vrienden zagen een wilde ezel begonnen naar elkaar te lachen. Toen ik keek, zag ik hem. Ik viel hem aan met mijn paard. Ik stak hem en hield hem staande. Ik vroeg hen om hulp, maar zij weigerden om mij te helpen. Wij aten vervolgens van zijn vlees. Vervolgens ging ik richting de Boodschapper van AllahSallalahu 'alaihi wasalam vreesden dat we [van hem] afgesneden zouden worden. De ene keer maande ik mijn paard tot spoed en de andere keer reed ik rustig. Ik kwam een man van Banu Ghifaar tegen in het holst van de nacht. lk vroeg hem: Waar heb je de Boodschapper van AllahSallalahu 'alaihi wasalam gelaten?' Hij antwoordde: `lk hem in Ta`han gelaten, terwijl hij zich richting As-Suqyaa begaf. lk ging achter Boodschapper van AllahSallalahu 'alaihi wasalam aan en bereikte hem. Ik vroeg hem: `Uw metgezellen hebben mij gezonden en zij begroet met de vredesgroet en de genade van Allah en Zijn zegeningen. Zij vrezen dat zij door de vijand van u worden afgesneden. Wilt u daarom op hen wachten?' Hij deed dit. Ik zei tegen hem: `O Boodschapper van AllahSallalahu 'alaihi wasalam, wij hebben een wilde ezel gevangen en wij hebben nog wat [vlees] over.' De Boodschapper van AllahSallalahu 'alaihi wasalam zei tegen zijn metgezellen: "Eet." Terwijl zij zich in ihraam bevonden.'

Hoofdstuk: De persoon in gewijde staat helpt een persoon die zich niet in gewijde staat bevindt niet bij het doden op de jacht
881. Overgeleverd van Abu Qataadah is dat hij heeft gezegd: `Wij waren met de Profeet in Al-Qaahah, dat zich drie reisafstanden van Al-Madienah bevindt. Onder ons waren mensen in gewijde staat en anderen niet in gewijde staat ..'

Hoofdstuk: De persoon in gewijde staat wijst niet naar de jacht zodat een persoon die zich niet in gewijde staat bevindt erop gaat jagen
882. Van hem is overgeleverd dat toen zij bij de Boodschapper van AllahSallalahu 'alaihi wasalam aankwamen, hij vroeg: "Heeft iemand van jullie hem opgedragen om hem [de wilde ezel] aan te vallen of ernaar gewezen?" Zij antwoordden: `Nee.' Hij zei: `Eet dan van het overgebleven vlees ervan."

Hoofdstuk: ls aan een persoon in ihraam een levende wilde ezel wordt geschonken, neemt hij hem niet aan
883. Overgeleverd van `Abdullaah Ibn 'Abbaas van As-Sa`b Ibn Djathaamah Al-Laythie is dat hij de Boodschapper van AllahSallalahu 'alaihi wasalam een wilde ezel schonk, toen hij zich in Al-Abwaa of Waddaan bevond. Hij gaf hem echter aan hem terug. `Toen hij zijn veranderde gelaatsuitdrukking zag, zei hij: "De enige reden dat ik hem aan je terug heb gegeven is omdat ik in ihraam ben."

Hoofdstuk: Wat de persoon in gewijde staat mag doden in de haram
884. Overgeleverd van Aaichah is dat de Boodschapper van AllahSallalahu 'alaihi wasalam heeft gezegd: "Vijf dieren zijn allemaal boosdoeners en mogen gedood worden in je haram [gewijde gebied]: een kraai, een wouw, een schorpioen, een muis en een dolle hond."

885. Overgeleverd van `Abdullaah is dat hij heeft gezegd: Terwijl wij ons eens samen met de Profeet in een grot in `Mina bevonden, werd Soerah Al-Mursalaat aan hem geopenbaard. Hij reciteerde haar en ik nam haar direct over uit ziin mond, terwijl zijn mond haar nog vers had uitgesproken. Opeens werden wij angevallen door een slang. De Profeet zei: "Dood hem." Wij gingen hem achter maar hij vluchtte. De Profeet zei toen: "Hij is behoed voor jullie kwaad, net zoals jullie behoed zijn voor zijn kwaad".'

886. Overgeleverd van 'Aaichah de echtgenote van de Profeet - is dat de Boodschapper van AllahSallalahu 'alaihi wasalam over de gekko heeft gezegd dat hij een "kleine boosdoener" is. lk heb hem echter niet horen opdragen om hem te doden.

Hoofdstuk: Strijden in Mekkah is niet toegestaan
887. Overgeleverd van Ibn `Abbaas is dat de Profeet heeft gezegd: "Er is geen emigratie meer [uit Mekkah], maar slechts djihaad en intentie [daartoe]. Als jullie echter worden opgeroepen voor de strijd, geef daar dan gehoor aan."

Hoofdstuk: Koppen zetten voor de persoon in ihraam
888. Overgeleverd van Ibn Buhaynah is dat de Profeet in Lahyi Djamal koppen heeft gezet [hidjaamah] op het midden van zijn hoofd, terwijl hij in staat van ihraam was.

Hoofdstuk: Het trouwen van een persoon in ihraam
889. Overgeleverd van Ibn `Abbaas is dat de Profeet met Maymounah trouwde terwijl hij zich in staat van ihraam bevond.

Hoofdstuk: De wassing van een persoon in ihraam
890. Overgeleverd van Abu Ayyoub Al-Ansaari is dat men hem vroeg: `Hoe waste de Boodschapper van Allah zijn hoofd als hij in ihraam was?' Abu Ayyoub legde zijn hand neer op het kleed en drukte het naar beneden, zodat ik zijn hoofd kon zien. Hij zei tegen degene die water over hem heen goot: `Giet.' Mij goot op zijn hoofd en hij bewoog met zijn handen ver zijn hoofd, naar voren en naar achteren. Daarna zei hij: `Zo heb ik hem het zien doen.'

Hoofdstuk: Het betreden van de haram en Mekkah zonder ihraam aan te nemen
891. Overgeleverd van Anas Ibn Maalik dat de Boodschapper van AllahSallalahu 'alaihi wasalam in het jaar van de bevrijding [Mekkah] binnenging met op zijn hoofd een hoofddeksel. Toen hij dit afdeed, kwam er een man zei: `Ibn Khatal heeft zich vastgeklampt aan het kleed van de Ka`bah.' Hij zei: 'Dood hem."

Hoofdstuk: Het nakomen van hadj en geloftes namens een overledene en als een man namens een vrouw hadj verricht
892. Overgeleverd van Ibn `Abbaas dat een vrouw uit Djuhainah bij de Profeet kwam en zei: 'Mijn moeder heeft een gelofte gedaan om de hadj te verrichten. Zij is echter overleden zonder hadj te verrichten. Mag ik namens haar hadj verrichten?' Hij antwoordde: `Ja. Verricht hadj namens haar. Als je moeder schuld had, zou je die toch ook aflossen? Los daarom af aan Allah, want Allah is het incest rechthebbend op nakoming [van verplichtingen].

Hoofdstuk: De hadj van kinderen
893. Overgeleverd van As-Saa'ib Ibn Ya-zied is dat hij heeft gezegd: `De Boodschapper van AllahSallalahu 'alaihi wasalam verrichtte hadj met mij toen ik zeven jaar was.'

Hoofdstuk: De hadj van vrouwen
894. Overgeleverd van Ibn `Abbaas is dat de Profeet toen hij terug kwam van zijn hadj aan een vrouw van de Ansaar, Umm Sinaan genaamd, vroeg: "Wat heeft jou ervan weerhouden om de hadj te verrichten?" Zij antwoordde: `Mijn echtgenoot heeft twee waterkamelen. Op de ene heeft hij de hadj verricht. De andere wordt gebruikt voor het bevloeien van onze grond.' Hij zei: "Een `umrah tijdens ramadhaan staat gelijk aan een hadj met mij."

895. Overgeleverd van Abu Sa`ied die twaalf slagvelden met de Profeet heeft gevoerd, is dat hij heeft gezegd: `Vier zaken heb ik van de Boodschapper van Allah gehoord (of hij heeft gezegd dat hij vier zaken van de Profeet overlevert die hem verblijden en verheugen) : "Het is voor een vrouw niet toegestaan om een reisafstand van twee dagen af te leggen, zonder dat zij vergezeld wordt door haar echtgenoot of een mahram * men mag niet vasten op de dag van het `suikerfeest' en op de dag van het offerfeest; er is geen gebed na twee gebeden: na `asr totdat de zon ondergaat en na fadjr totdat de zon opkomt; men mag slechts afreizen naar drie moskeen: Masdjid Al-Haraam, mijn moskee en Masdjid Al-Aqsaa".'

* `Mahram: een man die een vrouw nooit kan trouwen vanwege naaste verwantschap (zoals broer, vader en oom) of haar eigen echtgenoot.

Hoofdstuk: Wie een gelofte heeft gedaan om lopend naar de Ka`bah te gaan
896. Overgeleverd van Anas is dat de Profeet een oude man zag die steunde tussen zijn twee zoons. Hij vroeg: "Wat is er met hem aan de hand?" Men zei: `Hij heeft een gelofte gedaan om te lopen.' Hij zei: "Allah heeft geen behoefte aan de kwelling van deze man van zichzelf" En hij beval hem om te rijden.

897. Overgeleverd van `Ugbah lbn Aamir is dat hij heeft gezegd: `Mijn zus had een gelofte gedaan om lopend naar het Huis van Allah te gaan. Zij droeg mij op om de Profeet voor haar te vragen. Toen ik de vraag aan hem stelde, zei hij : "Laat haar lopen en rijden".'

31. Het boek van de verdiensten van A1-Madienah

Hoofdstuk: De onschendbaarheid van Al-Madienah

Top I
898. Overgeleverd van Anas is dat de Profeet heeft gezegd: "Al-Madienah is inschendbaar [heiligdom] vanaf daar tot daar; haar bomen mogen niet gekapt worden en in haar mag geen innovatie gentroduceerd worden. Wie in haar een innovatie introduceert, op hem berust de vloek van Allah, de engelen en alle mensen."

899. Overgeleverd van Abu Hurairah is dat de Profeet heeft gezegd: "Wat zich tussen de twee lavavelden van Al-Madienah bevindt is via mijn tong onschendbaar verklaard." Hij heeft gezegd dat de Profeet aankwam bij Banu Haarithah en zei: "0 Banu Haarithah, ik denk dat jullie je huilen het onschendbare domein [heiligdom] bevinden." Hij keek om zich heen en zei toen: "Nee, jullie bevinden je er wel in."

900. Overgeleverd van 'Ali lbn Abi Taalib is dat hij heeft gezegd: `Wij bezitten anders dan het Boek van Allah en blad van de Profeet: "Al-Madienah is onschendbaar tussen [de berg] `Aair en daar. Wie in haar een innovatie introduceert of een innoveerder onderdak biedt, op hem berust de vloek van Allah, de engelen en alle mensen. Van hem zal geen verplichte en geen vrijwillige handeling worden geaccepteerd." Hij heeft ook gezegd: "Het erewoord van de moslims [tot bescherming van ongelovigen] is n. Wie het erewoord van een moslim verbreekt, op hem berust de vloek van Allah, de engelen en alle mensen. Van hem zal geen verplichte en geen vrijwillige handeling worden geaccepteerd. En wie zich toeschrijft aan anderen dan zijn vrijlaters, zonder de toestemming van zijn vrijlaters, op hem berust de vloek van Allah, de engelen en alle mensen. Allah zal tijdens de Opstandingsdag geen verplichte en geen vrijwillige handeling van hem accepteren".'

Hoofdstuk: De verdienste van Al-Madienab en dat zij de mensen verbant
901. Overgeleverd van Abu Hurairah is dat de Boodschapper van AllahSallalahu 'alaihi wasalam heeft gezegd: "Mij is [de emigratie naar] een stad opgedragen, die andere steden overwint. Zij noemen haar Yathrib, maar zij is Al-Madienah. Zij verbant de [slechte] mensen, net zoals een blaasbalg die viezigheid van ijzer verbant."

Hoofdstuk: Al-Madienah is Taabah
902. Overgeleverd van Abu Humaid is dat zij samen met de Profeet terugkeerden van [de slag om] Tabuk. Toen wij Al-Madienah bereikten, zei hij: "Dit is Tabah."

Hoofdstuk: Wie Al-Madienah uit onvrede verlaat
903. Overgeleverd van Abu Hurairah is dat hij de Boodschapper van Allah heeft horen zeggen: "Zij zullen Al-Madienah verlaten wanneer zij op haar best is. Slechts wilde dieren (roofvogels en roofdieren) zullen naar haar toe komen. De laatste mensen die [na hun dood] op gewekt zullen worden zijn twee herders uit Muzainah, die zich begeven naar Al-Madienah, roepend naar hun schapen. Zij zullen haar [Al-Madienah] leeg en verlaten aantreffen. Als zij aankomen bij de afscheidsbergweg, zullen zij dood neervallen op hun gezichten."

904. Overgeleverd van Sufyaan Ibn Abi Zuhair is dat hij de Boodschapper van AllahSallalahu 'alaihi wasalam heeft horen zeggen: `Jemen zal worden bevrijd en er zal een volk heen komen, met hun rijdieren bepakt. Zij nemen hun gezinnen en wie hun gehoorzaamt mee, terwijl Al-Madienah beter voor hen is als zij zouden weten. Vervolgens zal de Levant worden bevrijd en er zal een volk heen komen, met hun rijdieren bepakt. Zij nemen hun gezinnen en wie hun gehoorzaamt mee, terwijl AlMadienah beter voor hen is als zij zouden weten. Vervolgens zal Irak worden bevrijd en er zal een volk heen komen, met hun rijdieren bepakt. Zij nemen hun gezinnen en wie hun gehoorzaamt mee, terwijl Al-Madienah beter voor hen is als zij zouden weten."

Hoofdstuk: Al-Imaan keert terug naar Al-Madienah
905. Overgeleverd van Abu Hurairah is dat de Boodschapper van AllahSallalahu 'alaihi wasalam heeft gezegd: "Al-Imaan [geloof] keert terug naar Al-Madienah net zoals een slang terugkeert naar zijn hol."

Hoofdstuk: De zonde van wie een list beraamt voor de inwoners van Al-Madienah
906. Overgeleverd van Sa'd is dat hij de Profeet heeft horen zeggen: "Eenieder die een list beraamt voor de inwoners van Al-Madienah, zal opgelost worden net zoals zout oplost in water."

Hoofdstuk: De burchten van Al-Madienah
907. Overgeleverd van Usaamah is dat hij heeft gezegd: 'De Profeet keek uit over de burchten van Al-Madienah en zei: "Zien jullie wat ik zie? Ik zie de plekken waar de beproevingen zich zullen afspelen tussen jullie huizen net als de plekken van regenval".'

Hoofdstuk: De Dadjaal [antichrist] zal Al-Madienah niet betreden
908. Overgeleverd van Abu Bakrah is dat de Profeet heeft gezegd: "De angst van A1-Masieh Ad-Dadjaal zal Al-Madienah niet betreden. Zij heeft op dat moment zeven toegangspoorten. Bij elke poort bevinden zich twee engelen."

909. Overgeleverd van Abu Hurairah is dat de Boodschapper van AllahSallalahu 'alaihi wasalam heeft gezegd: "Bij de ingangen van Al-Madienah bevinden zich engelen. De pest en de Dadjaal zullen haar nooit betreden."

910. Overgeleverd van Anas Ibn Maalik is dat de Profeet heeft gezegd: "Elk land zal door Dadjaal betreden worden, behalve Mekkah en Al-Madienah. Bij elke ingang van haar treft hij engelen aan, die in rijen staan om haar te beschermen. Al-Madienah zal dan drie keer beven met haar mensen. Allah zal daarmee elke ongelovige huichelaar naar buiten voeren."

Hoofdstuk: Al-Madienah verbant viezigheid
911. Overgeleverd van Djaabir is dat een bedoelen naar de Profeet kwam en hem de belofte van trouw aan de islaam gaf. De volgende dag kwam hij weer, terwijl hij koorts had en zei: `Trek mijn belofte in.' Hij weigerde dit echter tot drie keer toe en zei: "Al-Madienah is net als een blaasbalg: zij verbant haar viezigheid en zuivert haar goedheid."

912. Overgeleverd van Anas is dat de Profeet heeft gezegd: "0 Allah, plaats Al-Madienah het dubbele van wat U in Mekkah heeft geplaatst aan zegening."

913. Overgeleverd van `Aaichah is dat zij heeft gezegd: `Toen de Boodschapper van AllahSallalahu 'alaihi wasalam aankwam in Al-Madienah, kregen Abu Bakr en Bilaal koorts. Als Abu Bakr door de koorts werd gegrepen zei hij [de volgende poezie]: 'Elk persoon wordt goedemorgen geheten door zijn familie, terwijl de dood dichterbij is dan zijn schoenveters.' Elke keer dat de koorts Bilaal met rust liet, verhief hij zijn huilende stem en zei [de volgende pozie]: `Oh wist ik maar of ik een nacht zou doorbrengen in een vallei, met om mij heen citroengras en gras. Of dat ik op een dag zal drinken van het water van madjinnah, of dat ik de twee bergen (Shaamah en Tufail) ooit zal zien.'

Hij zei: "0 Allah, vervloek Shaybah Ibn Rabie`ah, `Utbah Ibn Rabie`ah en Ubayy 1bn Khalaf, omdat zij ons hebben verdreven uit ons land naar een land van epidemien" Vervolgens zei de Boodschapper van AllahSallalahu 'alaihi wasalam "0 Allah maak Al-Madienah geliefd bij ons, net zoals U Mekkah geliefd heeft gemaakt bij ons of heviger. 0 Allah, zegen voor ons haar saa` en haar mudd, maak haar gezond voor ons en verplaats haar koorts naar Al-Djuhfah." Zij heeft gezegd: `Toen wij aankwamen in Al-Madienah was het het meest door epidemien getroffen gebied op de aarde van Allah. De vallei Buthaan stroomde met vervuild water.'
[Saa' = 4 mudd. mudd = ongeveer 2/3 kg.]

32. Het boek van het vasten

Hoofdstuk: De verdienste van het vasten

Top I
914. Overgeleverd van Abu Llurairah is dat de Boodschapper van AllahSallalahu 'alaihi wasalam heeft gezegd: "Het vasten is een bescherming. Laat hij dus geen vulgariteit uitdragen en geen daden van onwetenden begaan. Als iemand tegen hem vecht of hem uitscheldt, laat hij dan twee keer zeggen: `Ik ben een vastende.' Bij Hem in Wiens Hand mijn ziel is, de mondgeur van de vastende is bij Allah aangenamer dan muskgeur. [Allah zegt over de vastende:] Hij laat zijn eten, drinken en behoefte omwille van Mij. Het vasten is voor Mij en Ik beloon hem ervoor. Een goede daad wordt met het tienvoudige ervan beloond."

Hoofdstuk: Ar-Rayyaan is er voor de vastenden
915. Overgeleverd van Sahl is dat de Profeet heeft gezegd: "In het paradijs is een poort die 'Ar-Rayyaan' wordt genoemd, waardoor de vastenden tijdens de Opstandingsdag naar binnen komen. Niemand behalve zij komt erdoor naar binnen. Er zal worden opgeroepen: `Waar zijn de vastenden?' En zij zullen opstaan. Niemand behalve zij komt erdoor naar binnen. Als zij binnen zijn, wordt hij gesloten en zal niemand meer erdoor naar binnen komen."

916. Overgeleverd van Abu Hurairah is dat de Boodschapper van AllahSallalahu 'alaihi wasalam heeft gezegd: "Wie een paar [twee van hetzelfde] uitgeeft op de weg van Allah, wordt bij de poorten van het paradijs opgeroepen: `O dienaar van Allah! Dit is goed.' Wie tot de verrichters van het gebed behoort, wordt opgeroepen bij de poort van het gebed. Wie tot de verrichters van de djihaad behoort, wordt opgeroepen bij de poort van de djihaad. Wie tot de verrichters van het vasten behoort, wordt opgeroepen bij de poort van Ar-Raygaan. Wie tot de gevers van aalmoezen behoort, wordt opgeroepen bij de poort van de aalmoezen." Abu Bakr As-Siddieg vroeg toen: `O Boodschapper van AllahSallalahu 'alaihi wasalam, ik verlos u met mijn vader en moeder. Wie bij al deze [poorten] wordt opgeroepen, heeft geen nadeel. Is er iemand die bij d deze poorten wordt opgeroepen?' Hij antwoordde: "Ja, en ik hoop dat jij tot hen behoort"

917. Overgeleverd van Abu Hurairah is dat de Boodschapper van AllahSallalahu 'alaihi wasalam heeft gezegd: "Als ramadhaan komt, worden de poorten van het paradijs geopend."

918. Overgeleverd van Abu Hurairah is dat de Boodschapper van AllahSallalahu 'alaihi wasalam heeft gezegd: "Als de maand van ramadhaan aanbreekt, worden de poorten van het paradijs geopend, worden de poorten van de hel gesloten en worden de duivels [satans] geketend."

Hoofdstuk: Moet men 'ramadhaan' zeggen of 'de maand ramadhaan' en wie van mening is dat beide mag
919. Overgeleverd van Ibn 'Omar is dat hij de Boodschapper van Allah heeft horen zeggen: "Als jullie hem waarnemen, vast dan. En als jullie hem [weer] waarnemen, beindig dan het vasten. Als de lucht betrokken is, schat hem dan [op dertig dagen]." Hij bedoelde de nieuwe maansikkel van ramadhaan.

Hoofdstuk: Wie het afleggen van valse getuigenissen en het verrichten van valse handelingen niet nalaat tijdens ramadhaan
920. Overgeleverd van Abu Hurairah is dat de Boodschapper van AllahSallalahu 'alaihi wasalam heeft gezegd: "Als men het afleggen van valse getuigenissen en het verrichten van valse handelingen niet nalaat, dan heeft Allah er geen behoefte aan dat hij zijn eten en drinken achterwege laat."

Hoofdstuk: Zegt men 'ik ben een vastende' als hij uitgescholden wordt
921. Overgeleverd van Abu Hurairah is de eerder vermelde overlevering: "Alle daden van de zoon van Aadam zijn voor zichzelf behalve het vasten. Dat is namelijk voor Mij en lk beloon hem ervoor." Aan het eind ervan zegt hij: "De vastende heeft tewwe vreugdemomenten: als hij zijn vasten breekt, is hij daar blij mee. En als hij Zijn Heer ontmoet, is hij blij met zijn vasten."

Hoofdstuk: Vasten voor wie het ongehuwd zijn vreest
922. Overgeleverd van `Abdullaah is dat hij heeft gezegd: Wij waren met de Profeet toen hij eens zei: "Wie van jullie tot het huwelijk in staat is, moet trouwen. Dat vergemakkelijkt namelijk het neerslaan van de ogen en het bewaren van kuisheid. Wie er echter niet toe in staat is, dient te vasten. Dat vermindert namelijk de seksuele behoefte".

Hoofdstuk: De uitspraak van de Profeet "Als jullie de nieuwe maan zien, vast dan en als jullie hem [weer] zien, beindig dan het vasten."
923. Overgeleverd van `Abdullaah Ibn 'Omar is dat de Boodschapper van AllahSallalahu 'alaihi wasalam heeft gezegd: "De maand bestaat uit negenentwintig nachten. Vast pas als jullie hem [de nieuwe maan] zien. Als de lucht betrokken is, maak dan de termijn van dertig dagen af."

924. Overgeleverd van Umm Salamah is dat de Profeet had gezworen om een maand lang niet bij enkelen van zijn echtgenotes binnen te gaan. Toen er negenentwintig dagen waren verstreken, ging hij in de ochtend of in de avond bij hen binnen. Men vroeg: `O Profeet van Allah, u heeft toch gezworen om een maand lang niet bij hen binnen te gaan?' Hij antwoordde: "De maand kan bestaan uit negenentwintig dagen."

Hoofdstuk: De twee maanden van `eid nemen niet af
925. Overgeleverd van Abu Bakrah is dat de Profeet heeft gezegd: "Twee maanden nemen niet af: de twee maanden van `eid: ramadhaan en dhul-hidjah.

Hoofdstuk: De uitspraak van de Profeet: "Wij schrijven niet en wij rekenen niet."
926. Overgeleverd van Ibn 'Omar is dat de Profeet heeft gezegd: "Wij zijn ongeletterde mensen. Wij schrijven Met en wij rekenen niet. De maand bestaat uit zoveel en zoveel." Hij bedoelde daarmee een keer negenentwintig en een andee keer dertig dagen.

Hoofdstuk: Laat niemand van jullie ramadhaan voorgaan met het vasten van n of twee dagen.
927. Overgeleverd van Abu Hurairah is dat de Profeet heeft gezegd: "Laat niemand van jullie [het vasten van] ramadhaan voorgaan met het vasten van n twee dagen. Behalve iemand die gewoonlijk [op een bepaalde dag] vast, laat die dag dan wel vasten."

Hoofdstuk: De Uitspraak van Allah: (Het is voor jullie toegestaan om gemeenschap met jullie vrouwen te hebben tijdens de nacht van het vasten
928. Overgeleverd van Al-Baraa' is dat hij heeft gezegd: `Als iemand vast de metgezellen van Mohammad vastte en de tijd van het verbreken van het vasten brak aan, terwijl hij in slaap was gevallen voordat hij zijn vasten had verbroken, at hij in dat geval de hele nacht en dag niet meer, totdat de [volgende] avond aanbrak. Qays Ibn Sirmah Al-Ansaari vastte ook eens. Toen het tijd was om het vasten te verbreken, kwam hij bij zijn vrouw en vroeg haar: `Heb je wat te eten?' Zij antwoordde: `Nee, maar ik ga voor je op zoek naar eten.' Hij werkte overdag en de slaap overmande hem. Toen zijn vrouw terugkwam en hem zo zag, zei ze: `Wat een teleurstelling voor jou!' Toen het middag werd, raakte hij bewusteloos. Dit werd aan de Profeet verteld en het volgende vers daalde neer: (Het is voor jullie toegestaan om gemeenschap met jullie vrouwen te hebben tijdens de nacht van het vasten ...) [Soerah Al-Baqarah (2):187]. Zij waren hier erg blij mee. Ook werd neergezonden: (En eet en drink totdat de witte draad voor jullie te onderscheiden is van de zwarte draad) [Soerah Al-Baqarah (2):187].'

Hoofdstuk: De Uitspraak van Allah: (En eet en drink totdat de witte draad voor jullie te onderscheiden is van de zwarte draad)
929. Overgeleverd van Adiy Ibn Haatim is dat hij heeft gezegd: Toen het volgende vers neerdaalde: (En eet en drink totdat de witte draad voor jullie te onderscheiden is van de zwarte draad) [Soerah M-Baqarah (2):187], ging ik op zoek naar een zwart en een wit touw, dat beide onder mijn kussen plaatste. In de nacht keek ik ernaar, maar ik kon ze niet onderscheiden. De volgende ochtend ging naar de Boodschapper van AllahSallalahu 'alaihi wasalam en vertelde hem dat. Hij antwoordde: Daarmee [met het vers] wordt het zwart van de nacht en het wit van de dag bedoeld".

Hoofdstuk: De tijd tussen het nuttigen van de sahoer n het ochtendgebed
930. Overgeleverd van Zayd Ibn Thaabit is dat hij heeft gezegd: Wij nuttigden sahoer met de Boodschapper van Allah, waarna hij opstond voor het gebed.' Ik vroeg: `Hoeveel tijd was er tussen beide de gebedsoproep en de sahoer?' Hij antwoordde: `De tijd [die nodig is voor het reciteren] van vijftig verzen [uit de Qor'aan].' [sahoer: een maaltijd die in de nacht wordt genuttigd vr het fadjr gebed door een persoon die wil vasten].

Hoofdstuk: De zegening van sahoer, zonder dat het verplicht is
931. Overgeleverd van Anas Ibn Maalik is dar de Profeet heeft gezegd: "Nuttig de sahoer, want de sahoer bevat zegening" [sahoer: een maaltijd die in de nacht wordt genuttigd vr het fadjr-gebed door een persoon die wil vasten].

Hoofdstuk: Als men overdag de intentie krijgt om te vasten
932. Overgeleverd van Salamah Ibn Al-Akwa` is dat de Profeet een man zond om op de dag van `Aashoeraa om te roepen dat: 'Wie heeft gegeten laat hij zich dan verder onthouden of vasten; en wie niet heeft gegeten, mag niet eten."

Hoofdstuk: Als de vastende zich in de ochtend in staat van seksuele onreinheid bevindt
933. Overgeleverd van `Aaichah en Umm Salamah is dat de tijd van het ochtendgebed wel eens aanbrak, terwijl de Boodschapper van AllahSallalahu 'alaihi wasalam zich in staat van seksuele onreinheid bevond na geslachtsgemeenschap met zijn echtgenote. Hij verrichtte dan de wassing en vastte.'

Hoofdstuk: Lichamelijk contact voor de vastende
934. Overgeleverd van `Aaichah dat de Profeet gewoonlijk zoende en lichamelijk contact had terwijl hij vastte. Hij had echter van jullie de grootste controle over zijn begeerte.

Hoofdstuk: Als de vastende uit vergeetachtigheid eet of drinkt
935. Overgeleverd van Abu Hurairah is dat de Profeet heeft gezegd: "Als men uit vergeetachtigheid eet en drinkt [terwijl hij vast], dient hij zijn vasten af te maken. Het is namelijk Allah Die hem te eten en te drinken heeft gegeven."

Hoofdstuk: Als men geslachtsgemeenschap heeft tijdens de ramadhaan en niets bezit; als hij een aalmoes ontvangt, laat hij dan een boetedoening doen
936. Overgeleverd van Abu Hurairah is dar terwijl wij bij de Profeet zaten er een man naar hem toe kwam en zei: 'O Boodschapper van AllahSallalahu 'alaihi wasalam, ik ben vernietigd.' Hij vroeg: "Wat is er dan met je?" Hij antwoordde: `Ik heb gcslachtsgemeenschap gehad met mijn vrouw terwijl ik vastte.' Hij vroeg: "Heb je waarmee je een slaaf kunt bevrijden?" Hij antwoordde: Nee.' Hij vroeg: "Kun je dan twee achternnvolgende maanden vasten?" Hij antwoordde: `Nee.' Hij vroeg: "Heb je waar je zestig armen kunt voeden?" Hij anteoordde: `Nee.' Vervolgens ging hij zitten bij de Profeet. Terwijl wij daar waren, bracht men de Profeet een grote mand met dadels. Hij vroeg: "Waar is de vragensteller?" Hij zei: `Hier ben ik.' Hij zei: "Neem deze dadels en geef ze als aalmoes weg." Hij zei: `O Boodschapper van AllahSallalahu 'alaihi wasalam, aan een familie die armer is dan wij? Bij Allah, er is geen familie tussen haar beide woestijngronden die er meer behoeftig naar is dan mijn familie.' De Profeet lachte, totdat zijn kiezen te zien waren. Vervolgens zei hij: "Voed je gezin ermee."

Hoofdstuk: Koppen zetten en overgeven voor de vastende
937. Overgeleverd van Ibn Abbaas is dat de Profeet koppen heeft gezet [hidjaamah], terwijl hij in staat van ihraam was en dat hij koppen heeft gezet, terwijl hij vastte.

Hoofdstuk: Wel en niet vasten tijdens een reis
938. Overgeleverd van Ibn Abi Awfaa is hij heeft gezegd: `Wij waren eens met de Boodschapper van AllahSallalahu 'alaihi wasalam gedurende een reis toen hij tegen een man zei: "Stap af en meng wat gerstepap voor mij." Hij zei: `O Boodschapper van AllahSallalahu 'alaihi wasalam, de zon [schijnt nog].' Hij zei: "Stap af en meng wat gerstepap voor mij." Hij zei: `O Boodschapper van AllahSallalahu 'alaihi wasalam, de zon [schijnt nog]. Hij zei: "Stap af en meng wat gerstepap voor mij." Hij daalde neer, mengde gerstepap voor hem en hij dronk er. Vervolgens gebaarde hij met zijn hand en zei: "Als jullie de nacht van daar aankomen, laat de vastende dan zijn vasten verbreken."

939. Overgeleverd van Aaichah echtgenote van de Profeet is dat Hamzah Ibn `Amr Al-Aslami aan de Profeet vroeg: `Mag ik vasten tijdens reis?' Hij was namelijk een man die vastte. Hij antwoordde: "Als je wil, dan en als je wilt eet."

Hoofdstuk: Als men een aantal dagen ramadhaan heeft gevast en vervolgens gaat reizen
940. Overgeleverd van Ibn Abbaas is dat de Boodschapper van AllahSallalahu 'alaihi wasalam ramadhaan naar Mekkah vertrok. Hij vastte totdat hij in Al-Kadied aankwam. Daar at hij en aten de mensen.

941. Overgeleverd van Abu Dardaais dat heeft gezegd: Wij vertrokken met booodschapper van Allah tijdens n van zijn reizen op een hete dag. Het was zo warm, dat wij onze handen op onze hoofden legden. Niemand van ons vastte, behalve de Profeet en Ibn Rawaahah.'

Hoofdstuk: Wat de Profeet zei tegen de beschaduwde
942. Overgeleverd van Djaabir lbn `Abdillaah is dat de Boodschapper van AllahSallalahu 'alaihi wasalam tijdens een reis een menigte zag en een man die beschaduwd werd. Hij vroeg: "Wat is er met hem?" Men antwoordde: `Het is een vastende man.' Hij zei toen: "Het is geen vroomheid om te vasten tijdens een reis."

Hoofdstuk: De metgezellen van de Profeet verweten elkaar zowel het vasten als het eten niet
934. Overgeleverd van Anas lbn Maalik is dat hij heeft gezegd: Wij reisden samen met de Profeet. De vastende verweet de etende niet en de etende verweet de vastende niet.'

Hoofdstuk: Wie overlijdt terwijl hij vasten verschuldigd is
944. Overgeleverd van `Aaichah is dat de Boodschapper van AllahSallalahu 'alaihi wasalam heeft gezegd: "Als iemand overlijdt terwijl hij vasten verschuldigd is, moet zijn verwante namens hem vasten."

945. Overgeleverd van Ibn `Abbaas is dat hij heeft gezegd: `Er kwam eens een man naar de Profeet die vroeg: `O Boodschapper van Allah, mijn moeder is overleden terwijl zij nog het vasten van een maand verschuldigd is. Mag ik dan namens haar vasten?' Hij antwoordde: "Ja. De schuld van Allah is immers het meest echthebbend om afgelost te worden".'

Hoofdstuk: Wanneer mag men zijn vasten verbreken?
946. De overlevering van 'Abdullaah Ibn Abi Awfaa die recentelijk is vermeld alsmede de uitspraak van de Profeet: Stap af en meng wat gerstepap voor ons." In deze overlevering staat: "Als jullie de nacht vandaar zien aankomen, laat de vastende dan zijn vasten verbreken" En wees met zijn vinger richting het oosten.

Hoofdstuk: Zich haasten met het verbreken van het vasten
947. Overgeleverd van Sahl Ibn Sa'd is dat de Boodschapper van Allah heeft gezegd: "De mensen zullen zich goede conditie blijven bevinden zolang zich haasten met het verbreken van het vasten."

Hoofdstuk: Als men het vasten verbreekt tijdens ramadhaan en de zon vervolgens verschijnt
948. Overgeleverd van Asmaa Bint Abi Bakr As-Siddieq is dat zij heeft gezegd: "ten tijde van de Profeet' verbraken wij eens het vasten op een bewolkte dag. Vervolgens verscheen de zon alsnog.'

Hoofdstuk: Het vasten van kinderen
949. Overgeleverd van Ar-Rubayyi` Bint Mu`awwidh Ibn `Afrag is dat zij heeft gezegd: De Profeet zond in de vroege ochtend van `aashoeraa naar de dorpen van de Ansaar: "Wie van jullie de ochtend is begonnen met eten, dient de rest van de dag [vastend] af te maken. Wie de ochtend is begonnen met vasten, dient zijn vasten af te maken." Nadien vastten wij die dag en lieten wij onze kleine kinderen die dag vasten. Wij maakten voor hen speeltjes van wol. Als iemand van hen om eten huilde, gaven wij hem dit totdat de tijd van het verbreken van het vasten aanbrak.'

Hoofdstuk: Het ononderbroken voort zetten van het vasten vlak voor het aanbreken van de dag
950. Overgeleverd van Abu Sa`ied is dat hij de Profeet heeft horen zeggen: "Zet het vasten niet ononderbroken voort. Als iemand van jullie het vasten wil voortzetten, laat hij het dan voortzetten tot vlak voor het aanbreken van de dag."

Hoofdstuk: Het tot voorbeeld stellen van wie veelvuldig het vasten ononderbroken voortzet
951. Overgeleverd van Abu Hurairah is dat de Boodschapper van AllahSallalahu 'alaihi wasalam het ononderbroken voortzetten van het vasten heeft verboden. Hierop vroeg n van de moslims: `O Boodschapper van AllahSallalahu 'alaihi wasalam, u zet het vasten wel ononderbroken voort?' Hij zei toen: "Wie van jullie is als ik? Ik breng de nacht door, terwijl mijn Heer mij voedt en te drinken geeft." Toen weigerden om te stoppen met het aonderbroken voortzetten van het vasten, zette hij het vasten een dag met hen voort, en daarna nog een dag. Toen zij daarna de nieuwe maansikkel waarnamen, zei hij: "Als de maanwaarneming was uitgebleven, had ik het met jullie doorgezet." Het is alsof hij hen tot voorbeeld wilde stellen, omdat zij weigerden ermee te stoppen.' In een andere overlevering van hem zei hij tegen hen: "Neem alleen die daden op jullie die jullie aankunnen."

Hoofdstuk: Als men zweert dat zijn broeder zijn vrijwillige vasten verbreekt
952. Overgeleverd van Abu Djuhayfah dat hij heeft gezegd: `De Profeet schepte een band van broederschap tussen Salmaan en Abu Dardaa'. Toen Salmaan eens Abu Dardaa' bezocht, zag hij dat Umm Dardaa' er haveloos bij liep. Daarom vroeg hij haar: Wat is er met jou aan de hand?' Zij antwoordde: `Jouw broeder, Abu Dardaa', heeft geen behoefte aan wereldse zaken.' Toen Abu Dardaa' kwam, bereidde hij een maaltijd voor hem. Hij [Salmaan] zei tegen hem [Abu Dardaa']: `Eet.' Hij zei: `Ik vast.' hij zei: Ik eet niet totdat jij eet.' Hij zei dat hij toen at. Toen de nacht aanbrak, wilde Abu Dardaa' opstaan om vrijwillige gebeden te verrichten. Hij [Salmaan] zei tegen hem Abu Dardaa: `Slaap.' Toen het laatste gedeelte van de nacht aanbrak, zei Salmaan: `Sta nu op en zij baden beiden.' Salmaan zei vervolgens tegen hem: Je Heer heeft recht op jou. Je ziel heeft recht op jou. Je familie heeft recht op jou. Geef daarom elke rechthebbende zijn recht.' Hij [Abu Dardaa'] ging naar de Profeet en vertelde hem wat er was gebeurd. De Profeet zei tegen hem: "Salmaan heeft gelijk".'

Hoofdstuk: Het vasten tijdens de maand sha`baan
953. Overgeleverd van `Aaichah is dat zij heeft gezegd: `De Boodschapper van AllahSallalahu 'alaihi wasalam vastte totdat wij zeiden: 'Hij eet niet meer.' En hij at totdat wij zeiden: `Hij vast niet meer.' Ik heb de Boodschapper van AllahSallalahu 'alaihi wasalam geen enkele maand volledig zien vasten, behalve ramadhaan. En ik heb hem tijdens geen enkele maand meer zien vasten dan zijn vasten tijdens sha'baan.

954. Van haar is ook overgeleverd dat hij heeft gezegd: "Verricht datgene aan daden wat jullie aankunnen, want Allah krijgt er geen genoeg van * totdat jullie er genoeg van krijgen." Het meest geliefde gebed bij de Profeet was het gebed dat weinig. Als hij een gebed verrichte, dan continueerde hij het. * Voor de correcte interpretatie van deze woorden wil ik de lezer graag verwijzen naar de uitleg van deze uitspraak, die veelvuldig door de geleerden is behandeld, Hiervoor kan de betrouwbare boeken van Ahl-us-Soennah naslaan inzake kwesties die de Namen en Eigenschappen van Allah betreffen. [De vertaler]

Hoofdstuk: Wat er is genoemd inzake iet vasten en het eten van de Profeet
955. Overgeleverd van Anas is dat hem werd gevraagd over het vasten van de Profeet. Hij zei: 'Als ik hem graag vastend wilde zien tijdens een maand, dan zag hem zo. Als ik graag etend wilde zien, an zag ik hem zo. Als ik hem graag bidend tijdens de nacht wilde zien, dan zag ik hem zo. Als ik hem graag slapend wilde zien, dan zag ik hem zo. Ik heb geen enkel stukje fluweel of zijde aangeraakt dat zachter was dan de handpalm van de Boodehapper van Allah. En ik heb geen eikel stukje musk of aroma geroken dat aangenamer ruikt dan de geur van de Boodschapper van AllahSallalahu 'alaihi wasalam.'

Hoofdstuk: Het recht van het lichaam met betrekking tot het vasten
956. De overlevering van `Abdullaah Ibn Amr Ibn Al-`Aas die eerder is gemeld. In deze overlevering staat: `Nadat `Abdullaah oud was geworden, zei hij: Had ik de permissie van de Profeet maar aanvaard.'

Hoofdstuk: Het recht van het gezin met betrekking tot het vasten
957. In een andere overlevering van hem wordt het vasten van Daawoed genoemd en dat hij niet vluchtte bij het ontmoeten van de vijand [op het slagveld]. Ik zei: 'Abdullaah vroeg toen: '0 Profeet van Allah, wie kan dit voor mij waarborgen?' Hij antwoordde tweemaal: "Wie zijn hele leven vast, heeft niet gevast."

Hoofdstuk: Wie mensen bezoekt, maar zijn vasten bij hen niet verbreekt
958. Overgeleverd van Anas is dat de Profeet bij Umm Sulaim binnenkwam. Toen zij hem dadels en boter bracht, zei hij: "Plaats zowel jullie boter als jullie dadels terug in hun bewaarplek. Ik vast namelijk." Vervolgens stond hij op, liep naar een plek in het huis en verrichtte een niet verplicht gebed. Daarna verrichtte hij aanroeping voor Umm Sulaim en haar huisgenoten. Umm Sulaim zei toen: `O Boodschapper van AllahSallalahu 'alaihi wasalam, ik heb een speciaal verzoekje.' Hij zei: "Wat dan?" Zij zei: `[Met betrekking tot] Uw bediende Anas.' Hij liet vervolgens geen enkel goeds van het hiernamaals en het wereldse leven zonder dat te betrekken in zijn aanroeping voor mij. Hij zei: "0 Allah, schenk hem rijkdom en kinderen en zegen dat voor hem." Ik behoor nu tot de rijksten van de Ansaar. Mijn dochter Umainah heeft mij verteld dat er meer dan honderdtwintig van mijn nageslacht waren begraven toen Al-Hadjaadj naar Basrah kwam.'

Hoofdstuk: Vasten aan het einde van de maand
959. Overgeleverd van 'Imraan Ibn Husain is dat Profeet tegen hem of tegen een ander heeft gezegd: "0 vader van die-en-die, Heb jij de laatste` dagen van deze maand niet gevast?" Hij antwoordde: `Nee, o Boodschapper van AllahSallalahu 'alaihi wasalam.' Hij zei: "Als je klaar bent met het vasten [van ramadhaan], vast dan twee dagen." In een andere overlevering van hem heeft hij gezegd: "...de laatste dagen van sha`baan..." * Sarar (ev. Surrah) : volgens An-Nawawi is de meest correcte betekenis 'het midden van maand.' Volgens anderen betekent het echter de laatste of juist de eerste dagen. Voor toelichting hierop wordt de lezer verweren naar de verschillende uitleggen van Sahieh Boekhari en Sahieh Moslim. [Voetnoot van de vertaler]

Hoofdstuk: Het vasten op vrijdag
960. Overgeleverd van Djaabir is dat men hem vroeg: 'Heeft de Profeet het vasten op vrijdag verboden?' Hij antwoordde: Ja.

961. Overgeleverd van Djuwairiyyah Bint Al-Haarith' is dat de Profeet hij haar binnenkwam op een vrijdag, terwijl zij vastte. Hij vroeg: "Heb je gisteren gevast?" Zij antwoordde: `Nee.' Hij vroeg: Ben je van plan om morgen te vasten?" Zij antwoordde: `Nee.' Hij zei: "Verbreek dan je vasten."

Hoofdstuk: Of men bepaalde dagen verkiest
962. Overgeleverd van `Aaichah is dat haar werd gevraagd: `Verkoos de Boodschapper van AllahSallalahu 'alaihi wasalam bepaalde dagen [boven andere]?' Zij antwoordde: `Nee, zijn aanbidding was blijvend, maar wie van jullie kan aan wat de Boodschapper van AllahSallalahu 'alaihi wasalam aankon?'

Hoofdstuk: Het vasten van de dagen van tashreeq
963. Overgeleverd van `Aaichah en lbn 'Omar is dat zij hebben gezegd: 'Er is geen permissie verleend om te vasten op de dagen van tashreeq, behalve voor degene die zich geen offerdier kan veroorloven.'

Hoofdstuk: Het vasten op de dag van `aashoeraa
964. Overgeleverd van `Aaichah is dat zij heeft gezegd: `Tijdens de periode van onwetendheid vastte Quraish op [de dag van] `aashoeraa en de Boodschapper van Allah vastte die dag ook. Toen hij in Al-Madienah aankwam, vastte hij die dag en gebood om die dag te vasten. Totdat ramadhaan verplicht gesteld weed, liet hij het vasten van de dag van `aashoeraa na. Wie wilde, vastte die dag en wie niet wilde, liet het die dag na.'

965. Overgeleverd van Ibn 'Abbaas is dat de Profeet aankwam in Al-Madienah. Daar trof hij de joden vastend op de dag van `aashoeraa aan. Hij vroeg: 'Wat is dit?" Zij antwoordden: `Dit is een goede dag waarop Allah Banu 1sraa'iel heeft gered van hun vijand. Moesaa heeft daarom deze dag gevast.' Hierop zei de Boodschapper van AllahSallalahu 'alaihi wasalam: Wij hebben meer recht op Moesaa dan jullie." Hij vastte deze dag en gebood om op die dag vasten.

33. Het boek van het taraawiehgebed [het gezamenlijke, vrijwillige, nachtgebed tijdens ramadhaan]

Hoofdstuk: De verdienste van wie vrijwillige nachtgebeden verricht tijdens ramadhaan

Top I
966. Overgeleverd van Aaichah is dat de Boodschapper van AllahSallalahu 'alaihi wasalam een keer in het holst van de nacht naar buiten ging en in de moskee bad en dat mannen hem navolgden in dit gebed. Deze overlevexing is eerder vermeld in het boek van het gebed. Tussen deze en die overlevering zijn er wat verschillen in woorden. Aan het einde van deze overlevering staat dat de Boodschapper van AllahSallalahu 'alaihi wasalam overleed, terwijl deze praktijk stand hield.

Hoofdstuk: Het nastreven van de nacht van qadr [laylat-ul-qadr] in de laatste zeven nachten
967. Overgeleverd van Ibn 'Omar is dat sommige mannen van de metgezellen van de Profeet in hun dromen hadden gezien dat de nacht van qadr tijdens de laatste zeven [nachten van ramadhaan] zou zijn. De Boodschapper van AllahSallalahu 'alaihi wasalam zei toen: "Ik zie dat jullie dromen overeenkomen wat betreft de laatste zeven. Wie hem [de nacht van qadr] nastreeft, laat hij hem dan nastreven in de laatste zeven."

968. Overgeleverd van Abu Sa`ied is dat hij heeft gezegd: `Wij zonderden ons samen met de Profeet [itikaaf] tijdens de de tien middelste dagen van ramadaan. Toen hij in de ochtend van de twintigste naar buiten kwam, preekte hij en zei: De nacht van qadr is aan mij getoond en ik ben hem daarna vergeten. Streef hem ehter na tijdens de oneven nachten van laatste tien. Ik zag ook dat ik knielde op water en modder. Wie dus i`tikaaf heeft gedaan met de Boodschapper van AllahSallalahu 'alaihi wasalam laat hij dan terugkeren naar zijn afzondering." Wij keerden terug en zagen geen enkel spoor van wolken in de lucht. Opeens kwam er een wolk en het regende, totdat het dak van de moskee - die van dadelpalmboomtakken was - druppelde. Er werd opgeroepen tot het gebed en ik zag dat de Boodschapper van AllahSallalahu 'alaihi wasalam knielde in water en modder. 1k zag zelfs moddersporen op zijn voorhoofd.'

Hoofdstuk: Het nastreven van de nacht van qadr tijdens de oneven nachten van de laatste tien is een aanbidding
969. Overgeleverd van Ibn Abbaas is dat de Profeet heeft gezegd: Streef de nacht van qadr na tijdens de laatste tien van ramadhaan. Als er nog negen [dagen] over zijn, als er nog zeven over zijn, als er nog vijf over zijn."

970. Overgeleverd van ihn `Abbaas is dat de Boodschapper van AllahSallalahu 'alaihi wasalam heeft gezegd: "Hij is tijdens de laatste tien dagen; Hij is tijdens negen die verlopen of zeven die overblijven." Hij bedoelt daarmee de nacht van qadr.

Hoofdstuk: Het verrichten van daden tijdens de laatste tien dagen van ramadhaan
971. Overgeleverd van `Aaichah is dat zij heeft gezegd: `Als de laatste tien dagen aanbraken, trok de Profeet zijn lendendoek strak, bleef wakker tijdens de nacht en wekte zijn familieleden.'

34. Het boek van i`tikaaf [zich afzonderen in de moskee voor aanbidding gedurende een bepaalde periode]

Hoofdstuk: Zich afzonderen tijdens de laatste tien dagen en zich afzonderen in alle moskeen

Top I
972. Overgeleverd van 'Aaichah dat de Profeet gewoonlijk i`tikaaf verrichtte tijdens de laatste tien dagen van ramadhaan, totdat A11aah zijn ziel nam. Zijn echtgenotes bleven na hem i`tikaaf verrichten.

Hoofdstuk: Hij betreedt het huis alleen als dat nodig is
973. Overgeleverd van `Aaichah - de echtgenote van de Profeet - is dat zij heeft gezegd: `De Boodschapper van AllahSallalahu 'alaihi wasalam stak zijn hoofd naar mij toe [tijdens i'tikaai], terwijl hij zich in de moskee bevond en ik kamde dan zijn haren. Tijdens i'tikaaf kwam hij het huis alleen maar binnen als het nodig was.'

Hoofdstuk: I`tikaaf tijdens de nacht
974. Overgeleverd van 'Omar is dat hij de Profeet vroeg: `ik heb in de tijd van onwetendheid een gelofte gedaan om mezelf een nacht af te zonderen in de Heilige Moskee.' Hij zei: "Vervul dan je gelofte."

Hoofdstuk: Tenten in de moskee
975. Overgeleverd van Aaichah is dat de Profeet zich een keer wilde afzonderen. Toen hij zich begaf naar de plek waar hij zich wilde afzonderen, trof hij daar tenten aan: een tent van Aaichah, een tent van Hafsah en een tent van Zainab. Hij zei toen: "Denken jullie dat zij vroomheid nastreven?" Vervolgens vertrok hij en zonderde zich niet meer af, totdat hij zich tien dagen van [de maand] shawwaal afzonderde.'

Hoofdstuk: Mag degene die zich afzondert zich naar de deur van de moskee begeven vanwege een behoefte?
976. Overgeleverd van Safiyyah de echtgenote van de Profeet is dat zij de Boodschapper van Allah kwam opzoeken in zijn afzondering in de moskee, tijdens de laatste tien van ramadhaan. Zij sprak een tijdje met hem en stond vervolgens op om huiswaarts te keren. De Profeet stond samen met haar op om haar te vergezellen. Toen zij bij de deur van de moskee aankwam, bij de deur van Umm Salamah, kwamen twee mannen van de Ansaar langs, die de Boodschapper van AllahSallalahu 'alaihi wasalam groetten. De Profeet zei toen tegen hen: "Doe rustig aan. Zij is namelijk Safiyyah, de dochter van Huyayy." Zij zeiden: `O Boodschapper van AllahSallalahu 'alaihi wasalam, verheerlijkt is Allah.' Dit viel hen namelijk zwaar. De Profeet zei toen: "De shaytaan komt bij de mens net zo ver als het bloed ook komt. Ik vreesde daarom dat hij iets in jullie harten zou werpen."

Hoofdstuk: Zich afzonderen tijdens de toen middelste dagen van ramadhaan
977. Overgeleverd van Abu Hurairahis dat de Profeet zich gewoonlijk tijdens elke ramadhaan tien dagen afzonderde. Tijdens het jaar dat hij overleed, zonderde hij zich twintig dagen af.

35. Het boek van verkopen

Hoofdstuk: Wat er is gezegd met betrekking tot de Uitspraak van Allah: (Als het [vrijdag] gebed dan is volbracht, verspreid jullie dan op de aarde...)

Top I
978. Overgeleverd van 'Abdur-Rahmaan Ibn `Awf is dat hij heeft gezegd: Toen wij naar Al-Madienah kwamen, schepte de Boodschapper van AllahSallalahu 'alaihi wasalam een band van broederschap tussen mij en Sa`d Ibn ArRabie. Sa`d Ibn Ar-Rabic` zei toen: `Ik behoor tot de rijksten van de Ansaar. Daarom verdeel ik mijn rijkdom met jou. Je mag ook n van mijn vrouwen uitkiezen, die jij liefhebt. Ik zal dan afstand van haar doen voor jou. Zodra haar wachtpenode voorbij is, mag je haar trouwen.' Abdur-Rahmaan zei toen tegen hem: `Ik heb daar geen behoefte aan. Hebben jullie geen markt waar handel gedreven wordt?' Hij antwoordde: `De markt van Qainogaa`.' `Abdur-Rahmaan vertrok er in de ochtend naar toe en kwam terug met gedroogde melk en boter. `Abdur-Rahmaan vervolgde zijn [markr] bezoeken en het duurde niet zo lang voordat `Abdur-Rahmaan aankwam met gele parfum] sporen op zich. De Boodschapper van AllahSallalahu 'alaihi wasalam vroeg hem toen: "Ben je getrouwd?" Hij antwoordde: `Ja.' Hij vroeg: "Met wie?" Hij antwoordde: `Met een vrouw van de Ansaar.' Hij vroeg: "Wat was de bruidschat?" Hij antwoordde: `Het gewicht van een nawaat [is gelijk aan vijf dirhams] aan goud (of een nawaat aan goud).' De Profeet zei: "Geef een bruiloftsmaal, al is het niet een ooi".'

Hoofdstuk: Het toegestane is duidelijk en het verbodene is duidelijk, en tussen beide bevinden zich twijfelachtige zaken
979. Overgeleverd van An-Nu`maan lbn Bashier is dat de Profeet heeft gezegd: "Het toegestane is duidelijk en het verbodene is duidelijk, en tussen beide bevinden zich twijfelachtige zaken. Wie de voor hem twijfelachtige zonde laat, zal datgene wat duidelijk voor hem is eerder laten. Wie de voor hem twijfelachtige zonde aandurft, is niet ver verwijderd van het begaan van wat duidelijk voor hem is. Zonden zijn de beschermde weiden van Allah. Wie graast langs beschermde weiden, is niet ver verwijderd om erin te geraken."

Hoofdstuk: Uitleg van de twijfelachtige zaken
980. Overgeleverd van `Aaichah is dat zij heeft gezegd dat `Utbah Ibn Abi Waqqaas aan zijn broer Sa`d Ibn Abi Waqqaas toevertrouwde dat de zoon van zijn slavin Zam`ah zijn zoon was. Hij vroeg hem daarom om hem te houden. Zij heeft gezegd: `Tijdens het jaar van de bevrijding, nam Sa`d Ibn Abi Waqqaas hem en zei: 'Hij is de zoon van mijn broer, die hij aan mij heeft toevertrouwd.' `Abd Ibn Zam`ah stond op en zei: `Hij is mijn broer en de zoon van de slavin van mijn vader. Hij is in zijn bed geboren.' Zij haastten zich toen naar de Profeet. Sa`d zei: `O Boodschapper van AllahSallalahu 'alaihi wasalam, hij is de zoon van mijn broer, die hij aan mij heeft toevertrouwd. 'Abd Ibn Zam'ah zei: `Hij is mijn broer en de zoon van de slavin van mijn vader. Hij is in zijn bed geboren.' De Boodschapper van AllahSallalahu 'alaihi wasalam zei: "Hij is van jou, o `Abd Ibn Zam'ah." Vervolgens zei de Profeet: "Een kind wordt toegeschreven aan het bed en aan de overspelige komt ontzegging toe." Vervolgens zei hij tegen Sawdah Bint Zam'ah, de echtgenote van de Profeet: "Scherm [sluier] je af van hem." Omdat hij gelijkenis zag tussen hem en 'Utbah. Daarom zag hij haar niet totdat hij Allah ontmoette.'

Hoofdstuk: Wie vindt dat influisteringen en dergelijke niet tot de twijfelachtige zaken behoren
981. Overgeleverd van `Aaichah is dat sommige mensen zeiden: `O Boodschapper van AllahSallalahu 'alaihi wasalam, sommige mensen brengen ons vlees waarvan wij niet weten of zij de Naam van Allah erover hebben uitgesproken of niet.' De Boodschapper van AllahSallalahu 'alaihi wasalam antwoordde: "Spreek de Naam van Allah erover uit en eet het."

Hoofdstuk: Wie zich niet bekommert om waarvandaan hij rijkdom verdient
982. Overgeleverd van Abu Hurairah is dat de Profeet heeft gezegd: "Er zal een tijd komen voor de mensen dat een persoon zich niet zal bekommeren om waar hij het van neemt, of het nou toegestaan is of verboden."

Hoofdstuk: Handelen op het land
983. Overgeleverd van Al-Baraa' Ibn Aazib en Zayd Ibn Arqam is dat zij gezegd hebben: `Wij waren beide handelaars ten tijde van de Boodschapper van AllahSallalahu 'alaihi wasalam. Daarom vroegen wij de Boodschapper van AllahSallalahu 'alaihi wasalam over het wisselen van waarden. Hij zei: "Als het van hand tot hand gaat, kan het geen kwaad. A1s het echter met uitstel is, dan is het niet geschikt".'

Hoofdstuk: Het weggaan voor handel
984. Overgeleverd van Abu Moesaa Al-Ash`arie is dat hij toestemming vroeg aan bij 'Omar Ibn Al-Khattaab binnen te komen, maar hij kreeg geen toestemming. Waarschijnlijk was hij bezig. Abu Moesaa keerde terug en 'Omar was klaar. Hij zei: `Hoorde ik niet de stem van 'Abdullaah Ibn Qays? Laat hem binnen.' Men zei: `Hij is al teruggekeerd.' Hij liet hem uitnodigen en hij [Abu Moesaa] zei: Wij werden daartoe [om terug te keren als er geen toestemming werd gegeven] opgedragen.' Hij zei: `Lever mij daar een bewijs aan.' Hij vertrok naar de bijeenkomst van de Ansaar en vroeg hen. Zij antwoordden: De enige die voor je kan getuigen hier over is de jongste onder ons, Abu Sa`ied Al-Khudrie.' Daarom nam hij Abu Sa`ied Al-Khudrie mee en `Omar zei: `Dat zo'n kwestie van de Boodschapper van AllahSallalahu 'alaihi wasalam aan mij is ontgaan. Ik ben bezig gehouden door handjeklap op de markten.' Hij bedoelde daarmee het weggaan voor handel.

Hoofdstuk: Wie uitbreiding van zijn levensvoorziening wenst
985. Overgeleverd van Anas Ibn Maalik is dat hij de Boodschapper van AllahSallalahu 'alaihi wasalam heeft horen zeggen: "Wie wenst dat zijn levensvoorziening voor hem wordt uitgebreid of dat zijn levensspanne wordt verlengd, laat hij dan zijn familiebanden onderhouden."

Hoofdstuk: Dat de Profeet heeft gekocht tegen uitgestelde betaling
986. Overgeleverd van Anas is dat hij naar de Profeet toe liep met een gerstebrood en ontbonden vet. De Profeet had een pantser van hem in onderpand gegeven bij een jood in Al-Madienah, in ruil voor wat gerst voor zijn gezin. Ik hoorde hem zeggen: "De familie van Mohammad bezit niet eens een saa` tarwe of een saa` graan, terwijl hij negen vrouwen heeft."
Hoofdstuk: Dat een man eigenhandig zijn verdienste maakt
987. Overgeleverd van Al-Miqdaam is dat de Boodschapper van AllahSallalahu 'alaihi wasalam heeft gezegd: "Niemand heeft ooit een betere maaltijd genuttigd, dan iemand die de verdienste van zijn eigen hand eet. Zelfs de Profeet van Allah, Daawood at van de verdienste van zijn eigen hand."

Hoofdstuk: Mildheid en generositeit bij kopen en verkopen
988. Overgeleverd van Djaabir Ibn Abdillaah is dat de Boodschapper van AllahSallalahu 'alaihi wasalam heeft gezegd: "Moge Allah een man genadig zijn die genereus is als hij verkoopt, als hij koopt en als hij om aflossing van een lening vraagt.

Hoofdstuk: Wie uitstel geeft aan een rijke
989. Overgeleverd van Hudhayfah is dat de Profeet heeft gezegd: "De engelen traden de ziel tegemoet van een man - van degenen die vr jullie waren - en zeiden tegen hem: `Heb jij ook maar iets goeds gedaan?' Hij antwoordde: `Ik droeg mijn bedienden op om uitstel te geven aan de arme en tolerant om te gaan met de rijke.' Hierop zei Hij: "Vergeef hem."

Hoofdstuk: Als de koper en de verkoper openheid van zaken geven, niets verbergen en adviserend zijn
990. Overgeleverd van Nakiem Ibn Hizaam is dat de Boodschapper van AllahSallalahu 'alaihi wasalam heeft gezegd: "De koper en de verkoper hebben de keus [om de koop ongedaan te maken], zolang zij niet uit elkaar zijn gegaan." Of hij heeft gezegd: "...totdat zij uit elkaar gaan. Als zij eerlijk zijn en openheid geven [over gebreken van de waar], zal hun koop gezegend worden. Als zij echter [gebreken] verbergen en liegen, dan zal de zegening van hun koop uitgewist worden."

Hoofdstuk: Het ruilen van gemengde dadels
991. Overgeleverd van Abu Sa`ied is dat hij heeft gezegd: "Wij kregen gemengde dadels en ruilden dan twee saa' voor n saa`. De Profeet zei toen: "Geen twee saa` in ruil voor n saa' en geen twee dirhams in ruil voor n dirham".'

Hoofdstuk: De rente-afdrager
992. Overgeleverd van 'Awn Ibn Abi Djuhayfah is dat hij heeft gezegd: `Mijn vader kocht een slaaf die koppen zette [hidjaamah bedreef]. Hij droeg op om zijn koppenmateriaal te vernietigen. Toen ik hem daarover vroeg, zei hij: `De Profeet heeft de [verkoop] opbrengst van een hond verboden en de opbrengst van bloed, en hij heeft de tatoeerster en de getatoeerde verboden, en de renteontvanger en de rente-afdrager, en hij heeft de maker van afbeeldingen vervloekt.'

Hoofdstuk: Allah vernietigt rente en vermeerdert aalmoezen
993. Overgeleverd van Abu Hurairah is dat hij de Boodschapper van AllahSallalahu 'alaihi wasalam heeft horen zeggen: "Zweren is een manier om handelswaar te slijten, maar doet de zegening verdwijnen."

Hoofdstuk: Het noemen van de ijzersmid
994. Overgeleverd van Khabbaab is dat hij heeft gezegd: `In de tijd van onwetendieid was ik een ijzersmid en ik had nog wat tegoed bij Al-`Aas Ibn Waa'il. Daarom ging ik naar hem toe om mijn schuld op te eisen. Hij zei: `Ik geef je pas nadat je ongelovig wordt aan Mohammad.' Ik antwoordde: `Ik word pas ongelovig nadat Allah jou doet overlijden en weer opwekt.' Hij zei: `Laat me doodgaan en opewekt worden. Ik zal dan rijkdom en nageslacht krijgen. Dan kan ik je schuld aflossen.' Hierop werd geopenbaard: (Heb je hem gezien die ongelovig is aan Onze Tekenen en zei: `Mij zal zeker rijkdom en kinderen gegeven worden.' Heeft hij het onwaarneembare waargenomen of heeft hij een verbond gesloten met de Barmhartige?) [Soerah Maryam (19):77, 78].'

Hoofdstuk: Het noemen van de kleermaker
995. Overgeleverd van Anas Ibn Maalik is dat hij heeft gezegd: `Een kleermaker nodigde de Boodschapper van AllahSallalahu 'alaihi wasalam voor een maaltijd die hij had bereid. Ik ging met de Boodschapper van AllahSallalahu 'alaihi wasalam meee naar die maaltijd. Hij plaatste voor de Boodschapper van AllahSallalahu 'alaihi wasalam brood en bouillon, met daarin pompoen en gedroogd vlees. Ik zag dat de Profeet de de pompoenstukjes van overal uit de kom nam. Sindsdien hou ik van pompoen.'

Hoofdstuk: Het kopen van dieren en ezels
996. Overgeleverd van Djaabir Ibn "Abdillaah is dat hij heeft gezegd: `Ik ging met de Profeet mee tijdens een expeditie. Mijn kameel bleef echter achter en raakte vermoeid. De Boodschapper van Allah kwam naar mij toe en vroeg: "Djaabir?" Ik antwoordde: 'Ja.' Hij vroeg: "Wat is er met je aan de hand?" Ik zei: `Mijn kameel bleef achter en raakte vermoeid. Daarom ben ik vertraagd.' Hij begon met zijn wandelstok aan hem te trekken. Vervolgens zei hij: "Stap op." Ik stapte op en had vervolgens moeite om hem te bedwingen om de Boodschapper van AllahSallalahu 'alaihi wasalam niet in te balen. Hij vroeg: 'Ben je getrouwd?' lk antwoordde: 'Ja.' Hij vroeg: "Is zij maagd of geen maagd?" Ik antwoordde: `Nee, geen maagd.' Hij zei: "Waarom geen jong meisje die met jou speelt en met wie jij kunt spelen?" Ik antwoordde: `Ik heb zusjes. Daarom trouwde ik liever een vrouw die hen bijeenbrengt, hun haren verzorgt en zich over hen ontfermt.' Hij zei: "Als je thuis aankomt, heb dan geslachtsgemeenschap." Vervolgens vroeg hij: "Verkoop jij je kameel?" lk antwoordde: 'Ja.' Hij kocht hem van mij voor n ugiyvah. De Boodschapper van Allah kom, kwam vervolgens eerder aan dan ik. Ik kwam in de vroege ochtend aan en ging naar de moskee. Ik trof hem aan bij de deur van de moskee. Hij vroeg: "Kom je nu pas aan?" Ik antwoordde: Ja.' Hij zei: "Laat je kameel achter en ga naar binnen om twee rak`as te bidden." lk ging naar binnen, bad en keerde terug.' Hij beval Bilaal om een uqiyyah voor hem te wegen. Bilaal woog voor mij en hij woog in mijn voordeel. Ik vertrok en ging weg. Hij zei: "Roep Djaabir voor mij." Tk dacht: `Hij gaat mij vast mijn kameel teruggeven.' Ik haatte niets meer dan hem [de kameel]. Hij zei: "Neem je kameel en behoud zijn opbrengst".'

Hoofdstuk: Het kopen van dorstzieke kamelen
997. Overgeleverd van `Abdullaah Ibn 'Omar is dat hij dorstzieke kamelen kocht van een man, die ze samen niet een zakenpartner bezat. Zijn zakenpartner kwam naar Ibn `Omar en zei tegen hem: `Mijn zakenpartner heeft jou dorstzieke kamelen verkocht, zonder jou dat te vertellen.' Hij zei: `Neem ze maar terug.' Toen hij ging om ze terug te nemen, zei hij tegen hem: `Laat ze maar. Ik ben tevreden met het oordeel van de Boodschapper van AllahSallalahu 'alaihi wasalam: "Er is geen besmetting [zonder de toestemming van Allah]."

Hoofdstuk: Het noemen van het beroep van koppen zetten [hidjaamah]
998. Overgeleverd van Anas Ibn Maalik is dat hij heeft gezegd: `Abu Taibah zette koppen bij de Boodschapper van AllahSallalahu 'alaihi wasalam. Hij droeg op om hem een saa` dadels te geven en hij droeg zijn meester op om zijn belasting [die hij periodiek aan hem diende af te dragen] te verlagen.'

999. Overgeleverd van lbn 'Abbaas is dat hij heeft gezegd: `De Profeet liet koppen zetten en hij gaf degene die ze bij hem zette heen vergoeding]. Als het verboden was, had hij hem niet gegeven.'

Hoofdstuk: Handelen in wat afkeurenswaardig is om te dragen
1000. Overgeleverd van `Aaichah, de moeder van de gelovigen is dat zij een kussentje met afbeeldingen erop had gekocht. Toen de Boodschapper van AllahSallalahu 'alaihi wasalam haar zag, bleef hij bij de deur staan en kwam niet naar binnen. Ik kon van zijn gezicht afkeur aflezen en ik zei: O Boodschapper van AllahSallalahu 'alaihi wasalam, ik keer in berouw terug naar Allah en naar Zijn Boodschapper. Welke zonde heb ik begaan?' De Boodschapper van AllahSallalahu 'alaihi wasalam zei: "Wat doet dit kussentje hier?" Ik zei: Ik heb het voor u gekocht, zodat u erop kunt zitten en steunen.' De Boodschapper van AllahSallalahu 'alaihi wasalam zei: "De makers van deze afbeeldingen zullen tijdens de Opstandingsdag worden gekweld. Tegen hen zal gezegd worden: `Breng wat jullie hebben geschapen tot leven'." Hij zei ook: "De engelen betreden geen huis waarin zich afbeeldingen bevinden."

Hoofdstuk: Als men iets koopt en het ter plekke schenkt, alvorens uit elkaar te gaan
1001. Overgeleverd van Ibn `Omar is dat hij heeft gezegd: Wij waren eens met de Profeet tijdens een reis en ik bereed een lastige, jonge kameel van 'Omar. lk kon hem niet aan en hij haalde de mensen steeds in. `Omar jaagde hem dan terug, maar hij ging dan weer voorop lopen. 'Omar jaagde hem dan weer terug. De Profeet zei tegen 'Omar: "Verkoop hem aan mij." Hij zei: `Hij is van u, o Boodschapper van AllahSallalahu 'alaihi wasalam.' Hij zei: "Verkoop hem aan mij," en hij verkocht hem aan de Boodschapper van AllahSallalahu 'alaihi wasalam. Vervolgens zei de Profeet tegen mij: "Hij is voor jou, o `Abdullaah Ibn 'Omar. Doe ermee wat je wilt".'

Hoofdstuk: Afkeurenswaardig bedrog tijdens handel
1002. Overgeleverd van 'Abdullaah Ibn 'Omar is dat een man aan de Profeet vertelde dat hij werd bedrogen als hij kocht. Hij zei: "Als je koopt, zeg dan: `Bedrog is verboden'."

Hoofdstuk: Wat er is gezegd over markten
1003. Overgeleverd van 'Aaichah is dat de Boodschapper van AllahSallalahu 'alaihi wasalam heerft gezegd: "Een leger zal de Ka`bah aanvallen. Als zij aankomen bij Al-Baydaa', zal de eerste tot de laatste van hen verzwolgen worden door de aarde." Ik vroeg: `O Boodschapper van AllahSallalahu 'alaihi wasalam, hoe kan de eerste tot de laatste van hen verzwolgen worden door de aarde, terwijl er tussen hen markten zijn en mensen die niet tot hen behoren?' Hij antwoordde: " De eerste tot de laatste van hen zal verzwolgen worden door de aarde. Vervolgens worden zij opgewekt in overeenstemming met hun intenties."

1004. Overgeleverd van Anas lbn Maalik is dat hij heeft gezegd: `De Profeet bevond zich eens op de markt, toen een man riep: `O Abul-Qaasim.' Toen de Profeet naar hem omkeek, zei hij: 'Ik riep hem.' De Profeet zei toen: "Neem mijn naam aan, maar neem mijn Kunyah * niet aan".' * Kunyah: een man 'de vader van die en die' noemen en een vrouw 'de moeder van die en die' noemen. Dit is een gewoonte van de Arabieren.

1005. Overgeleverd van Abu Hurairah, is dat hij heeft gezegd: `De Profeet ging een keer tijdens een gedeelte van de dag naar buiten. Hij sprak niet tegen mij en ik sprak niet tegen hem. Toen hij aankwam hij de markt van Banu Qainogaa`, ging hij zitten in de binnenplaats van het huis van [zijn dochter] Faatimah en zei: "Is de kleine [zijn kleinzoon Al-Hasan] daar? Is de kleine daar?" Zij hield hem een tijdje tegen. Ik dacht dat zij hem zijn kleren aandeed of waste. Hij kwam rennend aan. Hij omhelsde hem en kuste hem en zei: "0 Allah, heb hem lief en heb wie hem lief heeft lief".

1006. Overgeleverd van Ibn 'Omar is dat zij ten tijde van de Profeet voedsel kochten van de karavanen. Hij stuurde dan iemand die hen ervan weerhield om het te verkopen waar zij het gekocht hadden, totdat zij het verplaatsten naar [de markt] waar gewoonlijk voedsel werd gekocht. Ibn 'Omar heeft gezegd: `De Profeet heeft verboden om voedsel te verkopen als men het heeft gekocht, totdat hij het [volledig] heeft ontvangen.'

Hoofdstuk: De afkeurenswaardigheid van luidruchtigheid op markten
1007. Overgeleverd van 'Abdullaah lbn 'Amr Ibn Al-`Aas is dat men hem vroeg over de beschrijving van de Boodschapper van AllahSallalahu 'alaihi wasalam in de Thora [Tawraat]. Hij antwoordde: 'Jazeker, bij Allah, hij is beschreven in de Thora [Tawraat] in overeenkomst met een deel van zijn beschrijving in de Qor'aan: '0 Profeet, Wij hebben jou gezonden als een getuige, ecn verkondiger van goed nieuws, en waarschuwer en een beschermeling voor de ongeletterden. Jij bent Mijn dienaar en Mijn Boodschapper. Ik heb jou Al-Mutawakkil [degene die op Allah vertrouwt] genoemd. Je bent niet grof, niet hardhartig en ook geen luidschreeuwende de markten. Jij vergeldt een zonde niet met een zonde, maar jij excuseert en vergeeft. Allah zal pas jouw ziel nemen, nadat Hij middels jou de scheve religie rechtzet, opdat zij `er is geen ware god behalve Allah' zullen zeggen. Daarmee [de geloofsgetuigenis] zal hij blinde ogen, dove oren en verzegelde harten openen.'

Hoofdstuk: Wegen voor de verkoper en de gever
1008. Overgeleverd van Djaabir is dat hij heeft gezegd dat `Abdullaah 1bn Amir Ibn Hizaam overleed, terwijl hij een schuld had. lk vroeg de Profeet mij te helpen opdat zijn schuldeisers een deel van zijn schuld zouden kwijtschelden. De Profeet verzocht dit van hen, maar zij weigerden. Daarom zei de Profeet tegen mij: "Ga en sorteer jouw dadels naar soort: `adjwa apart en `adhq zaid apart. Laat me daarna komen." Ik deed dat en liet vervolgens de Profeet komen. Hij kwam en ging er bovenop of middenin zitten en zei: "Weeg [dadels] voor de [schuldeisende] mensen." Ik woog voor hen totdat ik hun schulden volledig [ruimschoots] had afgelost. Mijn dadels bleven alsof er niets van was afgegaan.'

Hoofdstuk: Wat aanbevelenswaardig is om te wegen
1009. Overgeleverd van Al-Miydaam Ibn Ma`dikarib is dat de Profeet heeft gezegd: "Weeg jullie voedsel en het zal voor jullie gezegend worden."

Hoofdstuk: De zegening van de saa` van de Profeet en zijn mudd
1010. Overgeleverd van `Abdullaah Ibn Zayd is dat de Profeet heeft gezegd: Ibraahiem heeft Mekkah onschendbaar verklaard en hij heeft aanroeping voor haar gedaan. Ik heb Al-Madienah onschendbaar verklaard net zoals Ibraraahiem Mekkah onschendbaar heeft verklaard. lk heb aanroeping gedaan voor [zegening in] haar mudd en haar saa` zoals lbraahiem aanroeping heeft gedaan voor Mekkah." [Saa` = 4 mudd. mudd = ongeveer 2/3 kg.]

Hoofdstuk: Wat is overgeleverd met betrekking tot het verkopen van voedsel en hamsteren [omwille van prijsopdrijving]
1011. Overgeleverd van Ibn 'Omar is dat hij heeft gezegd: `Ik heb gezien dat degenen die lukraak [onbepaalde hoeveelhedenj voedsel kochten, ten tijde van Boodschapper van AllahSallalahu 'alaihi wasalam werden geslagen als zij het [door] verkochten voordat zij het naar hun eigen huizen hadden gebracht.'

1012. Overgeleverd van Ibn' Abbaas is dat de Boodschapper van AllahSallalahu 'alaihi wasalam heeft verboden dat men voedsel [door] verkoopt, totdat hij het zelf [daadwerkelijk] volledig heeft ontvangen. Men vroeg aan Ibn 'Abbaas: Waarom dan?' Hij zei: '1n dat geval is het [alsof de transactie bestaat uit] dirhams in ruil voor dirhams, terwijl [de ontvangst van] het voedsel uit gesteld is.'

1013. Overgeleverd van 'Omar Ibn AlKhattaab z4 is dat de Boodschapper van AllahSallalahu 'alaihi wasalam heeft gezegd: "Goud in ruil voor goud is rente, tenzij het ter plekke overgedragen wordt. Tarwe in ruil voor tarwe is rente, tenzij het ter plekke overgedragen wordt. Dadels in ruil voor dadels is rente, tenzij het ter plekke overgedragen wordt. Gerst in ruil voor gerst is rente, tenzij het ter plekke overgedragen wordt."

Hoofdstuk: Laat men niet verkopen ten koste van de verkoop van zijn broeder en hem niet overbieden, totdat hij daar toestemming voor geeft of [de koop] laat
1014. Overgeleverd van Abu Hurairah is dat hij heeft gezegd: `De Boodschapper van AllahSallalahu 'alaihi wasalam heeft verboden dat een stedeling verkoopt ten behoeve van een bedoeen; doe niet aan prijsopdrijving; laat men niet verkopen ten koste van de verkoop van zijn broeder; laat hij geen huwelijksaanzoek doen ten koste van een huwelijksaanzoek van zijn broeder; en laat een vrouw niet verzoeken om de scheiding van haar zuster om datgene wat zich in haar pot bevindt om te gooien [m.a.w. met als doel om haar plaats in te nemen].'

Hoofdstuk: Verkopen bij opbod
1015. Overgeleverd van Djaabir Ibn Abdillaah is dat een man een slaaf van hem vrijheid beloofde na zijn dood. Hij had later echter [zijn prijs] nodig. De Profeet nam hem en zei: '`Wie koopt hem van mij?" Nu'aim Ibn 'Abdillaah kocht hem tegen die en die prijs en hij gaf hem aan hem.

Hoofdstuk: Onzekere handel en verkoop van de zwangerschap van een ongeboren dier
1016. Overgeleverd van `Abdullaah 1bn 'Omar is dat de Boodschapper van AllahSallalahu 'alaihi wasalam heeft verboden om de transactie van `habal-al-habalah' [zwangerschap van een ongeboren dier] te bedrijven. Dat was een handelstransactie die de mensen uit de tijd van onwetendheid bedreven, waarbij een persoon een kameel kocht totdat zij van een vrouwtjeskameel bevalt en vervolgens haar ongeboren kind bevalt.'

Hoofdstuk: Het is voor de verkoper verboden om zijn kamelen, koeien of schapen ongemolken te laten
1017. Overgeleverd van Abu Hurairah is dat de Profeet heeft gezegd: "Als men een ongemolken schaap koopt en haar melkt, en als hij tevreden met haar is, mag hij haar houden. Als hij ontevreden met haar is, moet hij een saa` dadels afstaan, omdat hij haar heeft gemolken."

Hoofdstuk: Het verkopen van een overspelige slaaf
1018. Overgeleverd van Abu Hurairah is dat de Profeet heeft gezegd: "Als een slavin overspel pleegt en haar overspel blijkt, laat hij haar dan geselen zonder haar verder te berispen. Ais zij wederom overspel pleegt, laat hij haar dan geselen zonder haar verder te berispen. Als zij een derde maal overspel pleegt, laat hij haar dan verkopen, al is het voor een haartouw."

Hoofdstuk: Mag een stedeling namens een bedoelen verkopen, zonder verdienste en mag hij hem helpen of adviseren?
1019. Overgeleverd van Ibn Abbaas is dat de Boodschapper van AllahSallalahu 'alaihi wasalam heeft gezegd: `Treed de handelskaravanen niet tegemoet en laat een stedeling niet namens een bedoeen verkopen." De overleveraar vroeg aan Ibn `Abbaas: `Wat bedoelt hij met "laat een stedeling niet namens een bedoeien verkopen?" Hij antwoordde: `Hij mag niet zijn makelaar zijn.'

Hoofdstuk: Het verbod op het tegenvoettreden van de handelskaravanen
1020. Overgeleverd van `Ahdullaah Ibn 'Omar is dat de Boodschapper van AllahSallalahu 'alaihi wasalam heeft gezegd: "Laat niemand van jullie verkopen ten koste van de verkoop van de ander, en treed handelswaar niet tegemoet, totdat ze wordt aangeboden op de markt."

Hoofdstuk: Het verkopen van rozijnen tegen rozijnen en voedsel tegen voedsel
1021. En van hem is overgeleverd dat de Boodschapper van AllahSallalahu 'alaihi wasalam Al-Muzaabanah heeft verboden. Al-Muzaabanah is het verkopen van dadelvruchten tegen afgewogen droge dadels, en het verkopen van rozijnen tegen afgewogen druiven.

Hoofdstuk: Het verkopen van gerst tegen gerst
1022. Overgeleverd van Maalik Ibn Aws is dat hij wisselgeld zocht voor honderd [gouden] dinars. Talhah Ibn `Ubaydillaah riep mij en wij onderhandelden, totdat hij voor mij wisselde. Hij nam het goud, draaide het om in zijn hand en zei: [Wacht] totdat mijn bewaarder uit het woud komt. 'Omar hoorde dit en zei: 'Bij Allah, je gaat niet bij hem weg voordat jij [je tegenwaarde] van hem neemt.' De Boodschapper van AllahSallalahu 'alaihi wasalam heeft namelijk gezegd: "Goud in ruil voor goud is rente, tenzij het ter plekke overgedragen wordt..." En hij noemde de rest van de overlevering die reeds eerder vermeld is [nr. 1004].

Hoofdstuk: Het verkopen van goud tegen goud
1023. Overgeleverd van Abu Bakrah is dat de Boodschapper van AllahSallalahu 'alaihi wasalam heeft gzegd: "Verkoop geen goud tegen goud, behalve gelijkwaardig tegen gelijkwaardig; en geen zilver tegen zilver, behalve gelijkwaardig tegen gelijkwaardig; en verkoop goud tegen zilver en zilver tegen goud zoals jullie wensen."

Hoofdstuk: Het verkopen van zilver tegen zilver
1024. Overgeleverd van Abu Sa`ied Al-Khudrie is dat de Boodschapper van AllahSallalahu 'alaihi wasalam heeft gezegd: "Verkoop geen goud tegen goud, behalve gelijksoortig tegen gelijksoortig en prefereer de ene niet boven de ander; en verkoop geen zilver tegen zilver, behalve gelijksoortig tegen gelijksoortig en prefereer de ene niet boven de ander en verkoop het afwezige [uitgestelde goud of zilver] ervan niet tegen het aanwezige."

Hoofdstuk: Het verkopen van dinars tegen dinars op krediet
1025. Overgeleverd van Abu Sa`ied AI-Khudrie is dat hij heeft gezegd: Tien dinar [mag geruild worden] tegen een dinar en een dirham tegen een dirham.' Men zei tegen hem dat Ibn `Abbaas dit niet zegt. Abu Sa`ied zei: `Ik vroeg hem of hij dat had gehoord van de Profeet of had aangetroffen in het Boek van Allah. Hij antwoordde: `Ik beweer niets van dat alles. U heeft immers meer kennis dan ik van de Boodschapper van AllahSallalahu 'alaihi wasalam. Usaamah heeft mij echter verteld dat de Profeet heeft gezegd: 'Er is geen sprake van ribaa [rente, woeker] behalve als het krediet betreft".'

Hoofdstuk: Het verkopen van zilver tegen goud op krediet
1026. Overgeleverd van Al-Baraa' Ibn Aazib en Zayd Ibn Arqam is dat hen beiden werden gevraagd over het wisselen van waarden. Zij zeiden beiden dar de ander beter is dan hij en beiden antwoordden: 'De Boodschapper van AllahSallalahu 'alaihi wasalam heeft verboden om goud tegen zilver te verkopen op krediet.'

Hoofdstuk: De transactie van Al-Muzaabanah [het verkopen van dadelvruchten tegen afgewogen droge dadels, en het verkopen van rozijnen tegen afgewogen druiven]
1027. Overgeleverd van 'Abdullah Ibn Omar is dat de Boodschapper van AllahSallalahu 'alaihi wasalam heeft gezegd: "Verkoop dadelvruchten pas nadat hun bruikbaarheid zichtbaar is en verkoop geen dadelvruchten tegen droge dadels." Zayd Ibn Tnaahit heeft mij verteld dat de Boodschapper van AllahSallalahu 'alaihi wasalam daarna toestmming heeft gegeven om de geschatte dadelopbrengstte verkopen tegen verse dadels of droge dadels. Behalve dat heeft hij geen andere uitzondering gemaakt.

1028. Overgeleverd van Djaabir is dat heeft gezegd: `De Profeet heeft verboden om dadelvruchten te verkopen, totdat zij rijp zijn. En niets ervan mag gekocht worden, behalve tegen dinars en dirbams. Dit [verbod] geldt niet voor bomen waarvan de geschatte dadelopbrengst tegen rijpe dadels verkocht mag worden (Al-`Araaya).'

Hoofdstuk: Het verkopen van dadel vruchten aan de dadelbomen tegen goud en zilver
1029. Overgeleverd van Abu Hurairah is dat de Profeet toestemming heeft gegeven om Al-Araaya te verkopen met een waarde van vijf awsuq [ongeveer 735 kg] of minder dan vijf awsuq.

Hoofdstuk: Het verkopen van dadel vruchten voordat hun bruikbaarheid zichtbaar is geworden
1030. Overgeleverd van Zayd Ibn Thaabit is dat hij heeft gezegd: `In de tijd van de Boodschapper van AllahSallalahu 'alaihi wasalam handelden de mensen in vruchten. Als de mensen de dadelvruchten hadden afgesneden en zij [de kopers] kwamen om [de gekochte dadels] te incasseren, zei de koper: `De dadelvruchten zijn gaan rotten, de dadelvruchten zijn getroffen door een ziekte of de dadelvruchten zijn niet rijp geworden.' Dit waren allemaal gebreken die zij als [prijsverlagend] argument gebruikten. Toen hierover zoveel geruzied werd bij de Boodschapper van Allah zei hij: "Verkoop niet aan elkaar voordat de bruikbaarheid van de vrucht zichtbaar is en anders niet." Het was een advies dat hij hun gaf vanwege hun veelvuldige disputen.'

1031. Overgeleverd van Djaabir Ibn `Abdillaah is dat hij heeft gezegd: `De Profeet heeft verboden om een vrucht te verkopen, voordat deze vervrucht te verkopen, voordat deze verkleurt.' Men vroeg: `Wat wordt er bedoeld met'verkleuren'?' Hij antwoordde: `Dat zij rood en geel kleurt en eetbaar is.'

Hoofdstuk: Als men vruchten verkoopt oordat hun bruikbaarheid zichtbaar is en zij getroffen worden door een ge brek
1032. Overgeleverd van Anas Ibn Maalik is dat de Boodschapper van AllahSallalahu 'alaihi wasalam heeft verboden om vruchten te verkopen, voordat zij helder gekleurd zijn. Men vroeg hem: `Wat bedoelt u met helder gekleurd?' Hij antwoordde: "Dat zij rood kleuren." Vervolgens zei de Boodschapper va n Allah: "Stel je voor dat Allah de vrucht niet volmaakt, hoe kan dan iemand van jullie het geld van zijn broeder afnemen?"

Hoofdstuk: Als men dadels wil verkopen tegen betere dadels
1033. Overgeleverd van Abu Sa`ied Al-Khudrie en Abu Hurairah is dat de Boodschapper van AllahSallalahu 'alaihi wasalam een in de leiding gaf in Khaibar, die hem dadels van goede kwaliteit bracht. De Boodschapper van AllahSallalahu 'alaihi wasalam vroeg: "Zijn alle dadels van Khaibar zo?" Hij antwoordde: `Nee, bij Allah, 0 Boodschap van Allah. Wij ruilen n Saa` [ongevbeer drie kilogram] van deze tegen twee Saa' [wan andere dadels met een mindere kwaliteit] en twee Saa' tegen drie Saa'.' "Hierop zei de Boodschapper van AllahSallalahu 'alaihi wasalam: 'Doe dat niet. Verkoop de inferieure dadels voor geld en koop vervolgens met het geld kwaliteitsdadels."

Hoofdstuk: De handelstransactie van Al-Mukhaadharah
1034. Overgeleverd van Anas lbn Maalik is dat hij heeft gezegd: 'De Boodschapper van Allah heeft de volgende handelstransacties verboden: Al-Muhaagalah [het verkopen van tarwe in haar aar tegen een afgesproken gewicht van pure tarwe]; Al-Mukhaadharah [het verkopen van vruchten voordat hun bruikbaarheid zichtbaar is]; Al-Mulaamasah [het verplicht zijn tot kopen van een opgevouwen stof vanwege het aanraken ervan, ook al heeft men de stof niet gezien]; A-Munaabadhah [de koper is verplicht tot koop als de verkoper de handelswaar naar hem werpt]; en Al-Muzaabanah [het verkopen van dadelvruchten tegen afgewogen droge dadels, en het verkopen van rozijnen tegen afgewogen druiven].'

Hoofdstuk: Wie toestaat dat regio's datgene wat zij onderling afspreken mogen hanteren inzake handelstransacties, verhuur, maten en weging
1035. Overgeleverd van `Aaichah is dat zij heeft gezegd dat Hind Umm Mu`aawiyah tegen de Boodschapper van AllahSallalahu 'alaihi wasalam heeft gezegd: `Abu Sufyaan is een gierige man. Berust er op mij een zonde als ik stiekem van zijn geld neem?' Hij antwoordde: `Jij en je zoons mogen men wat - in redelijkheid - genoeg voor je is.

Hoofdstuk: De handelspartner die koopt van zijn handelspartner
1036. Overgeleverd van Djaabir is dat Boodschapper van AllahSallalahu 'alaihi wasalam in alle onverdeelde eigendommen voorkeursrecht heeft verleend. Als de grenzen echter zijn getrokken en de wegen zijn gelegd, dan vervalt het voorkeursrecht.

Hoofdstuk: Het kopen, weggeven en vrijlaten van een slaaf van een oorlogsvijand
1037. Overgeleverd van Ahu Hurairah is dat de Profeet heeft gezegd: Ibraahiem emigreerde met Haadjar hij ging met haar een dorp binnen waar hij een koning of een tiran bevond. Er werd [tegen hem] gezegd: `Ibraahiem is binnengekomen met n van de mooiste vrouwen.' Hij [de koning] stuurde iemand naar hem toe met de vraag: '0 Ibraahiem, wie is deze vrouw die jou vergezelt? Hij [Ibraahiem] keerde naar haar terug en zei: 'Verloochen mijn woorden niet, Ik heb hun namelijk verteld dat jij mijn zus bent, want Allah, er is op deze plek geen andere gelovige behalve ik en jij.' Hij stuurde haar haar hem [de koning]. Toen hij richting opstond, stond zij op en verrichtte wudoe' en gebed, terwijl zij zei: `O Allah, als ik geloof in U en in Uw Boodschapper, en is ik mijn kuisheid heb bewaard behalve tegenover mijn echtgenoot, geef deze ongelovige dan niet de overhand op mij.' Hierop stokte zijn adem, totdat hij een snurkend geluid maakte, en begon hij met zijn voeten te trappelen.' Abu Hurairah vertelt dat zij toen zei: `0 Allah, als hij overlijdt, zullen zij zeggen dat ik hem vermoord heb.' Hierop kwam hij weer bij. Toen hij weer richting haar opstond, stond zij op en verrichtte wudoe' en gebed, terwijl zij zei: '0 Allah, als ik geloof in U en in Uw Boodschapper, en als ik mijn kuisheid heb bewaard behalve tegenover mijn echtgenoot, geef deze ongelovige dan niet de overhand op mij.' Hierop stokte zijn adem, totdat hij een snurkend geluid maakte, en begon hij met zijn voeten te trappelen.' Abu Hurairah vertelt dat zij toen zei: `O Allah, als hij overlijdt, zullen zij zeggen dat ik hem vermoord heb.' Hierop kwam hij voor een tweede of een derde keer bij en zei: `Bij Allah, jullie hebben mij een duivel gebracht. Stuur haar terug naar lbraahiem en geef haar [de slavin] Aadjar [= Haadjar].' Zij keerde terug naar Ibraahiem en zei tegen hem: Wist jij dat Allah de ongelovige heeft onderdrukt en een slavin heeft geschonken?"

Hoofdstuk Het doden van het varken
1038. En van hem is overgeleverd dat de Boodschapper van Allah heeft gezegd: "Bij Degene in Wiens Hand mijn ziel ligt, de tijd nadert dat de zoon van Marvam tussen jullie zal neerdalen als een rechtvaardige rechter. Hij zal het kruis breken, het varken doden, al-djizyah [een afdracht die niet-moslims doen aan de islamitische staatskas in ruil voor bescherming] afschaffen en rijkdom zal overvloedig stromen totdat niemand het eer zal accepteren."

Hoofdstuk: Het verkopen van zielloze afbeeldingen en wat hiervan afgekeurd wordt
1039. Overgeleverd van Ibn `Abbaas is dat een man bij hem kwam die vroeg: `O Abu `Abbaas, ik hen een mens en verdien mijn inkomen met het beoefening van een ambacht. 1k maak namelijk afbeeldingen. Ibn `Abbaas antwoordde: `Ik zal je alleen maar datgene vertellen wat ik van de Boodschapper van AllahSallalahu 'alaihi wasalam heb gehootd. Ik heb hem horen zeggen: "Wie een afbeelding tekent, zal zeker door Allah gekweld worden totdat hij er levensadem in blaast. Hij zal er echter nooit levensadem in kunnen blazen".' Hierop slaakte de man een hevige zucht en zijn gezicht verbleekte. Hij [Ibn `Abbaas] zei toen: Wat erg voor je! Als je per se je ambacht wilt beoefenen, maak dan afbeelding van bomen en van alles wat geen ziel zit.'

Hoofdstuk: De zonde van wie een vrij mens verkoopt
1040. Overgeleverd van Abu Hurairah dat de Profeet heeft gezegd dat Al-Allah heeft gezegd: "1k ben de tegenstander van drie [soorten mensen] tijdens Opstandingsdag: een man die [een gelofte] heeft gegeven in Mijn naam en vervolgens bedriegt; een man die een vrij persoon verkoopt en vervolgens zijn opbrengst consumeert; en een man die een arbeidskracht in dienst neemt, die zijn verplichting nakomt, maar aan wie hij vervolgens zijn loon niet uitbetaalt."

Hoofdstuk: Het verkopen van kadavers en afgodsbeelden
1041. Overgeleverd van Djaabir Ibn `Abdillaah is dat hij de Boodschapper van AllahSallalahu 'alaihi wasalam tijdens het jaar van de bevrijding in Mekkah heeft horen zeggen: "Allah en Zijn Boodschapper hebben de verkoop van alcoholische dranken, kadavers, varkens en afgodsbeelden verboden." Men vroeg: `O Boodschapper van AllahSallalahu 'alaihi wasalam, geldt dit ook voor het vet van kadavers? Hiermee worden namelijk schepen gesmeerd, huiden gevet en de mensen gebruiken het voor hun lampen.' Hij antwoordde: "Nee, het is verboden." Vervolgens zei de Boodschapper van AllahSallalahu 'alaihi wasalam : "Moge Allah de joden vernietigen. Toen Allah hun de vetten [van kadavers] verbood, smolten zij die om ze vervolgens te verkopen. De opbrengst ervan consumeerde zij.

Hoodfstuk: De opbrengst van een hond
1042. Overgeleverd van Abu Mas`ood Al-Ansaari is dat de Boodschapper van AllahSallalahu 'alaihi wasalam de verkoopopbrengst van een hond, de vergoeding van een prostituee en de vergoeding van een waarzegger heeft verboden.

36. Het boek van voorverkoop [As-Salam = verkoop met uitgetelde levering = de afspraak om een omschreven goed uitgesteld te verkopen, terwijl de prijs terplekke wordt ontvangen]

Hoofdstuk: Voorverkoop van een afgesproken maat / gewicht

Top I
1043. Overgeleverd van Ibn `Abbaas is dat hij heeft gezegd: `Toen de Boodschapper van AllahSallalahu 'alaihi wasalam aankwam in Madienah kochten de mensen vruchten met uitgestelde levering van een of twee jaar. Hij zei toen: "Wie dadels verkoopt met uitgestelde levering moet dit wel doen voor een afgesproken omvang en een afgesproken gewicht." En in een andere overlevering: "...en voor een afgesproken tijd".

Hoofdstuk: Voorverkoop van een afgesproken maat / gewicht
1044. Overgeleverd van Ibn Abi Awfaa is dat hij heeft gezegd: "Tijdens de periode van de Boodschapper van AllahSallalahu 'alaihi wasalam, Abu Bakr en 'Omar handelden wij met voorrkoop in tarwe, gerst, rozijnen en dadels.

1045. In een andere overlevering zegt hij: Wij handelden met voorverkoop met de agrarirs uit de levant in gerst, tarwe en met een afgesproken omvang en voor afgesproken periode. Men vroeg hem: Werd voorverkoop alleen gedaan met hen die de oorspronkelijke waar in hun bezit hadden? Hij antwoorde: Wij vroegen hen daar niet naar.

37. Het boek van voorkeursrecht [Ash-Shuf'ah = het recht van dwangmatige aankoop voor een bestaande partner ten opzichte van een nieuwe partner tegen de prijs die hij betaald heeft]

Hoofdstuk: Het voorkeursrecht wordt aan de partner voorgelegd

Top I
1046. Overgeleverd van Abu Raafi de vrijgelaten slaaf van de Profeet - is dat hij bij Saki Ibn Abi Waqqaas kwam en tegen hem zei: `Koop van mij mijn twee kamers in jouw huis.' Sa`d antwoordde: `Bij Allah, ik geef je niet meer dan vierduizend in termijnen.' Abu Raafi` zei: `Ik heb er vijfhonderd dinar voor gekregen. Als het niet zo was dat ik de Profeet heb horen zeggen: "De buurman is rechthebbender vanwege zijn nabijheid," dan had ik ze je niet verkocht voor vierduizend, terwijl er vijfhonderd dinar voor is geboden.' En hij verkocht ze aan hem.

Hoofdstuk: Wie de dichtstbijzijnde buur is
1047. Overgeleverd van Aaichah is dat zij heeft gezegd: `O Boodschapper van AllahSallalahu 'alaihi wasalam, ik heb twee buren. Aan wie van hen moet ik schenken?' Hij antwoordde: "Aan degene wiens deur het dichtst bij jou is."

38. Het boek van huur [Idjaarah]

Hoofdstuk: Over huur

Top I
1048. Overgeleverd van Abu Moesaa is dat hij heeft gezegd: `Ik kwam bij de Profeet en ik had twee Ash`ari-mannen bij me. Ik zei: `Ik wist niet dat zij naar werk vroegen.' Hij zei: "Wij zullen voor ons werk niet iemand gebruiken die het graag wil'."

Hoofdstuk: Schapen hoeden in ruil voor een paar muntstukken
1049. Overgeleverd van Abu Hurairah is dat de Profeet heeft gezegd: "Elke Profeet die door Allah is gezonden, heeft schapen gehoed." Zijn metgezellen vroegen: `En u?' Hij antwoordde: "Ja. Ik hoedde ze in ruil voor een paar muntstukken voor de mensen van Mekkah."

Hoofdstuk: Tewerkstelling vanaf de namiddag tot de nacht
1050. Overgeleverd van Abu Moesaa is dat de Profeet heeft gezegd: "Het voorbeeld van de Moslims, de joden en de christenen is net als het voorbeeld van een man die een groep mensen in dienst heeft genomen. Zij zouden voor hem overdag werken tot de nacht, voor een afgesproken loon. Zij werkten echter tot de middag en zeiden tegen hem: Wij hebben geen behoefte aan jouw loon dat jij met ons had afgesproken. Het werk dat wij hebben verricht is gratis.' Hij antwoordde hun: `Doe dat niet. Maak de rest van jullie werkzaamheden af en ontvang jullie volledige vergoeding. Zij weigerden dit echter en vertrokken. Hij nam na hen twee arbeiders in dienst en zei tegen hen: `Maak de rest van deze dag af en jullie ontvangen de vergoeding die ik met hun had afgesproken.' Zij werkten totdat de tijd van het `asr-gebed aanbrak. Zij zeiden toen: Je ontvangt ons werk gratis en je mag de vergoeding die je voor ons had bestemd houden.' Hij zei tegen hen beiden: `Maak de rest van jullie werk af. Er is slechts weinig tijd over van de dag.' Zij weigerden echter. Daarom nam hij andere mensen in dienst, opdat zij de rest van de dag zouden werken. Zij werkten de rest van de dag, totdat de zon onderging. Zij ontvingen de volledige vergoeding van de beide groepen. Dat is nu het voorbeeld van hen en het voorbeeld van wat zij hebben geaccepteerd van dit licht."

Hoofdstuk: Als iemand een arbeider inhuurt die zijn loon niet neemt, en de inhuurder investeert dit en het neemt toe
1051. Overgeleverd van `Abdullaah Ibn 'Omar is dat hij de Boodschapper van AllahSallalahu 'alaihi wasalam heeft horen zeggen: "Drie mannen van degenen die vr jullie waren vertrokken, totdat zij bij een slaapplaats aankwamen in een grot. Toen zij naar binnen gingen, rolde er een rots van de berg naar beneden en sloot de grot op hen af. Zij zeiden toen: `Het enige wat jullie kan redden van deze rots is dat jullie Allah aanroepen met jullie goede daden.' Hierop zei een man van hen: `O Allah, ik had twee stokoude ouders. Ik liet nooit iemand van de familie of slaven vr hen hun avondmelk drinken. Op een dag moest ik op een verre afstand iets doen. Ik kwam pas bij hen thuis nadat zij beiden in slaap waren gevallen. Ik melkte voor hen hun avondmelk en trof hen slapend aan. Ik wilde niet dat iemand van de familie of slaven voor hen hun avondmelk zouden drinken. Daarom bleef ik wachten totdat zij wakker zouden worden met de beker in mijn handen. Toen het ochtendgloren scheen, ontwaakten zij en dronken hun avondmelk. 0 Allah, als ik dit heb gedaan omwille van Uw Aangezicht, open dan deze situatie voor ons veroorzaakt door deze rots.' Hierop ontstond er een opening waardoor ze echter nog niet naar buiten konden." De Profeet heeft gezegd: "De ander zei toen: `O Allah, ik had een dochter van mijn oom van vaderskant. Zij was de meest geliefde mens voor mij. Daarom wilde ik graag gemeenschap met haar bedrijven, maar zij weigerde dit. Toen zij een keer werd getroffen door droogte, kwam zij bij mij. lk gaf haar honderdtwintig dinar, onder voorwaarde dat zij mij toestemming zou geven om gemeenschap met haar te bedrijven. Zij stemde hiermee in. Toen ik in de positie kwam om de daad van gemeenschap daadwerkelijk uit te voeren, zei zij: `Ik sta jou niet toe om de zegel [van maagdelijkheid] te verbreken, behalve met zijn recht [het huwelijk dat gemeenschap toestaat].' Ik besloot daarom om de daad van geslachtsgemeenschap met haar te ontwijken. Ik wendde mij af van haar, terwijl zij de meest geliefde mens voor mij was. Bovendien mocht zij het goud dat ik haar had gegeven houden. O Allah, als ik dit heb gedaan omwille van Uw Aangezicht, open dan deze situatie voor ons.' Hierop schoof de rots op, maar zij konden nog niet naar buiten." De Profeet heeft gezegd: "De derde zei toen: `0 Allah, ik heb arbeiders ingehuurd en ik heb hun allemaal hun loon gegeven, behalve n man: hij liet zijn recht liggen en vertrok. Ik investeerde zijn loon, totdat het vele rijkdommen voortbracht. Na een tijd kwam hij bij mij en zei: `0 dienaar van Allah, geef mij mijn loon.' Ik antwoordde hem: 'Alles wat je ziet aan kamelen, koeien, schapen en slaven is van jouw loon.' Hij zei: `0 dienaar van Allah, spot niet met mij.' Ik antwoordde: `Ik spot niet met jou.' Hierop nam hij dit alles, dreef het weg en het er niets van achter. O Allah, als ik dit heb gedaan omwille van Uw Aangezicht, open dan deze situatie voor ons.' Hierop schoof de rots op en zij liepen naar buiten"

Hoofdstuk: Een vergoeding geven voor Ruqyah
1052. Overgeleverd van Abu Sa`ied is dat hij heeft gezegd: `Een groepje van de metgezellen van de Profeet vertrok tijdens n van haar reizen, totdat het neerstreek in n van de Arabische stammen. Zij [de metgezellen] vroegen hun [de stambewoners] om hen als gasten te ontvangen. Zij weigerden echter om hen als gasten te ontvangen. De stamleider werd giftig gebeten [door een schorpioen of slang]. Zij probeerden alles om hem te genezen, maar niets mocht baten. Iemand van hen opperde: Waarom gaan jullie niet naar die groep die is neergestreken? Misschien heeft n van hen wel iets [als medicijn]: Zij kwamen tot hen en vroegen: `O groep mensen, onze leider is giftig gebeten. Wij hebben alles geprobeerd om hem te genezen, maar niets mocht baten. Heeft iemand van jullie iets?' Een van hen [de metgezellen] antwoordde: `Ja, bij Allah. Ik pas Ruqyah * toe. Wij hebben jullie echter verzocht om ons als gasten te ontvangen, maar jullie hebben dit geweigerd. Ik zal dus geen Ruqyah toepassen voor jullie, totdat jullie daar een beloning tegenover plaatsen.' Zij stemden hiermee in en boden hen een kudde schapen aan. Hierop vertrok hij [naar hem toe] en blies hij [met een beetje spuug] op hem terwijl hij [Soerah Al-Faatihah] reciteerde: (Alle lof komt toe aan Allah, de Heer der werelden...). Het was alsof hij [de stamleider] losraakte uit een geknoopt touw. Hij stond op en liep zonder enig ziekteverschijnsel. Hij [de overleveraar] zei: Zij ontvingen een royale beloning, waarover zij het eens waren geworden.' Sommigen van hen zeiden: `Verdeel dit.' Degene die Ruqyah had toegepast zei: `Doe dat niet totdat we hij de Profeet komen en hem vertellen wat er is gebeurd. Laten we afwachten wat hij ons dan opdraagt.' Toen zij aankwamen bij de Boodschapper van AllahSallalahu 'alaihi wasalam en hem over het voorval vertelden, zei hij: "Hoe wist jij dat het [reciteren van Soerah Al-Faatihah] Rugyah is?" Hij voegde hieraan toe: "jullie hebben correct gehandeld. Verdeel jullie beloning en geef mij ook een deel." Waarop de Profeet lachte.' * Rugyah: Qor'anische teksten die worden gereciteerd geneesmiddel voor ziektes.

Hoofdstuk: Het verhuren van mannetjesdieren [om vrouwtjes te bevruchten]
1053. Overgeleverd van Ibn 'Omar is dat hij heeft gezegd: `De Profeet heeft verboden om mannetjesdieren te verhuren [ter bevruchting van vrouwtjes].'

39. Het boek van schuldoverdrachten [Hawaalaat (ev. Hawaalah) = het overgaan van een schuld van de ene schuldenaar naar een andere schuldenaar]

Hoofdstuk: Als zijn schuld wordt overgedragen aan een rijk persoon, dient hij dit niet te weigeren

Top I
1054. Overgeleverd van Abu Hurairah is dat de Profeet heeft gezegd: "Uitstel van betaling door een vermogend persoon is onrecht. Wiens schuld dus wordt overgedragen aan een rijk persoon, laat hij dit dan accepteren."

Hoofdstuk: Het is toegestaan dat de schuld van een overledene wordt over genomen door een ander
1055. Overgeleverd van Salamah Ibn Al-Akwa` is dat hij heeft gezegd: `Wij zaten eens bij de Profeet toen er een overleden persoon werd gebracht. Men zei: 'Bid voor hem.' Hij vroeg: "Heeft hij een schuld?" Men antwoordde: `Nee.' Hij vroeg: "Heeft hij iets nagelaten?" Men antwoordde: `Nee.' Hierop bad hij voor hem. Vervolgens werd er een ander overleden persoon gebracht. Men zei: '0 Boodschapper van AllahSallalahu 'alaihi wasalam, bid voor hem.' Hij vroeg: "Heeft hij een schuld?" Men antwoordde:'Ja.' Hij vroeg: "Heeft hij iets nagelaten?" Men antwoordde: Drie dinars.' Hierop bad hij voor hem. Vervolgens werd er een derde overleden persoon gebracht. Men zei: `Bid voor hem.' Hij vroeg: "Heeft hij iets nagelaten?" Men antwoordde: `Nee.' Hij vroeg: "Heeft hij een schuld?" Men antwoordde: `Drie dinars.' Hierop zei hij: `Bid zelf voor jullie overledene." Abu Qataadah zei toen: `O Boodschapper van AllahSallalahu 'alaihi wasalam, bid voor hem en ik neem zijn schuld op mij.' Hierop bad hij voor hem.'

Hoofdstuk: De Uitspraak van Allah (En ook aan degenen met wie jullie een eed [van broederschap] hebben afgesloten, geef hun hun aandeel [in de vorm van een wilstestament])
1056. Overgeleverd van Anas Ibn Maalik is dat men hem vroeg: `Heb je vernomen dat de Profeet heeft gezegd: "Er is geen verdrag in de lslaam."?' Hij antwoordde: De Profeet heeft een verdrag gesloten tussen Quraish en de Ansaar in mijn huis.'

Hoofdstuk: Wie de schuld van een overleden persoon op zich neemt, dient dit te volbrengen
1057. Overgeleverd van Djaabir Ibn Abdillaah is dat de Profeet heeft gezegd: "Als het geld uit Bahrein komt, zal ik je zus en zo geven." Het geld uit Bahrein kwam echter pas nadat de Profeet was overleden. Toen het geld uit Bahrein kwam, droeg Abu Bakr op om te roepen: Wie nog een belofte of schuld te goed heeft van de Profeet laat hem dan bij ons komen.' Ik ging naar hem en en zei: `De Profeet heeft zus en zo tegen mij gezegd.' Hij greep een handvol geld voor mij en zei: `Tel het.' Toen ik het telde was het vijfhonderd. Hij zei toen tegen mij: `Neem twee keer zoveel.'

40. Het boek van machtiging / vertegenwoordiging [Wakaalah = dat een persoon een ander persoon namens zichzelf aanstelt in algemene of specifieke zin]

Hoofdstuk: Het machtigen van een partner

Top I
1058. Overgeleverd van `Ugbah Ibn Aamir is dat de Profeet hem schapen gaf om te verdelen onder zijn metgezellen. Er bleef een lammetje over. Toen hij dat aan de Profeet vertelde, zei hij: "Offer jij het."

Hoofdstuk: Als de herder of gemachtigde een ooi dood ziet gaan of iets ziet verpesten, mag hij datgene waarvan hij vreest dat het doodgaat of verpest wordt slachten of corrigeren
1059. Overgeleverd van Ka`b Ibn Maalik is dat zij schapen hadden die graasden in Sal`. Een slavin van ons zag dat een ooi van haar schapen dood aan het gaan was. Zij brak daarom een steen en slachtte haar ermee. Hij zei tegen hen: `Eet er niet van totdat ik de Profeet erover vraag of iemand naar de Profeet stuur die hem erover vraagt.' Toen hij de Profeet erover vroeg of iemand stuurde, droeg hij hem op om haar op te eten.

Hoofdstuk: Machtigen voor het aflossen van schulden
1060. Overgeleverd van Abu Hurairah is dat een man bij de Profeet kwam en op grove wijze een schuld opeiste. Zijn metgezellen stonden op het punt om hem wat aan te doen, toen de Boodschapper van AllahSallalahu 'alaihi wasalam zei: "Laat hem, want de rechtmatige eiser heeft recht van spreken." Vervolgens zei hij: "Geef hem een leeftijd gelijk aan zijn leeftijd [m.a.w. geef hem een dier terug met dezelfde leeftijd als het dier dat hij uitgeleend heeft]." Zij zeiden: `O Boodschapper van AllahSallalahu 'alaihi wasalam, wij hebben alleen een betere leeftijd dan die van hem gevonden.' Hij zei: "Geef hem die dan, want tot de besten van jullie behoren degenen die op de beste wijze aflossen."

Hoofdstuk: Het is toegestaan dat men iets schenkt aan de gemachtigde of tussenpersoon van anderen
1061. Overgeleverd door Al-Miswar Ibn Makhramah is dat de Boodschapper van AllahSallalahu 'alaihi wasalam opstond toen de afvaardiging van Hawaazin als Moslims bij hem kwamen. Zij vroegen hem om hun rijkdommen en krijgsgevangenen terug te geven. De Boodschapper van AllahSallalahu 'alaihi wasalam zei toen tegen hen: "De meest geliefde spraak bij mij is de meest waarheidsgetrouwe ervan. Kies daarom n van de twee groepen: of de krijgsgevangenen of de rijkdommen. Ik heb namelijk op jullie gewacht." De Boodschapper van AllahSallalahu 'alaihi wasalam had namelijk meer dan tien nachten op ochtend.' Zij [de metgezellen] waren namelijk erg gespitst op het goede. De Profeet zei: "Hij heeft de waarheid tegen jou gesproken terwijl hij een leugenaar is. 0 Abu Hurairah, weet je tegen wie je de afgelopen drie nachten hebt gesproken?" Ik antwoordde: `Nee.' Hij zei: "Het is een satan [shaytaan]".'

Hoofdstuk: Als de gemachtigde iets verdorvens koopt, is zijn koop ongeldig
1063. Overgeleverd van Abu Sa`ied Al-Khudrie is dat hij heeft gezegd: `Bilaal kwam bij de Profeet met [superieure] Barni-dadels. De Profeet vroeg hem: "Hoe kom je hier aan?" Bilaal antwoordde: Wij hadden slechte dadels. Ik kocht met twee saa` daarvan n saa` van deze, zodat de Profeet ervan kan proeven. Hierop zei de Profeet: "Och, och, [dat is] de essentie van ribaa [woeker, rente], de essentie van ribaa. Doe dat niet. Als je echter wilt kopen, verkoop dan eerst de [slechte] dadels in een aparte deal. Koop vervolgens [met de opbrengst de superieure dadels]."

Hoofdstuk: Machtigen in de uitvoering van islamitische straffen
1064. Overgeleverd van `Ugbah Ibn Al-Haarith is dat hij heeft gezegd: 'An-Nu'aimaan (of: Ibn An-Nu"aimaan) werd in dronken staat gebracht. De Boodschapper van AllahSallalahu 'alaihi wasalam droeg iedereen die in het huis aanwezig was op om hem te slaan. lk was n van degenen die hem sloegen. Wij sloegen hem met sandalen en met palmtakken.'

41. Het boek van overleveringen omtrent ploegen en verbouwen

Hoofdstuk: De verdienste van verbouwing en beplanting

Top I
1065. Overgeleverd van Anas Ibn Maalik is dat de Boodschapper van AllahSallalahu 'alaihi wasalam heeft gezegd: "Als een Moslim een boom plant of een zaadje verbouwt, ontvangt hij [de beloning van] een aalmoes voor elke vogel, mens of dier die ervan eet."

Hoofdstuk: Waarschuwing voor de gevolgen van het gebruik van ploeg materiaal of het overtreden van de grens die daaraan is opgelegd
1066. Overgeleverd van Umaamah Al-Baahili is dat hij een ploegijzer en wat ander ploegmateriaal zag. Hij zei toen: `Ik heb de Profeet horen zeggen: "Als dit het huis van mensen betreedt, laat Allah er vernedering betreden."

Hoofdstuk: Het aanschaffen van een hond voor het ploegen
1067. Overgeleverd van Abu Hurairah is dat de Boodschapper van Allah heeft gezegd: "De [beloning voor de] daden van wie een hond houdt neemt elke dag met een giraat af, behalve als het een hond voor het ploegen of voor het vee is." En van hem staat in een andere overlevering: `Behalve als het een hond voor de schapen, het ploegen of de jacht is."

1068. En van hem staat in een andere overlevering: "Behalve als het een hond voor de schapen, het ploegen of de jacht is."

1069. En van hem staat in een andere overlevering: `Behalve als het een hond voor de jacht of voor het vee is."

Hoofdstuk: Het gebruiken van koeien voor het ploegen
1070. Overgeleverd van Abu Hurairah is dat de Profeet heeft gezegd: "Terwijl een man eens op een koe reed, keek zij naar hem om en zei: `Hiervoor ben ik niet geschapen. lk ben geschapen om te ploegen.' Hij zei: "Dat geloven ik, Abu Bakr en 'Omar." De wolf ving een ooi en de herder ging haar achterna. De wolf zei tegen hem: Wie is er voor haar op de dag van het roofdier, de dag dat niemand anders haar hoedt dan ik?"' Hij zei: "Dat geloven ik, Abu Bakr en 'Omar."

Hoofdstuk: Als men vraagt om hem het onderhoud van palmbomen te besparen
1071. Overgeleverd van Abu Hurairah is dat hij heeft gezegd dat de Ansaar tegen de Profeet zeiden: `Verdeel de palmbomen tussen ons en onze broeders [van de Muhaadjiroen].' Hij antwoordde: "Nee." Zij [de Ansaar] zeiden toen [tegen de Muhaadjiroen]: `Als jullie ons het onderhoud [van de palmbomen] besparen, verdelen wij met jullie de vruchten.' Zij [allen] zeiden: `Wij hebben gehoord en wij gehoorzamen.'

1072. Overgeleverd van Raafi` Ibn Khadiedj is dat hij heeft gezegd: Wij verbouwden het meeste grond onder de mensen van Al-Madienah. Wij huurden de grond in ruil voor dat de opbrengst van een specifiek gedeelte ervan aan de grondeigenaar toekwam.' Hij heeft gezegd: `Soms werd dat gedeelte getroffen, terwijl de rest van de grond ongedeerd bleef. En soms werd de rest van de grond getroffen, terwijl dat gedeelte ongedeerd bleef. Daarom werd dit ons verboden. In die tijd was goud en zilver namelijk nog niet gebruikelijk [als betaalmiddel voor huur].'

Hoofdstuk: Deelpacht voor de helft
1073. Overgeleverd van `Abdullaah Ibn 'Omar is dat de Profeet met de mensen van Khaibar een afspraak maakte over de helft van wat de grond voortbracht aan vruchten of beplanting. Hij gaf zijn echtgenoten honderd wasq; tachtig wasq dadels en twintig wasq gerst. [Wasq = zestig saa` volgens de maatvoering van de Profeet]

1074. Overgeleverd van Ibn `Abbaasi is dat de Profeet huur [in de vorm van deelpacht] niet verbood, maar hij zei: "Dat iemand van jullie zijn broeder [grond] schenkt, is beter voor hem dan dat hij een afgesproken vergoeding van hem neemt."

Hoofdstuk: De religieuze schenkingen van de metgezellen van de Profeet en de afdrachtplichtige gronden, deelpacht en arbeid in ruil voor een deel van de opbrengst
1073. Overgeleverd van 'Omar is dat hij heeft gezegd: `Ware het de latere [generaties] moslims niet, dan zou ik elk dorp dat bevrijd wordt, verdelen tussen [de op de buit rechthebbende) mensen ervan, net zoals de Profeet Khaibar heeft verdeeld.'

Hoofdstuk: Wie braakland tot leven brengt
1076. Overgeleverd van `Aaichah is dat de Profeet heeft gezegd: "Wie grond bewerkt die aan niemand toehoort, is het meest rechthebbend [erop]."

1077. Overgeleverd van Ibn 'Omar is dat hij heeft gezegd dat 'Omar Ibn Al-Khattaab de joden en de christenen verdreef uit het land van Hidjaaz [Mekkah, Al-Madienah, Al-Yamaamah en omstreken]. Toen de Boodschapper van AllahSallalahu 'alaihi wasalam de overhand kreeg over Khaibar, wilde hij de joden eruit verdrijven. Toen hij de overhand erover kreeg, behoorde het land namelijk aan Allah, Zijn Boodschapper en aan de moslims. Hij wilde de joden eruit verdrijven. De joden verzochten de Boodschapper van AllahSallalahu 'alaihi wasalam echter om hen erin te laten wonen, opdat zij het onderhoud [en arbeid] ervan op zich zouden nemen en zodat de helft van de vruchten hen dan zou toekomen. De Boodschapper van AllahSallalahu 'alaihi wasalam zei toen tegen hen: "Wij laten jullie erin wonen op die voorwaarde, zolang wij wensen." Daarom bleven zij erin wonen totdat 'Omar hen verdreef naar Taymaa' en Ariyhaa'.

Hoofdstuk: Hoe de metgezellen van de Profeet elkaar lieten deelnemen in de verbouwing en de vruchten
1078. Overgeleverd van Raafi` lbn Khadiedj is dat hij heeft gezegd: `Mijn oom, Dhuhair lbn Raafi` heeft gezegd: `De Boodschapper van AllahSallalahu 'alaihi wasalam heeft ons iets verboden wat mild voor ons was.' Ik zei: `Wat de Boodschapper van AllahSallalahu 'alaihi wasalam heeft gezegd, is waarheid.' Hij zei: `De Boodschapper van AllahSallalahu 'alaihi wasalam riep mij bij zich en zei: `Vat doen jullie met jullie boerderijen?" Ik antwoordde: `Wij verhuren ze in ruil voor de [opbrengst van de] gewassen aan de rivierbedding, of in ruil voor een aantal awsuq meervoud van wasq. 1 wasq is ongeveer 150 kg.] aan dadels en gerst.' Hij zei: "Doe dat niet. Verbouw ze zelf, of laat ze verbouwen, of laat ze met rust." Raafi heeft gezegd: `Ik zei: `Wij horen en gehoorzamen'.'

1079. Overgeleverd van Ibn 'Omar is dat hij zijn boerderijen verhuurde ten tijde van de Profeet, Abu Bakr, `Othmaan en een gedeelte van het emiraat van Mu`aawiyah. Vervolgens werd hem overgeleverd van Raafi` Ibn Khadiedj dat de Profeet heeft verboden om boerderijen te verhuren. Ibn 'Omar ging daarom naar Raafi` en vroeg hem. Hij antwoordde: `De Profeet heeft verboden om boerderijen te verhuren.' Ibn Omar zei toen: `Jij weet toch dat wij onze boerderijen verhuurden ten tijde van de Boodschapper van AllahSallalahu 'alaihi wasalam in ruil voor de gewassen [die groeien] aan de rivierbedding en tegen een beetje hooi.'

1080. En van hem is overgeleverd dat hij heeft gezegd: `Ik wist ten tijde van de Boodschapper van AllahSallalahu 'alaihi wasalam dat grond werd verhuurd. Vervolgens vreesde 'Abdullaah dat het standpunt van de Profeet daaromtrent wellicht was veranderd zonder dat hij dat wist. Daarom stopte hij met het verhuren van grond.'

Hoofdstuk:
1081. Overgeleverd van Abu Hurairah is dat de Profeet eens een verhaal vertelde terwijl er een man van de bedoeenen aanwezig was: "Een man van de paradijsbewoners vroeg zijn Heer toestemming om landbouw te bedrijven. Hij vroeg hem: "Heb je niet alles wat je wilt?" Hij antwoordde: `Jawel, maar ik hou van landbouw.' Hierop zaaide hij. Binnen een oogwenk groeiden de zaadjes, rijpten en werden geoogst. De oogst was als bergen. Allah zal dan tegen hem zeggen: "0 zoon van Aadam, neem hem [de oogst]. Niets zal immers bevredigend voor je zijn"." De [aanwezige] bedoeen zei toen: 'Bij Allah, dat moet of iemand van Quraish of iemand van de Ansaar zijn. Zij zijn namelijk landbouwers. Wij zijn echter geen landbouwers.' Hierop lachte de Profeet.

42. Het boek van Musaaqaah [een transactie waarbij bomen volgens afspraak worden bevloeid in ruil voor een deel van de vruchten]

Hoofdstuk: Over waterverdeling

Top I

1082. Overgeleverd van Sahl Ibn Sa'd is dat hij heeft gezegd: 'Er werd een kruik bij de Profeet gebracht, waarvan hij dronk. Rechts van hem was een knaap, die de jongste van de aanwezigen was. De oudere mannen zaten links van hem. Hij vroeg: '0 knaap, geef je mij toestemming om hem door te geven aan de oudere mannen?" Hij antwoordde: `O Boodschapper van AllahSallalahu 'alaihi wasalam, ik kan niemand de voorkeur geven boven mijzelf om te drinken van wat van u is overgebleven.' Hierop gaf hij hem aan hem.'

1083. Overgeleverd van Anas Ibn Maalik is dat hij heeft gezegd: 'Er werd een huisooi voor de Boodschapper van AllahSallalahu 'alaihi wasalam gemolken in mijn huis. Haar melk werd gemengd met water uit de put in mijn huis. De Boodschapper van AllahSallalahu 'alaihi wasalam kreeg de kruik aangereikt en hij dronk ervan. Toen hij de kruik weghaalde van zijn mond, terwijl links van hem Abu Bakr zat en rechts een bedoelen, zei Abu Bakr die vreesde dat hij hem aan de bedoeen zou geven: `O Boodschapper van AllahSallalahu 'alaihi wasalam, geef hem aan Abu Bakt die naast u zit.' Hij gaf hem echter aan de bedoeien die rechts van hem zat. Vervolgens zei hij: "[Begin bij] de meest rechtse [persoon] en dan de meest rechtse [na hem]".'

Hoofdstuk: Wie beweert dat de water bezitter rechthebbender is op het water totdat hij gelest is
1084. Overgeleverd van Abu Hurairah is dat de Boodschapper van AllahSallalahu 'alaihi wasalam heeft gezegd: "Het overtollige water mag niet worden tegengehouden om graasweide ervan te onthouden."

1085. En van hem is overgeleverd dat de Boodschapper van AllahSallalahu 'alaihi wasalam heeft gezegd: "Houd overtollig water niet tegen om daarmee overtollige graasweide te onthouden."

Hoofdstuk: Redetwisten om een put en rechtspraak hierover
1086. Overgeleverd van `Abdullaah is dat de Profeet heeft gezegd: "Wie een eed zweert waarin hij leugenachtig is, om daarmee het eigendom van een Moslim af te nemen, zal Allah ontmoeten terwijl Hij boos op hem is." Allah openbaarde toen: (Voorwaar, degenen die met het Verbond van Allah en hun eden een geringe prijs kopen ...) [Soerah Aal`Imraan (3):77]. Al-Ash`ath kwam toen en vroeg: `Wat heeft Abu `Abdir-Rahmaan [= de overleveraar `Abdullaah] jullie verteld? Dit vers is omwille van mij neergezonden. Ik had namelijk een put in het land van een neef van mijn vaderskant. Hij [de Profeet] zei tegen mij: "Breng je getuigen [om je bezit te bevestigen]." lk antwoordde: `Ik heb geen getuigen.' Hij zei: "Laat hem dan een eed zweren." Ik antwoordde: `O Boodschapper van AllahSallalahu 'alaihi wasalam, hij zal dan een [valse) eed zweren.' Hierop noemde de Profeet deze overlevering en Allah openbaarde het vers als bekrachtiging van zijn woorden.'


Hoofdstuk: De zonde van wie een reiziger weerhoudt van water
1087. Overgeleverd van Abu Huraira dat de Boodschapper van AllahSallalahu 'alaihi wasalam heeft gezegd: "Naar drie [soorten mensen] zal Allah niet kijken tijdens de Opstandingsdag, Hij zal hen niet reinigen en voor hen is er een pijnlijke kwelling: man langs de weg die overtollig water bezit, waar hij de reiziger van weerhoudt; En een man die een imaam [Islamitische leider] loyaliteit belooft, maar dit alleen maar omwille van het wereldse doet. Als hij hem ervan geeft, is hij tevreden en als hij hem er niet van geeft, is hij ontevreden; en een man die zijn handelswaar na het asr-gebed aanbiedt, terwijl hij zegt: `Bij Allah, ik heb er zus en zo voor betaald,' en de man [klant] gelooft hem." Vervolgens reciteerde hij het vers: (Voorwaar, degenen die met het Verbond van Allah en hun eden een geringe prijs kopen ...) [Soerah Aal-`Imraan (3):77].'

Hoofdstuk: De verdienste van het te drinken geven van water
1088. Overgeleverd van Abu Hurairah is dat de Boodschapper van AllahSallalahu 'alaihi wasalam heeft gezegd: "Terwijl een man eens liep, kreeg hij hevige dorst. Daarom daalde hij neer in een put en dronk eruit. Toen hij er weer uit kwam, zag hij een hijgende hond die in de aarde hapte van dorst. Hij zei toen: `Hij heeft net zo'n hevige dorst als ik had.' Hij vulde zijn leren sok [met water], hield hem vast met zijn tanden, klom omhoog en gaf de hond te drinken. Allah prees hem hiervoor en vergaf hem [daarom zijn zonden]." Zij vroegen: '0 Boodschapper van AllahSallalahu 'alaihi wasalam, worden wij ook beloond voor dieren?' Hij antwoordde: "Er is een beloning voor elke vochtige lever [elk levend dier]."

Hoofdstuk: Wie vindt dat de eigenaar van een bassin of een kruik rechthebbender is op zijn water
1089. Overgeleverd van Abu Hurairah is dat de Profeet heeft gezegd: "Bij Degene in Wiens Hand mijn ziel ligt, ik zal mannen wegjagen bij mijn hawdh [bassin, die stroomt uit de rivier Al-Kawthar in het paradijs] net zoals een vreemde kameel wordt weggejaagd bij een [water] bassin."

1090. Overgeleverd van Abu Hurairah is dat de Profeet heeft gezegd: "Drie [soorten mensen] zal Allah niet spreken tijdens de Opstandingsdag en Hij zal niet naar hen kijken: een man die leugenachtig zweert dat hij een hoger bedrag heeft gekregen voor zijn handelswaar dan hij daadwerkelijk heeft gekregen; en een man die een leugenachtige eed zweert in de namiddag, om daarmee het eigendom van een moslim af te nemen; en een man die overtollige water tegenhoudt. Allah zal [tegen hem] zeggen: "Vandaag zal Ik jou Mijn Gunst onthouden, net zoals jij het overtollige onthield van wat je handen niet hebben gemaakt"."

Hoofdstuk: Er is geen priv weide grond [Himaa], behalve voor Allah en voor Zijn Boodschapper
1091. Overgeleverd van As-Sa`b Ibn Djathaamah Al-Laythie is dat de Boodschapper van AllahSallalahu 'alaihi wasalam heeft gezegd: "Er is geen priv weidegrond [Himaa * ], behalve voor Allah en voor Zijn Boodschapper."

Hoofdstuk: Het drinken van mensen en dieren uit rivieren
1092. Overgeleverd van Abu Hurairah is dat de Boodschapper van AllahSallalahu 'alaihi wasalam heeft gezegd: "Een paard is voor een persoon een [bron van] beloning, voor een ander is het een [bron van] bedekking [d.w.z. een middel om inkomsten mee te genereren] en voor weer een ander een [bron van] last [en zondigheid]. Het is een [bron van] beloning voor de man die het houdt [voor de djihaad] op de weg van Allah. Hij heeft het vastgebonden in een weiland of een tuin. Alles wat het [het paard] eet in het weiland of de tuin binnen het bereik van het lange touw waaraan het is vastgebonden, wordt voor hem als beloning opgeschreven. Als het lange touw zou breken en het zou n of twee heuvels oversteken, dan zouden zijn sporen en zijn uitwerpselen een beloning voor hem zijn. En als het langs een rivier zou komen en eruit drinken - zonder dat hij de intentie had om het te drinken te geven - dan zou dat een beloning voor hem zijn. Voor hem is het dus een [bron van] beloning. Een andere man houdt het om in zijn levensonderhoud te voorzien en om zich te onthouden van het vragen aan mensen. Bovendien vergeet hij het recht van Allah niet in zijn nekken en ruggen. Voor deze persoon is het een [bron van] bedekking. Een andere man houdt het uit grootmoed en uit vijandigheid tegen de moslims. Voor hem is het een [bron van] last [en zondigheid]." De Boodschapper van Allah werd ook gevraagd over ezels. Hij antwoordde: "Er is niets over [ezels] aan mij geopenhaard, behalve dit omvattende, unieke vers: (Dus eenieder die goed doet gelijk aan het gewicht van een atoom, zal dit zien. En eenieder die kwaad doet gelijk aan het gewicht van een atoom, zal dit zien.) [Soerah Az-Zalzalah (99):7, 8]." * Himaa: een stuk priv weidegrond, die oorspronkelijk aan niemand toebehoort en niemand mag het ontginnen. Het wordt gehouden voor het grazen van eigen vee.

Hoofdstuk: Het verkopen van hout en gras
1093. Overgeleverd van `Alt Ibn Abi Taalib is dat hij heeft gezegd: `Mijn aandeel van de buit op de dag van [de slag van] Badr met de Boodschapper van AllahSallalahu 'alaihi wasalam was een oude vrouwtjeskameel.' Hij heeft gezegd: `En de Boodschapper van AllahSallalahu 'alaihi wasalam gaf mij een andere oude vrouwtjeskameel. Op een dag liet ik ze beide neerknielen voor de deur van een man van de Ansaar, omdat ik er citroengras op wilde vervoeren voor de verkoop. Ik werd vergezeld door een ijzersmid uit Banu Qainogaa`. Ik gebruikte het [de opbrengst van de citroengras] als aanvulling voor het huwelijksmaal van Faatimah [de dochter van de Profeet]. In dat huis bevond zich Hamzah Ibn `Abdul-Muttalib en hij was [wijn] aan het drinken in het bijzijn van een zangeres. Zij zei tegen hem: `O Hanizah [sta op voor] de dikke, oude, vrouwtjeskamelen.' Hamzah stond met zijn zwaard opgewonden op naar hen. Hij sneed hun bulten af en sneed hun middel open. Vervolgens nam hij van hun levers.' `Ali heeft gezegd: `Ik aanschouwde een aanzicht dat mijn weerzin opwekte. Ik ging naar de Profeet van Allah terwijl Zayd Ibn Haarithah bij hem was, en ik vertelde hem het nieuws. Hierop vertrok hij vergezeld door Zayd. Ik ging ook mee hem mee. Hij ging bij Hamzah naar binnen en toonde hem zijn boosheid. Hamzah keek omhoog en zei [dronken]: Jullie zijn slechts de slaven van mijn voorouders.' Hierop liep de Boodschapper van AllahSallalahu 'alaihi wasalam achteruit terug, totdat hij buiten stond. Dit voorval deed zich voor voordat alcoholische dranken werden verboden.'

Hoofdstuk: Landtoewijzing
1094. Overgeleverd van Anas is dat hij heeft gezegd: `De Profeet wilde een stuk van Bahrein schenken [aan de Ansaar]. De Ansaar zeiden: '(Wij accepteren het) alleen als u aan onze broeders van de Muhaadjiroen net zoveel schenkt als u aan ons schenkt.' Hij zei: "Jullie zullen na mij zien dat anderen geprefereerd zullen worden [boven jullie]. Heb dan geduld totdat jullie mij ontmoeten [tijdens de Opstandingsdag]".

Hoofdstuk: Als men een doorgang of aandeel bezit in een tuin of dadelboomgaard
1095. Overgeleverd van 1bn 'Omar is dat hij de Boodschapper van AllahSallalahu 'alaihi wasalam heeft horen zeggen: "Als men palmbomen koopt nadat ze bestuifd zijn, dan komen zijn vruchten aan de verkoper toe, tenzij de koper de voorwaarde stelt [dat de vruchten aan hem toekomen]. Als men een slaaf koopt die rijkdom bezit, dan komt zijn rijkdom aan de verkoper toe, tenzij de koper de voorwaarde stelt [dat zijn rijkdommen aan hem toekomen]."

43. Het boek van het schulden maken, aflossen van schulden, beslaglegging en faillissement

Hoofdstuk: Wie het geld van de mensen neemt met de intentie om het terug te betalen of te bederven

Top I
1096. Overgeleverd van Abu Hurairah is dat de Profeet heeft gezegd: "Wie het geld van de mensen neemt met de intentie om het terug te betalen, voor hem zal Allah het terugbetalen. Wie echter neemt met de intentie om het te bederven, hem zal Allah bederven."

Hoofdstuk: Het aflossen van schulden
1097. Overgeleverd van Abu Dharr is dat hij heeft gezegd: `Ik was eens met de Profeet. Toen hij de berg van Uhud zag, zei hij: "Ik zou niet wensen dat hij [de berg] voor mij in goud zou veranderen en dat n dinar ervan langer dan drie dagen bij mij zou blijven, behalve een dinar die ik zou achterhouden voor [het aflossen van] een schuld." Vervolgens zei hij: "De veelbezitters [in dit leven] zijn de kleinbezitters [van beloning in het hiernamaals]. Behalve wie zo en zo met zijn rijkdom doet. En dat zijn er slechts weinigen." Vervolgens zei hij [tegen mij]: "Blijf staan." Hij ging iets verder naar voren en ik hoorde een geluid. Ik wilde naar hem toe stappen, maar herinnerde mij zijn woorden: "Blijf staan tot ik naar je toe kom." Toen hij kwam vroeg ik: `0 Boodschapper van AllahSallalahu 'alaihi wasalam, wat heb ik gehoord?' Of: Wat is het geluid dat ik heb gehoord?' Hij vroeg: "Heb je dan wat gehoord?" Ik antwoordde: 'Ja.' Hij zei: "Djibriel kwam tot mij en zei: Wie van jouw Ummah overlijdt zonder iets als deelgenoot aan Allah toe te schrijven, zal het paradijs betreden.' Ik vroeg: "Ook al doet hij dit en dat?" Hij antwoordde: Ja.

Hoofdstuk: Aflossing op de beste wijze
1098. Overgeleverd van Djaabir Ibn "Abdillaah is dat hij heeft gezegd: `Ik kwam in de ochtend bij de Profeet, terwijl hij zich in de moskee bevond. Hij zei: `Bid twee rak`as." Ik had bij hem een schuld te goed. Hij betaalde mijn schuld terug en gaf mij meer.'

Hoofdstuk: Bidden voor wie een schuld heeft achtergelaten
1099. Overgeleverd van Abu Hurairah is dat de Profeet heeft gezegd: "1k heb meer recht op elke gelovige [dan iedereen] in zowel dit wereldse leven als in het hiernamaals. Reciteer maar als jullie willen: (De Profeet is rechthebbender op de gelovigen dan zijzelf) [Soerah AlAhzaab (33) : 6]. Elke gelovige die overlijdt en nalaat, laat dan zijn agnaten hem erven. Als iemand echter schulden of behoeftige kinderen nalaat, laat zij dan bij mij komen. Ik ben namelijk zijn zaakwaarnemer."

Hoofdstuk: Het verbod op het verspillen van rijkdom
1100. Overgeleverd van Al-Mughierah Ibn Sho`bah is dat de Profeet heeft gezegd: "Allah heeft voor jullie verboden: ongehoorzaamheid aan moeders; levend begraven van meisjes; zich onthouden [van het afdragen van verplichtingen] en vragen [om onrechtmatige afdrachten]. En Allah keurt voor jullie af: er is gezegd en hij heeft gezegd [een uitdrukking waarmee overbodige spraak wordt bedoeld]; te veel vragen stellen; en het verspillen van rijkdom."

44. Het boek van ruzies

Hoofdstuk: Wat is genoemd over personen en ruzie tussen een moslim en een jood

Top I
1101. Overgeleverd van `Abdullaah Ibn Mas`ood is dat hij heeft gezegd: `Ik hoorde een man een vers reciteren, terwijl ik het anders van de Profeet had gehoord. Daarom pakte ik zijn hand en bracht hem bij de Boodschapper van AllahSallalahu 'alaihi wasalam, die zei: "Jullie zijn beide weldoeners. Wees niet verdeeld. Degenen die vr jullie waren, raakten namelijk verdeeld, waardoor zij vergingen".'

1102. Overgeleverd van Abu Hurairah is dat hij heeft gezegd: `Twee mannen, een moslim en een jood, redetwistten. De moslim zei: `Bij Degene Die Mohammad heeft verkozen boven de werelden ...' De jood antwoordde: `Bij Degene Die Moesaa [Mozes] heeft verkozen boven de werelden ...' Hierop hief de moslim zijn hand op en gaf de jood een klap in zijn gezicht. De jood ging naar de Profeet en vertelde hem wat er was voorgevallen tussen hem en de moslim. De Profeet riep de moslim bij zich en vroeg hem hierover. Hij vertelde hem wat er was gebeurd. De Profeet zei toen: "Verkies mij niet boven Moesaa, want op de Opstandingsdag zullen de mensen verdoofd worden door de schrik. Ik zal ook met hen verdoofd worden door de schrik. Ik zal de eerste zijn die weer bijkomt, terwijl Moesaa zich dan met kracht vastgrijpt aan een zijde van de Troon. Ik weet dan niet of hij ook onder de mensen was die verdoofd waren door de schrik en vr mij bijkwam. Of dat Allah voor hem een uitzondering had gemaakt".'

1103. Overgeleverd van Anas is dat een jood het hoofd van een meisje tussen twee stenen plette. Men vroeg haar: Wie heeft dit met jou gedaan? Is het die, of die...' Toen de naam van de jood werd genoemd, knikte ze met haar hoofd. De jood werd gevangen en hij bekende. De Profeet beval toen om ook zijn hoofd te pletten tussen twee stenen.

Hoofdstuk: Ruzinde personen die over elkaar praten
1104. De eerder genoemde overlevering van Al-Ash`ath [nr. 1077] waarin hij vertelt dat hij ruzie kreeg met een man uit Hadhramout. In deze versie heeft hij gezegd dat het om hem en een jood ging.

45. Het boek van gevonden voorwerpen

Hoofdstuk: Als de eigenaar van het gevonden object hem het kenmerk kan beschrijven, krijgt hij het terug

Top I
1105. Overgeleverd van Ubayy Ibn Ka'b is dat hij heeft gezegd: `Ik vond een buidel met daarin honderd dinar. Toen ik bij de Profeet kwam, zei hij: "Maak het een jaar lang kenbaar." Ik maakte het een jaar lang kenbaar, maar trof niemand aan die hem herkende. Toen ik bij de Profeet kwam, zei hij: "Maak het een jaar lang kenbaar." Ik maakte het kenbaar, maar trof niemand aan die hem herkende. Toen ik voor de derde keer bij hem kwam, zei hij: "Bewaar de verpakking, de hoeveelheid ervan en zijn sluiting. Als zijn eigenaar komt [geeft hem dan aan hem terug] en anders mag je hem zelf gebruiken".'

Hoofdstuk: Als men een dadel vindt op de weg
1106. Overgeleverd van Abu Hurairah is dat de Profeet heeft gezegd: "Soms keer ik terug naar mijn gezin en vind dan een gevallen dadel op mijn bed. Ik pak haar dan op om op te eten, maar vrees vervolgens dat ze een aalmoes is. Ik gooi haar dan weg."

46. Het boek van ongerechtigheden

Hoofdstuk: De vergelding van ongerechtigheden

Top I
1107. Overgeleverd van Abu Sa`ied Al-Khudrie is dat de Boodschapper van AllahSallalahu 'alaihi wasalam heeft gezegd: "Als de gelovigen ontsnappen aan het vuur, worden zij tegengehouden op een brug tussen het paradijs en het vuur. Zij zullen elkaar dan vergelden voor hun onderlinge ongerechtigheden die tussen hen hebben plaatsgevonden in het wereldse leven. Als zij helemaal gezuiverd en verfijnd zijn, krijgen zij toestemming om het paradijs te betreden. Bij Degene in Wiens Hand de ziel van Mohammad ligt, eenieder van hen zal zijn verblijfplaats in het paradijs beter herkennen dan zijn huis in het wereldse leven."

Hoofdstuk: De Uitspraak van Allah (Voorzeker, de Vloek van Allah is over de onrechtplegers)
1108. Overgeleverd van 1bn 'Omar is dat hij de Boodschapper van AllahSallalahu 'alaihi wasalam heeft horen zeggen:`Allah zal de gelovige dichtbij brengen en hij zal Zijn Bedekking over hem plaatsen en hem beschutten en hij zal tegen hem zeggen: "Herinner je je nog deze zonde? Herinner je je nog die zonde?" Hij zal antwoorden: Jawel mijn Heer.' Nadat Hij hem al zijn zondes heeft laten bekennen en hij van zichzelf denkt dat hij vernietigd is, zal Hij tegen hem zeggen: "Ik heb ze [deze zonden] voor je bedekt in het wereldse leven en ik zal ze je vandaag vergeven." Hierna zal hij zijn boek met goede daden ontvangen. Wat betreft de ongelovigen en de hypocrieten, over hen zullen de getuigen zeggen: (Dit zijn degenen de logen tegen hun Heer. Voorzeker, de Vloek van Allah is over de onrechtplegers) [Soerah Hoed (11):18]."

Hoofdstuk Een moslim doet een andere moslim geen onrecht aan en hij geeft hem niet over
1109. Overgeleverd van `Abdullaah Ibn 'Omar is dat de Boodschapper van Allah heeft gezegd: "De moslim is de broeder van de moslim; hij doet hem geen onrecht aan en hij geeft hem niet over. Eenieder die voorziet in de behoeften van zijn broeder, zal Allah voorzien in zijn behoeftes. En wie een zorg van een moslim verlicht, voor hem zal Allah een zorg van de zorgen tijdens de Opstandingsdag verlichten. En wie een moslim bedekt, zal door Allah bedekt worden tijdens de Opstandingsdag."

Hoofdstuk: Help jouw broeder ongeacht of hij onderdrukker of onderdrukt is
1110. Overgeleverd van Anas is dat de Boodschapper van AllahSallalahu 'alaihi wasalam heeft gezegd: "Help jouw broeder ongeacht of hij onderdrukker of onderdrukt is." Men vroeg: `0 Boodschapper van AllahSallalahu 'alaihi wasalam, dat we hem als onderdrukte helpen [is duidelijk], maar hoe kunnen we hem helpen als hij onder drukker is?' Hij antwoordde: "Door hem hiervan te weerhouden."

Hoofdstuk: Onrecht manifesteert zich in donkertes tijdens de Opstandingsdag
1111. Overgeleverd van `Abdullaah lbn 'Omar is dat de Profeet heeft gezegd: "Onrecht manifesteert zich in donkertes tijdens de Opstandingsdag."

Hoofdstuk: Als men een ander een ongerechtigheid heeft aangedaan en hij heeft hem dit vergeven, moet hij dan zijn ongerechtigheid nog verduidelijken?

1112. Overgeleverd van Abu Hurairah is dat de Boodschapper van AllahSallalahu 'alaihi wasalam heeft gezegd: "Wie zijn broeder een ongerechtigheid heeft aangedaan in zijn eer of anders, laat hij hem dan vandaag de dag om vergiffenis vragen, voordat [de Opstandingsdag aanbreekt en] er geen dinar en dirham meer is. Als hij dan goede daden heeft, zal hier net zoveel van worden afgenomen als zijn ongerechtigheid. Als hij geen goede daden meer heeft, worden er zondes van zijn vriend [die hij ongerechtigheid heeft aangedaan] afgenomen en bij hem neergelegd."

Hoofdstuk: Wie ook maar enig onrecht pleegt inzake grond
1113. Overgeleverd van Saijed lbn Zayd is dat hij de Boodschapper van AllahSallalahu 'alaihi wasalam heeft horen zeggen: "Wie ook maar enig onrecht pleegt inzake grond, zal in ruil daarvoor zeven aardes omgehangen krijgen [tijdens de Opstandingsdag]."

1114. Overgeleverd van lbn 'Omar is dat de Profeet heeft gezegd: "Wie zich ook maar iets van grond onrechtmatig toe-eigent, zal tijdens de Opstandingsdag wegzinken in zeven aardes."

Hoofdstuk: Als men een ander ergens toestemming voor geeft, dan is dat toegestaan
1115. Overgeleverd van lbn 'Omar is dat hij langs een groep mensen liep die dadels aan het eten waren. Hij zei toen: `De Boodschapper van AllahSallalahu 'alaihi wasalam heeft verboden om meerdere dadels in dn keer in de mond te nemen, behalve als men zijn broeder om toestemming daarvoor vraagt.'

Hoofdstuk: De Uitspraak van Allah (En hij is de meest twistzieke van de tegenstanders)
1116. Overgeleverd van `Aaichah is dat de Profeet heeft gezegd: "De meest gehate man bij Allah is de twistzieke liefhebber van onenigheid."

Hoofdstuk: De zonde van wie onterecht redetwist terwijl hij dat weet
1117. Overgeleverd van Umm Salamah de echtgenote van de Profeet is dat de Boodschapper van AllahSallalahu 'alaihi wasalam een ruzie hoorde bij de deur van zijn vertrek. Toen hij naar buiten kwam, zei hij tegen hen: "Ik ben slechts een mens en tegenstanders komen bij mij. Het kan zo zijn dat de ene van jullie welbespraakter is dan de ander, waardoor ik denk dat hij de waarheid spreekt. Hierdoor oordeel ik wellicht wat dat betreft in zijn voordeel. Eenieder in wiens voordeel ik [onterecht] oordeel ten koste van het recht van een moslim, die moet dat zien als een stukje van het vuur. Hij kan het nemen of laten."

Hoofdstuk: De vergelding van degene die onrecht is aangedaan als hij de rijkdom van zijn onrechtpleger aantreft
1118. Overgeleverd van `Ugbah Ibn Aamir is dat hij heeft gezegd dat zij tegen de Profeet zeiden: Als u ons zendt, strijken wij wel eens neer hij mensen die ons niet als gasten ontvangen. Wat vindt u daarvan?' Hij zei toen tegen ons: "Als jullie bij mensen neerstrijken en zij ontvangen jullie zoals het hoort bij een gast, accepteer dat dan. Als zij dat echter niet doen, neem dan van hen het recht van de gast".

Hoofdstuk: Laat een buur zijn buur niet ervan weerhouden om een houten pen in zijn muur te steken
1119. Overgeleverd van Abu Hurairah dat de Boodschapper van AllahSallalahu 'alaihi wasalam heeft gezegd: "Laat een buur zijn buur niet ervan weerhouden om een houten pen in zijn muur te steken." Vervolgens zei Abu Hurairah: Waarom wenden jullie je hiervan af? Bij Allah, ik zal haar [deze soennab] tussen jullie schouders werpen.'

Hoofdstuk: Binnenplaatsen van huizen en erin zitten en het zitten langs de wegen
1120. Overgeleverd van Abu Sa`ied Al-Khudrie is dat de Profeet heeft gezegd: "Pas op voor het zitten op [of langs] de wegen." Zij antwoordden: Wij kunnen niet zonder. Dat zijn namelijk onze zitplekken waar we onze gesprekken voeren.' Hij zei: "Als jullie daar per se willen zitten, geef dan de weg zijn recht." Zij vroegen: `Wat is dan het recht van de weg?' Hij antwoordde: "Het neerslaan van de blikken, afzien van het berokkenen van schade, het teruggroeten, opdragen van het goede en verbieden van het kwaad."

Hoofdstuk: Als men ruziet over een publieke weg
1121. Overgeleverd van Abu Hurairah is dat hij heeft gezegd: `De Profeet heeft geoordeeld dat als men ruziet over een publieke weg, dat hij dan zeven el moet zijn.'

Hoofdstuk: Het verbod op beroving en verminking
1122. Overgeleverd van `Abdullaah Ibn Yazied Al-Ansaari is dat hij heeft gezegd: `De Profeet heeft beroving en verminking verboden.'

Hoofdstuk: Wie strijdt omdat hij zijn rijkdom beschermt
1123. Overgeleverd van `Abdullaah Ibn `Amr is dat hij Profeet heeft horen zeggen: "Wie wordt gedood omdat hij zijn rijkdom beschermt, is een martelaar."

Hoofdstuk: Wie andermans kom of dergelijke breekt
1124. Overgeleverd van Anas is dat de Profeet eens bij n van zijn vrouwen [Aaichah] was, toen n van de moeders van de gelovigen niet een bediende een kom met eten meestuurde. Zij [`Aaichah] sloeg de kom met haar hand en brak de kom. Hij hield de kom bij elkaar en plaatste het eten erin. Hij zei: "Eet." Hij hield de bediende en de kom totdat zij klaar waren. Toen gaf hij hem een hele en hield de gebroken kom.'

47. Het boek van partnerschap

Hoofdstuk: Partnerschap in voedsel, nahd [het bij elkaar brengen van de uitgaven van de gezamenlijke reizigers] en overige goederen

Top I
1125. Overgeleverd van Salamah Ibn Al-Akwa` is dat hij heeft gezegd: `Het proviand van de mensen nam af en zij verarmden. Daarom kwamen zij bij de Profeet en vroegen toestemming om hun kamelen te slachten. Hij gaf hen toestemming. Toen 'Omar hen tegenkwam, berichtten zij hem hierover. Hij zei: 'Hoe willen jullie overleven na jullie kamelen?' Hij ging hij de Profeet naar binnen en zei: `O Boodschapper van AllahSallalahu 'alaihi wasalam, hoe willen zij overleven na hun kamelen?' De Boodschapper van AllahSallalahu 'alaihi wasalam zei toen: "Roep de mensen op om hun resterende proviand te brengen." Er werd een kleed van huid uitgespreid en zij plaatsten het [proviand] erop. De Boodschapper van AllahSallalahu 'alaihi wasalam stond op, deed aanroeping en vroeg om het te zegenen. Vervolgens riep hij hen hij zich met hun vaten. De mensen begonnen ze met hun handen te vullen, totdat ze allemaal voorzien waren. De Boodschapper van AllahSallalahu 'alaihi wasalam zei toen: "Ik getuig dat er geen ware God is behalve Allah en dat ik de Boodschapper ben van Allah".

1126. Overgeleverd van Abu Moesaa is dat de Profeet heeft gezegd: "Toen de Ash'ariyoen tijdens veldslagen verarmden of het voedsel van hun gezinnen in de stad schaars werd, verzamelden zij wat ze hadden in n kleed. Vervolgens verdeelden zij het gelijkelijk onderling in een kom. Zij zijn dus van mij en ik ben van hen."

Hoofdstuk: De verdeling van schapen
1127. Overgeleverd van Raafi` Ibn Khadiedj is dat hij heeft gezegd: `Wij waren met de Profeet in Dhul Hulayfah. Toen de mensen werden getroffen door honger, vingen zij wat kamelen en schapen. de Profeet bevond zich onder de achtersten van de mensen. Zij haastten zich, slachtten de dieren en gooiden het vlees in pannen. De Profeet beval [toen hij aankwam] om de pannen om te gooien. Vervolgens verdeelde hij de dieren. Hij stelde tien schapen gelijk aan n kameel. Toen n van de kamelen vluchtte, renden zij achter hem aan totdat hij hen vermoeide. De mensen bezaten toen weinig paarden. Een man onder hen richtte een pijl [naar de kameel] waardoor Allah hem [de kameel] stopte. Vervolgens zei hij: "Sommige van deze dieren hebben dezelfde schuwheid als wilde dieren. Als jullie zo'n dier niet meet onder controle hebben, doe er dan zo mee [dat wil zeggen: schiet er een pijl naar]." Mijn opa zei toen: `Wij vrezen morgen de vijand en wij hebben geen messen bij ons. Mogen wij slachten met riet?' Hij antwoordde: "Als het [voorwerp waarmee geslacht wordt] bloed laat stromen en de naam van Allah erover genoemd is, eet dat [vlees] dan. Tanden en nagels mogen echter niet [gebruikt worden om mee te slachten] en ik zal jullie vertellen waarom. Tanden zijn botten [die meestal niet snijden, maar verwonden] en nagels worden door de Ethiopirs gebruikt als messen [en wij mogen de ongelovigen niet imiteren]".'

Hoofdstuk: Het rechtvaardig waarderen van zaken tussen partners
1128. Overgeleverd van Abu Hurairah is dat de Profeet heeft gezegd: "Wie zijn aandeel in een slaaf uit gezamenlijk bezit vrijheid schenkt, moet hem volledig vrijkopen [van de partners met zijn geld. Als hij het geld niet heeft, moet de slaaf rechtvaardig gewaardeerd worden. Vervolgens moet hij [de slaaf] zich zelf inspannen [om het resterende bedrag te verdienen en zichzelf daarmee vrij te kopen] zonder hem te overbelasten."

Hoofdstuk: Het trekken van loten vanwege een verdeling
1129. Overgeleverd van An-Nu`maan Ibn Bashier is dat de Profeet heeft gezegd: "Het voorbeeld van hem die de grenzen van Allah in acht neemt en hem die deze [grenzen van Allah] overschrijdt, is net als het voorbeeld van een groep mensen die loten hebben getrokken voor hun plaatsen op een schip. Sommigen van hen kregen een plaats boven in [het schip] en anderen onder in. Als degenen onder in het schip water nodig hadden, moesten zij langs de mensen gaan die bovenin zaten. Daarom zeiden zij [die onderin zaten]: `Als wij nou een gat maken ons [onderste] deel van het schip, dan hoeven wij degenen die bovenin zitten niet steeds tot last te zijn.' Als zij [de bovensten] hen hun gang zouden laten gaan, dan zouden zij allemaal ten onder gaan. Als zij hen echter tegenhouden, zullen zij en de anderen - allemaal - gered worden."

Hoofdstuk: Partnerschap in voedsel en andere zaken
1130. Overgeleverd van 'Abdullaah Ibn Hishaam - die de Profeet heeft meegemaakt - is dat zijn moeder, Zainab Bint Humaid, naar de Boodschapper van Allah ging en tegen hem zei: `O Boodschapper van AllahSallalahu 'alaihi wasalam, neem de gelofte van trouw van hem af.' Hij antwoordde: "Hij is nog klein." Hij veegde over zijn hoofd en deed aanroeping voor hem. Als hij naar de markt ging om voedsel te kopen en lbn 'Omar en Ibn Az-Zubair hem tegenkwamen, zeiden zij tegen hem: 'laat ons jouw partners zijn [in het voedsel dat je hebt gekocht]. De Profeet heeft immers een aanroeping van zegening voor je gedaan.' Hij liet hen dan toe als partners. Het kwam dan wel eens voor dat hij de volledige lading van een kameel verdiende. Die stuurde hij dan naar huis.'

48. Het boek van onderpand

Hoofdstuk: Een als onderpand gegeven dier mag worden bereden en gemolken

Top I
1131. Overgeleverd van Abu Hurairah is dat de Boodschapper van Allah heeft gezegd: "Een als onderpand gegeven rijdier mag worden bereden op eigen kosten. En de melk van een als onderpand gegeven melkdier mag worden gedronken op eigen kosten. Degene die rijdt en drinkt, moet deze uitgaven betalen."

Hoofdstuk: Als de onderpandgever en de onderpandnemer van mening verschillen
1132. Overgeleverd van Ibn `Abbaas is dat de Profeet heeft geoordeeld dat de beklaagde een eed moet zweren.

49. Het boek van vrijlating en haar verdienste

Hoofdstuk: Vrijlating en haar verdienste
Top I 1133. Overgeleverd van Abu Hurairah is dat de Profeet heeft gezegd: Van elke man die een islamitische slaaf bevrijd, zal Allah voor elke ledemaat vam [de slaaf] een ledemaat van hem [de bevrijder] ven het vuur redden.

Hoofdstuk: Wat de beste soort van vrijlating is
1134. Overgeleverd van Abu Dharr is dat hij de Profeet vroeg: `Wat is de bes te daad?' Hij antwoordde: "Geloven in Allah en strijden op Zijn weg." Vervolgens vroeg ik: `Wat is de beste soort van vrijlating [van slaven]?' Hij antwoordde: "De vrijlating van het kostbaarste en meest waardevolle van zijn bezitters." Ik vroeg: `Wat als ik dat niet [kan] doe[n]?' Hij antwoordde: "Help een maker of maak voor een onhandige." Ik vroeg: `O Boodschapper van AllahSallalahu 'alaihi wasalam, wat als ik bepaalde zaken niet kan doen?' Hij antwoordde: "Bespaar de mensen jouw kwaad; dat is namelijk een aalmoes van jezelf voor jezelf."

Hoofdstuk: Als men een slaaf bevrijdt die van twee meesters is of een slavin die van meerdere partners is
1135. Overgeleverd van `Abdullaah Ibn 'Omar is dat de Boodschapper van AllahSallalahu 'alaihi wasalam heeft gezegd: "Wie een slaaf vrijlaat voor zijn aandeel in het bezit en nog geld bezit dat gelijk is aan de [resterende] waarde van de slaaf, dan moet de slaaf rechtvaardig gewaardeerd worden en geeft hij de partners [die ook een aandeel in de slaaf hebben de waarde van] hun aandelen en laat hij de slaaf vrij. Indien dit niet het geval is [indien hij geen geld heeft], dan heeft hij hem deels vrijgelaten."

Hoofdstuk: Bij wijze van fout of vergeetachtigheid vrijlaten, scheiden en dergelijke
1136. Overgeleverd van Abu Hurairah is dat de Profeet heeft gezegd: "Allah vergeeft mijn ummah haar innerlijke ingevingen, zolang ze deze niet in daden omzetten of uitspreken."

Hoofdstuk: Als men tegen zijn slaaf zegt dat hij voor Allah is, met de intentie van vrijlating; en het laten getuigen in vrijlating
1137. Overgeleverd van Abu Hurairah is dat hij - toen hij kwam om moslim te worden - werd vergezeld door zijn slaaf. Zij raakten elkaar echter kwijt. Op een gegeven moment kwam hij aan, terwijl Abu Hurairah bij de Profeet zat. De Profeet zei toen: `O Abu Hurairah, daar is jouw slaaf Hij is naar jou toe gekomen." Hij zei: `Voorwaar, ik laat u getuige ervan zijn dat hij vrijgelaten is.' Hij heeft gezegd dat hij bij zijn aankomst [in Al-Madienah] zei: `O wat een lange en vermoeiende nacht, die ons echter heeft gered uit het land van ongeloof'.

Hoofdstuk: Vrijlating van een veelgodenaanbidder
1138. Overgeleverd van Hakiem Ibn Hizaam is dat hij in de tijd van onwetendheid honderd slaven had vrijgekocht en honderd kamelen als aalmoes had gegeven. 'Toen hij moslim werd, gaf hij ook honderd kamelen als aalmoes en kocht honderd slaven vrij. Hij vroeg de Boodschapper van AllahSallalahu 'alaihi wasalam... en hij noemde de overlevering die reeds eerder gepasseerd is in het boek van zakaat.

Hoofdstuk: Wie Arabische slaven bezit
1139. Overgeleverd van `Abdullaah Ihn 'Omar is dat de Profeet [de stam van] Banu Mustaliq aanviel, terwijl zij dit niet verwachtten. Zelfs hun vee werd naar hun drinkplek gebracht. Hij doodde de strijders onder hen en ving hun vrouwen en kinderen als krijgsgevangenen. Op die dag kwam Djuwairiyyah hem toe.

1140. Overgeleverd van Abu Hurairah is dat hij heeft gezegd: `Ik hou van [de stam van] Banu Tamien sinds ik de Boodschapper van AllahSallalahu 'alaihi wasalam drie dingen over hen heb horen zeggen. Ik heb hem horen zeggen: "Van mijn Ummah zijn zij het felst tegen de Dadjaal [antichrist]." Hij heeft gezegd: `Toen hun aalmoezen gebracht werden, zei de Boodschapper van AllahSallalahu 'alaihi wasalam: "Dit zijn de aalmoezen van ons volk En Aaichah bezat een slavin uit hun stam. Hij zei toen: Schenk haar vrijheid. want zij is het nageslacht van Ismaa'iel.

Hoofdstuk: Als men een slaaf slaat, dient hij het gezicht te vermijden
1143. Overgeleverd van Abu Hurairah is dat de Profeet heeft gezegd: "Als iemand van jullie vecht, dient hij het gezicht te vermijden."

Hoofdstuk: De toegestane voorwaarden van een mukaatab [een slaaf die met zijn meester een contract heeft afgesloten dat hij hem een bepaald bedrag betaalt in ruil voor zijn vrijheid]
1144. Overgeleverd van Aaichah is dat Barierah bij haar kwam en haar om hulp vroeg bij het [afbetalen van] haar vrijheidscontract. Zij had nog niets van haar vrijheidscontract afgelost. Aaichah zei tegen haar: `Keer terug naar jouw meesters. Als zij ermee instemmen dat ik jouw vrijheidscontract aflos en dat je Walaa' [een relatie van verwantschap tussen een vrijgekochte slaaf en zijn vrijkoper] aan mij wordt, dan doe ik dat.' Toen Barierah dat aan haar meesters vertelde, weigerden zij dit. Zij zeiden: `Als zij jouw beloning wil [ontvangen bij Allah door je vrij te kopen], dan moet zij dat doen. Maar je Walaa' moet wel aan ons zijn.' Zij vertelde dit aan de Boodschapper van AllahSallalahu 'alaihi wasalam. De Boodschapper van AllahSallalahu 'alaihi wasalam zei toen tegen haar: "Koop en bevrijd. Walaa' komt namelijk toe aan de vrijkoper." Vervolgens stond de Boodschapper van AllahSallalahu 'alaihi wasalam op en zei: "Waarom stellen mensen voorwaarden die niet in het Boek van Allah staan? Wie een voorwaarde stelt die niet in het boek van Allah staat, komt hem niet toe, ook al heeft hij die voorwaarde honderd keer gesteld. De voorwaarde van Allah is rechthebhender en krachtiger."

Met de Wil van Allah en Zijn vergemakkelijking is de vertaling van het eerste deel van deze gezegende serie voltooid. Allah vragen wij om de uitgave van het laatste deel spoedig tot stand te laten komen. Alle lof komt toe aan Allah, met Wiens Gunst de goede daden gecompleteerd worden.

Deel 2 Sahieh Al-Boekharie


Inhoudsopgave

50. Het boek van Giften, hun verdiensten en de aansporing ertoe
51. Het boek van Getuigenissen
52. Het boek van Voorwaarden
53. Het boek van Testamenten
54. Het boek van de Strijd [djihaad] en zijn situaties
55. Het boek van Djizyah * en Wapenstilstand
56. Het boek van het begin van de Schepping
57. Het boek van Overleveringen over de Profeten
58. Het boek van Verdiensten
59. Het boek van de Verdiensten van de metgezellen van de Profeet
60. Het boek van de Slagvelden
61. Het boek van Qor'aan-uitleg
62. Het boek van de verdiensten van de Qor'aan
63. Het boek van het Huwelijk
64. Het boek van de Echtscheiding
65. Het boek van Uitgaven en de verdienste van uitgaven omwille van familie
66. Het boek van Voedsel
67. Het boek van het geboorteoffer
68. Het boek van de Slachtingen en de Jacht
69. Het boek van de Slachtfeestoffers [tijdens 'eid-ul-Adhaa]
70. Het boek van Dranken
71. Het boek van Zieken
72. Het boek van Geneeskunde
73. Het boek van Kleding
74. Het boek van Goede manieren
75. Het boek van het vragen om toestemming [om andermans verblijfplaats binnen te gaan]
76. Het boek van Aanroepingen
77. Het boek van Hartverzachters
78. Het boek van Voorbeschikking
79. Het boek van de Eden en de geloften
80. Het boek van de Boetedoeningen voor de [onvervulde] Eden
81. Het boek van Erfenissen
82. Het boek van de islamitische straffen
83. Het boek van de Oorlogvoerende Ongelovigen en Afvalligen
84. Het boek van de Bloedgelden
85. Het boek van het geven van een Berouwoptie aan de Afvalligen en de Halsstarrigen en hen Bestrijden
86. Het boek van Droomuitleg
87. Het boek van de Beproevingen
88. Het boek van de Regelgevingen
89. Het boek van het Wensen
90. Het boek van het vasthouden aan het Boek [de Qor'aan] en aan de Soennah
91. Het boek van het Islamitische Monotheisme

50. Het boek van giften, hun verdiensten en de aansporing ertoe

Hoofdstuk: De verdienste van giften
Hoofdstuk: Het aannemen van een jachtgeschenk
Hoofdstuk: Het aannemen van een geschenk
Hoofdstuk: Wie zijn vriend een geschenk geeft en daarbij sommigen van zijn echtgenoten nastreeft ten koste van de anderen
Hoofdstuk: Het geschenk dat niet afgewezen wordt Hoofdstuk: Het belonen voor een gift
Hoofdstuk: Het laten getuigen van een gift
Hoofdstuk: De gift van een man aan zijn echtgenote en van een vrouw aan haar echtgenoot
Hoofdstuk: De gift van een vrouw aan een ander dan haar echtgenoot en haar vrijheidsschenking als zij een echtgenoot heeft
Hoofdstuk: Hoe over een slaaf of bezit beschikt wordt
Hoofdstuk: Het schenken van iets wat men zelf met afkeer draagt 5( Hoofdstuk: Het aannemen van een geschenk van de veelgodenaanbidders
Hoofdstuk: liet geven van een geschenk aan de veelgodenaanbidders
Hoofdstuk: Wat is gezegd over levenslange schenking of levenslange ter beschikking stelling
Hoofdstuk: Het lenen aan een bruid tijdens de bruiloft
Hoofdstuk De verdienste van bruikleen [van een schaap of kamelin]

51. Het boek van getuigenissen

Hoofdstuk: Men getuigt niet van een getuigenis van onrecht als hem word gevraagd om te getuigen
Hoofdstuk: Wat er is gezegd over een valse getuigenis
Hoofdstuk: De getuigenis van een blinde, zijn gebod, zijn huwelijk, zijn huwelijksvoltrekking, zijn handelstransacties, en hem accepteren voor de gebedsoproep en voor zaken die door geluid begrepen kunnen worden
Hoofdstuk: Vrouwen die getuigen van elkaars rechtvaardigheid
Hoofdstuk: Als een man een andere man aanbeveelt, is dat voldoende voor rem
Hoofdstuk: De volwassenheid van jongelingen en hun getuigenissen
Hoofdstuk: Als sommigen zich haasten naar het afleggen van een eed
Hoofdstuk: Hoe men wordt gevraagd om te zweren
Hoofdstuk: Een leugenaar is niet de persoon die de mensen verzoent
Hoofdstuk: Als de leider tegen zijn metgezellen zegt: `Kom, laten wij rzoening gaan sluiten.'
hoofdstuk: Hoe opgeschreven wordt: dat is wat die -en die, de zoon van die-en-die is overeengekomen met die -en die, de zoon van die-en-die, zonder toeschrijving aan zijn stam of aan zijn afstamming
Hoofdstuk: De uitspraak van de Profeet tegen Al-Hasan Ibn `Ali: "Deze zoon van mij is een heer."
Hoodstuk: Mag de leider verzoening voorstellen?

52. Het boek van voorwaarden

Hoofdstuk: Voorwaarden voor de bruidsschat tijdens het huwelijkscontract
Hoofdstuk: Voorwaarden die niet zijn toegestaan in het islamitische cffrifrecht
Hoofdsruk: Voorwaarden stellen aan deelpacht
Hoofdsruk: Voorwaarden van de strijd, vredesverdragen sluiten met tiers en het opschrijven van de voorwaarden
Hoofdstuk: Welke voorwaarden zijn toegestaan en het maken van een indering in de bevestiging

53. Het boek van testamenten

Hoofdstuk: De testamenten
Hoofdstuk: Het geven van een aalmoes tijdens het sterven
Hoofdstuk: Vallen echtgenotes en kinderen onder verwanten?
Hoofdstuk De Uitspraak van Allah: (En test de wezen totdat zij de huwelijksleeftijd hebben bereikt. Als jullie dan rechtgeaardheid in hen aantreffen, geef dan hun rijkdommen aan hen)
Hoofdstuk: De Uitspraak van Allah: (Voorwaar, degenen die de rijkdommen van de wezen onrechtvaardig consumeren, zij consumeren slechts vuur in hun buiken en zij zullen een laaiend vuur ondergaan)
Hoofdstuk: Het salaris van de beheerder van een religieuze [waqf] schenking
Hoofdstuk: Als men een stuk grond of een put als religieuze schenking afstaat, maar de voorwaarde stelt dat hij er in dezelfde mate als de moslims gebruik van mag maken
Hoofdstuk: De Uitspraak van Allah: (0 jullie die geloven, als de dood bij iemand van jullie aankomt, stel dan een getuigenis onder jullie aan tijdens het opmaken van het testament: twee rechtgeaarden van jullie of twee anderen niet van jullie ... En Allah leidt het zwaar zondige volk niet.)

54. Het boek van de strijd [djihaad] en zijn situaties

Hoofdstuk: De verdienste van de strijd [djihaad] en zijn situaties
Hoofdstuk: De beste van de mensen is een gelovige die strijdt met zijn zit en met zijn rijkdom op de Weg van Allah
Hoofdstuk: De gradaties van de strijders op de Weg van Allah
Hoofdstuk: Een ochtend - of avondvertrek op de Weg van Allah, en de booglengte van iemand van jullie in het paradijs
Hoofdstuk: De vrouwen van adembenemende schoonheid en grote ogen [in het paradijs]
Hoofdstuk: Wie getroffen wordt op de Weg van Allah
Hoofdstuk: De Uitspraak van Allah: (Onder de gelovigen zijn er mannen die hun verbond met Allah bewaarheid hebben. Sommigen van en hebben hun termijn vervuld en anderen van hen wachten nog, maar zij hebben geenszins gewijzigd)
Hoofdstuk: Een goede daad alvorens te strijden
Hoofdstuk: Wie geraakt wordt door een pijl waarvan de schieter onbekend en overlijdt
Hoofdstuk: Wie strijdt zodat het Woord van Allah het hoogst zal zijn 104 Hoofdstuk: De wassing na oorlogsvoering en strijd
Hoofdstuk: Een ongelovige die een moslim doodt, vervolgens zelf moslim wordt, daarna rechtgeaard blijft en wordt gedood
Hoofdstuk: Wie de strijd boven het vasten verkiest
Hoofdstuk: Behalve gedood worden, zijn er nog zeven martelaarschappen
Hoofdstuk: De Zitspraak van Allah: (Niet gelijkwaardig zijn de [huis] zitters van de gelovigen aan de strijders op de Weg van Allah, halve de gebrekkigen...Al-Vergevend, Meest Barmhartig)
Hoofdstuk: Het aansporen tot de strijd
Hiofdstuk: Het graven van de loopgraaf [Al-Khandaq]
Hoofdstuk: Wie door een excuus is weerhouden van de strijd
Hoofdstuk: De verdienste van het vasten op de Weg van Allah
Hoofdstuk: De verdienste van wie een strijder uitrust of van wie zich in edheid ontfermt over wie hij heeft achtergelaten
Hoofdstuk: Het balsemen voor de strijd
Hoofdstuk: de verdienste van de voorhoede
Hoofdstuk: De strijd [djihaad] zal voortduren onder leiding van zowel de rechtgegeaarde als de verdorven leider
Hoofdstuk: Wie een paard houdt omwille van de Uitspraak van Allah (... gehouden oorlogspaarden...)
Hoofdstuk: Een paard of een ezel een naam geven
Hoofdstuk: Wat wordt gezegd over de kwade voorbode van een paard
Hoofdstuk: Het aandeel van een paard [van de oorlogsbuit]
Hoofdstuk: De kamelin van de Profeet
Hoofdstuk: Vrouwen die waterzakken dragen naar de mensen tijdens de strijd
Hoofdstuk: Vrouwen die de gewonden verplegen tijdens de strijd
Hoofdstuk: De wacht houden tijdens de strijd op de Weg van Allah
Hoofdstuk: De verdienste van dienstverlening tijdens de strijd
Hoofdstuk: De verdienste van de stationering gedurende n dag om de wacht te houden op de Weg van Allah
Hoofdstuk: Wie tijdens oorlog hulp vraagt van de zwakkeren en de rechtschapenen
Hoofdstuk: Aansporing om pijlen te schieten
Hoofdstuk: Schilden en wie zich beschermt met het scherm van zijn vriend
Hoofdstuk: Wat is overgeleverd met betrekking tot het decoreren van zwaarden
Hoofdstuk: Wat is overgeleverd met betrekking tot de malinkolder van de Profeet en over een harnas tijdens de oorlog
Hoofdstuk: Zijde tijdens de oorlog
Hoofdstuk: Wat er is gezegd met betrekking tot het strijden tegen de Romeinen
Hoofdstuk: Strijden tegen de joden
Hoofdstuk: Strijden tegen de Turken
Hoofdstuk: Aanroeping tegen de veelgodenaanbidders om de nederlaag beving
Hoofdstuk: Aanroeping voor de veelgodenaanbidders om geleid te word, zodat zij zich aangetrokken voelen
Hoofdstuk: De uitnodiging van de Profeet naar de lslaam en naar het profeetschap, en dat zij elkaar niet tot partners aanstellen naast Allah
Hoofdstuk: Wie een slag wil voeren, maar deze verhult met een andere en uie ervan houdt om op donderdag te vertrekken
Hoofdstuk: Afscheid nemen
Hoofdstuk: Luisteren naar de islamitische leider en hem gehoorzamen
Hoofdstuk: Men strijdt achter de islamitische leider en laat zich door hem beschermen
Hoofdstuk: Tijdens de oorlog de gelofte van trouw beloven om niet te vluchten
Hoofdstuk: De islamitische leider houdt de mensen streng aan wat zij aankunnen
Hoofdstuk: Als de Profeet de strijd niet aanging aan het begin van de Yiag, stelde hij de strijd uit totdat de zon voorbij haar hoogste punt was
Hoofdstuk: De loonarbeider
Hoofdstuk: Wat er is gezegd over het vaandel van de Profeet
Hoofdstuk: De uitspraak van de Profeet "Aan mij is de overwinning en angst geschonken op een reisafstand van een mand."
Hoofdstuk: Het meenemen van proviand tijdens de oorlog en de Uitspraak an Allah: (Voorzie jullie van proviand, want godvrees is de beste proviand)
Hoofdstuk: Iemand achterop een ezel meenemen
Hoofdstuk: De afkeuring van het reizen met Qor'aan-boeken naar het land an de vijand
Hoofdstuk: Wat afgekeurd wordt aan stemverheffing tijdens het uitspreken an de takbier [Allahu Akbar]
Hoofdstuk: Het uitspreken van de tasbieh [subhaan Allah] als men in een vallei neerdaalt
Hoofdstuk: Voor de reiziger wordt hetzelfde opgeschreven als wat hij deed en hij thuis verbleef
Hoofdstuk: Alleen reizen
Hoofdstuk: Strijden [djihaad] met de toestemming van beide ouders
Hoofdstuk: Wat is gezegd over het hangen van bellen en dergelijke om de nekken van kamelen
Hoofdstuk: Wie zich heeft ingeschreven voor een leger, terwijl zijn vrouw is vertrokken naar de hadj en hij een excuus heeft: krijgt hij toestemming?
Hoofdstuk: Krijgsgevangenen in kettingen
Hoofdstuk: Bewoners van een plek die nachtelijk worden aangevallen waardoor [onbedoeld ook] baby's en kinderen worden getroffen
Hoofdstuk: Het doden van kinderen tijdens oorlog
Hoofdstuk: Men mag niet kwellen met de kwelling van Allah
Hoofdstuk:
Hoofdstuk: Het verbranden van huizen en dadelpalmbomen
Hoofdstuk: De oorlog is misleiding
Hoofdstuk: Ruzie en onenigheid tijdens de oorlog worden afgekeurd en de straf van wie ongehoorzaam is aan zijn leider
Hoofdstuk: Wie de vijand ziet en zo hard als hij kan de schreeuw om redding: `O Sabaahaah' uitschreeuwt, zodat de mensen hem kunnen horen
Hoofdstuk: Bevrijding van krijgsgevangenen
Hoofdstuk: Verlossing van veelgodenaanbidders
Hoofdstuk: Als een vijandelijke strijder islamitisch grondgebied betreedt zonder dat hem een vrijgeleide is gegeven
Hoofdstuk: Schenkingen aan delegaties
Hoofdstuk: Of bemiddeld mag worden voor beschermelingen en de omgang met hen
Hoofdstuk: Hoe de Islaam aan een jongen wordt voorgelegd
Hoofdstuk: Het noteren van de mensen door de leider
Hoofdstuk: Wie de vijand overmant en vervolgens drie [nachten] op zijn open veld verblijft
Hoofdstuk: Als de veelgodenaanbidders rijkdom van een moslim buit maken en de moslim die later vindt
Hoofdstuk: Wie Perzisch spreekt of een andere niet -Arabische taal, en de Uitspraak van Allah: (...en jullie verschillende tongen en kleuren) en: En Wij hebben geen enkele boodschapper gezonden, behalve met de tong in zijn volk...)
Hoofdstuk: Onrechtmatige toe-eigening van een deel van de oorlogsbuit en de Uitspraak van Allah: (... en wie zich onrechtmatig een deel van de oorlogsbuit toe -eigent, zal tijdens de Opstandingsdag komen met wat hij zich onrechtmatig heeft toegeigend)
Hoofdstuk: Onrechtmatige toe-eigening van een gering gedeelte van de oorlogsbuit
Hoofdstuk: Het ontvangen van de strijders
Hoofdstuk: Wat men zegt bij terugkeer van de strijd
Hoofdstuk: Het gebed als men aankomt van een reis
Hoofdstuk: De verplichting van een vijfde
Hoofdstuk: Wat is genoemd over de malinkolder van de Profeet, zijn zwaard, kruik en ring. En wat de kaliefen na hem daarvan hebben Gebruikt, waarvan niet is vermeld dat het verdeeld is. Alsook zijn haren, sandaal en eetgerei waarmee zijn metgezellen en anderen na zijn dood de de zegening van nastreven
Hoofdstuk: De Uitspraak van Allah: (...een vijfde ervan komt dan toe aan Allah...)
Hoofdstuk: De Uitspraak van de Profeet: "De oorlogsbuit is voor jullie toegestaan."
Hoofdstuk: Wat de Profeet gaf aan degenen wier harten neigden naar de Islaam en aan anderen uit de vijfde en dergelijke
Hoofdstuk: Wie de in beslag genomen persoonlijke goederen van een vandeijke strijder niet door vijven deelt. En wie iemand doodt, aan hem komen zijn persoonlijke goederen die in beslag zijn genomen toe zonder vijven te delen, en het oordeel van de leider hieromtrent
Hoofdstuk: Het voedsel dat men incasseert in oorlogsgebied

55. Het boek van djizyah en wapenstilstand

Hoofdstuk: Djizyah en wapenstilstand met een strijdende partij
Hoofdstuk: Als de islamitische leider een wapenstilstand afsluit met de koning van cen streek, geldt dat dan ook voor de rest van hen?
Hoofdstuk: De zonde van beschermeling doodt zonder misdaad
Hoofdstuk: Als de veelgodenaanbidders de moslims bedriegen, worden zij dan vergeven?
Hoofdstuk: Een wapenstilstand en een vredesverdrag sluiten met de veelgodenaanbidders middels rijkdommen en anderszins, en de zonde van wie een verbond niet vervult
Hoofdstuk: Als een beschermeling tovenarij heeft bedreven, wordt hem da: dan vergeven?
Hoofdstuk: Verboden bedrog 16: Hoofdstuk: De zonde van wie een verbond sluit en vervolgens bedriegt
Hoofdstuk: De zonde van wie een verbond sluit en vervolgens bedriegt

56. Het boek van het begin van de schepping

Hoofdstuk: Wat er is gekomen over de Uitspraak van Allah: (En Hij is Degene Die de schepping begint en Die haar vervolgens zal herhalen...)
Hoofdstuk: Wat er is gekomen over de zeven aarden
Hoofdstuk: De aard van de zon en de maan
Hoofdstuk: Wat er is gekomen over Zijn Uitspraak: (En Hij is Degene Di( de winden zendt als voorbodes van goede tijdingen voorafgaand aan Zijn Genade)
Hoofdstuk: Verwijzing naar de engelen, moge Allah hen genadig zijn
Hoofdstuk: Wat er is gekomen over de aard van het paradijs en dat het geschapen is
Hoofdstuk: De aard van de hel en dat zij geschapen is
Hoofdstuk: Het voedsel dat men incasseert in oorlogsgebied
55. Het boek van djizyah en wapenstilstand
Hoofdstuk: Djizyah en wapenstilstand met een strijdende partij
Hoofdstuk: Als de islamitische leider een wapenstilstand afsluit met de koning van een streek, geldt dat dan ook voor de rest van hen?
Hoofdstuk: De zonde van beschermeling doodt zonder misdaad 154 Hoofdstuk: Als de veelgodenaanbidders de moslims bedriegen, worden zij dan vergeven?
Hoofdstuk: Een wapenstilstand en een vredesverdrag sluiten met de veelgodenaanbidders middels rijkdommen en anderszins, en de zonde van wie een verbond niet vervult
Hoofdstuk: Als een beschermeling tovenarij heeft bedreven, wordt hem dadan vergeven?
Hoofdstuk: Verboden bedrog
Hoofdstuk: De zonde van wie een verbond sluit en vervolgens bedriegt
56. Het boek van het begin van de schepping Hoofdstuk: Wat er is gekomen over de Uitspraak van Allah: (En Hij is Degene Die de schepping begint en Die haar vervolgens zal herhalen...)
Hoofdstuk: Wat er is gekomen over de zeven aarden
Hoofdstuk: De aard van de zon en de maan
Hoofdstuk: Wat er is gekomen over Zijn Uitspraak: (En Hij is Degene die de winden zendt als voorbodes van goede tijdingen voorafgaand aan Zijn Genade)
Hoofdstuk: Verwijzing naar de engelen, moge Allah hen genadig zijn
Hoofdstuk: Wat er is gekomen over de aard van het paradijs en dat het geschapen is
Hoofdstuk: De aard van de hel en dat zij geschapen is
Hoofdstuk: De aard van Iblies en zijn soldaten
Hoofdstuk: De Uitspraak van Allah: (...en de zich voortbewegende schepselen die Hij erop heeft verspreid...)
Hoofdstuk: Het beste rijkdom van een moslim zullen schapen zijn die hij in de bergtoppen hoedt
Hoofdstuk: Als een vlieg in het drinken van iemand van jullie valt, laat hij hem dan onderdompelen, want zijn ene vleugel bevat namelijk een ziekte de andere vleugel bevat een genezing

57. Het boek van overleveringen over de profeten

Hoofdstuk: De schepping van Aadam [Adam] en zijn nageslacht
Hoofdstuk: De Uitspraak van Allah: (En zij vragen jou over Dhul-Qarnain. Zeg: `Ik zal iets voor jullie reciteren waarin hij wordt genoemd." We
hebben hem gevestigd op aarde en Wij hebben hem de middelen van alles gegeven. Daarom volgde hij een weg...)
Hoofdstuk: De Uitspraak van Allah: (En Allah heeft [Abraham] als boezemvriend genomen...)
Hoofdstuk: De Uitspraak van Allah: (En bericht hun over de gasten Ibraahiem [Abraham] ...)
Hoofdstuk: De Uitspraak van Allah: (En noem in het Boek Ismaa'iel. Voorzeker, hij was oprecht in belofte...)
Hoofdstuk: De Uitspraak van Allah: (En naar Thamoed [zonden Wij] broeder Saalih...)
Hoofdstuk: De Uitspraak van Allah: (Of waren jullie er getuigen van de dood bij Ya`qub arriveerde?) Hoofdstuk: De overlevering van Al-Khadhi met Moesaa
Hoofdstuk: De Uitspraak van Allah: (En Allah heeft als voorbeeld voor degenen die geloven de vrouw van Fir`aoun [Farao] genomen ... en behoorde tot de gehoorzamen)
Hoofdstuk: De Uitspraak van Allah: (En Younus was van de boodschappers ...daarom gaven Wij aan hen genieting gedurende een periode)
Hoofdstuk: De Uitspraak van Allah: (En Wij gaven aan Daawoed [David] de Zaaboer [de Psalmen])
Hoofdstuk: De Uitspraak van Allah: (En Wij schonken aan Daawoed [David] Sulaymaan [Salomo]; wat een uitmuntende dienaar. Hij was altijd in berouw terugkerend.)
Hoofdstuk: De Uitspraak van Allah: (En toen de engelen zeiden: `0 Mariam [Maria], Allah heeft jou uitverkoren, gezuiverd en verkozen ...wie van hen Mariam mocht verzorgen)
Hoofdstuk: De Uitspraak van Allah: (0 gedenk in het Boek Mariam [Maria] toen zijn zich terugtrok van haar familie ...) Hoofdstuk: De neerdaling van `Iesaa de zoon van Mariam Hoofdstuk: Wat is gekomen over de kinderen van Israa'iel
Hoofdstuk:

58. Het boek van de verdiensten

Hoofdstuk: De Uitspraak van Allah: (0 jullie mensen, Wij hebben jullie geschapen uit een man en een vrouw en wij hebben jullie gemaakt tot volkeren en stammen, opdat jullie elkaar leren kennen. De meest nobele van jullie bij Allah is de meest godvrezende van jullie.)
Hoofdstuk: De verdiensten van Qoraish Hoofdstuk
Hoofdstuk: De stammen van Aslam, Ghifaar, Muzainah, Djuhaitrah en Ashdja`
Hoofdstuk: De stam van Qahtaan
Hoofdstuk: Het verbod op de oproepen uit de tijd van onwetendheid
Hoofdstuk: Het verhaal van [de stam van] Khuzaa'ah
Hoofdstuk: Het bekeringsverhaal van Abu Dharr Al-Ghifaari naar de Islaam
Hoofdstuk: Wie zich toeschrijft aan zijn voorouders, zowel tijdens de Islaam als gedurende de tijd van onwetendheid
Hoofdsruk: Wie erom geeft dat zijn afstamming niet wordt beschimpt
Hoofdstuk: Wat is gekomen over de namen van de Boodschapper van AllahSallalahu 'alaihi wasalam
Hoofdsruk: De laatste der profeten
Hoofdsruk: Het overlijden van de Profeet
Hoofdstuk:
Hoofdsruk: De beschrijving van de Profeet
Hoofdstuk: Het oog van de Profeet sliep, zonder dat zijn hart sliep
Hoofdstuk: De tekenen van het profeetschap tijdens de Islaam
Hoofdsruk: De Uitspraak van Allah: (Zij kennen hem net zoals zij hun eigen zoons kennen. Een groep van hen verzwijgt echter de waarheid, tewijl zij weten)
Hoofdsruk: De veelgodenaanbidders vroegen de Profeet om hun een teken te tonen en hij toonde hun de splitsing van de maan

59. Het boek van de verdiensten van de metgezellen van de Profeet

Hoofdsruk: De verdienste van Abu Bakr na de Profeet
Hoofdstuk: De verdiensten van `Omar Ibn Al-Khattaab
Hoofdstuk: De verdiensten van Othmaan Ibn Affaan
Hoofdsruk: De verdiensten van `Ali lbn Abi Taalib
Hoofdstuk: De verdiensten van de verwanten van de Boodschapper van
Hoofdstuk: Over Talhah Ibn `Ubaidillaah
Hoofdstuk: De verdiensten van Sa`d Ibn Abi Waq aas Az-Zuhri
Hoofdstuk: De schoonfamilie van de Profeet
Hoofdstuk: De verdiensten van de bevrijde slaaf van de Profee Ibn Haarithah
Hoofdstuk: Over Usaamah Ibn Zayd
Hoofdstuk: De verdiensten van Abdullaah Ibn 'Omar
Hoofdstuk: De verdiensten van `Ammaar en Hudhayfah
Hoofdstuk: De verdiensten van Abu `Ubaidah Ibn AI-Djarraah
Hoofdstuk: De verdiensten van Abu Al-Hasan en Al-Husain
Hoofdstuk: Over Ibn `Abbaas
Hoofdstuk: De verdiensten van Khaalid Ibn Al-Walled
Hoofdstuk: De verdiensten van Saalim, de bevrijde slaaf van Abu Hudhayfah
Hoofdstuk: De verdienste van `Aaichah
Hoofdstuk: De verdiensten van de Ansaar
Hoofdstuk: De uitspraak van de Profeet: "Als het de emigratie niet was dan behoorde ik tot de Ansaar."
Hoofdstuk: Liefde voor de Ansaar behoort tot het geloof [Al-Iemaan]
Hoofdstuk: De uitspraak van de Profeet tegen de Ansaar: "Jullie zijn dt meest geliefde personen bij mij."
Hoofdstuk: De verdienste van de stammen van de Ansaar
Hoofdstuk: De uitspraak van de Profeet tegen de Ansaar: "Wees geduldig totdat jullie mij ontmoeten bij de hawdh [bassin]."
Hoofdstuk: De uitspraak van Allah: (En zij geven voorkeur laan anderen] boven zichzelf, ook al zijn zij zelf behoeftig)
Hoofdstuk: De uitspraak van de Profeet: "Aanvaard van hun weldoen en excuseer hun slechtdoener"
Hoofdstuk: De verdiensten van Sa`d Ibn Mu`aadh
Hoofdstuk: De verdiensten van Ubayy Ibn Kali)
Hoofdstuk: De verdiensten van Zayd Ibn Thaabit
Hoofdstuk: De verdiensten van Abu Talhah
Hoofdstuk: De verdiensten van `Abdullaah Ibn Salaam
Hoofdstuk: Het huwelijk van de Profeet met Khadiedjah haar verdienste
Hoofdstuk: De vermelding van Hind hint `Utbah Ibn Rabie`ah
Hoofdstuk: De overlevering van Zayd Ibn `Amr Ibn Nufail
Hoofdstuk: De dagen van onwetendheid
Hoofdstuk: De zending van de Profeet
Hoofdstuk: Wat de Profeet en zijn metgezellen te verduren hadden van elgodenaanbidders in Mekka
Hoofdstuk: De vermelding van de djinn
Hoofdstuk: De emigratie naar Ethiopi
Hoofdsruk: Het verhaal van Abu Taalib
Hoofdsruk: De overlevering van de nachtelijke reis [AI-Israa']
Hoofdstuk: De hemelreis
Hoofdstuk: Het huwelijk van de Profeet met `Aaichah, haar komst naar Al-Madienah en zijn huwelijksconsumptie met haar
Hoofdstuk: De emigratie van de Profeet ti en zijn metgezellen naar AL-Madienah
Hoofdstuk: De aankomst van de Profeet en zijn metgezellen in A1-Madienah
Hoofdstuk: Het verblijven van de emigrant in Mekka na het afronden van bedevaartsrituelen
Hoofdstuk: De komst van de joden naar de Profeet na zijn aankomst in Al-Madienah

60. Het boek van de slagvelden

Hoofdstuk: De slag van Al-`Ushairah
Hoofdstuk: De Uitspraak van Allah de Verhevene: (Toen jullie je Heer om redding vroegen ... Ernstig in kwelling)
Hoofdstuk: Het aantal manschappen tijdens Badr
Hoofdstuk: Het doden van Abu Djahl
Hoofdstuk: De aanwezigheid van de engelen in Badr
Hoofdstuk: De overlevering van Banu An-Nadhier en hun verraad van de Boodschapper van AllahSallalahu 'alaihi wasalam
Hoofdstuk: Het doden van Ka'b Ibn AI-Ashraf
Hoofdstuk: Het doden van Abu Raafi `Abdullaah Ibn Abi Al-Huqaiq, oftewel Sallaam Ibn AN Al-Huqaiq
Hoofdstuk: De slag van Uhud
Hoofdstuk: (Toen twee groepen onder jullie van plan waren om de moed op te geven, terwijl Allah jullie Medestander is ...)
Hoofdstuk: (Het besluit is niet aan jou [0 Mohammad] of Hij in genade tot hen keert [en hen vergeeft] of hen straft; voorwaar, zij zijn de onrechtplegers.)
Hoofdstuk: De dood van Hamzah
Hoofdstuk: De verwondingen waarmee de Profeet is getroffen op dag van Uhud
Hoofdstuk: (Degenen die gehoor hebben gegeven aan Allah en aan de Boodschapper)
Hoofdstuk: De slag van Al-Khandaq oftewel Al-Ahzaab
Hoofdstuk: De terugkeer van de Profeet van Al-Ahzaab en zijn vertrekt naar Banu Qutaidhah
Hoofdstuk: De slag van Dhaat Ar-Rigaa`
Hoofdstuk: De slag van Banul Mustaliq
Hoofdstuk: De slag van Anmaar
ioefdstuk: De slag van Al-Hudaibiyyah
Hoofdstuk: De slag van Dhaat Qarad
Hoofdstuk: De slag van Khaibar
Hoofdstuk: De `umrah van al-qadhaa' [berechting]
Hoofdstuk: De slag van Mu'tah in het grondgebied van de Levant
Hoofdstuk: Usaamah Ibn Zayd wordt door de Profeet naar Al-Huruqaat gezonden
Hoofdstuk: De slag van Al-Fath [de bevrijding van Mekka] tijdens radhaan
Hoofdstuk: Waar de Profeet de vlag plantte op de dag van Al-Fath [de [de bevrijding van Mekka]
Hoofdstuk: De Uitspraak van Allah: (En op de dag van [de slag van] Hunain toen jullie verheugd waren met jullie veelheid ... Vergevingsgezind en Barmhartig)
Hoofdstuk: De slag van Awtaas
Hoofdsruk: De slag van At-Taaif tijdens [de maand] shawaal van het achtste jaar
Hoofdstuk: De Profeet zendt Khaalid lbn Al-Walied naar [de stam van] Banu Djadhiemah
Hoofdstuk: De expeditie van `Abdullaah Ibn Hudhaafah As-Sahmi en Aqamah Ibn Mudjazziz Al-Mudladji. Er wordt gezegd dat het de expeditie van de Ansaar was
Hoofdstuk: De zending van Abu Moesaa en Mu`aadh naar Jemen vr de afscheidsbedevaart
Hoofdstuk: De zending van `Ali Ibn Abi Taalib en Khaalid Ibn Al-Walied naar Jemen
Hoofdstuk: De slag van Dhul Khalasah
Hoofdstuk: De slag van de zeekust
Hoofdstuk: De afvaardiging van Banu Tamiem
Hoofdstuk: De afvaardiging van Banu Haniefah en de overlevering van Thumaamah Ibn Uthaal
Hoofdstuk: Het verhaal van de mensen uit Nadjraan
Hoofdstuk: De komst van de Ash`ariyoen en de mensen van Jemen
Hoofdstuk: De afscheidsbedevaart
Hoofdstuk: De slag van Tabuk, ook wel de slag van ontbering genoemd
Hoofdstuk: De overlevering van Ka`b Ibn Maalik en de Uitspraak van Allah: (...en van de drie die achtergebleven waren)
Hoofdstuk: De brief van de Profeet aan Kisraa [Khosrau] en Caesar
Hoofdstuk: De ziekte van de Profeet en zijn overlijden
Hoofdstuk: Het overlijden van de Profeet

61. Het boek van Qor'aan-uitleg

Soerah Al-Faatihah (De Openings-Soerah [1])
Hoofdstuk: Wat is overgeleverd omtrent de Openings-Soerah van de Qor'aan
Soerah Al-Baqarah (De Koe [2])
Hoofdstuk: De Uitspraak van de Verhevene: (Ken dus geen deelgenoter toe aan Allah, terwijl jullie weten) [2:22]
Hoofdstuk: De Uitspraak van de Verhevene: (En Wij lieten de wolken jullie beschaduwen en zonden al-mann [een soort zoete gom] en kwartels op jullie neer...) [2:57]
Hoofdstuk: (En toen Wij zeiden: betreed deze stad...) [2:58]
Hoofdstuk: (Voor elk vers dat Wij abrorgeren of dat Wij doen vergeten. [2:106]
Hoofdstuk: (En zij zeiden: `Allah heeft een kind genomen.' Verheerlijk is Hij...) [2:116]
Hoofdstuk: Zijn Uitspraak (En neem de standplaats van Ibraahiem aan als gebedsplek) [2:125]
Hoofdstuk: Zijn Uitspraak (En zeg: `Wij geloven in Allah en in wat aan ons is neergezonden...') [2:136]
Hoofdstuk: Zijn Uitspraak (En zo hebben Wij jullie ook tot een gematigde gemeenschap gemaakt, zodat jullie getuigen over de mensen zullen zijn...) [2:143]
Hoofdstuk: (Vertrek vervolgens van waar de mensen vandaan vertrekken...) [2:199]
Hoofdstuk: (En onder hen is er wie zegt: `Onze Heer, schenk ons tijdens het wereldse leven het goede en in het hiernamaals het goede.') [2:201]
Hoofdstuk: (Zij vragen de mensen niet opdringerig) [2:273]
Soerah Aal-`Imraan (De familie van `Imraan [3])
Hoofdstuk: De Uitspraak van de Verhevene: (Een deel ervan zijn duidelijke versen, die het fundament van het Boek vormen. En andere zijn meerduidig.) [3:7]
Hoofdstuk: De Uitspraak van de Verhevene: (Voorwaar, degenen die met het Verbond van Allah en met hun eden een geringe waarde kopen ...) [3:77]
Hoofdstuk: De Uitspraak van de Verhevene: (... Voorwaar, de mensen hebben zich voor jullie verzameld ...) [3:173]
Hoofdstuk: De Uitspraak van de Verhevene: (...en jullie zullen zeker van degene die het boek voor jullie hebben gekregen en van degenen die veelgoderij hebben gepleegd veel kwetsende horen) [3:186]
Hoofdstuk: De Uitspraak van de Verhevene: (Denk niet dat degenen die verheugd zijn met wat ze hebben gedaan ...) [3:188]
Soerah An-Nisaa' (De vrouwen [4])
Hoofdstuk: De Uitspraak van de Verhevene: (En als jullie vrezen dat jullie geen rechtvaardigheid zullen plegen onder de [vrouwelijke] wezen...) [4:3]
Hoofdstuk: De Uitspraak van de Verhevene: (Allah beveelt jullie met betrekking tot [de erfenis van] jullie kinderen...) [4:11]
Hoofdstuk: De Uitspraak van de Verhevene: (Allah doet geen onrecht aar met het gewicht van een atoom...) [4:40]
Hoofdstuk: De Uitspraak van de Verhevene: (Hoe zal het dan zijn als Wij uit elke gemeenschap een getuige brengen ...) [4:41]
Hoofdstuk: De Uitspraak van de Verhevene: (Voorwaar, degenen die door de engelen tot sterven worden gebracht terwijl zij zichzelf onrecht aandoen...) [4:97]
Hoofdstuk: De Uitspraak van de Verhevene: (Wij hebben aan jou geopenbaard net zoals Wij aan Noeh hebben geopenbaard ... en aan Younus, en Haaroen en Sulaymaan ...) [4:163]
Soerah Al-Maa'idah (De Gevulde Tafel [5])
Hoofdstuk: De Uitspraak van de Verhevene: (0 Boodschapper, verkondigd wat aan jou is neergezonden bij jouw Heer vandaan.) [5:67]
Hoofdstuk: De Uitspraak van de Verhevene: (0 jullie die geloven, verbied niet de goede zaken die Allah voor jullie heeft toegestaan.) [5:87]
Hoofdstuk: De Uitspraak van de Verhevene: (Voorwaar, alcoholische dranken, kansspelen, offerstenen en verlotingspijlen zijn een gruwel van handelingen van de Shaytaan.) [5:90]
Hoofdstuk: De Uitspraak van de Verhevene: (Vraag niet naar zaken die jullie ontevreden stemmen als ze aan jullie verduidelijkt worden.) [5:101] Soerah Al-An`aam (Het Vee [6])
Hoofdstuk: De Uitspraak van de Verhevene: (Zeg: "Hij is bij machte om een kwelling naar jullie te zenden boven jullie vandaan ...) [6:65]
Hoofdstuk: De Uitspraak van de Verhevene: (Zij zijn degenen die Allah heeft geleid. Volg daarom hun leiding.) [6:90]
Hoofdstuk: De Uitspraak van de Verhevene: (En nader de schaamteloze daden niet, zowel wat ervan zichtbaar is als wat verborgen is.) [6:15]
Soerah Al-A`raaf (De Scheidingsmuur [7j)
Hoofdstuk: De Uitspraak van de Verhevene: ([neem verdraagzaamheid beveel deugdelijkheid...) (7:199]
Soerah Al-Anfaal (De Oorlogsbuit [8j)
Hooddstuk: De Uitspraak van de Verhevene: (En bestrijd hen totdat er geen beroering is...) [8:39]
scab At-Tawbah (Het Berouw [9])
Hoofdstuk: De Uitspraak van de Verhevene: (En anderen die hun zondes hebben erkend ...) [9:102]
Soerah Hoed - (Profeet Hoed [11])
Hoofdsruk: De Uitspraak van de Verhevene: (En Zijn Troon was boven het water) [11:7]
Hoofdstuk: De Uitspraak van de Verhevene: (En zo is ook de Greep van jouw Heer als Hij de steden grijpt...) [11:102]
Hoofdstuk: De Uitspraak van de Verhevene: (Behalve wie stiekem afluistert...) [15:18]
Soerah An-Nahl - (De Bijen [16])
Hoofdstuk: De Uitspraak van de Verhevene: (En er is van jullie wie teruggebracht wordt naar de slechtste leeftijd ...) [16:70]
Soerah A1-Israa' - (De Nachtelijke Reis 117])
Hoofdstuk: De Uitspraak van de Verhevene: (Het nageslacht van wie Wij [Noah] hebben vervoerd [aan boord van het schip]. Hij was een dankbare dienaar.) [17:3]
Hoofdstuk: De Uitspraak van de Verhevene: (Wellicht zal jouw Heer jou opwekken op een prijzenswaardige standplaats.) [17:79]
Hoofdstuk: De Uitspraak van de Verhevene: (Verricht je gebed niet maar ook niet fluisterend.) [17:110]
Soerah Al-Kahf (De Grot [18])
Hoofdstuk: De Uitspraak van de Verhevene: (Zij zijn degenen die waren aan de Tekenen van hun Heer en aan Zijn ontmoeting ...) [18:105]
Soerah Mariam - (Mria) [19]
Hoofdstuk: De Uitspraak van de Verhevene: (En waarschuw hen voor de [19:39]
Soerah An-Noer - (Het Licht [24])
Hoofdstuk: De Uitspraak van de Verhevene: (En degenen die hun echtgenotes betichten [van overspel] en geen andere getuigen hebben dan zichzelf ...) [24:6]
Hoofdstuk: De Uitspraak van de Verhevene: (Wat van haar de kwelling afwendt is dat zij vier getuigenissen [zwerend] bij Allah aflegt ...) [24:8]
Soerah Al-Forqaan - (De Onderscheider [25])
Hoofdstuk: De Uitspraak van de Verhevene: (Degenen die op hun gezichten zullen worden verzameld naar de hel.) [25:34]
Soerah Ar-Roem - (De Romeinen [30])
Hoofdstuk: De Uitspraak van de Verhevene: (Alif Laam Miem. De Romeinen zijn verslagen.) [30:1,2]
Soerah As-Sadjdah - (De Knieling [32])
Hoofdstuk: De Uitspraak van de Verhevene: (Geen enkele ziel weet wat voor hen verborgen is gehouden aan vreugde) 132:17]
Soerah Al-Ahzaab - (De Partijen 1331)
Hoofdstuk: De Uitspraak van de Verhevene: (Jij kunt uitstel geven aan wie jij wilt van hen en jij kunt bij je voegen wie je wilt...) [33:51]
Hoofdstuk: De Uitspraak van de Verhevene: (0 jullie die geloven, betref de huizen van de Profeet niet...) [33:53]
Hoofdstuk: De Uitspraak van de Verhevene: (Ongeacht of jullie iets tonen of dat jullie het verborgen houden...) [33:54]
Hoofdstuk: De Uitspraak van de Verhevene: (Voorwaar, Allah en Ziin engelen prijzen de Profeet ...) [33:56]
Hoofdstuk: De Uitspraak van de Verhevene: (Wees niet zoals degenen die Moesaa [Mozes] hebben gekwetst, maar Allah heeft hem vrijgesproke...) [33:69]
Soerah Saba' - (Sheba [341)
Hoofdstuk: De Uitspraak van de Verhevene: (Hij is slecht een waarschuwer voor jullie ten overstaan van een ernstig kwelling...) [34:46]
Soerah Az-Zumar - (De groepen [39:53]
Hoofdstuk: De Uitspraak van de Verhevene: (Zeg: O Mijn dienaren die buitensporig zijn geweest tegen zichzelf ...)[39:53]
Hoofdstuk: De Uitspraak van de Verhevene: (En zij hebben Allah niet op Zijn ware Achting gewaardeerd ...) [39:67]
Hoofdstuk: De Uitspraak van de Verhevene: (En de aarde zal tijdens de Opstandingsdag volledig in Zijn Greep zijn ...) [39:67]
Hoofdstuk: De Uitspraak van de Verhevene: (Hij is slechts een waarschuwer voor jullie ten overstaan van een ernstige kwelling...) [34:46]
Hoofdstuk: De Uitspraak van de Verhevene: (En er zal op de hoorn worden geblazen en iedereen in de hemelen en op aarde zal levenloos raken...) [39:68] Soerah Ash-Shoeraa - (Het beraad [42])
Hoofdstuk: De Uitspraak van de Verhevene: (Behalve de genegenheid van rotschap ...) [42:23]
Soerah Ad-Dukhaan - (De Rook [44])
Hoofdstuk: De Uitspraak van de Verhevene: (0 onze Heer, neem de van ons weg want wij zijn gelovigen...) [44:12]
Soerah Al-Djaathiyah - (De Geknielden [45])
Hoofdstuk: De Uitspraak van de Verhevene: (En wij worden door niets anders vernietigd dan [het vergaan van] de tijd...) [45:24]
Soerah-Al-Ahqaaf - (De Zandbergen [46])
Hoofdstuk: De Uitspraak van de Verhevene: (Toen zij haar [de kweling] zagen als wolk die zich begaf naar hun valleien...) [46:24]
Soerah Mohammad [47]
Hoofdstuk: De Uitspraak van de Verhevene: (... en jullie banden van verwantschap verwerken...) [47:22]
Soerah Qaaf [50]
Hoofdstuk: De Uitspraak van de Verhevene: (...en zij zal zeggen: Is er nog meer? [50:30]
Soerah At-Toer - (De Berg [52])
Hoofdstuk: De Uitspraak van de Verhevene: (Bij de berg en bij een geschreven boek.) [52:1,2]
Soerah An-Nadjm - (De Ster 153])
Hoofdstuk: De Uitspraak van de Verhevene: (Hebben jullie Al-Laat en Al`Uzzaa gezien?) [53:19]
Soerah Al-Qamar - (De Maan 154]) Hoofdstuk: De Uitspraak van de Verhevene: (Welnee, het Uur is hun afgesproken tijd, en het Uur zal verschrikkelijker en bitterder zijn.) [54:46]
Soerah Ar-Rahmaan - (De Erbarmer [55])
Hoofdstuk: de Uitspraak van de Verhevene: (En naast deze twee zijn er nog twee tuinen.) [55:621
Hoofdstuk: De Uitspraak van de Verhevene: (En naast deze twee zijn er nog twee tuinen.) [55:72]
Soerah Al-Momtahinah - (De Getoetste Vrouw [60])
Hoofdstuk: De Uitspraak van de Verhevene: (Neem Mijn vijanden en j vijanden niet als vrienden.) [60:1]
Hoofdstuk: De Uitspraak van de Verhevene: (Als de gelovige vrouwen n jou toe komen om jou de gelofte van trouw te beloven.) [60:11]
Soerah AI-Djumu`ah - De Vrijdag [62])
Hoofdstuk: De Uitspraak van de Verhevene: (En naar anderen van hen zich nog niet bij hen hebben gevoegd.) [62:3]
Soerah Al-Munaafigoen - De Hypocrieten 163])
Hoofdstuk: De Uitspraak van de Verhevene: (Als de hypocrieten naar jouw (toekomen, zeggen zij: `Voorwaar, jij bent zeker de Boodschapper van Allah.') [63:1]
Soerah At-Tahriem - Het Verbieden [66])
Hoofdstuk: De Uitspraak van de Verhevene: (O Profeet, waarom verbied jij wat Allah voor jou heeft toegestaan?) [66:1]
Soerah Al-Qalam - De Pen [68])
Hoofdstuk: De Uitspraak van de Verhevene: (Ben bruut en daarna nog een bastaard) [68:13]
Hoofdstuk: De Uitspraak van de Verhevene: (De Dag waarop het Onderbeen zal worden ontbloot en zij worden uitgenodigd naar de knieling.) [68:42]
Soerah An-Naazi`aat - De Uittrekkenden [79])
Soerah Abasa- Hij fronste [80])
Soerah Al-Mutaffifien - De Zwendelaars [83])
Hoofdstuk: De Uitspraak van de Verhevene: (De dag waarop de mensen zullen opstaan voor de Heer van de werelden.) [68:13]
Soerah Al-Inshiqaaq - De Uiteensplijting [841)
Hoofdstuk: De Uitspraak van de Verhevene: (Hij zal dan een makkelijke afrekening ondergaan) 184:8]
Hoofdstuk: De Uitspraak van de Verhevene: (Jullie zullen zeker overgaan van stadium naar stadium) [84:19]
Soerah Ash-Shams - De Zon 1911)
Soerah Al-`Alaq - De Bloedklonter [96])
Hoofdstuk: De Uitspraak van de Verhevene: (Nee, als hij niet ophoudt...)96:15]
Soerah Al-Kawthar - De Overvloedige Rivier [108])
Soerah Al-Falaq - De Dageraad [113])

62. Het boek van de verdiensten van de Qor'aan

Hoofdsruk: Hoe de neerdaling van de openbaring was en het eerste wat is geopenbaard
Hoofdstuk: De Qor'aan is neergezonden volgens zeven recitatie-varianten
Hoofdstuk: Djibriel onderwees de Profeet de Qor'aan
Hoofdstuk: De verdienste van Soerah Al-lkhlaas [112]
Hoofdstuk: De verdienste van de beschermende Soerahs [Mu`awwidhaat]
Hoofdstuk: De neerdaling van rust en de engelen tijdens het reciteren van de Qor'aan
Hoofdstuk: Het benijden van een persoon van de Qor'aan
Hoofdstuk: De beste van jullie is wie de Qor'aan leert en hem onderwijst
Hoofdstuk: Het memoriseren van de Qor'aan en het onderhouden ervan
Hoofdstuk: Het verlengen van [bepaalde} klinkers tijdens de recitatie 4 Hoofdstuk: Met mooie stem reciteren
Hoofdstuk: Binnen welke termijn de Qor'aan uit te lezen
Hoofdstuk: Wie de Qor'aan veinzend reciteert

63. Het hoek van het huwelijk

Hoofdstuk: De aansporing tot het huwelijk
Hoofdstuk: De afkeuring van het celibaat en van castratie.
Hoofdstuk: Het huwen van maagden
Hoofdstuk: Het huwen van een jong meisje met een oudere man
Hoofdstuk: Gelijkwaardigheid in religie
Hoofdstuk: Behoedzaam voor het vrouwelijk kwaad en de uitspraak van Verhevene: (Voorwaar, onder jullie echtgenoten en jullie kinderen zijn er vijanden van jullie.)
Hoofdstuk: (...en jullie moeders die jullie hebben gezoogd). En dat zoogverwantschap hetzelfde verbiedt [aan huwelijken] als bloedverwantschap
Hoofdstuk: Wie zegt dat er niet meer gezoogd wordt na twee jaar omdat Verhevene zegt: (Twee volle jaren voor wie het zogen wenst te vervulier, En de mate van zogen die [huwelijks] verboden met zich meebrengt
Hoofdstuk: Een vrouw mag niet gehuwd worden samen met haar tante
Hoofdstuk: Ash-Shighaar [Dat een man zijn dochter uithuwelijkt aan een ander op voorwaarde dat hij hem ook zijn dochter uithuwelijkt, zonder bruidsschat]
Hoofdstuk: De Boodschapper van AllahSallalahu 'alaihi wasalam heeft uiteindelijk het tijdelijke huwelijk verboden
Hoofdstuk: Een vrouw die zichzelf aanbiedt aan een rechtschapen man
Hoofdstuk: Kijken naar een vrouw alvorens haar te trouwen
Hoofdstuk: Wie zegt dat er geen huwelijk is zonder voogd
Hoofdstuk: Zowel een vader als een ander mag een maagd of een nietmaagd niet uithuwelijken, behalve met haar instemming
Hoofdstuk: Als men zijn dochter uithuwelijkt terwijl zij daar een afkeer van zijn broeder, totdat hij haar trouwt of laat
Hoofdstuk: Laat men geen huwelijksaanzoek doen ten koste van een huwelijksaanzoek van zijn broeder, totdat hij haar trouwt of laat
Hoofdstuk: Voorwaarden die niet zijn toegestaan in een huwelijk
Hoofdstuk: De vrouwen die de echtgenote aan haar echtgenoot voordragen en hun aanroeping voor zegening
Hoofdstuk: Wat een man zegt als hij geslachtsgemeenschap met zijn echtgenote gaat bedrijven
Hoofdstuk: Het geven van een bruiloftsmaal, ook al is het met een schaap

Hoofdstuk: Het recht op het geven van gehoor aan een bruiloftsmaal en aan een uitnodiging Hoofdstuk: De aansporing tot goede omgang met vrouwen
Hoofdstuk: Goede omgang met de echtgenote
Hoofdstuk: Het vrijwillig vasten van de vrouw met toestemming van haar echtgenoot
Hoofdstuk: Het loten tussen de echtgenotes als men wil reizen
Hoofdstuk: Als men er een maagd bijtrouwt naast een matron
Hoofdstuk: Wie de indruk wekt iets gekregen te hebben wat hij niet heeft gekregen, en het verbod op de trots van een bijvrouw
Hoofdstuk: Jaloezie
Hoofdstuk: Vrouwelijke jaloezie en hun boosheid
Hoofdstuk: Laat een man zich niet afgezonderd bevinden met een wou behalve in het bijzijn van een mahram. En over het binnenkomen bij een vrouw wier man afwezig is
Hoofdstuk: Laat een vrouw geen lichamelijk contact maken met een ande vrouw om haar vervolgens aan haar echtgenoot te beschrijven
Hoofdstuk: Laat men niet 's nachts bij zijn echtgenote aankomen na langdurige afwezigheid

64. Het boek van de echtscheiding

Hoofdstuk: De Uitspraak van Allah: (0 Profeet, als jullie de vrouwen scheiden...) [65:1]
Hoofdstuk: Als de menstruerende vrouw wordt gescheiden, dan wordt scheiding meegerekend
Hoofdstuk: Wie scheidt en of men zijn echtgenote mag confronteren om de scheiding
Hoofdstuk: Wie de driemalige scheiding heeft toegestaan
Hoofdstuk: (Waarom verbied jij wat Allah voor jou heeft toegestaan?) [66:1]
Hoofdstuk: Hoe een scheiding op aanvraag van de vrouw tegen een compensatie tot stand komt. En de Uitspraak van Allah: (En het is voor
jullie toegestaan om iets te nemen van wat jullie hun hebben gegeven behalve als beiden vrezen dat zij de Grenzen van Allah niet in stand zullen houden) [2: 229]
Hoofdstuk: De bemiddeling van de Profeet voor de echtgenoot van Barierah
Hoofdstuk: De echtelijke zelfvervloeking [Li`aan: een eed die wordt door beide echtgenoten als men zijn vrouw beticht van overspel (zieverlevering 1746 en 1747)]
Hoofdstuk: Als men de indruk wekt van ontkenning van het kind
Hoofdstuk: De twee echtelieden die zelfvervloeking ondergaan tot berouw aansporen [Li`aan: een eed die wordt afgelegd door beide echtgenoten als zijn vrouw beticht van overspel (zie overlevering 1746 en 1747)]
Hoofdstuk: Kohl voor de rouwende vrouw

65. Het boek van uitgaven en de verdienste van uitgaven omwille van familie

Hoofdstuk: Als een man de proviand van een jaar opslaat voor zijn familie hoe men uitgeeft omwille van wie hij onderhoudt

66. Het boek van voedsel

Hoofdstuk: De Naam van Allah uitspreken over voedsel en met rechts
Hoofdstuk: Wie eet totdat hij verzadigd is
Hoofdstuk: Zacht brood en het eten aan een eettafel
Hoofdstuk: Het voedsel van een persoon is genoeg voor twee personen
Hoofdstuk: De gelovige eet in n darm
Hoofdstuk: Leunend eten
Hoofdstuk: De Profeet heeft nooit voedsel afgekeurd
Hoofdstuk: Het blazen door gerst
Hoofdstuk: Wat de Profeet en zijn metgezellen atenHoofdstuk: At-Talbienah [voedsel bereid uit melk en meel of zemelen, en soms honing]
Hoofdstuk: Eten uit verzilverde schalen
Hoofstuk: Als een man zich uitslooft om voedsel te bereiden voor zijn broeders
Hoofdstuk: Komkommers en verse dadels
Hoofdstuk: Verse en droge dadels
Hoofdstuk: `Adjwa-dadels
Hoofdstuk: Het aflikken van de vingers
Hoofdstuk: Wat men zegt als hij klaar is met eten
Hoofdstuk: De Uitspraak van Allah de Verhevene: (Als jullie vervolgens hebben gegeten, verspreid je dan)

67. Het boek van het geboorteoffer


Hoofdstuk: De naamgeving van de baby Hoofdstuk: Het verwijderen van wat het jongetje deert tijdens het geboorteoffer
Hoofdstuk: Al-fara`

68. Het boek van de slachtingen en de jacht>

Hoofdstuk: Het uitspreken van de Naam van Allah over de jacht Hoofdstuk: Jagen met een boog
Hoofdstuk: Het wegwerpen van steentjes niet de vingers en het gooien kleistenen
Hoofdstuk: Wie een hond aanschaft die geen jachthond of herdershond
Hoofdstuk: Een prooi die pas na twee of drie dagen wordt gevonden
Hoofdstuk: Eten van sprinkhanen
Hoofdstuk: Slachtwijzen
Hoofdstuk: Wat wordt afgekeurd aan verminking, en doding na gevangenzetting of vastbinden
Hoofdstuk: Kippenvlees
Hoofdstuk: Het opeten van een roofdier met slagtanden
Hoofdstuk: Musk
Hoofdstuk: Het aanbrengen van een brandmerk of merkteken op het gezicht van een dier

69. Het boek van de slachtfeest-offers [tijdens `eid-ul-Adhaa]

Hoofdsstuk: Wat wordt opgegeten en wat wordt bewaard van het vlees van slachtfeest-offers
Hoofdstuk: Toegestane drank bereiden in vaten en drinkbekers
Hoofdstuk: De Profeet heeft vaten en potten toegestaan na ze verboden te hebben
Hoofdstuk: Wie van mening is dat onrijpe dadels niet gemengd mogen met rijpe dadels [ter bereiding van een drank] als dat bedwelmend is, dat van twee brouwsels niet n brouwsel mag worden gemaakt
Hoofdstuk: Het drinken van melk en de Uitspraak van Allah de Verhevene: (Tussen uitwerpselen en bloed zuivere melk, die smakelijk is voor de drinkers) [16:66]
Hoofdstuk: Het mengen van melk met water
Hoofdstuk: Staand drinken
Hoofdstuk: Het ombuigen van de mondstukken van waterzakken
Hoofdstuk: Het verbod om te ademen in de kom
Hoofdstuk: Zilveren kommen en schalen
Hoofdstuk: Drinken uit kruiken

71. Het boek van zieken

> Hoofdstuk: Wat is overgeleverd over de kwijtschelding van zonden door ziekte
Hoofdstuk: Hevigheid van ziekte 491
Hoofdstuk: De verdienste van wie epileptische aanvallen krijgt
Hoofdstuk: De verdienste van wie zijn zicht verliest
Hoofdstuk: Het bezoeken van een zieke
Hoofdstuk: Wat is toegestaan voor de zieke om te zeggen, zoals: `Ik ben ziek O mijn hoofd' of `Mijn ziekte is verhevigd.' En de uitspraak van Ayoub - `alaihssalaam - (Ik ben getroffen door ellende en U bent de Meest Genadevolle van de genadevollen) [21:83]
Hoofdstuk: Een zieke die de dood wenst
Hoofdstuk: De aanroeping van de ziekenbezoeker ten gunste van de zieke

72. Het boek van geneeskunde

Hoofdstuk: Allah heeft geen enkele ziekte neergezonden, of Hij heeft ook een genezing ervan neergezonden
Hoofdstuk: Genezing zit in drie zaken
Hoofdstuk: Medicatie door honing en de Uitspraak van Allah de Verhevene: (waar genezing in zit voor de mensen) [16:69]
Hoofdstuk: Het zwarte zaad
Hoofdstuk: Het opsnuiven van Indische zeecostus
Hoofdstuk: Het zetten van koppen [hidjaamah] tegen ziekte
Hoofdstuk: Wie geen rugya heeft toegepast
Hoofdstuk: Melaatsheid [lepra]
Hoofdstuk: Er worden geen slechte voortekenen verbonden aan de ma Safar
Hoofdstuk: Pleuritis
Hoofdstuk: Koorts is afkomstig van de uitademing van de hel Hoofdstuk: Wat is gezegd over de pest
Hoofdstuk: Ruqya tegen het boze oog
Hoofdstuk: Ruqya tegen een slangen- en schorpioenenbeet Hoofdstuk: De ruqya van de Profeet
Hoofdstuk: Optimisme
Hoofdstuk: Waarzeggerij
Hoofdstuk: Sommige vormen van welbespraaktheid zijn betoverend
Hoofdstuk: Er is geen besmetting
Hoofdstuk: Het innemen van vergif, ermee behandelen, wat ervan gevreesd en wat kwaadaardig is
Hoofdstuk: Als een vlieg in een schaal valt

73. Het boek van kleding

Hoofdstuk: Wat onder de enkels is, is in het vuur
Hoofdstuk: Mantels; katoenen, Jemenitische mantels; en wikkelgewaden
Hoofdstuk: Witte kleding
Hoofdstuk: Het dragen van zijde en het uitspreiden ervan
Hoofdstuk: Het uitspreiden van zijde
Hoofdstuk: Het verbod op het gebruik van saffraan voor mannen
Hoofdstuk: Sibti-schoenen [vervaardigd uit gelooid leer] en anderszins
Hoofdstuk: De linkerschoen als eerst uitdoen
Hoofdstuk: De uitspraak van de Profeet: "Niemand mag hetzelfde graveren als wat er op mijn ring is gegraveerd."
Hoofdstuk: Uit huis verwijderen van mannen die vrouwen imiteren
Hoofdstuk: Het laten groeien van de baarden
Hoofdstuk: Haarverf
Hoofdstuk: Gekruld haar
Hoofdstuk: Al-Qaza` [scheren van een gedeelte van het haar en laten van een gedeelte}
Hoofdstuk: De vrouw die eigenhandig haar echtgenoot parfumeert
Hoofdstuk: Wie geen parfum weigert
Hoofdstuk: Samengestelde parfum [Adh-Dharierah]
Hoofdstuk: De kwelling voor de makers van afbeeldingen tijdens de Opstandingsdag
Hoofdstuk: Het uitwissen van afbeeldingen

74. Het boek van goede manieren

Hoofdstuk: Wie van de mensen is het meest rechthebbend op goede omgang
Hoofdstuk: Laat een man niet zijn beide ouders uitschelden
Hoofdstuk: De zonde van wie [de familiebanden] verbreekt
Hoofdstuk: De onderhouder van de familieband is niet degene die vergoed
Hoofdstuk: Genade met kinderen, ze kussen en ze omhelzen
Hoofdstuk: Allah heeft genade verdeeld in honderd stukken
Hoofdstuk: Een jongetje op schoot nemen
Hoofdstuk: Genade met de mensen en met de dieren
Hoofdstuk: Aanbeveling van goedheid jegens de buur
Hoofdstuk: De zonde van degene wiens buur niet veilig is voor zijn
Hoofdstuk: Wie gelooft in Allah en in de Laatste Dag, laat hij zijn buur niet lastig vallen
Hoofdstuk: Elke goede daad is een aalmoes
Hoofdstuk: Vriendelijkheid betrachten in alle kwesties
Hoofdstuk: De samenwerking tussen de gelovigen
Hoofdstuk: De Profeet was niet onzedelijk of onfatsoenlijk
Hoofdstuk: Een goed karakter, vrijgevigheid en wat wordt afgekeurd aan gierigheid
Hoofdstuk: Wat wordt verboden aan uitschelden en vervloeken
Hoofdstuk: Wat wordt afgekeurd aan laster
Hoofdstuk: Wat wordt afgekeurd aan lofprijzing
Hoofdstuk: Wat wordt afgekeurd aan het benijden van elkaar en elkaar rug toekeren
Hoofdstuk: Welke verdenking wel is toegestaan
Hoofdstuk: Dat de moslim zijn eigen zonden geheim houdt
Hoofdstuk: Uitsluiting en de uitspraak van de Profeet: "Het is voor een man niet toegestaan om zijn broeder langer dan drie nachten uit te sluiten."
Hoofdstuk: De Uitspraak van Allah de Verhevene: (0 jullie die geloven, Al1aah en wees met de eerlijken) [9:119]. En het verbod op liegen
Hoofdstuk: Geduld met kwetsing
Hoofdstuk: Uitkijken voor boosheid
Hoofdstuk: Schaamte
Hoofdstuk: Als je je niet schaamt, doe dan wat je wilt
Hoofdstuk: Vrolijkheid naar de mensen, en de uitspraak van 1bn Mas'oed: Ga de mensen om, maar zonder je religie te beschadigen,' en grappen met familie
Hoofdstuk: De gelovige wordt niet tweemaal uit een hol gebeten
Hoofdstuk: Wat is toegestaan aan pozie, gedichten en aan zingen voor kamelen en wat daarvan wordt afgekeurd
Hoofdstuk: Het wordt afgekeurd dat een persoon door pozie wordt waardoor ze hem afhoudt van de gedenking van Allah, van de van de Qor'aan
Hoofdstuk: Wat er is overgeleverd met betrekking tot het zeggen van: `Wee jou.
Hoofdstuk: Dat de mensen [tijdens de Opstandingsdag] zullen worden opgeroepen bij de namen van hun vaders
Hoofdstuk: De uitspraak van de Profeet: " `Al-Karin' dat is het hart van ongeloige"
Hoofdstuk: Het veranderen van een naam in een betere naam
Hoofdstuk: Wie zijn vriend roept en een letter van zijn naam weglaat
Hoofdstuk: De meest gehate naam bij Allah
Hoofdstuk: De niezer prijst Allah
Hoofdstuk: Wat wordt geprezen aan niezen en wat wordt afgekeurd aan gapen

75. Het boek van het vragen om toestemming [om andermans verblijfplaats binnen te gaan]

Hoofdstuk: Het kleine aantal [personen] groet het grote aantal Hoofdstuk: De voetganger groet de zittende persoon Hoofdstuk: Groeten van zowel bekenden als onbekenden
Hoofdstuk: Het vragen om toestemming [om binnen te komen) is voorgeschreven vanwege het kijken
Hoofdstuk: Ontucht van de andere ledematen behalve het geslacht
Hoofdstuk: Het groeten van jongens
Hoofdstuk: Als men vraagt: Wie is daar?' en de ander antwoordt: `ik.'
Hoofdstuk: Ruimte maken in bijeenkomsten
Hoofdstuk: Hurkzit met de armen om de onderbenen
Hoofdstuk: Als men met meer dan drie is, dan is het niet erg om te fluisteren of een vertrouwelijk gesprek te voeren
Hoofdstuk: Als men gaat slapen, mag er geen ontstoken vuur aanblijven
Hoofdstuk: Wat er is overgeleverd met betrekking tot bouwen

76. Het boek van aanroepingen

Hoofdstuk: Elke profeet heeft een verhoorde aanroeping
Hoofdstuk: De beste manier om vergeving te vragen
Hoofdstuk: De Profeet vroeg Allah zowel overdag als tijdens de na: om vergeving
Hoofdstuk: Het berouw
Hoofdstuk: Wat men zegt als hij gaat slapen
Hoofdstuk: Slapen op de rechterzij
Hoofdstuk: Aanroeping als men tijdens de nacht ontwaakt
Hoofdstuk: Laat hij vragen met wilskracht, want niemand kan Hem dwingen
Hoofdstuk: De dienaar wordt verhoord als hij niet ongeduldig is
Hoofdstuk: Aanroeping bij tegenspoed
Hoofdstuk: Het zoeken van bescherming bij Allah tegen rampzalige beproevingen
Hoofdstuk: De uitspraak van de Profeet Allah als ik iemand heb geschaad, laat dat dan een zuivering en een genade voor hem zijn."
Hoofdstuk: Het zoeken van bescherming bij Allah tegen gierigheid
Hoofdstuk: Het zoeken van bescherming bij Allah tegen zondigheid en overmatige] schuldenlast
Hoofdstuk: De uitspraak van de Profeet: "Onze Heer, geef ons in de wereld het goede..."
Hoofdstuk: De uitspraak van de Profeet: "0 Allah, vergeef me mijn voorgaande en mijn aankomende tekortkomingen"
Hoofdstuk: de verdienste van tahliel [= het zeggen van 'Laa Ilaaha IllAllah en ware god behalve Allah)']
Hoofdstuk: De verdienste van tasbieh [= het zeggen van `Subhaan Allah

Hoofdstuk: De verdienste van het gedenken van Allah 77. Het boek van de hartverzachtigers

Hoofdstuk: Gezondheid en vrije tijd, en er is geen leven behalve het leven het hiernamaals
Hoofdstuk: De uitspraak van de Profeet: "Wees op de wereld alsof je vreemdeling bent."
Hoofdstuk: De hoop en de Lengte ervan
Hoofdstuk: Allah heeft het leettijdsexcuus weggenomen van wie een zestig jaar bereikt
Hoofdstuk: Daden waarmee het Aangezicht van Allah wordt gezocht
Hoofdstuk: Het vergaan van de rechtschapenen
Hoofdstuk: De beproeving van rijkdom waarvoor men moet uitkijken
Hoofdstuk: Wat men vooruitzendt aan rijkdom is ten behoeve van zichzelf
Hoofdstuk: Hoe het leven van de Profeet en zijn metgezellen er uitzag en hun onthouding van het wereldse Hoofdstuk: Het bewandelen van de middenweg en het voortzetten van daden
Hoofdstuk: Hoop gepaard met angst
Hoofdstuk: Het waken over de tong
Hoofdstuk: Stoppen met zonden
Hoofdstuk: Het vuur is afgeschermd met begeerten
Hoofdstuk: Het paradijs is dichter bij eenieder van jullie dan zijn schoenveters, en het vuur evenzo
Hoofdstuk: Laat men kijken naar wie onder hem is en laat hij niet kijkt naar wie boven hem is
Hoofdstuk: Wie de intentie heeft om een goede of slechte daad te begaan
Hoofdstuk: De opheffing van het vertrouwen
Hoofdstuk: Veinzen om gezien of gehoord te worden
Hoofdstuk: Bescheidenheid
Hoofdstuk: Als iemand ervan houdt om Allah te ontmoeten, dan houd Allah er [ook] van om hem te ontmoeten
Hoofdstuk: De doodsnood
Hoofdstuk: Allah zal tijdens de Opstandingsdag de aarde grijpen Hoofdstuk: De Verzameling
Hoofdstuk: De Uitspraak van Allah: (Denken diegenen dan niet zullen worden opgewekt voor een geweldige dag, de dag waarop de mensen zullen
staan voor de Heer van de werelden) [83:4-6]
Hoofdstuk: De wedervergelding tijdens de Opstandingsdag
Hoofdstuk: Een beschrijving van het paradijs en de hel
Hoofdstuk: Over de Hawdh [poel, bassin]

78. Het boek van de voorbeschikking

Hoofdstuk: De Pen is opgedroogd in overeenkomst met de Kennis van
Hoofdstuk: (En het Bevel van Allah is een vaststaande voorbeschikking)
Hoofdstuk: De gelofte brengt de dienaar naar de voorbeschikking
Hoofdstuk: De beschermde is wie door Allah is beschermd
Hoofdstuk: Hij komt tussen een persoon en zijn hart

79. Het boek van de eden en de geloften

Hoofdstuk: Het boek van de eden en de geloften
Hoofdstuk: Hoe de eed van de Profeet was
Hoofdstuk: De Uitspraak van Allah: (En zij zweerden bij Allah met hun krachtigste eden...) [24:53]
Hoofdstuk: Als iemand zijn eed uit vergeetachtigheid verbreekt
Hoofdstuk: De gelofte [nadhr] van gehoorzaamheid
Hoofdstuk: De gelofte [nadhr] van iets wat men niet bezit of van zondigheid

80. Het boek van de eden en de geloften

Hoofdstuk: Het boek van de eden en de geloften
Hoofdstuk: Hoe de eed van de Profeet was
Hoofdstuk: De Uitspraak van Allah: (En zij zweerden bij Allah met hun krachtigste eden ...) [24:53]
Hoofdstuk: Sls iemand zijn eed uit vergeetachtig heid verbreekt
Hoofdstuk: De gelofte [nadhr] van gehoorzaamheid
Hoofdstuk: De gelofte [nadhr] van iets wat men niet bezit of van zondigheid
Hoofdstuk: De saa` van Al-Madienah en de Mudd van de Profeet

81. Het boek van de erfenissen

Hoofdstuk: Wat een kind erft van zijn vader en zijn moeder
Hoofdstuk: Wat de dochter van een zoon samen met een eigen dochter erven
Hoofdstuk: De bevrijde slaaf van een volk behoort tot henzelf en de zoon van de zus is ook van hen
Hoofdstuk: Wie zichzelf toeschrijft aan een ander dan zijn vader

82. Het boek van de islamitische straffen

Hoofdstuk: Slaan met palmtakken en schoenen
Hoofdstuk: Het vervloeken van de dief
Hoofdstuk: Het afhakken van de hand en voor welke waarde

83. Het boek van de oorlogvoerende ongelovigen en afvalligen

Hoofdstuk: Mate van disciplineren en tuchtigen
Hoofdstuk: Slaven betichten [van ontucht]

84. Het boek van de bloedgelden

Hoofdstuk: (En wie haar [een ziel] laat leven, is alsof hij alle mensen heeft laten leven) [5:32]
Ioofdstuk: De Uitspraak van Allah: (...dat leven om leven, en oog oog...) [5:45]
Hoofdstuk: Wie verzoekt om het onrechtmatig bloedvergieten van een persoon
Hoofdstuk: Wie zijn recht neemt of zich vergeldt zonder tussenkomst de heerser
Hoofdstuk: Het bloedgeld voor vingers
85. Het boek van het geven van een berouwoptie aan de afvallige de halsstarrigen en hen bestrijden

Hoofdstuk: De zonde van wie veelgoderij naast Allah pleegt

86. Het boek van droomuitleg

Hoofdstuk: De dromen van rechtschapenen
Hoofdstuk: De dromen zijn afkomstig van Allah
Hoofdstuk: A1-Mubasshiraat
Hoofdstuk: Wie de Profeet in een droom ziet
Hoofdstuk: Dromen overdag
Hoofdstuk: Vastgebonden in een droom
Hoofdstuk: Als men droomt dat hij iets verwijdert van de ene plek naar een plek
Hoofdstuk: Wie liegt over zijn droom
Hoofdstuk: Wie niet vindt dat de droom wordt toegeschreven aan de eerste uitlegger ervan als hij ongelijk heeft

87. Het boek van de beproevingen

Hoofdstuk: De uitspraak van de Profeet: Jullie zullen na mij zaken zien die jullie zullen afkeuren."
Hoofdstuk: De verschijning van beproevingen
Hoofdstuk: Elke tijd die komt of wat erna komt is erger dan dat
Hoofdstuk: De uitspraak van de Profeet: "Wie de wapens tegen ons opneemt, behoort niet tot ons."
Hoofdstuk: Er zullen zich beproevingen voordoen; wie er tijdens zit, is beter dan wie staat
Hoofdstuk: Als bedoeen leven [in de woestijn] tijdens beproeving
Hoofdstuk: Als Allah een kwelling neerzendt op een volk
Hoofdstuk: Als men hij een volk iets zegt, en na zijn vertrek iets zegt wat er tegenstrijdig is
Hoofdstuk: De verschijning van het vuur

88. Het boek van de regelgevingen

Hoofdstuk: Luisteren naar en gehoorzamen van de leider zolang het geen zonde betreft
Hoofdstuk: Wat afgekeurd wordt aan het gespitst zijn op de heerschappij
Hoofdstuk: Als iemand wordt aangesteld over onderdanen en niet adviserend optreedt
Hoofdstuk: Wie het moeilijk maakt voor de mensen, voor hem maakt Allah het ook moeilijk
Hoofdstuk: Mag de rechter oordelen of een vonnis uitspreken, terwijl hii boos is?
Hoofdstuk: Wat aanbevolen wordt voor de secretaris
Hoofdstuk: Hoe de leider de gelofte van trouw van de mensen afneem
Hoofdstuk: Het aanstellen van een kalief als opvolger

89. Het boek van het wensen

Hoofdstuk: Afkeurenswaardige wensen

90. Het boek van het vasthouden aan het Boek [de Qor'aan] en aan de Soennah

Hoofdstuk: Het volgen van de Soennah van de Boodschapper van AllahSallalahu 'alaihi wasalam
Hoofdstuk: Wat afgekeurd wordt aan het stellen van veel vragen en dat men zichzelf belast met wat hem niet aangaat
Hoofdstuk: Wat er wordt genoemd aan misprijzing van [religieuze oordelen op basis van] meningsvorming en geforceerde analogie
Hoofdstuk: De uitspraak van de Profeet: `Jullie zullen de wegen van degenen die voor jullie waren volgen."
Hoofdstuk: Steniging van getrouwde [ontuchtigen]
Hoofdstuk: De beloning van de rechter die zijn inspanning levert en vervolgens correct of fout heeft
Hoofdstuk: Wie van mening is dat het uitblijven van afkeuring van de Profeet een bewijs is

91. Het boek van het Islamitische monothesme

Hoofdstuk: Wat is overgeleverd over de uitnodiging van de Profeet van gemeenschap naar de Eenheid van Allah
Hoofdstuk: De Uitspraak van Allah: (Voorwaar, Allah is De Voorziener, de Bezitter van de Kracht, de Alsterke) [51:58]
Hoofdstuk: De Uitspraak van Allah: (En Hij is de Almachtige, de Alwijze) [14:4], en Zijn Uitspraak: (Verheerlijkt is jouw Heer, de Heer van de macht) [37:180], en Zijn Uitspraak: (En aan Allah behoort de macht toe aan Zijn Boodschapper) [63:8]
Hoofdstuk: De Uitspraak van Allah: (En Allah waarschuwt jullie voor Zichzelf) [3:28], en Zijn Uitspraak: (U weet wat er in mij zelf is en ik weet wat er in U Zelf is) [5:116]
Hoofdstuk: De Uitspraak van Allah: (Zij willen het Woord van Allah wijzigen [48:15]
Hoofdstuk: Het Spreken van Allah tijdens de Opstandingsdag tegen de Profeten en en anderen
Hoofdstuk: De Weegschaal van de daden en de uitspraken tijdens de Opstandingsdag

Deel 2 Sahieh Al-Boekharie

50. Het boek van giften, hun verdiensten en de aansporing ertoe

Top Index
Hoofdstuk: De verdienste van giften
1145. Overgeleverd van Abu Hurairah is dat de Profeet heeft gezegd: "0 moslimvrouwen! Laat iemand van jullie [de gift van] haar buurvrouw niet minachten, ook al is het de hoef van een schaap."

1146. Overgeleverd van `Aaichah is dat zij tegen `Urwah heeft gezegd: `O zoon van mijn zus, wij zagen de nieuwe maansikkel en de volgende nieuwe maansikkel, tot drie nieuwe maansikkels gedurende twee maanden, zonder dat in de kamers van de Boodschapper van AllahSallalahu 'alaihi wasalam vuur werd aangestoken.' Ik ['Urwah] vroeg: `O tante van moederskant, waar leefden jullie dan van?' Zij antwoordde: `Van de twee zwarte dingen; dadels en water. De Boodschapper van Allah had echter ook buren van de Ansaar, die melkschapen bezaten. Zij schonken de Boodschapper van AllahSallalahu 'alaihi wasalam van hun melk en hij gaf ons te drinken.'

1147. Overgeleverd van Abu Hurairah is dat de Profeet heeft gezegd: "Als ik zou worden uitgenodigd tot [het nuttigen van het vlees van] een schapenarm of een schapenpoot, zou ik daar zeker gehoor aan geven. Als mij een schapenarm of een schapenpoot geschonken zou worden, dan zou ik die zeker aannemen.

Hoofdstuk: Het aannemen van een jachtgeschenk
1148. Overgeleverd van Anas is dat hij heett gezegd: Wij joegen achter een konijn aan in Marr Adh-Dhahraan. De mensen renden erachteraan totdat zij vermoeid raakten. Ik kon het echter inhalen en bracht het naar Abu Talhah. Hij slachte het en stuurde de heup of de beide dijen ervan naar de Boodschapper van Allah, die dat aannam.' In een andere versie'...en hij at ervan.'

Hoofdstuk: Het aannemen van een geschenk
1149. Overgeleverd van Ibn `Abbaas is dat hij heeft gezegd: `De tante van moederskant van Ibn Abbaas, Umm Hufaid, schonk gedroogde melk, boter en hagedissen aan de Profeet. De Profeet van de gedroogde melk en van de maar liet de hagedis staan uit afkeer.' Ibn 'Abbaas heeft gezegd: `Hij werd wel gegeten aan de tafel van de schapper van Allah. Als hij verboden was, dan zou hij niet gegeten zijn aan de tafel van de Boodschapper van Allah.

1150. Overgeleverd van Abu Hurairah is dat wanneer er voedsel bij de Boodschapper van AllahSallalahu 'alaihi wasalam werd gebracht, hij vroeg of het een gift of een aalmoes was. Als zei dat het een aalmoes was, dan zei hij tegen zijn metgezellen: "Eet," zonder dat hij zelf at. Als men echter antwoordde dat het een gift was, haastte hij zich en at met hen mee.

1151. Overgeleverd van Anas Ibn Maalik is dat hij heeft gezegd: `Er werd vlees bij de Profeet gebracht en men zei: Dit is als aalmoes geschonken aan Barierab.' Hij zei: "Het is voor haar een aalmoes en voor ons een gift".'

Hoofdstuk: Wie zijn vriend een geschenk geeft en daarbij sommigen van zijn echtgenoten nastreeft ten koste van de anderen
1152. Overgeleverd van `Aaichah is dat de echtgenoten van de Boodschapper van AllahSallalahu 'alaihi wasalam bestonden uit twee groepen. De ene groep bestond uit `Aaichah, Hafsah, Safivvah en Sawdah. De andere groep bestond uit Umm Salamah en de overige echtgenoten van de Boodschapper van AllahSallalahu 'alaihi wasalam. De moslims wisten van de liefde van de Boodschapper van AllahSallalahu 'alaihi wasalam voor `Aaichah. Als iemand van hen dus een gift had die hij aan de Boodschapper van AllahSallalahu 'alaihi wasalam wilde schenken, dan stelde hij dit uit. Toen de Boodschapper van AllahSallalahu 'alaihi wasalam in de woning van `Aaichah was, stuurde de eigenaar van de gift haar naar de Boodschapper van AllahSallalahu 'alaihi wasalam in het huis van `Aaichah. De groep van Umm Salamah sprak haar toen aan en zei tegen haar: `Praat met de Boodschapper van AllahSallalahu 'alaihi wasalam en laat hem tegen de mensen zeggen dat wie een gift wil schenken aan de Boodschapper van AllahSallalahu 'alaihi wasalam laat hij haar dan aan hem schenken in welk huis van de huizen van zijn echtgenoten hij zich ook bevindt.' Umm Salamah zei tegen hem wat zij van haar vroegen. Hij antwoordde haar met niets. Toen zij haar vroegen, zei zij: `Hij anttoordde mij met niets.' Zij zeiden tegen haar: `Praat nog een keer met hem.' Zij zei: `Dus toen het mijn beurt was met hem, sprak ik hem.' Hij antwoordde haar echter met niets. Toen hij haar vroegen, zij: `Hij antwoordde mij met niets.' Zij zeiden tegen haar: `Praat nog een keer met hem, totdat hij jou antwoordt.' Toen het weer haar beurt was met hem, sprak zij hem erover en hij zei tegen haar: "Val mij niet lastig omwille van `Aaichah. Toen de openbaring naar mij kwam, bevond ik mij in het kleed van geen enkele andere vrouw dan 'Aaichah." Zij heeft gezegd dat zij toen zei: `O Boodschapper van AllahSallalahu 'alaihi wasalam, ik trek berouw bij Allah voor het lastigvaler van u.' Vervolgens verzochten zij Fatimah de dochter van de Boodschapper van AllahSallalahu 'alaihi wasalam en zij bracht het bericht over aan de Boodschapper van AllahSallalahu 'alaihi wasalam en zij zei tegen hem: `Uw echtgenoten bezweren u bij Allah om rechtvaardigheid te betrachten met betrekking tot de dochter van Abu Bakr.' Hij zei: "0 mijn dochtertje, hou je niet waar ik van hou?" Zij antwoordde: Jawel.' Zij keerde toen naar hen en vertelde hun dit. Zij zeiden: `Ga weer naar hem terug.' Zij weigerde echter om terug te gaan. Daarom stuurden zij Zainah Hint Djahsh. Toen zij bij hen kwam, sprak zij hem hard toe en zei: echtgenoten bezweren u bij Allah om rechtvaardigheid te betrachten met betrekking tot de dochter van lbn Abi Quhaafah.' Zij verhief haar stem totdat zij afwijzend sprak over `Aaichah, terwijl zij zat en zij beschimpte haar. De Boodschapper van AllahSallalahu 'alaihi wasalam keek naar `Aaichah of zij zou spreken. Aaichah sprak toen en antwoordde Zainab, totdat zij haar het zwijgen oplegde. Zij heeft gezegd: `De Profeet keek toen naar `Aaichah en zei: "Zij is de dochter van Abu Bakr".'

Hoofdstuk: Het geschenk dat niet afgewezen wordt
1153. Overgeleverd van Anas is dat de Profeet geen parfum afwees.

Hoofdstuk: Het belonen voor een gift
1154. Overgeleverd van Aaichah is dat zij heeft gezegd: `De Boodschapper van AllahSallalahu 'alaihi wasalam had de gewoonte om geschenken te accepteren en om ervoor te belonen.

Hoofdstuk: Het laten getuigen van een gift
1155. Overgeleverd van An-Nu`maan Ibn Bashier is dat hij heeft gezegd: 'Mijn vader schonk mij een gift, maar [mijn moederj `Amrah Bint Rawaahah zei: Ik ben pas tevreden als jij de Boodschapper van AllahSallalahu 'alaihi wasalam ervan laat getuigen.' Daarom kwam hij naar de Boodschapper van AllahSallalahu 'alaihi wasalam en zei: `Ik heb mijn zoon van `Amrah Bint Rawaahah een gift geschonken, maar zij gebood mij om u te laten getuigen, o Boodschapper van AllahSallalahu 'alaihi wasalam.' Hij vroeg toen: "Heb je al je zoons hetzelfde gegeven als aan hem?" Hij antwoordde: `Nee.' Hij zei: "Vrees Allah en weez rechtvaardig tussen jullie kinderen." Hij zei: `Hij keerde toen terug en nam zijn gift terug."

Hoofdstuk: De gift van een man aan zijn echtgenote en van een vrouw aan haar echtgenoot
1156. Overgeleverd van Ibn `Abbaas is dat de Profeet heeft gezegd: Wie zijn gift terugneemt is net als een hond die kotst en daarna zijn braaksel weer inneemt."

Hoofdstuk: De gift van een vrouw aan een ander dan haar echtgenoot en haar vijheidsschenking als zij een echtgenoot heeft
1157. Overgeleverd van Maymounah Bint Haarith is dat zij een slavin vrijheid schonk schonk ten tijde van de Boodschapper van AllahSallalahu 'alaihi wasalam zonder dat zij de Profeet om toestemming vroeg. Op de dag dat het haar beurt was met hem, zei 0 Boodschapper van AllahSallalahu 'alaihi wasalam, wist u dat ik mijn slavin vrijheid heb geschonken? Hij vroeg: "Heb jij dat dan gedaan?" Zij antwoordde: Ja.' Hij zei: "Als je haar geschonken aan je ooms van moederskant had dat je beloning vermeerderd."

1158. Overgeleverd is dat zij heeft gezegd: `De Boodschapper van AllahSallalahu 'alaihi wasalam had de gewoonte als hij wilde vertrekken voor een reis, om te loten tussen zijn vrouwen. Degene van hen op wie het lootje viel, ging met hem mee op reis. Hij bedeelde elke vrouw van hen ook haar eigen dag en nacht toe. Sawdah Bint 'Zam`ah schonk haar dag echter aan `Aaichah de echtgenote van de Profeet. Zij streefde daarmee naar de tevredenheid van de Boodschapper van AllahSallalahu 'alaihi wasalam.'

Hoofdstuk: Hoe over een slaaf of bezit beschikt wordt
1159. Overgeleverd van AI-Miswar Ibn Makhramah is dat de Boodschapper van AllahSallalahu 'alaihi wasalam overjassen uitdeelde, maar niets ervan aan Makhramah gaf. Makhramah zei toen: `O mijn zoon, kom met mij mee naar de Boodschapper van AllahSallalahu 'alaihi wasalam.' Ik ging met hem mee en hij zei tegen mij: `Ga naar binnen en roep hem voor mij.' Ik riep hem voor hem en hij kwam naar buiten met n van die overjassen aan. Hij zei: "Ik heb deze voor jou achtergehouden." Hij keek hem aan en zei: "is Makhramah tevreden?"

Hoofdstuk: Het schenken van iets wat men zelf met afkeer draagt
1160. Overgeleverd van Ibn 'Omar is dat hij heeft gezegd: `De Profeet kwam naar het huis van [zijn dochter] Faatimah, maar hij ging niet bij haar naar binnen. Toen [haar echtgenoot] `Ali kwam, berichtte zij hem hierover. Toen hij vervolgens de Profeet daarover vroeg, zei hij: "Ik zag op haat deur een gordijn met gekleurde strepen." En hij zei: "Ik heb niets te doen met het wereldse." `Ali kwam bij haar terug en berichtte haar daarover. Zij zei toen: `Laat hem mij hierover bevelen wat hij wil.' Hij zei: "Laat nnar hem sturen naar die-en-die. Zij zijn behoeftig gezin".'

1161. Overgeleverd van Ali is dat hij heeft gezegd: `De Profeet schonk mij een gewaad bewerkt met zijden strepen. Toen ik het aantrok, kon ik de boosheid aflezen van zijn gezicht. Daarom knipte ik het in stukken en verdeelde die onder mijn vrouwen.

Hoofdstuk: Het aannemen van een geschenk van de veelgodenaanbidders
1162. Overgeleverd van `Abdur-Rahmaan Ibn Abi Bakr is dat hij heeft gezegd: Wij waren honderddertig man met de Profeet. De Profeet vroeg: Heeft iemand van jullie voedsel bij zich?" Een man had ongeveer een saa' [bijna drie kilo] voedsel bij zich, dat werd gekneed. Vervolgens kwam er een buitengewoon man van de veelgodenaanbidders met lang en onverzorgd haar. Hij schapen met zich mee. De Profeet vroeg hem: "Verkoop je of geef je een geschenk of hij heeft gezegd: een gift)?" 'Nee, ik verkoop.' Hij kocht toen van hem, die bereid werd. De Profeet beval om de lever te braden. Bij niemand van de honderddertig bleef zonder dat de Profeet een stuk van de lever voor hem had afgesneden. De aanwezigen gaf hij en voor de afwezigen bewaarde hij het. Hij verdeelde de ooi over twee grote kommen. Iedereen at en wij raakten verzadigd. Wat in de twee grote kommen, dreogen wij op een kameel. Of zoals hij heeft gezegd.

Hoofdstuk: Het geven van een geschenk aan de veelgodenaanbidders
1163. Overgeleverd van Asmaa' de dochter van Abu Bakr is dat zij zei: `Mijn moeder kwam naar mij toe ten tijde van de Boodschapper van AllahSallalahu 'alaihi wasalam vroeg toen de Boodschapper van AllahSallalahu 'alaihi wasalam en ik zei tegen hem: `Mag ik de familieband met mijn moeder onderhouden, terwijl zij bereidwillig is?' Hij antwoordde: "ja, onderhoud de familieband met jouw moeder".'

1164. Overgeleverd van Ibn `Omar is dat hij bij Marwaan voor de kinderen van Sohaib getuigde dat de Boodschapper van AllahSallalahu 'alaihi wasalam twee huizen en een kamer aan Sohaib had gegeven. Daarom velde Marwaan een oordeel in overeenstemming met zijn getuigenis voor hen.

Hoofdstuk: Wat is gezegd over levens lange schenking of levenslange ter beschikking stelling
1165. Overgeleverd van Djaabir is dat heeft gezegd: `De Profeet heeft geoordeeld dat wat voor levenslang is geschonken toekomt aan de persoon aan wie het is geschonken.'

Hoofdstuk: Het lenen aan een bruid tijdens de bruiloft
1166. Overgeleverd van `Aaichah is dat Ayman bij haar binnenkwam terwijl zij een Qatarese jurk aan had ter waarde van vijf dirhams. Zij zei tegen hem: Kijk naar mijn slavin. Zij is te trots o hem thuis aan te doen. Ik had een soortgelijke jurk ten tijde van de Boodschapper van AllahSallalahu 'alaihi wasalam. Elke vrouw die in die tijd in Al-Madienah werd opgemaakt [als bruid], stuurde iemand naar mij om te lenen.'

Hoofdstuk: De verdienste van bruikleen [van een schaap of kamelin]
1167. Overgeleverd van Anas lbn Maalik is dat hij heeft gezegd: `Toen de emigranten uit Mekka in Al-Madienah aankwamen, bezaten zij niets. De Ansaar waren de bezitters van grond en vastgoed. De Ansaar deelden daarom met hen, onder de voorwaarde dat zij hen jaarlijks de opbrengsr van [halve opbrengst van de] vruchten van hun rijkdommen zouden geven en hen het werk inspanning uit handen zouden. Zijn moeder (Umm Sulaim, de moeder van Anas) was ook de moeder van `Abdullaah Ibn Abi Talhah. De moeder van Anas had een aantal palmbomen, dat zij aan de Boodschapper van AllahSallalahu 'alaihi wasalam schonk. De Profeet gaf ze op zijn beurt aan Umm Ayman, zijn bevrijde slavin, de moeder van Usaamah Ibn Zavd.' Anas Ibn Maalik heeft gezegd: `Toen de Profeet klaar was met het doden van de inwoners van Khaibar, keerde hij terug naar Al-Madienah. De emigranten gaven toen wat zij in bruikleen hadden genomen aan vruchten terug aan de Ansaar. De Profeet gaf toen aan zijn moeder [de moeder van Anas] haar palmbonnen terug en hij gaf aan Umni Ayman in plaats daarvan een deel van zijn eigen boomgaard.'

1168. Overgeleverd van `Abdullaah Ibn `Amr is dat de Boodschapper van AllahSallalahu 'alaihi wasalam heeft gezegd: "Er zijn veertig eigenschappen, waarvan het in bruikleen geven van een vrouwtjesgeit de hoogste is. Eenieder die n van deze eigenschappen ten uitvoer brengt, hopend op haar beloning en gelovend in de belofte daarvan, hem zal Allah middels haar het paradijs binnenbrengen."

51. Het boek van getuigenissen

Hoofdstuk: Men getuigt

Top II
niet van een getuigenis van onrecht als hem wordt gevraagd om te getuigen
1169. Overgeleverd van `Abdullaah Ibn Ma'oed is dat de Profeet heeft gezegd: "De beste mensen zijn die van mijn tijdperk, en daarna die na hen komen, en daarna die na hen komen. Vervolgens komen er volkeren waarvan iemands getuigenis zijn eed inhaak en zijn eed zijn getuitegis

Hoofdstuk: Wat er is gezegd over een valse getuigenis
1170. Overgeleverd van Abi Bakrah is dat de profeet heeft gezegd: "Zal ik jullie berichten de grootste grote zonden? (Hij herhaalde dit drie keer)." Men zei: `jawel, O Boodschapper van AllahSallalahu 'alaihi wasalam.' Hij zei: "Deelgenoten toekennen aan Allah en ongehoorzaamheid aan de ouders." Hij ging zitten nadat hij leunde en zei: "En zeker ook het afleggen van een valse getuigenis." Hij bleef dit maar herhalen, totdat wij zeiden: Zweeg hij maar.'

Hoofdstuk: De getuigenis van een blinde, zijn gebod, zijn huwelijk, zijn huweliijksvoltrekking, zijn handelstransachties, en hem accepteren voor de gebedoproep en voor zaken die door geduid begrepen kunnen worden
1171. Overgeleverd van `Aaichah is dat zij heeft gezegd: `De Profeet hoorde een man in de moskee reciteren, toen hij zei: "Moge Allah hem genadig zijn. Hij heeft mij dat-en-dat vers herinnerd dat ik was vergeten van die-en-die Soerah".'

1172. Van haar is in een andere versie overgeleverd dat zij heeft gezegd: `De Profeet verrichtte tahadjud * in mijn huis, toen hij de stem van `Abbaad hoorde die in de moskee aan het bidden was. Hij vroeg toen: "0 `Aaichah, is dit de stem van Abbaad?" Ik antwoordde: `Ja.' Hij zei: "0 Allah, wees Abbaad genadig".'

Hoofdstuk: Vrouwen die getuigen van elkaars rechtvaardigheid
1173. Overgeleverd van `Aaichah is dat zij heeft gezegd: De Boodschapper van AllahSallalahu 'alaihi wasalam had de gewoonte als hij wilde vertrekken voor een reis, om te loten tussen zijn vrouwen. Degene van hen op wie het lootje viel, ging met hem mee op reis. Tijdens n van de veldslagen waar hij deel aan nam, liet hij ons weer lootjes trekken en het lootje viel op mij. lk vertrok met hem, [en dit was] nadat de [verplichting van] sluiering [hidjaab] was geopenbaard. Ik werd gedragen en neergelegd in een baldakijn. Vervolgens vertrokken wij. De Boodschapper van AllahSallalahu 'alaihi wasalam voltooide deze slag en ging huiswaarts. Toen wij Al-Madienah naderden, gaf hij tijdens een nacht de opdracht om te vertrekken. Toen de opdracht on te vertrekken. Toen de opdracht tot vertrek werd gegeven, stond ik op en liep totdat ik het leger [kamp] passeerde. Toen ik mijn behoefte had gedaan en terug wilde keren naar het kamp, voelde ik aan mijn hals. Ik merkte toen dat een kralendeketting van mij gebroken was. Ik keerde terug, op zoek naar mijn ketting. Het zoeken ernaar hield mij op. Degenen die mij persoonlijk op mijn kameel tilden kwamen hieven mijn baldakijn op. Zij tilden de baldakijn bovenop de kameel die ik bereed, omdat zij dachten dat ik erin zat.Toen waren de vrouwen namelijk licht en niet zwaar en omringd door vet. Zij immers slechts weinig voedsel. Hier merkten zij [die mij droegen] geen verschil [in gewicht] toen zij de baldakijn en deze vervolgens op de kameel legden. Ik was in die tijd een jong meisje. Zij lieten de kameel opstaan en vertrokken. Ik vond mijn halsketting pas het leger was vertrokken. Toen ik dus hun kamp aankwam, trof ik daar niemand aan. Vervolgens wendde ik mij tot de plek waar ik normaal verbleef [in het kamp], denkende dat zij mij wel zouden missen en naar mij terug zouden komen. Terwijl ik [daar] zat, werden mijn ogen zwaar en ik viel in slaap. Safwaan Al-Mu`attil As-Sulami Adhaani bevond zich achter het leger en bereikte in de ochtend de plek waar ik mij bevond. Hij zag de contouren van een een slapende persoon en kwam naar mij toe. ii gewoonlijk vr [de openbaring van de verplichting van] de hidjaab. Ik ontwaakte omdat ik hem hoorde zeggen: "Innaa Lillaahi Wa Innaa Rayhi Raadji`oen" [Voorwaar, aan Allah behoren wij en voorwaar, tot Hem zullen wij terugkeren].

Hij liet zijn rijkameel knielen, hij stapte op haar voorpoot en ik besteeg haar. Hij vertrok, terwijl hij zijn rijkameel met mij erop leidde, totdat wij bij het leger aankwamen, nadat zij waren neergestreken tegen het middaguur. Hier raakte wie in aanmerking kwam voor vernietiging, vernietigd [door mee te gaan in het lasterverhaal, de valse beschuldiging van Aaichah. `Abdullaah Ibn Ubayy Ibn Saloel was degene die de laster als eerste naar voren bracht. Wij kwamen vervolgens aan in A1-Madienah, waar ik een maand lang ziek was, terwijl de mensen het verhaal van de lasteraars [die mij valselijk beschuldigden] veelvuldig navertelden. Wat mij aan het twijfelen bracht tijdens mijn ziekte, was dat ik de gewoonlijke vriendelijkheid van de Profeet die ik tijdens ziekte ontving, niet meer zag. Hij kwam binnen, groette en vroeg vervolgens: "Hoe gaat het met haar?" Ik wist niets van wat er aan de hand was, totdat ik beter werd. Ik ging toen naar buiten met Umm Mistah, richting Al-Manaasi`, de plek waar wij gewoonlijk onze behoefte deden. Wij hadden de gewoonte om alleen van nacht tot nacht hiervoor naar buiten te gaan. Dit was namelijk vrdat wij toiletten hadden dicht bij huis. Deze gewoonte van ons was gelijk aan de gewoonte van de vroegere Arabieren in de wildernis of weg van huis. Toen ik en Umm Mistah bint Abi Rohm lopend vertrokken, struikelde zij over haar lange jurk en zei: Moge Mistah te gronde gaan.' Ik zei toen tegen haar: Wat slecht is wat je heb zezegd. Scheld je een man uit die [de slag om] Badr heeft bijgewoond?' Toen zei ze: 'H jij! Heb je niet gehoord wat ze hebben gezegd?'

Hierop vertelde zij mij de beschuldiging van de lasteraars, waar ik nog zieker van werd dan ik al was. Toen ik terugkeerde naar mijn huis, kwam de Boodschapper van AllahSallalahu 'alaihi wasalam bij mij binnen, groette en zei: "Hoe gaat het met haar? Ik vroeg hem toen: `Geef mij toestemming om naar mijn ouders te gaan.' Zij Aaichah zei: `Ik wilde toen zekerheid over het nieuws krijgen van hen [mijn ouders].' De Boodschapper van AllahSallalahu 'alaihi wasalam gaf mij toestemming. Ik kwam bij mijn ouders en vroeg aan mijn moeder: Waar hebben de mensen het over?' Zij antwoordde: `O mijn dochtertje, maak je hier niet te druk over. Want bij Allah, het kom slechts weinig voor dat een charmante echtgenote van een man met bijvrouwen die van haar houdt bij hem blijft, zonder dat zij veel [slechts] over haar zeggen.' Ik zei: `Verheven is Allah! Praten de mensen hier echt over?' Zij [Aaichah zei: 'Ik bracht die nacht door tot aan de ochtend, zonder dat mijn tranen ophielden met stromen en zonder ook maar een oog dicht te doen. Daarna werd het ochtend. De Boodschapper van AllahSallalahu 'alaihi wasalam riep Ali Ibn Abi Taalib Usaamah lbn Zayd bij zich, toen de openbaring op zich liet wachten, om hen om te vragen over het scheiden van zijn echtgenote ['Aaichah Usaamah adviseerde hem op basis van wat hij wist van zijn eigen liefde voor hen ede echtgenotes van de Profeet. Daarom zei Usaamah: `Houd uw echtgenote, o Boodschapper van AllahSallalahu 'alaihi wasalam. Want bij Allah, wij weten alleen het goede [over haar].' `Ali Ibn Abi Taalib zei echter: `0 Boodschapper van AllahSallalahu 'alaihi wasalam, Allah heeft u niet beperkt en er zijn veel andere vrouwen behalve zij. Bovendien kunt u haar dienstmeisje vragen, want zij zal u de waarheid vertellen.' Daarom riep de Boodschapper van AllahSallalahu 'alaihi wasalam Barierah bij zich en zei: "0 Barierah, heb je ooit iets in haar gezien wat je aan het twijfelen heeft gebracht?" Barierah antwoordde: `Bij Hem Die u met de waarheid heeft gezonden, ik heb nooit iets van haar gezien waarom ik haar zou moeten bekritiseren, behalve dat zij een jong meisje is dat [wel eens] in slaap valt. Hierdoor laat ze het deeg, dat dan opgegeten wordt door de huisdieren.' Diezelfde dag stond de Boodschapper van AllahSallalahu 'alaihi wasalam op en vroeg om hulp bij het nemen van wraak tegen 'Abdullaah Ibn Ubayy Ibn Sahel. De Boodschapper van AllahSallalahu 'alaihi wasalam zei toen: "Wie helpt mij om wraak te nemen tegen een man van wie het kwaad mij heeft bereikt over mijn echtgenotes. Want bij Allah, ik weet niets anders dan het goede over mijn echtgenotes. Zij hebben [in hun lasterverhaal] een man beticht waarvan ik ook niets anders dan het goede weet, die gewoonlijk niet bij mijn echtgenotes naar binnen ging behalve met mij." Toen stond Sa'd Ibn Mu`aadh op en zei: '0 Boodschapper van AllahSallalahu 'alaihi wasalam, ik zal u - bij Allaab - helpen om wraak te nemen tegen hem. Als hij behoort tot [de stam van] Al-Aws, dan zullen wij zijn hoofd afhakken. Als hij echter behoort tot onze broeders van [de stam van] Al-Khazradj; beveelt u ons en wij zullen uw bevel over hem uitvoeren.' Vervolgens stond Sa'd Ibn `Ubaadah op, de leider van Al-Khazradj. Hij was voorheen een vrome man, maar hij werd meegesleurd door geestdrift. Hij zei: `jij hebt gelogen, bij Allah. jij zult hem niet doden en jij bent niet in staat om dat te doen.' Vervolgens stond Usayd Ibn Al-Hudhair op en zei: Jij hebt gelogen, bij Allah. Wij zullen hem wel doden en jij bent een huichelaar die opkomt voor de huichelaars.' Hierop vielen beide stammen - Al-Aws en Al-Khazradj - tegen elkaar uit, totdat zij op punt stonden om tegen elkaar te strijden, terwijl de Boodschapper van AllahSallalahu 'alaihi wasalam op de preekstoel stond. Hij daalde neer en maande hen tot rust. Hij werd pas stil nadat zij stil waren. Ik huilde de hele dag door, zonder dat mijn tranen ophielden en een oog dicht te doen. In de ochtend waren mijn ouders met mij, nadat ik de twee nachten en een dag had gehuild, totdat ik dacht dat mijn lever door het zou gaan barsten.' Zij [Aaichah] heeft gezegd: `Terwijl zij [mijn ouders] mij bij zaten en ik huilde, vroeg n van de vrouwen van Al-Ansaar toestemming om binnen te komen. Ik gaf haar toestemming en zij kwam bij me zitten en met mij mee. Terwijl wij daar zo zaten, kwam opeens de Boodschapper van AllahSallalahu 'alaihi wasalam binnen en ging zitten. Hij had daarvoor niet meer met mij gezeten sinds de dag dat die uitspraak [van de valse beschuldiging] over mij gezegd was, Hij had al een maand lang geen openbaring ontvangen over mijn kwestie.' Zij Aaichah heeft gezegd: `Hij sprak de geloofsgetuigenis uit en zei: "0 `Aaichah, vervolgens dit: ik heb zus en zo over jou gehoord. Als je onschuldig bent, dan zal Allah jou vrijspreken. Als je een zonde zou hebben gepleegd, vraag dan Allah om vergeving en keer in berouw terug naar Hem. Als de dienaar immers zijn zonde toegeeft en vervolgens berouwvol is, zal Allah zijn berouw accepteren." Toen de Boodschapper van AllahSallalahu 'alaihi wasalam uitgesproken was, stopten mijn tranen volledig, totdat ik geen druppel meer voelde. Ik zei tegen mijn vader: `Beantwoord de Boodschapper van AllahSallalahu 'alaihi wasalam voor mij.' Hij zei: `Bij Allah, ik weer niet wat ik tegen de Boodschapper van AllahSallalahu 'alaihi wasalam moet zeggen.' Vervolgens zei ik tegen mijn moeder: 'Beantwoord de Boodschapper van AllahSallalahu 'alaihi wasalam voor mij op wat hij heeft gezegd.' Zij antwoordde: `Bij Allah, ik weet niet wat ik tegen de Boodschapper van AllahSallalahu 'alaihi wasalam moet zeggen.' Zij `Aaichah heeft gezegd: `Ik was toen nog een jong meisje en had niet veel kennis van de Qor'aan. Ik zei: 'Bij Allah, ik weet dat jullie hebben gehoord wat de mensen zeggen, dat het zich in jullie harten heeft genesteld en dat jullie het geloven. Ook al zou ik tegen jullie zeggen dat ik onschuldig ben - en Allah weet dat ik onschuldig ben - dan zouden jullie dat toch niet geloven. En als ik iets zou toegeven - en Allah weet dat ik onschuldig ben - dan zouden jullie mij zeer zeker wel geloven. Allah, voor mij en jullie heb ik geen ander voorbeeld dan de vader van Yoesoef toen hij zei: (Dus geduld is het meest gepast. En het is Allah [Alleen] van Wie de hulp gezucht kan worden tegen datgene [de leugen] wat jullie beschrijven.) [Soerah Yoesoef (12):18]. Vervolgens draaide ik me om in mijn bed, terwijl ik hoopte dat Allah mij vrij zou spreken. Maar bij Allah, ik had nooit gedacht dat er openbaring zou neerdalen over mijn kwestie. Ik zag mezelf als minderwaardig dat de Qor'aan over mijn kwestie zou spreken. Ik hoopte echter wel dat de de Boodschapper van AllahSallalahu 'alaihi wasalam in zijn een droom zou zien die mij zou vrijspreken. Bij Allah, de Boodschapper van AllahSallalahu 'alaihi wasalam was nog niet opgestaan van zijn plaats en niemand van de bewoners had het huis verlaten, toen de openbaring tot hem werd neergezonden. Hij werd gegrepen door de hevigheid die hem gewoonlijk greep [bij het ontvangen van openbaring], van hem afstroomde tijdens een winterdag. Toen dit [deze hevigheid van openbaring] hem verliet, lachte hij. Het eerste woord dat hij sprak was dat hij tegen mij zei: "0 Aaichah prijs Allah want Hij heeft jou vrijgesproken." Mijn moeder zei toen tegen mij: 'Ga naar de Boodschapper van AllahSallalahu 'alaihi wasalam toe.' Ik antwoordde: `Nee! Bij ik ga niet naar hem toe. Ik prijs niemand anders dan Allah.' Allah openbaarde: (Waarlijk, degenen die de laster hebben gebracht zijn een groep onder jullie...) [Soerah An-Noer (24):11 en verder]. Toen Allah dit neerzond over mijn onschuld, zei Abu Bakr As-Siddieq - die normaal gesproken Mistah Ibn Uthaathah onderhield, vanwege zijn verwantschap: `Bij Allah, ik zal Mistah nooit meer onderhouden vanwege wat hij heeft gezegd over `Aaichah. Hierop openbaarde Allah: (En laat degenen onder jullie die zijn gezegend met gunsten en weelde niet zweren om niet aan hun verwanten te geven ... Hebben jullie niet graag dat Allah jullie vergeeft? En Allah is Vergevensgezind, meest Barmhartig.) [Soerah An-Noer (24):22]. Daarom zei Abu Bakr: `Bij Allah, ik heb graag dat Allah mij vergeeft.' En hij keerde terug naar Mistah en hielp hem weer zoals hij gewend was. De Boodschapper van Allah vroeg Zainab bint Djahsh over mij en zei: "0 Zainab, wat weet je? Wat heb je gezien?" Zij antwoordde dan: `0 Boodschapper van AllahSallalahu 'alaihi wasalam, ik bescherm mijn oren en ogen. Bij Allah, ik weet over haar niets anders dan het goede.' Zij `Aaichah heeft gezegd: `Zij was degene die mij evenaarde [in schoonheid en liefde van de Profeet voor haar) en Allah beschermde haar door haar vroomheid.'

* Tahadjud: vrijwillige nachtgebeden die op elk moment, na het `ishaa-gebed en voor fadjr-gebed, verricht kunnen worden.

Hoofstuk: Als een man een andere man aanbeveelt, is dat voldoende voor hem
1174. Overgeleverd van Abu Bakrah is dat hij heeft gezegd: `Een man prees een een andere man bij de Profeet. Hij zei toen: Wee jij, je hebt de nek van je vriend af afgehakt, jij hebt de nek van je vriend afgehakt." Hij herhaalde dit een aantal keer. Vervolgens zei hij: "Wie van jullie per se zijn broeder wil aanprijzen, laat hij dan zeggen: `Ik denk dat die-en-die zo is, maar Allah is zijn Voldoener. Ik beveel niemand aan jegens Allah. Ik denk echter dat hij zus en zo is,' als hij dat van hem weet.

Hoofdstuk: De volwassenheid van jongelingen en hun getuigenissen
1175. Overgeleverd van Ibn 'Omar is dat hij heeft gezegd dat de Boodschapper van AllahSallalahu 'alaihi wasalam hem op de dag van [de slag van] Uhud keurde toen hij veertien was, maar hem niet door liet gaan. Vervolgens keurde hij hem op de dag van [de slag van] Al-Khandaq toen hij vijftien was en hij liet hem doorgaan.

Hoofdstuk: Als sommigen zich haasten naar naar het afleggen van een eed
1176. Overgeleverd van Abu Hurairah is dat Profeet aan sommige mensen vertelde om een eed af te leggen. Zij haastten zich ernaar. Hij beval toen om loten onder hen te trekken voor de eed om wie van hen mocht zweren.

Hoofdstuk: Hoe men wordt gevraagd om te zweren
1177. Overgeleverd van Abdullaah lbn 'Omar is dat de Profeet heeft gezegd: "Wie zweert, moet bij Allah zweren of zwijgen."

Hoofdstuk: Een leugenaar is niet de persoon die de mensen verzoent
1178. Overgeleverd van Umm Kuthoem bint `Uqbah is dat zij de Boodschapper van AllahSallalahu 'alaihi wasalam heeft horen zeggen: "Een leugenaar is niet de persoon die de mensen verzoent door het goede door te vertellen of het goede te zeggen."

Hoofdstuk: Als de leider tegen zijn metgezellen zegt: `Kom, laten wij verzoening gaan sluiten.'

1179. Overgeleverd van Sahl Ibn Sa`d is dat de mensen van Qubaa' met elkaar de strijd aangingen, totdat zij stenen naar elkaar gooiden. Toen men de Boodschapper van AllahSallalahu 'alaihi wasalam daarover berichtte, zei hij: "Kom, laten we verzoening tussen hen gaan sluiten."

Hoofdstuk: Hoe opgeschreven wordt: dat is wat die-en-die, de zoon van die-en-die is overeengekomen met die-en-die zoon van die-en-die, zonder tieschrijving aan zijn stam of aan zijn afstamming
1180. Overgeleverd van Al-Baraa' Ibn Aazib is dat hij heeft gezegd: `De Profeet ging naar `umrah [Kleine bedevaart] dhul-qi`dah. De inwoners van Mekka weigerden echter om hem Mekka binnen te laten gaan, totdat hij contractueel met hen overeenkwam dat hij er slechts drie dagen in zou verblijven. Toen zij het docoment opstelden, schreven zij: `Dit is wat Mohammad de Boodschapper van Allah overeengekomen.' Zij zeiden: Dit erkennen wij niet. Als wij immers zouden weten dat jij de Boodschapper van AllahSallalahu 'alaihi wasalam bent, dan hadden wij jou niet tegengehouden. Jij bent echter Mohammad de zoon Abdullaah.' Hij zei: "Ik ben de Boodschapper van AllahSallalahu 'alaihi wasalam en ik ben Mohammad de zoon van Abdullaah." Vervolgens zei hij tegen `Ali: "Wis `de de Boodschapper van AllahSallalahu 'alaihi wasalam' uit." Hij antwoorde: `Nee, bij Allah, ik zal u nooit uitwissen.' De Boodschapper van Allah nam toen het document en liet schrijven: *Dit is wat Mohammad de zoon van 'Abdullaah is overeengekomen: Geen enkel wapen komt Mekka binnen, behalve in een schede. Niemand van haar inwoners mag haar verlaten, als zij hem willen volgen. En hij mag niemand van zijn metgezellen ervan weerhouden als hij in haar wil verblijven.' Toen hij haar binnen ging en de termijn verstreek, kwamen zij naar `Ali en zeiden tegen hem: `Zeg tegen jouw vriend dat hij weg bij ons moet gaan, want de termijn is verstreken.' De Profeet verliet haar en de dochter van Hamzah volgde hen: `0 oom van vaderskant, o oom van vaderskant.' `Ali Ibn Abi Taalib ontving haar en pakte haar bij haar hand vast. Hij zei tegen Faatimah: `Neem de dochter van jouw oom van vaderskant en til haar op.' `Ali, Zayd en Dja`far kregen toen ruzie om haar. `Ali zei toen: 'Ik heb meer recht op haar. Zij is de dochter van mijn oom van vaderskant.' Dja`far zei: `Zij is de dochter van mijn oom van vaderskant en haar tante van moederskant valt onder mij.' Zayd zei: `Zij is de dochter van mijn broer.' De Proteet bepaalde echter dat zij aan haar tante van moederskant toegekend moest worden en hij zei: "De tante van moederskant heeft dezelfde positie als de moeder." En hij zei tegen `Ali: `Jij bent van mij en ik ben van jou. En hij zei tegen Dja`far: `Jij lijkt op mij zovel wat uiterlijk als wat karakter betreft." En tegen Zayd zei hij: "Jij bent onze broeder onze bevrijde slaaf'.'

* De letterlijke bewoording van de overlevering is dat de Profeet zelf schreef. De tekstuele interpretatie zou hiermee echter strijdig zijn met het bekende principe dat de Profeet ongeletterd was. Daarom is door de geleerden onder andere gezegd dat de beteken is hier is dat de Profeet heeft laten schrijven. Ik wil de gerespecteerde lezer die zich hierin wil verdiepen verwijzen naar onder andere fathul-baari (7/567) en naar het islamitische onderzoekstijdschrifr van het algemene presidentium voor wetenschappelijk onderzoek, fataawa, uitnodiging en begeleiding van Saoedi Arabi (deel 45, pagina's 129 - 133), maar ook naar as-silsilah ad-da`iefah van sheikh Al Albaani (1/349, 2e druk, 1399 h, al-maktab al-islaam waarin hij zegt dat de beteken is hiervan hetzelfde is als de beteken is van de koning bouwde de stad,' waarmee bedoeld wordt dat hij opdracht gaf om haar te bouwen en nier zelf bouwde. [Voetnoot van de vertaler]

Hoofdstuk: De uitspraak van de Profeet tegen Al-Hasan Ibn 'Ali: "Deze zoon van mij is een heer."
1181. Overgeleverd van Abi Bakrah is dat hij heeft gezegd: `Ik zag de Boodsschapper van Allah op de preekstoel, terwijl Al-Hasan Ibn `Ali naast hem was. De profeet wendde zich een keer naar de mensen en de andere keer naar hem, terwijl hij zei: "Deze zoon van mij is een heer. Wellicht zal Allah door hem verzoening brengen tussen twee geweldige partijen van de moslims".'

Hoofdstuk: Mag de leider verzoening voorstellen?
1182. Overgeleverd van `Aaichah is dat zij heeft gezegd: `De Boodschapper van AllahSallalahu 'alaihi wasalam hoorde het lawaai van ruziemakers met luide stemmen bij de deur van de twee vroeg de ander om riichelding van en mildheid om iets, terwijl hij antwoordde: `Bij Allah, dat zal ik niet doen.' De Boodschapper van AllahSallalahu 'alaihi wasalam ging naar hen naar buiten en vroeg: Waar is degene die overtrokken zweert bij Allah dat hij geen gunst zal doen?" Hij o Boodschapper van AllahSallalahu 'alaihi wasalam. Hij zen welke van de twee [kwijtschelding of mildheid] hij liever heeft'.'

52. Het boek van Voorwaarden

Hoofdstuk: Voorwaarden voor de bruidschat tijdens het huwelijkscontract
1183. Overgeleverd van Ugbah Ibn `Aamir is dat de Boodschapper van Allah heeft gezegd: "De meest rechthebbende voorwaarden die jullie dienen te vervullen, zijn die waarmee geslachtsgemeenschap voor jullie toegestaan is geworden."

Hoofdstuk: Voorwaarden die niet zijn toegestaan in het islamitische strafrecht
1184. Overgeleverd van Abu Hurairah en Zayd Ibn Khaalid A1-Djuhani dat zij beiden hebben gezegd: `Een man van de bedoeenen kwam naar de Boodschapper van AllahSallalahu 'alaihi wasalam en zei: `O Boodschapper van Allah, ik bezweer u bij Allah om in overeenstemming met het Boek van Allah recht te spreken voor mij.' De opponent die neer kennis had zei: `Ja, spreekt u recht tussen ons met het Boek van Allah en geeft u mij toestemming [om te sprekenj.' De Boodschapper van AllahSallalahu 'alaihi wasalam zei: "Vertel." Hij zei: `Mijn zoon was een loonarbeider bij deze man en hij heeft overspel gepleegd met zijn echtgenote. Mij is verteld dat mijn zoon gestenigd moet worden. Ik heb hem echter vrijgekocht met honderd ooien en een slavin. Toen ik de geleerden vroeg, vertelden zij mij dat mijn zoon honderd zweepslagen verdient en verbanning gedurende een jaar, en dat de echtgenote van die man gestenigd dient te worden.' De Boodschapper van AllahSallalahu 'alaihi wasalam zei: `Bij degene in Wiens Hand mijn ziel ligt, ik zal tussen jullie beiden rechtspreken met het Boek van Allah. De slavin en de schapen worden verworpen. Jouw zoon verdient honderd zweepslagen en verbanning gedurende een jaar. 0 Unais, ga naar de echtgenote van deze man. Als zij erkent, stenig haar dan." Hij ging naar haar toe en zij erkende. Daarom droeg de Boodschapper van AllahSallalahu 'alaihi wasalam op om haar te stenigen en dat geschiedde.'

Hoofdstuk: Voorwaarden stellen aan deelpacht
1185. Overgeleverd van Ibn `Omar is dat hij heeft gezegd: `Toen de inwoners van Khaibar gewrichten van Adullaah Ibn `Omar uit haar kom brachten stond `Omar op om te preken en zei: De Boodschapper van AllahSallalahu 'alaihi wasalam had met tien van Khaibar een afspraak gemaakt over de opbrengst van hun rijdommmen en hij zei: "Wij laten jullie toe zolang Allah jullie verblijf toelaat. En `Abdullaah Ibn `Omar ging daarheen naar zijn bezit, maar hij werd in de nacht aangevallen. Zowel zijn beide handen als zijn beide voeten zijn uit de kom gebracht en wij hebben daar geen vijand dan hen. Zij zijn onze vijand en hen beschuldigen wij. Ik ben van mening dat wij hen moeten verbannen.' Toen Omar besluit had genomen, kwam van Bane Abil-Huqaiq naar hem toe en zei: O leider van de gelovigen, gaat u ons verdrijven, terwijl Mohammad ons verblijf heeft toegestaan en een afspraak met ons had gemaakt over de opbrengst van onze rijkdommen en dat als voorwaarde aan ons had gesteld?' `Omar zei toen: `Denk je dat ik de uitspraak van de Boodschapper van Allah ben vergeten: "Hoe zal het met jou gesteld zijn als jij uit Khaibar verdreven zult worden en jouw jonge, langpotige vrouwtjeskameel jou nacht na nacht voortdraagt?"?' Hij zei: `Dat was slechts een grapje van Abul-Qaasim.' Hij antwoordde: Je liegt, o vijand van Allah `Omar verbande hen en gaf hun de waarde van waar zij recht op hadden aan vruchten in de vorm van geld, kamelen en goederen, zoals kamelenzadels, touwen en dergelijke.'

Hoofdstuk: Voorwaarden van de strijd, vredesverdragen sluiten met strijders en het opschrijven van de voorwaarden
1186. Overgeleverd door Al-Miswar Ibn Makhramah en Marwaan, die beiden elkaars overlevering bevestigen, is dat zij beiden hebben gezegd: `Ten tijde van Al-Hudaibiyyah vertrok de Boodschapper van AllahSallalahu 'alaihi wasalam. Toen zij een bepaald gedeelte van de weg hadden bereikt, zei de Profeet: "Khaalid lbn Al-Walled bevindt zich in Al-Ghamiem [een plek dicht bij Mekka, tussen Raaghib en Al-Djuhfahl als onderdeel van een ruiterij van Qoraish, in de voorhoede. Sla daarom rechtsaf." Bij Allah, Khaalid merkte hen pas op nadat hun leger zwarte stof had opgewekt. Hij trok toen, zijn rijdier tot spoed manend, om Qoraish te waarschuwen. De Ptofeet reed verder, totdat hij de kronkel bereikte die naar hen [Qoraish] afdaalde. Hier knielde zijn rijkameel neer. De mensen maakten geluiden om de rijkakeel tot beweging te manen, maar zij hielden aan. Zij zeiden toen: 'Al-Qaswaa [de kamelin van de Profeet is nukkig geworden, Al-Qaswaa is nukkig geworden.' De Profeet zei toen: "Al-Qaswaa is niet nukkig geworden, want dat behoort niet tot haar karakter. Zij is door hetzelfde tegengehouden als wat de olifant had tegenhouden." Vervolgens zei hij: "Bij Degene in Wiens Hand mijn ziel ligt, elk plan waar zij mij om zullen verzoeken waarin zij de heiligdommen van Allah respecteren, zal ik aan hen toegeven." Daarna maande hij haar en zij stond op. Hij wendde zich toen van hen [Qoraish] af en streek neer op het hoogste gedeelte van Al-Hudaibiyah, bij een waterbron met weinig water, dat de mensen met hun opschepten. Het duurde niet lang voordat de mensen hem hadden uitgeput en men zich bij de Boodschapper van AllahSallalahu 'alaihi wasalam beklaagde over de dorst. Hij haalde toen een pijl uit zijn pijlkoker en beval hun om hem erin te plaatsen. Bij Allah, hij ging net zo lang door met spuiten met het lessen van hun dorst, totdat zij hem voldaan verlieten. Terwijl zij zich in die situatie bevonden, kwam Ibn Warqaa Al-Khuzaa`ie met een aantal personen van zijn volk uit [de stam van] Khuzaa'a.

Zij waren de bewaarders van de raadgeving van de Boodschapper van AllahSallalahu 'alaihi wasalam onder de mensen van Tihaamah [Mekka en omstreken]. Hij zei: `Ik heb Ka`b Ibn Lu'ayy en Aamir Ibn Lu'ayy achtergelaten, terwijl zij alle overvloedige waterbronnen van Al-Hudaibiyyah bezet hebben. Zij hebben melkkamelen en hun jongen meegenomen. Zij gaan tegen jou strijden en zij zullen jou weerhouden van het Huis [de Ka`bah].' De Boodschapper van AllahSallalahu 'alaihi wasalam zei toen: "Wij zijn niet gekomen om tegen iemand te strijden. Wij zijn echter gekomen als pelgrims om 'urn-rah [kleine bedevaart] te verrichten. Qoraish is uitgeput en toegetakeld door oorlogsvoering. Als zij willen, sluit ik een tijdelijk bestand met hen af. Gedurende die periode moeten zij mij vrijlaten om de mensen te benaderen. Als ik de overhand krijg en zij zich dan willen bekeren tot datgene waartoe de mensen zich bekeerd hebben [d.w.z, de Islaam], dan mogen zij dat doen. Als ik niet de overhand krijg, dan hebben zij zich de moeite [van de strijd] bespaard. Als zij echter weigeren, dan zal ik hen - bij Degene in Wiens Hand mijn ziel ligt - bestrijden omwille van deze zaak van mij totdat mijn nek wordt afgehakt. En Allah zal zeker Zijn Bevel ten uitvoer brengen." Budail zei toen: `Ik zal wat je hebt gezegd aan hen overbrengen.' Hij vertrok, totdat hij Qoraish bereikte. Hij zei tegen hen: `Ik kom naar jullie toe bij deze man vandaan en ik heb hem iets horen zeggen. Als jullie willen, dan leg ik dat aan jullie voor.' De dwazen onder hen zeiden: `Wij hebben er geen enkele behoefte aan dat je ons iets over hem vertelt.'.

De wijzen onder hen zeiden echter: `Kom op met wat je hebt gehoord.' Hij zei: `Ik hoorde hem zus en zo zeggen,' en hij vertelde hun wat de Profeet had gezegd. `Urwah Ibn Al-Walied stond toen op en zei: '0 mijn volk, zijn jullie niet [als] vaders [voor mij]?' Zij antwoordden: 'Jawel.' Hij zei: 'Ben ik geen zoon?' Zij antwoordden: Jawel.' Hij zei: Beschuldigen jullie mij?' Zij antwoordden: Nee.' Hij zei: Jullie weten toch dat ik Ukaadh heb opgeroepen om met jullie te strijden en dat ik - toen zij dit weigerden met mijn familie, mijn kinderen en ieder en ieder die mij gehoorzaamde naar jullie kwam?' Zij antwoordden: Jawel.' Hij zei: Deze man heeft jullie een wijs plan voor gesteld. Accepteer het en laat mij naar hem toegaan.' Zij zeiden: `Ga maar naar hem toe.' Toen hij naar hem toekwam, begon hij tegen de Profeet te praten. De Profeet zei toen tegen hem hetzelfde als wat hij tegen Budail had gezegd. `Urwah zei toen: `O Mohammad, wat als jij je volk uitroeit? Heb jij gehoord van iemand van de Arabieren vr jou die ooit zijn eigen mensen heeft vernietigd? Wat echter als het andere plaatsvindt [namelijk dat jij verslagen wordt]? Ik zie namelijk vooraanstaanden en ik zie een mengelmoes van mensen, die dan waarschijnlijk zullen vluchten en jou zullen verlaten.' Abu Bakr As-Siddieq zei tegen hem: `Ga de vagina van [jullie afgodsbeeld] Al-Laat likken'!'

Gaan wij van hem wegvluchten en hem laten?' Hij vroeg: `Wie is dit?' Men zei: `Abu Bakr.' Hij ['Urwah] zei: `Bij Degene in Wiens Hand mijn ziel ligt, als het niet een gunst was die jij mij ooit hebt bewezen waarvoor ik je nooit gecompenseerd heb, dan had ik je van repliek voorzien.' Hij [Urwah] sprak verder met de Profeet. Elke keer als hij [`Urwah] wat zei, pakte hij ['Urwah] hem bij zijn baard. Al-Mughierah Ibn Sho`bah stond bij het hoofd van de Profeet met een zwaard en een hoofddeksel op. Elk keer als `Urwah met zijn hand naar de baard van de Profeet reikte, sloeg hij zijn hand met de kling van het zwaard en zei tegen hem: `Haal je hand weg bij de baard van de Boodschapper van AllahSallalahu 'alaihi wasalam.' `Urwah Hef zijn hoofd op en vroeg: Wie is dit?' Men antwoordde: `Al-Mughierah Ibn Sho`bah.' Hij [`Urwah] zei toen tegen hem: 'H bedrieger, heb ik mij niet ingespannen om de gevolgen van jouw bedrog op te lossen?' Al-Mughierah vergezelde namelijk in de tijd van onwetendheid een groep mensen, die hij later doodde en hij nam hun rijkdommen af. Daarna kwam hij en hij bekeerde zich tot de Islaam. De Profeet zei toen tegen hem: "Ik accepteer jouw Islaam, maar vrijwaar mezelf van de rijkdommen." Vervolgens begon `Urwah met zijn ogen de metgezellen van de Profeet te observeren. Hij [`Urwah] zei: `Bij Allah, elke keer als de Boodschapper van AllahSallalahu 'alaihi wasalam speeksel uitspuugt, valt het in de hand van iemand van hen, die daar dan zijn gezicht en huid mee inwrijft. Als hij hun beveelt, haasten zij zich om dit ten uitvoer te brengen.

Als hij wudoe' verricht, vechten zij bijna om zijn wudoe' water. Als zij praten in zijn bijzijn, dimmen zij hun stemmen. Zij kijken hem niet indringend aan, uit respect voor hem.' Urwah keerde terug naar zijn vrienden en zei: 'O mijn volk, bij Allah, ik ben afgevaardigd naar koningen, naar Caesar, Kisraa [Khosrau] en naar An-Nadjaashi. Bij Allah, ik heb geen enkele koning gezien die meer gerespecteerd wordt door zijn metgezellen dan het respect dat Mohammad geniet van de metgezellen van Mohammad. Bij Allah, als hij speeksel spuugt, valt het in de handen van iemand van hen, die daar dan zijn gezicht en huid mee inwrijft. Als hij hun beveelt, haasten zij zich om dit ten uitvoer te brengen. Als hij wudoe' verricht, vechten zij bijna om zijn wudoe' -water. Als zij praten in zijn bijzijn, dimmen zij hun stemmen. Zij kijken hem niet indringend aan, uit respect voor hem. Hij heeft jullie een wijs plan voorgesteld; accepteer dat.' Een man uit Banu Kinaanah zei toen: Laat mij naar hem toegaan.' Zij zeiden: Ga maar naar hem toe.' Toen hij de Profeet en zijn metgezellen naderde, zei de Boodschapper van AllahSallalahu 'alaihi wasalam: "Dit is die-en-die. Hij is van een volk dat het slachtvee respecteert. Jaag het slachtvee daarom voor hem op." Het werd voor hem opgejaagd en de mensen kwamen hem tegemoet, terwijl zij de talbiyah uitspraken. Toen hij dat zag, zei hij: `Verheerlijkt is Allah.

Deze mensen mogen niet van het Huis [de Ka`bah] weerhouden worden.' Toen hij terugkeerde naar zijn vrienden, zei hij: Ik heb gezien dat het slachtvee omkranst en gemarkeerd is. Ik ben niet van mening dat zij weerhouden moeten worden van het Huis.' Een man van hen, Mikraz Ibn Hafs genaamd, stond op en zei: `Laat mij naar hem toegaan.' Zij zeiden: `Ga maar naar hem toe.' Toen hij hen naderde, zei de Profeet: "Dit is Mikraz. Hij is een verdorven man." Hij begon tegen de Profeet te praten. Terwijl hij met hem praatte, kwam Suhail Ibn 'Amr [Sabal is een verkleinwoord van Sahl, wat gemakkelijk betekent] aan en zei de Profeet: "jullie kwestie is vergemakkelijkt." Suhail Ibn `Amr zei: `Kom en schrijf tussen ons en jullie een verdrag.' De Profeet riep de notulist bij zich en de Profeet zei: "Schrijf op: In de Naam van Allah, de Erbarmer, de Barmhartige." Suhail zei toen: `Bij Allah, ik weet niet wie de Erbarmer is. Schrijf echter op: `In Uw Naam, o Allah,' zoals je gewoonlijk schreef.' De moslims zeiden: `Bij Allah, wij schrijven niets anders op dan `in de Naam van Allah, de Erbarmer, de Barmhartige'.' De Profeet zei echter: "Schrijf op: In Uw Naam, o Allah." Vervolgens zei hij: "Dit is war Mohammad de Boodschapper van AllahSallalahu 'alaihi wasalam is overeengekomen." Suhail zei toen: 'Bij Allah, als wij zouden weten dat jij de Boodschapper van AllahSallalahu 'alaihi wasalam was, dan hadden wij jou niet van het Huis weerhouden noch hadden wij jou bestreden. Schrijf echter: Mohammad de zoon van `Ahdullaah.' De Profeet zei: `Bij Allah, ik ben de Boodschapper van AllahSallalahu 'alaihi wasalam, ook al verloochenen jullie mij. Schrijf op: Mohammad de zoon van 'Abdullaah."

De overleveraar heeft gezegd: `Dat is vanwege zijn eerdere uitspraak: "Elk plan waar zij mij om zullen verzoeken waarin zij de heiligdommen van Allah respecteren, zal aan hen toegeven." De Profeet zei: tegen hem: "Dat jullie ons vrijlaten om de rondgang om het Huis te verrichten." Suhail zei: `Bij Allah, nee! De Arabieren zullen zeggen dat wij onder dwang hebben ingestemd, wij laten dat [vrijelijk verrichten van de rondgang] volgend jaar toe.' Dat werd toen opgeschreven. Suhail zei: En dat geen enkele man van ons naar jou toekomt, ook al bevindt hij zich op jouw religie zonder dat je hem naar ons terug stuurt.' De moslims zeiden: `Verheerlijkt is Allah! Hoe kan hij teruggestuurd worden naar de veelgodenaanbidders, terwijl hij als moslim is gekomen?' Terwijl zij zich in deze situatie bevonden, kwam Abu Djandal Ibn Suhail Ibn `Amr, bezwaard door zijn ketens aanlopen. Hij was vanuit het laagste gedeelte van Mekka gekomen, totdat hij tussen de moslims neerviel. Suhail zei toen: `0 Mohammad, dit is de eerste uit onze overeenkomst die jij naar mij moet terugsturen.' De Profeet zei: Wij hebben de overeenkomst nog niet gesloten." Hij [Suhail] zei: `Bij Allah, ik zal dan nooit een vredesverdrag met jou sluiten. De Profeet zei: "Geef mij toestemming om hem te houden." Hij antwoordde: `Ik geef je geen toestemming om hem te houden.' Hij zei: "Jawel, doe dat. Hij antwoordde: `Nee, dat doe ik niet Mikraz zei toen: `Goed, wij geven jou toestemming om hem te houden.' Abu Djandal vroeg: `0 gemeenschap van de moslim!

Word ik naar de veelgodenaanbidders teruggestuurd, terwijl ik als moslim hen gekomen? Zien jullie dan niet hoeveel ik heb geleden?' Hij was namelijk onderworpen aan een hevige kwelling omwille van Allah. 'Omar Ibn Al-Khattaab heeft gezegd: `Ik kwam toen naar de Profeet van Allah en zei tegen hem: `Bent u niet waarlijk de Profeet van Allah?' Hij antwoordde: "Jawel." Ik vroeg: `Is het niet zo dat wij op de Waarheid zijn en onze vijand op de valsheid is?' Hij antwoordde: `jawel." Ik vroeg: `Waarom accepteren wij dan onderdanigheid in onze religie?' Hij antwoordde: "Ik ben de Boodschapper van AllahSallalahu 'alaihi wasalam Ik ben Hem niet ongehoorzaam en Hij zal mij de overwinning schenken." ik vroeg: `Heeft u ons dan niet verteld dat wij naar het Huis zouden komen en de rondgang eromheen zouden verrichten?' Hij antwoordde: "Jawel Heb ik je echter gezegd dat we er dit jaar naartoe zouden komen?" Ik antwoordde: `Nee.' Hij zei: "Jij zult er zeker naartoe komen en jij zult de rondgang eromheen verrichten." Ik ging toen naar Abu Bakr en zei tegen hem: `O Abu Bakr, is hij niet waarlijk de Profeet van Allah?' Hij antwoordde: Jawel.' Ik vroeg: 'is het niet zo dat wij op de Waarheid zijn en onze vijand op de valsheid is?' Hij antwoordde: Jawel.' Ik vroeg: Waarom accepteren wij dan onderdanigheid in onze religie?' Hij antwoordde: `O man, Hij is de Boodschapper van AllahSallalahu 'alaihi wasalam. Hij is Hem niet ongehoorzaam en Hij zal hem de overwinning schenken. Hou je dus stevig vast aan zijn stijgbeugel, want bij Allah, hij is op de Waarheid.' Ik vroeg: `Heeft hij ons dan niet verteld dat wij naar het Huis zouden komen en de rondgang eromheen zouden verrichten?' Hij antwoordde: Ja wel. Heeft hij je echter gezegd dat we er dit jaar naartoe zouden komen?" Ik antwoordde: `Nee.' Hij zei: Jij zult er zeker naartoe komen en jij zult de rondgang eromheen verrichten.' `Omar heeft gezegd: `Ik heb omwille daarvan nog veel veel handelingen verricht.' Hij [de overleveraar] heeft gezegd: `Toen hij klaar was met het sluiten van de overeenkomst, zei de Boodschapper van AllahSallalahu 'alaihi wasalam tegen zijn metgezellen: "Sta op, slacht en scheer jullie [hoofden] kaal." Bij Allah, geen enkele man van hen stond op, nadat hij dat drie keer had herhaald. Toen niemand van hen opstond, ging hij bij Umm Salamah naar binnen en vertelde haar wat hij had mee meegemaakt met de mensen. Umm Salamah zei: O Profeet van Allah, wilt u dat graag? Ga naar buiten zonder een enkel woord tegen iemand van hen te spreken, totdat uw slachtvee slacht en uw kapper hij uw roept om u kaal te scheren.' Hij ging naar buiten zonder tegen iemand van hen te spreken, totdat hij dat had gedaan: hij slachtte zijn slachtvee en riep zijn kapper bij zich die hem kaalschoor. Toen zij dat zagen, stonden zij op. Zij slachtten en scheerden elkaar kaal, totdat zij elkaar bijna dooddrukten in de mensenmassa.

Daarna kwamen sommige gelovige vrouwen en Allah zond neer: (0 jullie die geloven, als de gelovige vrouwen als emigranten naar jullie toekomen, toets hen dan... de huwelijksbanden van de ongelovige vrouwen) [Soerah Al-Momtahinah (60):10]. 'Omar scheidde toen van twee vrouwen die hij ten tijde van veelgoderij had. Mu`aawiyah Ibn Abi Sofyaan trouwde toen met n van de twee en Safwaan Ibn Umavyah met de andere. Toen de Profeet vervolgens terugkeerde naar A1-Madienah, kwam Abu Basier naar hem toe. Hij was een moslimman van Qoraish. Zij zonden toen twee mannen om hem terug te halen, die zeiden: `Het verbond dat jij met ons hebt gesloten.' Hij gaf hem aan de twee mannen mee, die met hem vertrokken. Toen zij aankwamen in Dhu1-Hulayfah, daalden zij neer en aten hun dadels op. Abu Basier zei tegen n van de twee mannen: `O jij, hij Allah, ik vind dat jij een goed zwaard hebt. De ander trok toen het waard [van de andere] en hij zei: Jawel, bij Allah, het is een goed zwaard. Ik heb het keer op keer gebruikt.' Abu Basier zei toen: `Laat mij er eens naar kijken.' Hij greep het en stak hem, waardoor hij overleed en de ander vluchtte totdat hij weer in Al-Madienah aankwam en de moskee rennend betrad. Toen de Boodschapper van AllahSallalahu 'alaihi wasalam hem zag, zei hij: "Deze heeft iets angstaanjagends gezien." Toen hij bij de Profeet kwam, zei hij: `Bij Allah, mijn vriend is gedood en ik word ook gedood.' Toen Abu Basier kwam, zei hij: `O Profeet van Allah, bij Allah, Allah heeft uw erewoord vervuld. U hebt mij namelijk naar hen teruggestuurd en Allah heeft mij vervolgens van hen gered.'

De Profeet "0 wee zijn moeder *! Hij is iemand die de oorlog zou aanwakkeren als hij steun zou hebben." Toen hij dat hoorde wist hij dat hij hem naar hen zou terugsturen. Daarom vertrok hij, totdat hij de zeekust bereikte. Abu Djandal Ibn Suhail ontvluchtte ook aan hen en voegde zich bij Abu Basier. Elke man van Qoraish die vervolgens moslim werd en vertrok, voegde zich bij Abu Basier. Totdat zij een sterke groep vormden. Bij Allah, elke keer dat zij hoorden dat een handelskaravaan van Qoraish was vertrokken naar de Levant, versperden zij hun weg, doodden hen en namen hun rijkdommen. Qoraishzond toen iemand naar de Profeet en bezweerde hem bij Allah en bij de verwantschap om [iemand naar Abu Basier] te zenden met de boodschap dat eenieder die zich bij hem voegde veilig zou zijn. De Proeer zond iemand naar hem toe en Allah zond toen neer: (En Hij is Degene Die hun handen van jullie heeft houden en jullie handen van hen midden van Mekka nadat Hij jullie overhand op hen heeft geschonken geestdrift, de geestdrift van de onwetendheid) [Soerah Al-Fath (48):24 -26].

Hun geestdrift was dat zij de Profeet Allah niet erkenden, 'in de naam van, de Erbarmer, de Barmhartige' niet erkenden en hen weerhielden om bij het de Huis [de Ka'bah] te komen.' * Dit was een gangbare manier van schelden van de Arabieren [Voetnoot van de vertaler].

Hoofdstuk: Welke voorwaarden zijn toegestaan en het maken van een uit zondering in de bevestiging
1187. Overgeleverd van Abu Hurairah is dat de Boodschapper van AllahSallalahu 'alaihi wasalam heeft gezegd: "Allah heeft negenennegentig namen, honderd min n. Wie ze onthoudt, zal het paradijs betreden."

53. Het boek van testamenten

Hoofdstuk: De testamenten

Top II
1188. Overgeleverd van 'Abdullaah Ibn Omart is dat de Boodschapper van AllahSallalahu 'alaihi wasalam heeft gezegd: "Een moslimman die iets heeft om te testamenteren, heeft niet het recht om twee nachten door te brengen, zonder dat zijn geschreven testament met hem is."

1189. Overgeleverd van 'Amr Ibn Al-Harith, de zwager van de Boodschapper van AllahSallalahu 'alaihi wasalam, de broer van Djuwairiyah bint Al-Haarith is dat hij heeft gezegd: 'De Boodschapper van AllahSallalahu 'alaihi wasalam heeft bij zijn dood geen enkele dirham, slaaf, slavin of iets anders nagelaten, behalve zijn witte muilezelin, zijn wapens een stuk grond dat hij als aalmoes had geschonken.'

1190. Overgeleverd van `Abdullaah lbn Abi Awfaa is dat men hem vroeg: Heeft de Profeet een testament nagelaten?' Hij antwoordde: `Nee.' Men hem: 'Hoe is het testament dan aan de mensen voorgeschreven of hoe is het testament aan hen opgelegd?' Hij antwoordde: `Hij heeft het Boek van Allah nagelaten.

Hoofdstuk: Het geven van een aalmoes tijdens het sterven
1191. Overgeleverd van Abu Hurairah is dat een man aan de Profeet vroeg: `O Boodschapper van AllahSallalahu 'alaihi wasalam! Wat is de meest geweldige aalmoes?' Hij antwoordde: "Wanneer je een aalmoes geeft terwijl je gezond en gespitst bent, hoopt op rijkdom en armoede vreest. Geef jezelf geen uitstel totdat je ziel je keel bereikt en dan pas zegt: `Geef zoveel aan die-en-die en geef zoveel aan die-en-die.' Terwijl het dan toch al toekomt aan die-en-die."

Hoofdstuk: Vallen echtgenotes en kinderen onder verwanten?
1192. Overgeleverd van Abu Hurairah, is dat hij heeft gezegd: `Toen Allah het volgende vers openbaarde: (en waar schuw jouw stam [O Mohammad] van naaste verwantschap.) [Soerah Ash-Sho`araa' (26):214], stond de Boodschapper van AllahSallalahu 'alaihi wasalam op en zei: "O gemeenschap van Qoraish (of soortgelijke woorden), koop jezelf [vrij van de hel], want ik kan niets voor jullie betekenen bij Allah. O Banu `Abd Manaaf, ik kan niets voor jullie betekenen bij Allah. O `Abbaas lbn `Abd A1-Muttalib, ik kan niets voor je betekenen bij Allah. O Satiyyah, de tante van vaderskant van de Boodschapper van Allah, ik kan niets voor je betekenen bij Allah. O Faatimah, de dochter van Mohammad, vraag mij wat je wilt van mijn rijkdom, maar ik kan niets voor je betekenen bij Allah."

Hoofdstuk: De Uitspraak van Allah: (En test de wezen totdat zij de huwelijksleeftijd hebben bereikt. Als jullie dan rechtgeaardheid in hen aan treffen, geef dan hun rijkdommen aan hen)
1193. Overgeleverd van lbn 'Omar is dat 'Omar ten tijde van de Boodbooschapper van Allah een aalmoes schonk uit een bezit van hem dat Thamgh werd genoemd. Dit was een boomgaard van dadelpalmen. 'Omar zei toen: `O Boodschapper van Allah, ik heb rijkdom in mijn bezit gekregen wat ik als zeer waardevol acht. Ik wil die graag als aalmoes schenken.' De Profeet zei toen: Schenk het oorspronkelijke [originele] bezit als aalmoes, zodat het niet meer vergeschonken of gerfd kan worden. 'Alleen de vruchtenopbrengst ervan mag dan uitgegeven worden." 'Omar schonk toen als aalmoes. Deze aalmoes van hem was ten gunste van de [strijd(ers) op] Weg van Allah, de vrijkoping van slaven, behoeftigen, de gast, de reiziger en de verwanten. Er rustte ook geen zonde op beheerder ervan om er zelf naar redelijkheid van te eten, of dat hij zijn vriend liet eten mits hij geen rijkdom ervoor in ruil ontving.'

Hoofdstuk: De Uitspraak van Allah (Voorwaar, degenen die de rijkdommen van de wezen onrechtvaardig consumeren, zij consumeren slechts vuur in hun buiken en zij zullen een laaiend vuur ondergaan)
1194. Overgeleverd van Abu Hurairah is dat de Profeet heeft gezegd: "Vermijd de zeven vernietigende zonden." Zij vroegen: `O Boodschapper van AllahSallalahu 'alaihi wasalam, welke zijn dat dan?' Hij antwoordde: "Veelgoderij bedrijven naast Allah; tovenarij; vermoorden van een ziel wat Allah heeft verboden, behalve met recht; consumeren van rente; consumeren van de rijkdom van een wees; zich afkeren op de dag van het oprukken [van het leger]; kuise, onachtzame, gelovige vrouwen [valselijk] betichten [van overspel]."

Hoofdstuk: Het salaris van de beheer der van een religieuze [waqf] schenking
1195. Overgeleverd van Abu Hurairah is dat de Boodschapper van AllahSallalahu 'alaihi wasalam heeft gezegd: "Mijn erfgenamen mogen een dinar noch dirham onderling verdelen. Alles wat ik nalaat - bovenop de levensvoorziening van mijn echtgenoten en het salaris van mijn medewerker - is een aalmoes.

Hoofdstuk: Als men een stuk grond of een put als religieuze schenking afstaat, maar de voorwaarde stelt dat hij er in dezelfde mate als de moslims gebruik van mag maken
1196. Overgeleverd van Othmaan is dat hij - toen hij werd belegerd - zei: `Ik bezweer jullie bij Allah en ik bezweer alleen de metgezellen van de Profeet! Weten jullie niet dat de Boodschapper van AllahSallalahu 'alaihi wasalam heeft gezegd: "Wie [de waterbron van] Roma graaft, hem komt het paradijs toe," en dat ik hem toen uitrustte? Zij geloofden toen wat hij zei.

Hoofdstuk: De Uitspraak van Allah (0 jullie die geloven, als de dood bij iemand van jullie aankomt, stel dan een getuigenis onder jullie aan tijdens het opmaken van het testament: twee rechtgeaarden van jullie of twee anderen niet van jullie ... En Allah leidt het zwaar zondige volk niet.)
1197. Overgeleverd van Ibn `Abbaas is dat hij heeft gezegd: `Een man [de stam van] Banu Sahm vertrok samen met Tamiem Ad-Daari en `Adiy Ibn Baddaa. De man van Banu Sahm overleedd in een land waar geen enkele moslim was. Toen zij beiden terugkwamen met zijn nalatenschap, verloren zij een met goud bewerkte zilveren schaal. De Boodschapper van AllahSallalahu 'alaihi wasalam liet hen zweren. Later werd de schaal in Mekka gevonden en men zei: `Wij hebben hem van Tamiem en `Adiy gekocht.' Toen stonden twee van zijn voogden [van de overleden man] op en zweerden dat hun getuigenis rechtmatiger is dan hun beider getuigenis en dat de schaal toebehoorde aan hun [overleden] vriend. Vanwege hen is het volgende vers neergedaald: (0 jullie die geloven, als de dood bij iemand van jullie aankomt, stel dan een getuigenis onder jullie aan ...) [Soerah Al-Maa'idah (5):106].'

54. Het boek van de strijd [djihaad] en zijn situaties

Hoofdstuk: De verdienste van de strijd [djihaad] en zijn situaties

Top II
1198. Overgeleverd van Abu Hurairah dat een man naar de Boodschapper van AllahSallalahu 'alaihi wasalam kwam en zei: Wijs mij op een daad die gelijkwaardig is aan de strijd [djihaad].' Hij antwoordde: "Die [daad] kan ik niet vinden." Hij vroeg: "Ben jij in staat om - als de strijder vertrekt - jouw moskee binnen te gaan en vrijwillige nachtgebeden te verrichten zonder af te zwakken en te vasten zonder het vasten te verbreken?" Hij zei: Wie zou dat nu kunnen?

Hoofdstuk: De beste van de mensen is een gelovige die strijdt met zijn ziel en met zijn rijkdom op de Weg van Allah
1199. Overgeleverd van Abu Sa`ied Al-Khudrie is dat men vroeg: `O Boodschapper van AllahSallalahu 'alaihi wasalam, wie van de mensen is beste?' De Boodschapper van AllahSallalahu 'alaihi wasalam antwoordde: "Een gelovige die op de Weg van Allah strijdt met zijn ziel en met zijn rijkdom. Men vroeg: `En wie daarna?' Hij antwoordde: "Een gelovige die [afgezonderd] n van de bergwegen verblijft, vreest en de mensen vrijwaart van zijn kwaad."

1200. Overgeleverd van Abu Hurairah hij de Boodschapper van Allah heeft horen zeggen: "De gelijkenis van de strijder op de Weg van Allah - en Allah weet het best wie op Zijn Weg strijd - is net als de gelijkenis van de vastende en de verrichter van nachtgebeden. Allah staat er voor de strijder op Zijn Weg voor in dat als Hij hem laat overlijden, dat Hij hem het paradijs binnen zal brengen, of dat Hij hem veilig doet terugkeren met een beloning of een oorlogsbuit."

Hoofdstuk: De gradaties van de strijders op de Weg van Allah
1201. Van hem is ook overgeleverd dat de Boodschapper van AllahSallalahu 'alaihi wasalam heeft gezegd: "Wie gelooft in Allah en in Zijn Boodschapper, het gebed onderhoudt en de ramadhaan vast, heeft het recht [van begunstiging] op Allah om hem het paradijs binnen te brengen, ongeacht of hij heeft gestreden op de Weg van Allah of heeft verbleven in het land waar hij is geboren." Men vroeg: `0 Boodschapper van AllahSallalahu 'alaihi wasalam, zullen wij de mensen hiermee dan niet verblijden?' Hij antwoordde: "Het paradijs bestaat uit honderd gradaties die Allah heeft bereid voor de strijders op de Weg van Allah. Tussen elke twee gradaties is dezelfde afstand als tussen de hemel en de aarde. Als jullie Allah wagen, vraag Hem dan Al-Firdaws. Dat is namelijk het middelpunt van het paradijs en het hoogste punt van het paradijs. Ik denk dat de Troon van de Erbarmer zich erboven bevindt. De rivieren van het paradijs ontspringen daarvandaan."

Hoofdstuk: Een ochtend - of avond vertrek op de Weg van Allah, en de booglengte van iemand van jullie in het paradijs
1202. Overgeleverd van Anas Ibn Maalik is dat de Profeet heeft gezegd: "Een vertrek in de ochtend op de Weg van Allah of in de avond is beter dan de wereld en wat zich daarin bevindt."

1203. Overgeleverd van Abu Hurairah is dat de Profeet heeft gezegd: "Een booglengte in het paradijs is beter dan waar de zon over opkomt en ondergaat."

Hoofdstuk: De vrouwen van adembenemende schoonheid en grote ogen [in het paradijs]
1204. Overgeleverd van Anas Ibn Maalik dat de Profeet heeft gezegd: "Als vrouw van het paradijs zou verschijnen voor de aardbewoners, dan zou zij zone verlichten wat zich tussen beide [de hemel en de aarde] bevindt, en zij zou allen met een aangename geur. De sluier op haar hoofd is beter dan de wereld en wat zich daarin bevindt."

Hoofdstuk: Wie getroffen wordt op de Weg van Allah
1205. Overgeleverd van Anas Ibn Maalik is dat hij heeft gezegd: `De Profeet zond zeventig mannen van Banu Sulaim naar Banu Aamir. Toen zij aankwamen zei mijn oom van moederskant: `ik ga jullie voor om te zien of ze mij in veiligheid de boodschap van de Boodschapper van AllahSallalahu 'alaihi wasalam laten overbrengen en anders zullen jullie dicht bij mij zijn.' Hij trad naar voren en zij lieten hem vrijelijk spreken. Terwijl hij hen vertelde over de Profeet gebaarden zij naar een man van hen, die hem stak en hem doordrong. Hij [de gestoken oom van vaderskant] zei toen: Allah is de Grootste. Bij de Heer van de Ka'bah, ik heb gezegevierd!'

Vervolgens wendden zij zich tot zijn andere metgezellen en doodden hen, behalve een manke man die de berg had beklommen. Djibriel berichtte de Profeet dat zij hun Heer waren tegemoet getreden en dat Hij tevreden was over hen en dat Hij hen tevreden had gesteld. Wij reciteerden toen [in de Qor'aan]: (Verkondig aan ons volk dat wij onze Heer zijn tegemoet getreden, en dat Hij tevreden is over ons en ons tevreden heeft gesteld). Dit vers werd later echter afgeschaft. Hij verrichtte gedurende veertig ochtendgebeden aanroeping tegen Ri`l, Dhakwaan, Banu Lahyaan en Banu `Usayyah, die ongehoorzaam waren aan Allah en aan Zijn Boodschapper.'

1206. Overgeleverd van Djundub Ibn Sofyaan is dat de vinger van de Boodschapper van Allah tijdens een heilige strijd bloedde. Hij zei toen: "Jij bent slechts een bloedende vinger, en wat jij ondervindt is op de Weg van Allah."

1207. Overgeleverd van Abu Hurairah dat de Boodschapper van AllahSallalahu 'alaihi wasalam heeft gezegd: `Bij Degene in Wiens Hand mijn ziel ligt, eenieder die gewond raakt op de Weg van Allah - en Allah weet het best wie op Zijn Weg gewond raakt - zal tijdens de Opstandingsdag komen met de kleur van bloed en de geur van musk."

Hoofdstuk: De Uitspraak van Allah (Onder de gelovigen zijn er mannen die hun verbond met Allah bewaarheid hebben. Sommigen van hen hebben hun termijn vervuld en anderen van hen wachten nog, maar zij hebben geenszins gewijzigd)
1208. Overgeleverd van Anas is dat hij heeft gezegd: `Mijn oom van vaderskant, Anas Ibn An-Nadhr, was afwezig tijdens slag van Badr. Hij zei toen: `O Boodschappper van Allah, ik was afwezig tijdens de eerste strijd die u tegen de veelgodenaanbidders streed. Als Allah mij een [volgende] strijd tegen de veelgodenaanbidders laat bijwonen, zal Allah zien wat ik dan zal doen.' Toen vervolgens de moslims tijdens de slag van Uhud de nederlaag leden, zei hij: `O Allah, ik exuseer mij bij U voor wat zij - dat wil zeggen de metgezellen - hebben gedaan. En ik pleit mij bij U onschuldig voor wat zij - dat wil zeggen de veelgodenaanbidders - hebben gedaan.' Vervolgens trad hij naar voren en hij kwam Sa'd lbn Mu`aadh tegen. Hij zei: `O Sa'd lbn Mu`aadh, [ik wens] het paradijs. Bij de Heer van An-Nadhr, ik ruik zijn geur van vr [de berg van] Uhud.' Sa'd zei: '0 Boodschapper van AllahSallalahu 'alaihi wasalam, ik was niet in staat tot wat hij heeft gedaan.' Anas heeft gezegd: `Wij troffen hem aan met meer dan tachtig verwondingen veroorzaakt door zwaarden, speren en pijlen. Wij troffen hem dood aan. De veelgodenaanbidders hadden hem verminkt. Niemand herkende hem, behalve zijn zus herkende hem aan zijn vinger.' Anas heeft gezegd:

`Wij dachten dat het volgende vers omwille van hem en van wie op hem lijkt is neergezonden: (Onder de gelovigen zijn er mannen die hun verbond niet Allah bewaarheid hebben...) [Soerah Al-Ahzaab (33):23].' En hij heeft gezegd: `Zijn zus, die Ar-Rubayi` werd genoemd brak eens de voortand van een vrouw. De Boodschapper van AllahSallalahu 'alaihi wasalam beval toen vergelding.' Anas [Ibn An-Nadhr] zei toen: `O Boodschapper van AllahSallalahu 'alaihi wasalam, de Degene Die u niet de Waarheid heeft gezonden, haar voortand zal niet gebroken worden.' Zij namen vervolgens genoegen met genoegdoening en lieten de vergelding varen. De Boodschapper van Allah zei toen: "Er zijn onder de dienaren van Allah van wie Hij hun eden vervult als zij zweren bij Allah".'

1209. Overgeleverd van Zayd Ibn Thaabit is dat hij heeft gezegd: `Ik schreef [de Qor'aan] over van de manuscripten naar Qor'aan -boeken. Ik miste toen een vers uit Soerah Al-Ahzaab, die ik alleen bij Khuzaimah Ibn Thaabit Al-Ansaari [opgeschreven] aantrof, van wie de Boodschapper van AllahSallalahu 'alaihi wasalam zijn geurigenis gelijkstelde aan de getuigenis van twee mannen. Het ging om de Uitspraak van Allah: (Onder de gelovigen zijn er mannen die hun verbond met Allah bewaarheid hebben...) [Soerah Al-Ahzaab (33):23].'

Hoofdstuk: Een goede daad alvorens te strijden
1210. Overgeleverd van Al-Baraa' is dat heeft gezegd: 'Er kwam een man met een ijzeren gezichtsharnas naar de Profeet en zei tegen hem: `O Boodschapper van AllahSallalahu 'alaihi wasalam, ik ga eerst strijden en daarna word ik moslim. Hij zei: "Word eerst moslim en ga daarna strijden." Hij werd toen moslim, ging strijden en werd gedood. De Boodschapper van AllahSallalahu 'alaihi wasalam zei toen: "Hij weinig daden gedaan en is rijkelijk beloond."

Hoofdstuk: Wie geraakt wordt door pijl waarvan de schieter onbekend is en overlijdt
1211. Overgeleverd van Anas Ibn Maalik dat Umm Ar-Rubayyi` de dochter van Baraa', die de moeder van Haarithah Ibn Suraagah was, naar de Profeet kwam en zei: `O Profeet van Allah, wilt u mij over Haarithah vertellen? Hij werd namelijk op de dag van Badr gedood, omdat hij getroffen werd door een pijl waarvan de schieter onbekend is. Als hij in het paradijs is, zal ik geduldig zijn. Als het iets anders is, zal ik huilend mijn best voor hem doen.' Hij antwoordde: "0 moeder van Haarithah, het paradijs bestaat uit tuinen en jouw zoon heeft de allerhoogste [rang in] Al-Firdaws getroffen."

Hoofdstuk: Wie strijdt zodat het Woord van Allah het hoogst zal zijn
1212. Overgeleverd van Abu Moesaa is dat hij heeft gezegd: `Er kwam een man naar de Profeet en zei tegen hem: `Er is een man die strijdt omwille van de oorlogsbuit, een andere man strijdt omwille van naamsbekendheid en weer een andere man strijdt omwille van het aantonen van zijn rang. Wie van hen strijdt op de Weg van Allah?' Hij antwoordde: "Wie strijdt zodat het Woord van Allah het hoogst zal zijn, diegene is [strijden] op de weg van Allah."

Hoofdstuk: De wassing na oorlogsvoering en strijd
1213. Overgeleverd van `Aaichah is dat de Boodschapper van AllahSallalahu 'alaihi wasalam toen hij terugkeerde van [de slag van] de dag van Al-Khandaq, zijn wapen neerlegde en de wassing deed. Djibriel kwam toen naar hem toe, terwijl zijn hoofd getooid was in het stof en vroeg: `Heb jij je wapen neergelegd? Bij Allah, ik heb het niet neergelegd.' De Boodschapper van AllahSallalahu 'alaihi wasalam vroeg: "Waarheen dan?" Hij antwoordde: Daarheen,' en hij gebaarde richting [de stam van] Banu Quraidha.' Zij heeft gezegd: `Hierop vertrok de Boodschapper van AllahSallalahu 'alaihi wasalam naar hen toe.'

Hoofdstuk: Een ongelovige die een moslim doodt, vervolgens zelf moslim wordt, daarna rechtgeaard blijft en wordt gedood
1214. Overgeleverd van Abu Hurairah is dat de Boodschapper van AllahSallalahu 'alaihi wasalam heeft gezegd: "Allah zal lachen naar twee mannen van wie de ene de andere doodt, terwijl zij beiden het paradijs zullen binnengaan. De ene streed op de Weg van Allah en werd gedood. Vervolgens aanvaardde Allah het berouw van moordenaar, die daarna als martelaar stierf.

1215. Van hem is ook overgeleverd dat hij heeft gezegd: `Ik kwam naar de Boodschapper van AllahSallalahu 'alaihi wasalam toe, terwijl hij in Khaibar bevond nadat zij was bevrijd. Ik vroeg: `0 Boodschapper van AllahSallalahu 'alaihi wasalam, ken mij een aandeel toe [van de oorlogsbuit].' Een zoon van Sa`ied Ibn Al-Aas zei toen: `0 Boodschapper van AllahSallalahu 'alaihi wasalam, ken hem geen aandeel toe.' Abu Hurairah zei toen: Dit is de moordenaar Ibn Qawqal!' De zoon van Sa`ied Ibn Al-Aas zei toen: `Wat verbazingwekkend! klipdas die ons van de voet van de Qadoem-berg genaderd is! Hij komt zijn bekalg doen dat ik een moslimman heb gedood die door Allah vereerd is met mijn handen, zonder dat Hij mij heeft vernederd met zijn handen'.'

Hoofdstuk: Wie de strijd boven het vasten verkiest
1216. Overgeleverd van Anas Ibn Maalik is dat hij heeft gezegd: `Abu Talhah vastte niet ten tijde van de Profeet vanwege de strijd. Toen [de ziel van] de Profeet vervolgens genomen werd, heb ik hem nooit meer het vasten zien laten, behalve als het `eid-ul-fitr ['suikerfcest'] of `eid-ul-adhaa [offerfeest] was.'

Hoofdstuk: Behalve gedood worden, zijn er nog zeven martelaarschappen
1217. Overgeleverd van Anas Ibn Maalik is dat de Profeet heeft gezegd: "De pest is martelaarschap voor elke moslim."

Hoofdstuk: De Uitspraak van Allah (Niet gelijkwaardig zijn de [thuis] zitters van de gelovigen aan de strijders op de Weg van Allah, behalve de gebrekkigen...Al-Vergevend, Meest Barmhartig)
1218. Overgeleverd van Zayd Ibn Thaabit is dat hij heeft gezegd dat de Boodschapper van Allah (Niet gelijkwaardig zijn de [thuis] zitters van de gelovigen aan de strijders op de Weg van Allah ...) [Soerah An-Nisaa (4):95, 96] aan hem dicteerde. Ibn Umm Maktoem kwam aan, terwijl hij dit aan mij dicteerde. Hij zei toen: `O Boodschapper van AllahSallalahu 'alaihi wasalam, als ik had kunnen strijden, dan had ik gestreden.' Hij was namelijk een blinde man. Hierop zond Allah het volgende neer aan Zijn Boodschapper terwijl zijn dij op mijn dij was en zo zwaar werd dat ik vreesde dat zij mijn dij zou kneuzen. Vervolgens werd deze situatie in hem opgeheven. Allah had neergezonden: (Behalve de gebrekkigen...) [Soerah An-Nisaa (4):95, 96].'

Hoofdstuk: Het aansporen tot de strijd
1219. Overgeleverd van Anas is dat hij heeft gezegd dat de Boodschapper van Allah naar Al-Khandaq vertrok. De emigranten en de Ansaar waren tijdens een koude ochtend aan het graven. Zij hadden namelijk geen slaven die dat voor hen konden doen. Toen hij hun vermoeidheid en hun honger zag, zei hij [rijmend]: "0 Allah, het leven is het leven van het hiernamaals. Vergeef daarom de Ansaar en de emigranten." Zij antwoordden hem (rijmend]: `Wij zijn degenen die aan Mohammad de gelofte van trouw hebben beloofd, om te strijden zolang wij leven.

Hoofdstuk: Het graven van de loopgraaf [Al-Khandaq]
1220. Van hem is in een andere versie overgeleverd dat zij zeiden [rijmend]:

Wij zijn degenen die aan Mohammad de gelofte van trouw hebben beloofd, om de Islaam te omarmen zolang wij leven.'

De Profeet antwoordde hen en zei [rijmend]: O Allah, er is geen goeds het goede van het hiernamaals. Zegen daarom de Ansaar en de emogranten.

1221. Overgeleverd van Al-Baraa' is dat hij heeft gezegd: `Op de dag van Al-Ahzaab zag ik de Boodschapper van AllahSallalahu 'alaihi wasalam zand vervoeren, terwijl het zand de witheid van zijn buik had bedekt. Hij zei [rijmend): "Als U het niet was dan waren wij niet geleid, wij hadden dan aalmoezen gegeven noch gebeden. Laat daarom een rust op ons neerkomen, en maak onze voeten standvastig bij het treffen. Als degenen die tegen ons overschreden hebben, beroering wensen weigeren wij dat."

Hoofdstuk: Wie door een excuus is weerhouden van de strijd
1222. Overgeleverd van Anas is dat de Profeet zich in een veldslag bevond, toen hij zei: "Er zijn mensen in Al-Madienah die - elke keer dat wij een bergweg of een vallei berijden - zich daar met ons bevinden. Zij zijn slechts door een geldig excuus weerhouden."

Hoofdstuk: De verdienste van het vasten op de Weg van Allah
1223. Overgeleverd van Abu Sa`ied Al-Khudrie is dat hij de Profeet heeft horen zeggen: "Wie n dag vast op de Weg van Allah, zijn gezicht zal Allah zeventig lentes [jaren] verwijderen van het vuur."

Hoofdstuk: De verdienste van wie een strijder uitrust of van wie zich in goedheid ontfermt over wie hij heeft achtergelaten
1224. Overgeleverd van Zayd Ibn Khaalid is dat de Boodschapper van AllahSallalahu 'alaihi wasalam heeft gezegd: "Wie een strijder uitrust [die strijdt] op de weg van Allah, heeft [een beloning alsof hij] zelf ook [heeft] gestreden. Wie zich in goedheid ontfermt over wie de strijder op de weg van Allah heeft achtergelaten [aan achterblijvende gezinsleden], heeft [een beloning alsof hij] zelf [heeft] gestreden."

1225. Overgeleverd van Anas is dat de Profeet geen enkel ander huis in Al-Madienah betrad naast de huizen van zijn echtgenotes, behalve het huis van Umm Sulaim. Toen men hem daarover vroeg, antwoordde hij: "Ik behandel haar met barmhartigheid, want haar broer is in mijn samenzijn gedood".'

Hoofdstuk: Het balsemen voor de strijd
1226. Van hem is ook overgeleverd dat op de dag van Al-Yamaamah * . bij Thaabit Ibn Qays kwam, terwijl hij zijn dijen had ontbloot en zich balsemde. Hij zei tegen hem [Thaabit]: `O oom vaderskant, wat weerhoudt je ervan om te komen?' Hij antwoordde: `Ik kom eraan, o zoon van mijn broer.' Hij ging verder met zich balsemen, dat wil zeggen met balsem. Vervolgens kwam hij en ging zitten. In de overlevering vertelt hij dat sommige mensen op de vlucht sloegen. Daarna zei hij [Thaabitj: `Ga uit ons gezichtsveld, zodat wij tegen de mensen het gevecht kunnen aangaan. Dit is niet hoe wij ons gedroegen met de Boodschapper van AllahSallalahu 'alaihi wasalam. Wat slecht is wat jullie je opponenten hebben aangeleerd.'

* Hiermee wordt het incident bedoeld dat zich heeft afgespeeld tussen de moslims en tussen Banu Haniefah, de volgelingen van Musaylimah de leugenaar. Dit was in Rabie' Al-Awwal, in het twaalfde jaar, tijdens het kalifaat van Abu Bakr. Al-Yamaamah is een Jemenitische stad, op een afstand van At-Taaif. [Ontleend aan: 'Awn Al-Baari Lihalli Adillat il Boekharie, deel 3, pagina 482] [Voetnoot van de vertaler]

Hoofdstuk: De verdienste van de voorhoede
1227. Overgeleverd van Djaabir is dat de Profeet op de dag van [de slag van] Al-Ahzaab heeft gezegd: "Wie brengt mij informatie over het volk [van de vijand, Banu Quraidhah]?" Az-Zubair zei: `Ik.' Hij vroeg weer: "Wie brengt mij informatie over het volk [van de vijand, Banu Quraidhahj?" Az-Zubair zei: `lk.' De Profeet zei toen: "Elke profeet heeft een discipel en Az-Zubair is mijn discipel."

Hoofdstuk: De strijd [djihaad] zal voortduren onder leiding van zowel de rechtgeaarde als de verdorven leider
1228. Overgeleverd van `Urwah Al-Baarigie is dat de Profeet heeft gezegd: "Het goede zal verbonden blijven aan de voorlok van paarden tot aan de Opstandingsdag, in de vorm van beloning en oorlogsbuit."

1229. Overgeleverd van Anas lbn Maalik is dat de Boodschapper van AllahSallalahu 'alaihi wasalam heeft gezegd: "De zegening bevindt zich in de voorlok van paarden."

Hoofdstuk: Wie een paard houdt omwille van de Uitspraak van Allah (...en gehouden oorlogspaarden...)
1230. Overgeleverd van Abu Hurairah dat de Profeet heeft gezegd: "Als iemand een paard houdt [voor de Djihaad] de Weg van Allah, uit geloof in Allah en overtuigd van Zijn belofte, dan zal wat zijn honger stilt, zijn dorst lest, zijn uitwerpselen en zijn urine in de weegschaal van goede daden van de betrokkene] worden geplaatst op de Opstandingsdag."

Hoofdstuk: Een paard of een ezel een naam geven
1231. Overgeleverd van Sahl is dat hij heelt gezegd dat de Profeet in onze boomgaard een paard had dat Al-Luhayf Al-Lukhayf heette.

1232. Overgeleverd van Mu`aadh is dat hij heeft gezegd: `Ik reed eens achterop bij de Profeet op een ezel die 'Ufayr heette, toen hij vroeg: "0 Mu`aadh, weet jij wat het recht van Allah jegens Zijn dienaren is?... En hij noemde de rest van de overlevering die al eerder is vermeld.

1233. Overgeleverd van Anas lbn Maalik is dat hij heeft gezegd: `Er heerste een gevoel van angst in Al-Madienah. De Profeet leende een paard van ons dat Mandoeb heette. Hij zei [nadat hij op onderzoek was gegaan en terugkeerde]: "Wij hebben niets aangetroffen om angstig voor te zijn en hij [het paard] was als de zee [in snelheid]".'

Hoofdstuk: Wat wordt gezegd over de kwade voorbode van een paard
1234. Overgeleverd van 'Abdullaah Ibn 'Omar is dat hij Profeet heeft horen zeggen: "Een kwade voorbode in drie zaken zitten: in een paard, in een vrouw en in een huis."

Hoofdstuk: Het aandeel van een paard [van de oorlogsbuit]
1235. Van hem is ook overgeleverd dat de Boodschapper van AllahSallalahu 'alaihi wasalam voor een paard twee aandelen toekende en voor zijn eigenaar n aandeel [van de oorlogsbuit].

1236. Overgeleverd van Al-Baraa' lbn `Aazib is dat een man hem vroeg: `Zijn jullie bij de Boodschapper van AllahSallalahu 'alaihi wasalam weggevlucht op de dag van [de slag van] Hunain?' Hij antwoordde: "De Boodschapper van AllahSallalahu 'alaihi wasalam vluchtte echter niet. [De stam van] Hawaazin was een volk van boogschieters. Toen wij hen troffen, vielen wij hen aan en zij leden de nederlaag. De moslims richtten zich op de oorlogsbuit en zij traden ons tegemoet met pijlen. De Boodschapper van Allah vluchtte echter niet. Ik zag hem namelijk op zijn witte muilezel, terwijl Abu Sofyaan het bij zijn teugels vastgreep en de Profeet [rijmend] zei: 'Ik ben de Profeet zonder verloochening. Ik ben de zoon van `Abdul-Muttalib".'

Hoofdstuk: De kamelin van de Profeet
1237. Overgeleverd van Anas is dat hij heeft gezegd: `De Profeet had een kanelin die Al-Adhbaa heette en die nooit ingehaald werd. Een keer kwam een bedoeen op een rijkameel die haar inhaalde. Dit viel de moslims zo zwaar dat hij dat aan hen kon zien. Daarom zei hij: "Allah heeft het recht op Zich genomen om alles van de wereld dat verheven wordt, naar beneden te brengen".'

Hoofdstuk: Vrouwen die waterzakken dragen naar de mensen tijdens de strijd
1238. Overgeleverd van 'Omar Ibn Al-Khattaab is dat hij wollen gewaden verdeelde onder sommige vrouwen van Al-Madienah. Er bleef toen een goed wollen gewaad over. Sommigen van de aanwezigen bij hem zeiden toen: `O leider van de gelovigen, geef dit aan de dochter van de Boodschapper van Allah, die bij jou is [als echtgenote].' Zij bedoelden [Umm Kulthoem, de dochter van `Ali. Omar zei toen: `Umm Saliet is rechthebbender.' Umm Saliet was een vrouw van Ansaar die de gelofte van trouw aan de booschapper van Allah had beloofd. Omar zei: 'Zij droeg voor ons de waterzakken tijdens de dag [van de slag] van Uhud.

Hoofdstuk: Vrouwen die de gewonden verplegen tijdens de strijd
1239. Overgeleverd van Ar-Rubayyi` Bint Mu'awwidh is dat zij heeft gezegd: `Wij streden samen met de Profeet wij gaven de mensen te drinken, dienden hen, en wij brachten de gewonden en de doden terug naar Al-Madienah.'

Hoofdstuk: De wacht houden tijdens de strijd op de Weg van Allah
1240. Overgeleverd van `Aaichah is dat zij heeft gezegd; `De Profeet bleef eens gedurende een nacht op, toen hij naar Al-Madienah was gekomen. Hij zei toen: "Was er maar een rechtschapen man van mijn metgezellen die over mij kan waken deze nacht." Plotseling hoorden wij het geluid van een wapen en hij vroeg: "Wie is dit?" Hij antwoordde: `Ik ben Sa`d Ibn Abi Waqqaas en ik ben gekomen om over u te waken.' Toen ging de Profeet slapen.'

1241. Overgeleverd van Abu Hurairah is dat de Profeet heeft gezegd: "Moge de dienaar van de dinar [muntstukkenj, de dienaar van de dirham [muntstukken] en de dienaar van de gemarkeerde zijden gewaden door ongelukkigheid getroffen worden. Als hij krijgt, is hij tevreden en als hij niet krijgt, is hij ontevreden. Moge hij door ongelukkigheid getroffen worden, moge hij een terugval hebben en als hij wordt getroffen door een doorn, moge die dan niet uit hem verwijderd worden. Er is (een boom in) het paradijs voor een dienaar die de teugels van zijn paard vastheeft op de Weg van Allah, met verwarde haren en stoffige voeten. Als hij de licht moet houden, houdt hij de wacht. Als hij in de achterhoede wordt opgesteld, bevindt hij zich in de achterhoede. Als hij [de mensen] om toestemming vraagt, krijgt hij geen toestemming en als hij om bemiddeling vraagt, wordt er niet voor hem bemiddeld `vanwege zijn onbeduidendheid in de ogen van de mensen]."

Hoofdstuk: De verdienste van dienstverlening tijdens de strijd
1242. Overgeleverd van Anas Ibn Maalik dat hij heeft gezegd: `Ik vertrok met Boodschapper van AllahSallalahu 'alaihi wasalam Khaibar en ik diende hem. Toen de Profeet weer terugkeerde en Uhud zivhtbaar voor hem werd, zei hij: "Dit is berg die van ons houdt en van wie wij houden.

1243. Van hem is ook overgeleverd dat hij heeft gezegd: `Wij waren eens met de Profeet. Degene onder ons met de schaduw, beschaduwde zichzelf met zijn kleed. De vastenden deden de bediening. De Profeet zei toen: Vandaag zijn de niet-vastenden ervandoor gegaan met de beloning.

Hoofdstuk: De verdienste van de stationering gedurende n dag om de wacht te houden op de Weg van Allah
1244. Overgeleverd van Sahl Ibn Sa'd As-Saa`idie is dat de Boodschapper van AllahSallalahu 'alaihi wasalam heeft gezegd: "Gedurende n dag gestationeerd zijn om de wacht te houden op de Weg van Allah is beter dan de wereld en wat zich daarop bevindt. De plek van de zweep van iemand van jullie in het paradijs is beter dan de wereld en wat zich daarop bevindt. En een avond of een ochtendvertrek die de dienaar onderneemt op de Weg van Allah is beter dan de wereld en wat zich daarop bevindt."

Hoofdstuk Wie tijdens oorlog hulp vraagt van de zwakkeren en de rechtschapenen
1245. Overgeleverd van Sa`d Ibn Abi Waqqaas is dat de Profeet heeft gezegd: "De overwinning en levensvoorziening komen jullie slechts toe vanwege de zwakkeren onder jullie."

1246. Overgeleverd van Abu Sa`ied Al-Khudrie is dat de Profeet heeft gezegd: "Er zal een tijd komen dat groepen mensen zullen strijden en dat gevraagd zal worden: 'Is er onder jullie iemand die een metgezel van de Profeet was?' Men zal Ja' antwoorden en hem zal de overwinning geschonken worden. Vervolgens zal er een tijd komen en er zal gevraagd worden: As er onder jullie iemand die een metgezel van de metgezellen van de Profeet was?' Men zal Ja' antwoorden en de overwinning zal geschonken worden. Vervolgens zal er een tijd komen en er zal gevraagd worden: `Is er onder jullie iemand die metgezel van een metgezel van de metgezellen van de Profeet was? Men zal 'Ja' antwoorden en de overwinning zal geschonken worden.'

Hoofdstuk: Aansporing om pijlen te schieten
1247. Overgeleverd van Abu Usayd is dat de Profeet op de dag van [de slag van] Badr, toen wij in rijen stonden voor Qoraish en zij in de rij stonden voor ons, heeft gezegd: "Als zij jullie naderen, schiet dan jullie pijlen."

Hoofdstuk: Schilden en wie zich beschermt met het scherm van zijn vriend
1248. Overgeleverd van 'Omar is dat heeft gezegd: `De rijkdommen van Banu An-Nadhier behoorden tot wat Allah in het bezit heeft laten komen van van Boodschapper, zonder dat de moslims daar paarden of kamelen voor hebben moeten inzetten. Daarom kwam rijkdom exclusief toe aan de Boodschapper van AllahSallalahu 'alaihi wasalam. Hij gaf er de levensvoorziening voor een jaar van uit omwille van zijn gezin. Wat overbleef wendde hij aan voor wapens en paarden als uitrusting op de Weg van Allah.'

1249. Overgeleverd van `Ali is dat hij heeft gezegd: `Ik heb de Profeet zijn welnemen over geen enkele man zien uitspreken na Sa`d. Ik hoorde hem zeggen: "Werp, ik verlos je met mijn vader en mijn moeder".'

Hoofdstuk: Wat is overgeleverd met betrekking tot het decoreren van zwaarden
1250. Overgeleverd van Abu Umaamah is dat hij heeft gezegd: `Vele overwinningen zijn behaald door mensen (van de metgezellen) van wie de zwaarden niet waren gedecoreerd met goud en zilver. Hun decoratie bestond echter uit ongelooid leer, lood en ijzer.'

Hoofdstuk: Wat is overgeleverd met betrekking tot de malinkolder van de Profeet en over een harnas tijdens de oorlog
1251. Overgeleverd van lbn `Abbaas, is dat de Profeet heeft gezegd, terwijl hij in een tent was: "0 Allah, ik bezweer U bij Uw Gelofte en bij Uw belofte. 0 Allah, als U dat wenst dan zult U na vandaag niet meer aanbeden worden." Abu Bakr pakte hem toen bij zijn hand en zei: `Het is genoeg zo, o Boodschapper van Allah. U hebt aangedrongen bij uw Heer,' terwijl hij een malinkolder aanhad. Vervolgens kwam hij naar buiten en zei: "(De menigte zal verslagen worden en zij zullen hun ruggen toekeren. Welnee, het Uur is hun afspraak en het Uur is catastrofaler en bitterder) [Soe-rah Al-Qamar (54):45, 46]".'

Hoofdstuk: Zijde tijdens de oorlog
1252. Overgeleverd van Anas is dat de Profeet toestemming heeft gegeven aan Abdur-Rahmaan Ihn `Awf en aan Az-Zubair lhn Al-`Awwaam voor [het dragen man] zijden, vanwege jeuk [door huidziekte] die zij hadden.

1253. Van hem is in een andere versie overgeleverd dat zij beiden zich bij de Profeet beklaagden over luizen en dat ze beiden toestemming gaf om zijde te dragen.

Hoofdstuk: Wat er is gezegd met betrekking tot het strijden tegen de Romeinen
1254. Overgeleverd van Umm Haraam is dat zij de Profeet heeft horen zeggen: "Voor het eerste leger van mijn gemeenschap dat een zeeslag zal voeren, is het [paradijs] al verplicht gesteld." Zij vroeg: `O Boodschapper van AllahSallalahu 'alaihi wasalam, zal ik met hen zijn?' Hij antwoordde: "Jij zult met hen zijn." Vervolgens zei de Profeet: "Het eerste leger van mijn gemeenschap dat de stad van Caesar [Costantinopel], het huidige Istanbul in Turkije] zal aanvallen zal vergeven worden." Zij vroeg: O Boodschapper van AllahSallalahu 'alaihi wasalam, zal ik met hen zijn?' Hij antwoordde: "Nee".'

Hoofdstuk: Strijden tegen de joden
1255. Overgeleverd van `Abdullaah Ibn 'Omar is dat de Boodschapper van Allah heeft gezegd: `Jullie zullen strijden tegen de joden, totdat iemand van hen achter een steen zal schuilen, die dan zal zeggen: `O dienaar van Allah, hier achter mij is een jood. Kom en dood hem'." En in een andere versie: "Het Uur zal pas aanbreken nadat jullie tegen de joden zullen strijden ..." En hij noemde het vervolg van de overlevering.

Hoofdstuk: Strijden tegen de Turken
1256. Overgeleverd van Abu Hurairah is dat de Boodschapper van AllahSallalahu 'alaihi wasalam heeft gezegd: "Het Uur zal pas aanbreken nadat jullie zullen strijden tegen de Turken: [zij zijn mensen] met kleine ogen, rode gezichten en platte neuzen. Hun gezichten lijken op met leer bedekte schilden, En het Uur zal pas aanbreken nadat jullie zullen strijden tegen een volk dat schoenen [of sandalen] aantrekt van haren."

Hoofdstuk: Aanroeping tegen de veelgodenaanbidders om de nederlaag en beving
1257. Overgeleverd van `Abdullaah Ibn Abi Awfaa is dat hij heeft gezegd: `Op de dag van Al-Ahzaab heeft de Boodschapper van AllahSallalahu 'alaihi wasalam aanroeping gedaan tegen de veelgodenaanbidders en hij zei: "0 Allah, Neerzender van het Boek, Snelle in de afrekening, 0 Allah, versla de partijen. O Allah. versla hen en laat hen beven.

1258. Overgeleverd van `Aaichah is dat zij heeft gezegd: `De joden kwamen binnen bij de Profeet en zeiden: 'Moge de dood * jou treffen.' Ik vervloekte hen toen en hij vroeg: "Wat is er met jou aan de hand?" Ik antwoordde: `Heeft u dan niet gehoord wat zij zeiden?' Hij zei: Heb je niet gehoord dat ik antwoordde met en jullie ook'?"

* IN het Arabisch zeiden zij: `As-Saammu 'alaikum,' wat klinkt als de islamitische vredesgroet as-salaamu `alaikum,' maar in feite een doodswens is. [Voetnootvan de vertaler]

Hoofdstuk: Aanroeping voor de veelgodenaanbidders om geleid te worden, zodat zij zich aangetrokken voelen
1259. Overgeleverd van Abu Hurairah dat hij heeft gezegd: `Tufail Ibn Amr Ad-Dawsi en zijn metgezellen kwamen am de Profeett toe en zeiden: `O Boodschapper van AllahSallalahu 'alaihi wasalam, [de stam van] Daws is ongehoorzaam en weigerachtig. Roep Allah daarom aan tegen hen.' Men zei: Daws is vernietigd.' Hij zei: "0 Allah, Daws en breng ze hier".'

Hoofdstuk: De uitnodiging van de Profeet naar de Islaam en naar het profeetschap, en dat zij elkaar niet tot partners aanstellen naast Allah
1260. Overgeleverd van Sall Ibn Sa`d is dat hij de Profeet op de dag [van de slag] van Khaibar heeft horen zeggen: "Ik zal de vlag geven aan een man op wiens handen Allah de overwinning zal brengen." Hierop stonden zij op, hopend dat iemand van hen hem zou krijgen, en iedereen van hen hoopte dat hij hem zou krijgen. Hij vroeg toen: "Waar is 'Ali?' Men antwoordde: `Hij heeft last van zijn ogen.' Hij droeg op om hem bij hem te laten komen. Hij spuugde in zijn ogen en hij genas ter plekke, alsof hij nooit ergens last van had gehad. Hij vroeg: `Moeten wij hen bevechten totdat zij net als wij [moslims] worden?' Hij antwoordde: "Wees geduldig. Als je bij hen aankomt, nodig hen dan uit naar de Islaam en bericht ze over wat hun verplicht is gesteld. Want bij Allah, dat Allah door jou n man leidt, is beter voor jou dan rode kamelen".'

Hoofdstuk: Wie een slag wil voeren, maar deze verhult met een andere en wie ervan houdt om op donderdag te vertrekken
1261. Overgeleverd van Ka`b Ibn Maalik is dat hij heeft gezegd: `Als de Boodschapper van AllahSallalahu 'alaihi wasalam vertrok voor een reis, dan kwam het zelden voor dat hij niet op donderdag vertrok.'

Hoofdstuk: Afscheid nemen
1262. Overgeleverd van Abu Hurairah dat hij heeft gezegd: `De Boodschapper van AllahSallalahu 'alaihi wasalam zond ons mee met een leger en zei tegen ons: "Als jullie die-en-die en die-en-die tegengekomen (waarmee hij twee mannen van Qoraish bedoelde, die bij naam noemde), verbrand hen beiden dan met vuur." Toen wij vervolgens wilden vertrekken en kwamen om afscheid van hem te nemen, zei hij: "Ik had opgedragen om die-en-die en die-die met vuur te verbranden. Het is echter Allah Alleen die met vuur kwelt. Als jullie hen grijpen, dood hen dan beiden".'

Hoofdstuk: Luisteren naar de islamitische leider en hem gehoorzamen
1263. Overgeleverd van Ibn 'Omar is dat de Profeet heeft gezegd: Luisteren en gehoorzamen is een verplichting, zolang niet wordt opgedragen tot een zonde. Als men een zonde wordt dragen, dan is er geen luisteren en geen gehoorzaamheid."

Hoofdstuk: Men strijdt achter de islamitische leider en laat zich door hem beschermen
1264. Overgeleverd van Abu Hurairah is dat hij de Boodschapper van AllahSallalahu 'alaihi wasalam horen zeggen: "Wij zijn de laatsten, maar wij zullen de eersten zijn [in het hiernamaals]." En hij zei: "Wie mij gehoorzaamt, heeft Allah gehoorzaamd en wie ongehoorzaam aan mij is, is ongehoorzaam aan Allah. Wie de Islamitische leider gehoorzaam heeft mij gehoorzaamd en wie ongehoorzaam is aan de islamitische leider, is ongehoorzaam aan mij. De islamitische leider is een schild: men strijdt achter hem en men laat zich door hem beschermen. Als hij Godvrees beveelt en rechtvaardig is, dan wordt hij daarvoor beloond. Als hij iets anders doet, dan is dat [een zonde] tegen hem".'

Hoofdstuk: Tijdens de oorlog de gelofte van trouw beloven om niet te vluchten
1265. Overgeleverd van lbn 'Omar is dat hij heeft gezegd: `Toen wij in het volgende jaar [na het verdrag van Al-Hudaibiyyah] terugkeerden, werden geen twee van ons het meer eens over de boom waaronder wij de gelofte van trouw had - den beloofd. Dit was een Genade van Allah.' Men vroeg hem waarover hij hen de gelofte van trouw aan hem liet beloven? Over de dood?' Hij antwoordde: `Nee, hij liet hen de gelofte van trouw aan hem beloven over geduld.'

1266. Overgeleverd van `Abdullaah Ibn Zayd is dat hij heeft gezegd: `Ten tijde van [de gebeurtenis van] Al-Harrah, kwam iemand naar hem toe en zei tegen hem: `Ibn Handhalah laat de mensen de gelofte van trouw aan hem beloven over de dood.' Hij zei: `Ik zal de gelofte van trouw hierover aan niemand meer beloven na de Boodschapper van AllahSallalahu 'alaihi wasalam.

1267. Overgeleverd van Salamah Ibn Al-Akwa` is dat hij heeft gezegd: Ik beloofde de Profeet de gelofte van trouw en vervolgens begaf ik me naar de schaduw van de boom. Toen de mensenmassa afnam vroeg hij: "0 Ibn Al-Akwa` beloof jij geen gelofte van trouw?" Ik antwoordde: `Ik heb de gelofte van trouw al beloofd, o Boodschapper van AllahSallalahu 'alaihi wasalam.' Hij zei: "Nog een keer." Tk beloofde hem toen voor de tweede maal de gelofte van trouw.' Toen men hem vroeg: Waarover beloofden jullie toen de gelofte van trouw? Antwoordde hij: `Over de dood.'

1268. Overgeleverd van Mudjaashi` is dat hij heeft gezegd: `Ik kwam samen met mij broer bij de Profeet en ik zei: `Laat ons de gelofte van trouw beloven aan u over de emigratie.' Hij antwoordde: "De emigratte heeft al plaatsgevonden door haar mensen." lk vroeg: Waarover laat u ons dan de gelofte van trouw aan u beloven? Hij antwoordde: "Over de Islaam en de strijd [djihaad]."'

Hoofdstuk: De islamitische leider houdt de mensen streng aan wat zij aankunnen
1269. Overgeleverd van Abdullaah is dat hij heeft gezegd: `Er is vandaag een man mij toegekomen, die mij vroeg over een kwestie waarvan ik niet wist hoe ik hem moest antwoorden. Hij zei namelijk: Wat vind jij van een sterke en actieve met die onze leiders vertrekt naar oorlogen, terwijl de leider ons streng houdt aan zaken die wij niet aankunnen?' Ik antwoordde hem: `Bij Allah, ik weet niet wat ik moet zeggen, behalve dat toen wij met de Profeet waren, hij ons een zaak niet meer dan n keer opdroeg en wij verrichtten die. Het zal met eenieder van jullie goed gesteld zijn zolang hij Allah vreest. Als hij hij zichzelf twijfelt over een kwestie, laat hij dan een andere man raadplegen die hem van zijn twijfel kan genezen. Er is bijna een tijd aangebroken dat jullie zo iemand [om te raadplegen] niet meer zullen aantreffen. Bij Degene naast Wie er geen andere god is, wat is vergaan van de wereld beschouw ik als een beschaduwde bergbeek, waarvan her zuivere [water] is gedronken en het troebele is achtergebleven'.'

Hoofdstuk: Als de Profeet de strijd niet aanging aan het begin van de dag, stelde hij de strijd uit totdat de zon voorbij haar hoogste punt was
1270. Overgeleverd van `Abdullaah Ibn Abi Awfaa is dat de Profeet op een dag waarop hij [de vijand] trof, wachtte totdat de zon voorbij haar hoogste punt was. Vervolgens preekte hij en zei tegen de mensen: "0 mensen, verlang niet naar de ontmoeting van de vijand en vraag Allah om jullie te behoeden. Als jullie hen echter treffen, wees dan geduldig en weet dat het paradijs onder de schaduw van de zwaarden is." Vervolgens zei hij: "0 Allah, Neerzender van het Boek..".' En de rest van de aanroeping is al eerder vermeld.

Hoofdstuk: De loonarbeider
1271. Overgeleverd van Ya'laa Ibn Umayyah is dat hij heeft gezegd: `Ik stuurde een loonarbeider in die in gevecht raakte met een man. De ene beet de andere. Hij trok zijn hand uit zijn mond en brak zijn voortand. Hij kwam vervolgens naar de Profeet die zijn claim verwierp. Hij zei: "Hij steekt zijn hand naar je uit en jij bijt haar net als een hengst bijt!"

Hoofdstuk: Wat er is gezegd over het vaandel van de Profeet
1272. Overgeleverd van Al-`Abbaas is dat hij tegen Az-Zubair zei: `Dit is de plek waar de Profeet jou beval om de vlag te steken.'

Hoofdstuk: De uitspraak van de Profeet: "Aan mij is de overwinning door angst geschonken op een reisafstand van een mand."
1273. Overgeleverd van Abu Hurairah de Boodschapper van AllahSallalahu 'alaihi wasalam heeft gezegd: "ik hen gezonden met alles omvattende spraak [weinig woorden, grote kenissen] en aan mij is de overwinning door angst geschonken. Terwijl ik eens sliep werden mij de sleutels van de schatten van de aarde gebracht en die werden in mijn hand gelegd."

Abu Hurairah heeft gezegd: `De BoodBoodschapper van AllahSallalahu 'alaihi wasalam is heengegaan en jullie brengen ze [de schatten] nu naar buiten,'

Hoofdstuk: Het meenemen van proviand tijdens de oorlog en de Uitspraak van Allah: (Voorzie jullie van proviand, want godvrees is de beste proviand)
1274. Overgeleverd van Asmaa' is dat zij heeft gezegd: `Toen de Boodschapper van AllahSallalahu 'alaihi wasalam wilde emigreren naar Al-Madienah, bereidde ik zijn reisproviand voor in het huis van Abu Bakr. Wij vonden niets om zijn reisproviand en zijn waterzak mee vast te binden. Daarom zei ik tegen Abu Bakr: Bij Allah, ik heb niets gevonden om mee vast te binden, behalve mijn gordel.' Hij zei: `Scheur hem door tween. Bind met de ene helft de waterzak vast en met de andere helft de reisproviand.' Ik deed dat en daarom werd ik `de eigenares van de twee gordels' genoemd.'

Hoofdstuk: Iemand achterop een ezel meenemen
1275. Overgeleverd van Usaamah Ibn Zayd is dat de Boodschapper van AllahSallalahu 'alaihi wasalam eens op een ezel reed - op een ezelzadel met een fluwelen kleed erop - en dat hij Usaamah achterop meenam.

1276. Overgeleverd van `Abdullaah is dat de Boodschapper van AllahSallalahu 'alaihi wasalam op de Bevrijdingsdag op zijn rijkameel aankwam uit het hoge gedeelte van Mekka, met Usaamah Ibn Zayd achterop en vergezeld door Bilaal en `Othmaan Ibn Talhah van de kamerheren [van de Ka`bah]. Hij liet zijn rijkameel neerknielen in de moskee. Hij beval hem om de sleutel van het Huis [de Ka`bah] te halen, waarmee hij het opende. De Boodschapper van AllahSallalahu 'alaihi wasalam betrad het Huis ... (en het vervolg van de overlevering is al eerder vermeld).

Hoofdstuk: De afkeuring van het reizen met Qor'aan-boeken naar het land van de vijand
1277. Overgeleverd van `Abdullaah Ibn Omar is dat de Boodschapper van AllahSallalahu 'alaihi wasalam heeft verboden om met de Qor'aan te reizen naar het land van de vijand.

Hoofdstuk: Wat afgekeurd wordt aan stemverheffing tijdens het uitspreken van de takbier [Allahu Akbar]
1278. Overgeleverd van Abu Moesaa Al-Ash'arie is dat hij heeft gezegd: Wij waren eens met de Boodschapper van Allah. Als wij een vallei naderden, keken wij luidkeels de tahliel [Laa ilaaha illAllah] en de takbier [Allahu Akbar] uit. De Profeet zei toen: "0 mensen, wees voorzichtig met jullie zelf. Jullie roepen namelijk geen dove noch afwezige aan. Hij is met jullie: Hij is Al-Horend en Dichtbij.

Hoofdstuk: Het uitspreken van de tasbieh [subhaan Allah] als men in een vallei neerdaalt
1279. Overgeleverd van Djaabir Ibn dillaah is dat hij heeft gezegd: `Als wij stegen, spraken wij de takbier [Allahu Akbar] uit en als wij daalden spraken wij de tasbieh [Subhaan Allah] uit.'

Hoofdstuk: Voor de reiziger wordt hetzelfde opgeschreven als wat hij deed toen hij thuis verbleef
1280. Overgeleverd van Abu Moesaa is dat de Boodschapper van AllahSallalahu 'alaihi wasalam heeft gezegd: "Als een dienaar ziek wordt of reist, wordt voor hem hetzelfde opgeschreven als wat hij deed toen hij thuis verbleef en gezond was."

Hoofdstuk: Alleen reizen
1281. Overgeleverd van Abdullaah Ibn 'Omar is dat de Profeet heeft gezegd: "Als de mensen zouden weten wat ik weet over wat eenzaamheid met zich meebrengt, dan zou geen enkele ruiter alleen in de nacht reizen."

Hoofdstuk: Strijden [djihaad] met de toestemming van beide ouders
1282. Overgeleverd van Abdullaah lbn `Amr is dat hij heeft gezegd: `Er kwam een man naar de Profeet en vroeg hem toestemming om [deel te nemen aan] de djihaad. Hij vroeg: "Leven jouw ouders?" Hij antwoordde: Ja.' Hierop zei hij: "Span jezelf in [en strijd] ,terwille van hen."

Hoofdstuk: Wat is gezegd over het hangen van bellen en dergelijke om de nekken van kamelen
1283. Overgeleverd van Abu Bashier Al-Ansaari is dat hij samen met de Boodschapper van AllahSallalahu 'alaihi wasalam was tijdens n van zijn reizen, terwijl de mensen in hun slaapplekken verbleven. De Boodschapper van AllahSallalahu 'alaihi wasalam zond een gezant [met de boodschap] dat om de nek van geen enkele kameel een omhangsel van draad of een changsel mocht blijven zonder gebroken te worden.

Hoofdstuk: Wie zich heeft ingeschreven voor een leger, terwijl zijn vrouw is vertrokken naar de hadj en hij een excuus heeft: krijgt hij toestemming?

1284. Overgeleverd van Ibn `Abbaas is dat hij de Profeet heeft horen zeggen: "Het is niet toegestaan voor een man om zich afgezonderd met een vrouw te bevinden en het is niet toegestaan voor vrouw om te reizen, behalve in het bijzijn van een mahram." Hierop stond een man op en vroeg: `O Boodschapper van AllahSallalahu 'alaihi wasalam, mijn vrouw is vertrokken naar de hadj en ik heb mij ingeschreven voor die-en-die strijd?' Hij antwoordde: "Ga en verricht de hadj met je vrouw."

Hoofdstuk: Krijgsgevangenen in kettingen
1285. Overgeleverd van Abu Hurairah is dat de Profeet heeft gezegd: "Allah is goedkeurend gestemd over mensen die het paradijs [geketend] in kettingen * zullen betreden."

Hoofdstuk: Bewoners van een plek die nachtelijk worden aangevallen waar door [onbedoeld ook] baby's en kinderen worden getroffen
1286. Overgeleverd van As-Sa`b Ibn Djathaamah Al-Laythie is dat hij heeft gezegd: `De Profeet kwam bij mij langs in Al-Abwaa of Waddaan. Hem werd toen gevraagd over het nachtelijk aanvallen van een plaats waarvan de bewoners veelgodenaanbidders zijn, waardoor ook hun vrouwen en hun kinderen [onbedoeld] getroffen worden. Hij antwoordde: "Zij behoren [in dit geval] tot hen".' En ik hoorde hem zeggen: "Er is geen priv weidegrond [Himaa * ], behalve voor Allah en voor Zijn Boodschapper."

* Zij worden krijgsgevangen genomen en in kettingen geketend. Vervolgens worden z ij uit eigen wil en onderwerping moslims en betreden uiteindelijk het paradijs, [Ontleend aan een voetnoot op pagina 373 hij deze overlevering in het boek at-tadjried as -sarieh] [Voetnoot van de vertaler]

* Himaa: een snik priv-weidegrond, die oorspronkelijk aan niemand toebehoort niemand mag het ontginnen. Het wordt gehouden voor het grazen van eigen eigen vee.

Hoofdstuk: Het doden van kinderen tijdens oorlog
1287. Overgeleverd van `Abdullaah is dat een vrouw tijdens een slag van de Profeet gedood werd aangetroffen. De Boodschapper van AllahSallalahu 'alaihi wasalam keurde toen het doden van vrouwen en kinderen af.

Hoofdstuk: Men mag niet kwellen met de kwelling van Allah
1288. Overgeleverd van Ibn `Abbaas is dat hem bereikte dat `Ali sommige mensen had verbrand. Hij zei en: Als ik het was dan had ik hen niet verbrand, omdat de Profeet heeft gezegd: "Kwel niet met de kwelling van Allah." Ik zou hen echter gedood hebben, zoals de Profeet heeft gezegd: Wie zijn religie wijzigt, dood hem dan".'

1289. Overgeleverd van Abu Hurairah dit hij de Boodschapper van AllahSallalahu 'alaihi wasalam heeft horen zeggen: "Een mier beet een Profeet van de Profeet, die toen opdroeg om het hele mierendorp te verbranden. Allah openbaarde toen aan hem: "Omdat een mier jou heeft gebeten, heb jij een hele gemeenschap van de gemeenschapverbrand, die Allah verheerlijkt"."

Hoofdstuk: Het verbranden van huizen en dadelpalmbomen
1290. Overgeleverd van Djarier is dat de Boodschapper van AllahSallalahu 'alaihi wasalam heeft gezegd: "Wil jij mij niet verlossen van Dhul Khalasah?" Dit was een huis [van een afgodsbeeld] in Khath`am dat de Jemenitische Ka`bah werd genoemd. Ik vertrok toen in een ruiterij van honderdvijftig man uit [de stam van] Ahmas. Zij waren bedreven paardrijders, maar ik kon niet stevig op een paard blijven zitten. Hij sloeg toen op mijn borst, waardoor ik de afdrukken van zijn vingers op mijn borst kon zien en hij zei: "0 Allah, maak hem standvastig en laat hem leidend en geleid zijn".' Vervolgens vertrok hij [Djarier] erheen, en sloopte en verbrandde haar. Daarna zond hij naar de Boodschapper van AllahSallalahu 'alaihi wasalam om hem te berichten. De boodschapper van Djarier zei [tegen de Boodschapper van AllahSallalahu 'alaihi wasalam] 'Bij Degene Die u met de Waarheid heeft gezonden, ik ben pas naar u gekomen nadat ik haar heb achtergelaten als uitgeholde of schurftige kamelen.' Hij zegende toen vijfmaal de paarden van Ahmas en haar mannen.

Hoofdstuk: De oorlog is misleiding
1291. Overgeleverd van Abu Hurairah is dat de Profeet heeft gezegd: "Kisraa [Khosrauj is vernietigd en er zal na hem geen Kisraa [Khosrau] komen. Caesar zal ook vernietigd worden en er zal geen Caesar na hem komen. De schatten van beiden zullen verdeeld worden op de Weg van Allah."

1292. Van hem is ook overgeleverd dat de Profeet de oorlog misleiding heeft genoemd.

Hoofdstuk: Ruzie en onenigheid tijdens de oorlog warden afgekeurd en de straf van wie ongehoorzaam is aan zijn leider
1293. Overgeleverd van Al-Baraa' Ibn Aazib is dat hij heeft gezegd: `De Profeet stelde op de dag van [de slag van] Uhud `Abdullaah Ibn Djubair aan over de infanteric, die bestond uit vijftig man. Hij is zei tegen hen: "Zelfs als jullie zien dat de vogels ons pikken, verlaat deze plek van jullie dan niet, totdat ik iemand naar jullie stuur. Als jullie zien dat wij hen hebben verslagen en hen onder de voet hebben gelopen, verlaat deze plek van jullie dan niet, totdat ik iemand naar jullie stuur." En zij [de moslims] versloegen hen [de ongelovigen].' Hij [Al-Baraa] heeft gezegd: Bij Allah, ik zag de [ongelovige] vrouwen wegrennen, met opgetrokken gewaden waardoor hun enkelsieraden en onderbenen te zien waren. De mannen van 'Abdullaah Ibn Djubair zeiden toen: `O mensen, de oorlogsbuit, de oorlogsbuit! Jullie metgezellen hebben gezegevierd, dus waar wachten jullie nog op?' `Abdullaah Ibn Djubair zei: 'Zijn jullie vergeten wat de Boodschapper van AllahSallalahu 'alaihi wasalam tegen jullie heeft gezegd?' Zij antwoordden: `Bij Allah, wij gaan ons bij de mensen voegen en wij zullen ons ook ons aandeel van de buit toeeigenen.' Toen zij bij hen aankwamen, werden hun gezichten afgewend en keerden zij verslagen terug. Dat was toen de Boodschapper van AllahSallalahu 'alaihi wasalam hun achterhoede riep, maar er niemand met de Profeet bleef, op twaalf mannen na. Zij troffen toen zeventig man van ons, terwijl de Profeet en zijn metgezellen op de dag [van de slag] van Badr honderdveertig van de veelgodenaanbidders hadden getroffen: zeventig krijgsgevangenen en zeventig doden.

Abu Sofyaan vroeg toen drie keer: 'Bevindt Mohammad zich onder de mensen?' De Profeet verbood hun echter om hem te antwoorden. Vervolgens vroeg hij drie keer: `Bevindt Ibn Abi Qohaafah [Abu Bakr] zich onder de mensen?' Daarna keerde hij terug naar zijn mensen en zei: `Wat hen betreft, zij zijn gedood: `Omar kon zich toen niet inhouden en zei: `Bij Allah, je liegt, o vijand van Allah. Diegenen die jij hebt opgenoemd leven allemaal en datgene wat jou ongunstig zal stemmen, zal nog komen.' Hij [Abu Sofyaan] antwoordde: Deze dag is [een vergelding] in ruil voor de dag van Bach en de oorlog is onbeslist. Jullie zullen zien dat de mensen verminkt zijn. Ik heb daar toe niet opgedragen, maar ik treur er ook niet om.' Vervolgens begon hij te dichten: Wees verheven o [afgodsbeeld] Hubal, wees verheven o Hubal.' De Profeet zei: "Waarom antwoorden jullie hem niet?" Zij vroegen: `O Boodschapper van AllahSallalahu 'alaihi wasalam, wat moeten wij dan zeggen?' Hij zei: "Zeg: Allah is de Meest Verhevene en de Meest Hoge." Hij [Abu Sofyaan] zei: Wij hebben [het afgodsbeeld] Al-`Uzzaa en jullie hebben geen Al-`Uzzaa.' De Profeet zei: "Waarom antwoorden jullie hem niet?" Zij vroegen: `O Boodschapper van AllahSallalahu 'alaihi wasalam, wat moeten wij dan zeggen?' Hij zei: "Zeg: Allah is onze Medestander en jullie hebben geen medestander".'

Hoofdstuk: Wie de vijand ziet en zo hard als hij kan de schreeuw om redding: `O Sabaahaah' uitschreeuwt, zodat de mensen hem kunnen horen
1294. Overgeleverd van Salamah is dat hij heeft gezegd: `Ik vertrok uit Al-Madienah en begaf me richting Al-Ghaabah [op een afstand van Al-Madienah, op de weg van de Levant]. Toen ik aankwam bij de bergweg van Al-Ghaabah kwam een slaaf van `Abdur-Rahmaan Ibn Awf mij tegemoet. Ik vroeg hem: `Wee jou! Wat is er met je aan de hand?' Hij antwoordde: `De melkkamelen van de de Profeet zijn meegenomen.' Ik vroeg: Wie heeft die meegenomen?' Hij antwoordde: [De stammen van] Ghatafaan en Fazaarah.' Ik schreeuwde toen drie keer, waardoor alles tussen haar twee velden mij konden horen: `O Sabaahaah, o Sabaahaah [een schreeuw om redding].' Ik rende vervolgens totdat ik hen aantrof. Ik wierp [met pijlen] naar hen en zei [rijmend]: `Ik ben de zoon van Al-Akwa`, en vandaag is de vernietigingsdag van de gemeneriken.' Ik ontnam ze [de melkkamelen] van hen voordat zij dronken. Ik nam ze mee en keerde terug. De Profeet kwam mij tegen en ik zei: `O Boodschapper van AllahSallalahu 'alaihi wasalam, de mensen [van Ghatafaan en Fazaarah] hebben dorst en ik heb hen opgejaagd, waardoor zij niet hebben kunnen drinken. Stuur daarom [soldaten] achter hen aan.' Hij zei toen: "0 zoon van Al-Akwa`, je hebt hen overmand. Wees daarom goedgezind. Het zijn namelijk mensen die nu gastvrij zijn ontvangen door hun volkeren"'

Hoofdstuk: Bevrijding van krijgsgevangenen
1295. Overgeleverd van Abu Moesaa is dat de Boodschapper van AllahSallalahu 'alaihi wasalam heeft gezegd: `Bevrijd de krijgsgevangene, voed de hongerige en bezoek de zieke."

1296. Overgeleverd van Abu Djuhayfah is dat hij aan `Ali vroeg: `Hebben jullie behalve wat in het Boek van Allah staat nog iets van de openbaring?' Hij antwoordde: Nee, bij Degene Die het zaad heeft gespleten en de schepping heeft geschapen. Ik weet van niets, behalve dat Allah een bepaald persoon begrip van de Qor'aan schenkt en wat in dit blad [hij bedoelde een blad dat hing aan de schede van zijn zwaard] staat.' Ik vroeg: `Wat staat er dan in dat blad?' Hij antwoordde: 'Bloedgeld, bevrijding van krijgsgevangenen en dat een moslim niet omwille van een ongelovige wordt gedood.'

Hoofdstuk: Verlossing van veelgodenaanbidders
1297. Overgeleverd van Anas Ibn Maalik is dat mannen van de Ansaas toestermming vroegen aan de Boodschapper van A11aah en zeiden: `O Boodschapper van AllahSallalahu 'alaihi wasalam, geef ons toestemming om de zoon van onze zus zijn afkoopsom kwijt te schelden.' Hij antwoordde: "Laat geen enkele dirham ervan."

Hoofdstuk: Als een vijandelijke strijder islamitisch grondgebied betreedt zonder dat hem een vrijgeleide is gegeven
1298. Overgeleverd van Salamah Ibn Al-Akwa` is dat hij heeft gezegd: `Er kwam een spion van de veelgodenaanbidders bij de Profeet, terwijl hij op reis was. Hij ging bij zijn metgezellen zitten en sprak met hen. Toen hij vervolgens vertrok, zei Profeet: "Achtervolg hem en dood hem". Hij [Salamah Ibn Al-Akwal] doodde hem en hij gaf hem wat hij van hem [spion] had afgenomen [aan persoonlijke bezittingen] als buit.'

Hoofdstuk: Verlossing van veelgoden aanbidders
1297. Overgeleverd van Anas Ibn Maalik is dat mannen van de Ansaar toestemming vroegen aan de Boodschapper van Allah en zeiden: `0 Boodschapper van A11aah, geef ons toestemming om de zoon an onze zus zijn afkoopsom kwijt te schelden.' Hij antwoordde: "Laat geen enkele dirham ervan."

Hoofdstuk: Als een vijandelijke strijder islamitisch grondgebied betreedt zonder dat hem een vrijgeleide is gegeven
1298. Overgeleverd van Salamah lbn Al-Akwa` is dat hij heeft gezegd: `Er kwam een spion van de veelgodenaanbidders bij Profeet, terwijl hij op reis was. Hij ging bij zijn metgezellen zitten en sprak met hen. Toen hij vervolgens vertrok, zei de Profeet: "Achtervolg hem en dood hem." Hij [Salamah Ibn Al Akwal doodde hem en hij gaf hem wat hij van hem [de spion] had afgenomen [aan persoonlijke bezittingen] als buit.'

Hoofdstuk: Schenkingen aan delegaties
Hoofdstuk: Of bemiddeld mag worden voor beschermelingen en de omgang met hen
1299. Overgeleverd van Ibn `Abbaas is dat hij heeft gezegd: Donderdag! Wat een dag is donderdag!' Vervolgens huilde hij totdat zijn tranen de kiezelstenen bevochtigden en hij zei: `De [overlijdens] pijn van de Boodschapper van AllahSallalahu 'alaihi wasalam verhevigde op donderdag. Hij zei toen: "Breng mij schrijfgerei en ik zal iets voor jullie [laten] schrijven waarna jullie nooit meer zullen dwalen." Zij kregen toen onenigheid, terwijl het niet gepast is om in het bijzijn van een profeet onenigheid te krijgen. Zij zeiden toen: `De Boodschapper van AllahSallalahu 'alaihi wasalam lijdt hevige pijn.' Hij zei: "Laat mij. Datgene waarin ik mij bevind, is beter dan waarnaar jullie mij uitnodigen." Hij beval op zijn sterfbed drie zaken: "Verdrijf de veelgodenaanbidders uit het Arabische Schiereiland en schenk de delegaties op een manier zoals ik hen schonk." En de derde ben ik vergeten.'

Hoofdstuk Hoe de Islaam aan een jongen wordt voorgelegd
1300. Overgeleverd van lbn 'Omar is dat hij heeft gezegd: De Profeet stond eens op tussen mensen [om te preken]. Hij sprak lofprijzingen uit over Allah zoals Hij dat verdient en vervolgens noemde hij Ad-Dadjaal [antichrist] en zei: "Ik waarschuw jullie voor hem. Elke profeet heeft zijn volk voor hem gewaarschuwd en Noeh [Noach] heeft ook zijn volk voor hem gewaarschuwd. Ik zal jullie echter iets zeggen over hem wat geen enkele profeet tegen zijn volk heeft gezegd: jullie weten dat hij nogig is en dat Alkali niet nogig is".'

Hoofdstuk: Het noteren van de mensen door de leider
1301. Overgeleverd van Hudhayfah: is dat de Profeet heeft gezegd: "Noteer voor mij wie van de mensen de [geloofszetuigenis van de] Islaam heeft uitgesproken." Wij schreven vijftienhonderd mannen voor hem op en zeiden: Moeten wij vrezen, terwijl wij met vijftenhonderd zijn?' Wij zijn [later] echter dusdanig beproefd, dat iemand van ons Alleen bad, terwijl hij in angst verkeerde.'

Hoofdstuk: Wie de vijand overmant en vervolgens drie [nachten] op zijn open veld verblijft
1302. Overgeleverd van Abu Talhah is dat de Profeet als hij een volk overmande, drie nachten op hun open veldverbleef.

Hoofdstuk: Als de veelgodenaanbidders rijkdom van een moslim buit maken en de moslim die later vindt
1303. Overgeleverd van Ibn 'Omar is dat hij heeft gezegd dat een paard van hem vluchtte en door de vijand werd meegenomen. Vervolgens overmanden de moslims hem en werd het [paard] aan hem teruggegeven ten tijde van de Boodschapper van AllahSallalahu 'alaihi wasalam. Een slaaf van hem vluchtte ook en voegde zick hij de Romeinen. Toen de moslims hen overmanden, gaf Khaalid Ibn Al-Walied hem terug na [het overlijden van] de Profeet.

Hoofdstuk: Wie Perzisch spreekt of een andere niet -Arabische taal, en de Uitspraak van Allah: (...en jullie verschillende tongen en kleuren) en: (En Wij hebben geen enkele boodschapper gezonden, behalve met de tong van zijn volk...)
1304. Overgeleverd van Djaabir Ibn `Abdillaah is dat hij heeft gezegd: `O Boodschapper van AllahSallalahu 'alaihi wasalam, wij hebben een klein lammetje van ons geslacht en ik heb een saa` [bijna drie kilo] aan gerst gemalen. Wilt u en enkele anderen met u meekomen?' Hierop schreeuwde de Profeet en zei: "0 mensen van de loopgraaf, Djaabir heeft een sawr [= feestmaal in het Perzisch] bereid, dus komt allemaal snel en wees welkom".'

1305. Overgeleverd van Umm Khaalid, de dochter van Khaalid Ibn Sa`ied is dat zij heeft gezegd: `Ik kwam met mijn vader bij de Boodschapper van AllahSallalahu 'alaihi wasalam, terwijl ik een geel gewaad aan had. De Boodschapper van AllahSallalahu 'alaihi wasalam zei toen: "Sanah, Sanah." Dit betekent `mooi' in het Abessinisch.' Zij heeft gezegd: `Toen ik begon te spelen met het Zegel der Profeetschap [tussen zijn twee schouderbladen] berispte zijn vader mij daarom. De Boodschapper van AllahSallalahu 'alaihi wasalam zei: "Laat haar." Vervolgens zei de Boodschapper van AllahSallalahu 'alaihi wasalam: "Moge het [gele gewaad] oud laten worden en verslijten.

Hoofdstuk: Onrechtmatige toe eigening van een deel van de oorlogsbuit en de Uitspraak van Allah: (...en wie zich onrechtmatig een deel van de oorlogsbuit toeeigent, zal tijdens de Opstandingsdag komen met wat hij zich onrechtmatig heeft toegeeigend)
1306. Overgeleverd van Abu Hurairah dat hij heeft gezegd: `De Profeet stond eens op en noemde de onrechtmatigetoe-eigening van een deel van de oorlogsbuit. Hij gaf aan dat het een geweldige en enorme kwestie is. Hij zei: Laat ik niemand van jullie treffen tijdens Opstandingsdag met op zijn nek een blatend schaap of met op zijn een nek een hinnekend paard, terwijl hij zegt: `O Boodschapper van AllahSallalahu 'alaihi wasalam, red mij.' Ik zal dan antwoorden: "Ik bezit niets voor jou. Ik heb al aan jou verkondigd." Of met op zijn nek een grommende kameel, terwijl hij zegt: `O Boodschapper van AllahSallalahu 'alaihi wasalam, red mij.' lk zal dan antwoorden: "Ik bezit niets voor jou. Ik heb al aan jou verkondigd." Of met op zijn nek edelmetalen, terwijl hij zegt: `O Boodschapper van AllahSallalahu 'alaihi wasalam, red mij.' lk zal dan antwoorden: "lk bezit niets voor jou. Ik heb al aan jou verkondigd." Of met op zijn nek wapperende lappen, terwijl hij zegt: `O Boodschapper van AllahSallalahu 'alaihi wasalam, red mij.' Ik zal dan antwoorden: "Ik bezit niets voor jou. Ik heb al aan jou verkondigd".'

Hoofdstuk: Onrechtmatige toeeigening van een gering gedeelte van de oorlogsbuit
1307. Overgeleverd van `Abdullaah Ibn `Amr is dat hij heeft gezegd: `Een man die Kirkira heette, was aangesteld voor de zware last van de Profeet. Toen hij overleed, zei de Boodschapper van AllahSallalahu 'alaihi wasalam: "Hij is in het vuur." Toen zij op onderzoek gingen bij hem, troffen zij een mantel aan die hij zich onrechtmatig had toegeigend van de oorlogsbuit.'

Hoofdstuk: Het ontvangen van de strijders
1308. Overgeleverd van Ibn Abi Mulaikah is dat Ibn Az-Zubair tegen Ibn Dja`far zei: `Herinner jij je nog toen ik, jij en Ibn Abbaas de Boodschapper van AllahSallalahu 'alaihi wasalam ontvingen?' Hij antwoordde: `Ja, toen hij ons droeg en jou liet.'

1309. Overgeleverd van As-Saaib Ibn Yazied is dat zij samen met de jongens naar de afscheidsbergweg [thaniyyat ul-wadaa`] vertrokken om de Boodschapper van AllahSallalahu 'alaihi wasalam te ontvangen.

Hoofdstuk: Wat men zegt bij terug keer van de strijd
1310. Overgeleverd van Anas Ibn Maalik is dat hij heeft gezegd: `Wij waren met de Profeet tijdens zijn terugkeer uit Usfaan. De Boodschapper van AllahSallalahu 'alaihi wasalam zat op zijn rijkameel met Safiyyah Ibn Huyay achterop. De kamelin struikelde en vielen er beiden van af. Abu Talhah wierp zich [van zijn rijkameel] en zei: `O Boodschapper van Allah, moge Allah mij aanstellen om u te verlossen.' Hij zei: intferm je over de vrouw." Hij gooide een kleed over zijn gezicht, kwam naar haar toe en gooide het kleed over haar. Hij herstelde voor hen hun rijdier en zij bestegen haar. Wij omringden de Boodschapper van AllahSallalahu 'alaihi wasalam. Toen wij Al-Madienah naderden, zei hij: "Wij zijn terugkerend, berouwtonend, aanbiddend, knielend en onze Heer lovend." Hij bleef dit herhalen totdat hij Al-Madienah binnenging.'

Hoofdstuk: Het gebed als men aankomt van een reis
1311. Overgeleverd van Kali is dat de Profeet als hij in de ochtend aankwam van een reis, hij de moskee binnenging en twee rak`as bad voordat hij ging zitten.

Hoofdstuk: De verplichting van een vijfde
1312. Overgeleverd van 'Omar 1bn Al-Khattaab is dat de Boodschapper van AllahSallalahu 'alaihi wasalam heeft gezegd: "Wij [profeten] worden niet gerfd. Wat wij nalaten is een aalmoes." Van de rijkdommen die Allah in zijn bezit liet komen [door overmaning zonder dat daar een strijd voor geleverd was], gaf hij de levensvoorziening van een jaar uit voor zijn gezin. Vervolgens nam hij wat overbleef en plaatste het als aangewezen rijkdom voor [de Zaak van] Allah. Hij zei dan tegen de aanwezige metgezellen: "Ik bezweer jullie bij Allah, met Wiens Toestemming de hemelen en de aarde in stand blijven: weten jullie hiervan?" Zij antwoordden: Ja.' In de bijeenkomst waren aanwezig: `Othmaan, `Abdur-Rahmaan Ibn `Awf, Az-Zubair en Sa`d Ibn Abi Waqqaas.' Vervolgens noemde hij de overlevering van de onenigheid van `Ali en `Abbaas. Het vermelden ervan voldoet echter niet aan onze voorwaarde.

Hoofdstuk: Wat is genoemd over de malinkolder van de Profeet, zijn stok, zwaard, kruik en ring. En wat de kaliefen na hem daarvan hebben gebruikt, waarvan niet is vermeld dat het verdeeld is. Alsook zijn haren, sandaal en eetgerei waarmee zijn metgezellen en anderen na zijn dood de zegening van nastreven
1313. Overgeleverd van Anas is dat hij wee versleten sandalen met twee teenbanden naar buiten bracht. Hij vertelde dat het de twee sandalen van de Profeet waren.

1314. Overgeleverd van `Aaichah is dat zij een gelapt wollen gewaad naar buiten bracht en zei: `Hierin is de ziel van Profeet genomen.'

1315. In een andere versie staat dat `Aaichah een dikke lendendoek die normaliter in Jemen werd gemaakt voor ons naar buiten bracht en een [wollen] gewaad dat Al-Mulabbadah [het gelapte gewaad] werd genoemd.

1316. Overgeleverd van Anas Ibn Maalik is dat een kruik van de Profeet brak. De plek van de barst herstelde hij met een zilveren draad.

Hoofdstuk: De Uitspraak van Allah (...een vijfde ervan komt dan toe aan Allah...)
1317. Overgeleverd van Djaabir Ihn 'Ahdillaah Al-Ansaari is dat hij heeft gezegd: `Een man van ons kreeg een jongetje, dat hij Al-Qaasim noemde. De Ansaar zeiden toen: Wij zullen jou de Kunyah * van Abul-Qaasim niet geven noch zullen wij jou ervan laten genieten.' Hierop ging hij naar de Profeet en zei: `O Boodschapper van AllahSallalahu 'alaihi wasalam, ik heb een zoontje gekregen en ik heb hem Al-Qaasim genoemd. De Ansaar zeiden echter: Wij zullen jou niet de Kunyah van Abul Qaasim geven noch zullen wij jou ervan laten genieten'.' De Profeet zei toen: "De Ansaar hebben goed gehandeld. Neem mijn naam aan, maar neem mijn Kunyah niet aan. Ik ben immers een verdeler [Qaasim]".' * Kunvah een man `de vader van die-en-die' noemen en een vrouw `de moeder' noemen. Dit is een gewoonte van de Arabieren.

1318. Overgeleverd van Abu Hurairah is dat de Boodschapper van AllahSallalahu 'alaihi wasalam heeft gezegd: "Ik geef jullie niet en ik onthoud jullie niet. Ik ben slechts een verdeler [Qaasim] en ik plaats waar mij bevolen wordt."

1319. Overgeleverd van Khawlah Ansaariyah is dat zij de Profeet heeft horen zeggen: "Er zijn mannen die onrechtmatig beschikken over de rijkommen van Allah. Voor hen is er het vuur op de Opstandingsdag."

Hoofdstuk: De Uitspraak van de Profeet: "De oorlogsbuit is voor jullie toegestaan."
1320. Overgeleverd van Abu Hurairah is dat de Boodschapper van AllahSallalahu 'alaihi wasalam heeft gezegd: "Een profeet van de profeten wilde een slag strijden en zei daarom van zijn volk: `Laat geen enkele man mij volgen die een huwelijksakte heeft gesloten met een vrouw en geslachtsgemeenschap met haar wenst te hebben, maar nog geen geslachtsgemeenschap met haar heeft gehad. Zo ook Iemand die gebouwen heeft opgetrokken, maar de daken ervan nog niet heeft gebouwd. En ook niemand die schapen te heet gekocht of drachtige kamelen, terwijl hij wacht op haar bevalling.' Hij voerde de strijd en naderde de stad ten tijde van of dicht bij het namiddaggebed [`asr]. Hij zei toen tegen de zon: Jij bent bevolen en ik ben bevolen. 0 Allah, houd haar tegen voor ons.' En zij werd tegengehouden, totdat Allah hem de overwinning schonk. Hij verzamelde toen de oorlogsbuit en het vuur kwam om hem op te eten, maar zij proefde er niet eens van [het was toen de gewoonte dat als zij een oorlogsbuit incasseerden, dat Allah een vuur zond om het op te eten]. Hij zei toen: `Iemand van jullie heeft zich onrechtmatig een deel van de buit toegeigend. Laat daarom uit elke stam een man mij de gelofte van trouw beloven.' De hand van een man bleef toen op zijn hand plakken en hij zei: 'De onrechtmatige toeeigening van de oorlogsbuit is bij jullie. Laat jouw stam mij daarom de gelofte van trouw beloven.' De handen van twee of drie mannen bleven toen op zijn hand plakken en hij zei: `De onrechtmatige toeeigening van de oorlogsbuit is bij jullie.' Zij brachten toen een gouden kop net als de kop van een koe en legden die neer. Het vuur kwam toen en at hem op. Vervolgens heeft Allah de oorlogsbuit voor ons toegestaan. Hij zag onze zwakte en ons gebrek. Daarom stond Hij hem voor ons toe".

1321. Overgeleverd van Ibn 'Omar is dat de Boodschapper van AllahSallalahu 'alaihi wasalam een expeditie zond waar hij deel van uitmaakte richting Nadjd. Zij maakte veel kamelen buit. Het aandeel van eenieder van hen bestond uit twaalf of elf kamelen. Bovendien kreeg eenieder van hen een extra kameel.

1322. Overgeleverd van Djaabir lbn 'Abdiliaah is dat hij heeft gezegd: `Terwijl de Boodschapper van AllahSallalahu 'alaihi wasalam eens een buit verdeelde in A1-Dji`raanah, zei een man plotseling tegen hem: `Wees rechtvaardig.' Hij antwoordde hem: `Jij bent ongelukkig als ik niet rechtvaardig ben."

Hoofdstuk: Wat de Profeet gaf aan degenen wier harten neigden naar de Islaam en aan anderen uit de vijfde en dergelijke
1323. Overgeleverd van Ibn 'Omar is dar 'Omar twee slavinnen toegewezen kreeg van de krijgsgevangen van [de slag van] Hunain. Hij plaatste hen in een huis in Mekka. Vervolgens begunstigde de Boodschapper van AllahSallalahu 'alaihi wasalam de krijgsgevangenen van Hunain [met vrijlating] en zij begonnen door de straten van Mekka te lopen. 'Omar zei toen: `O 'Abdullaah, kijk! Wat is dit?' Mij antwoordde: `De Boodschapper van AllahSallalahu 'alaihi wasalam heeft de krijgsgevangenen begunstigd [met vrijlating]; Hij zei toen: `Ga en laat de twee slavinnen vrij.'

Hoofdstuk: Wie de in beslag genomen persoonlijke goederen van een vijandehjke strijder niet door vijven deelt. En wie iemand doodt, aan hem komen zijn persoonlijke goederen die in beslag zijn genomen toe zonder door vijven te delen, en het oordeel van de leider hieromtrent
1324. Overgeleverd van 'Abdur-Rahmaan Ibn 'Awf is dal hij heeft gezegd: `Terwijl ik in de rij stond op de dag van [de slag van] Badr, keek ik rechts en links van mij. Ik zag toen twee jonge knapen van de Ansaar. Ik had gehoopt dat ik tussen twee sterkere [en standvastigere] mannen dan hen stond. Iemand van hen prikte mij en zei: O oom van vaderskant, kent u Abu Djahl?' Ik antwoordde: `Ja. Wat wil je van hem, o zoon van mijn broer?' Hij zei: `Mij is verteld dat hij de Boodschapper van AllahSallalahu 'alaihi wasalam uitscheldt. Bij Allah, als ik hem tegenkom zal mijn lichaam zich niet van zijn lichaam scheiden totdat de eerste van ons beiden dood gaat.' Ik was verbaasd daardoor. Daarna prikte de andere mij en zei hetzelfde tegen mij. Het duurde niet lang voordat ik keek naar Abu Djahl, terwijl hij tussen de mensen liep. Ik zei: `H, dit is jullie vriend over wie jullie mij vroegen.' Zij haalden hem gehaast in met hun beide zwaarden en sloegen hem, totdat zij hem doodden. Vervolgens begaven zij zich naar de Boodschapper van AllahSallalahu 'alaihi wasalam en berichtten hem. Hij vroeg: "Wie van jullie twee heeft hem gedood?" leder van hen zei: `Ik heb hem gedood.' Hij vroeg: "Hebben jullie je zwaarden schoongeveegd?" Beiden antwoordden: `Nee.' Toen hij naar hun zwaarden keek, zei hij: "Jullie hebben hem allebei gedood. Zijn persoonlijke eigendommen die in beslag genomen zijn, komen toe aan Mu`aadh Ihn Amr Ibn Al-Djamoeh." De twee knapen waren Mu`aadh Ibn Afrag en Mu`aadh lbn Amr Ibn Al-Djamoeh.'

1325. Overgeleverd van Anas is dat de Profeet heeft gezegd: "Ik geef aan Qoraish om hun harten aan te trekken, want het is niet zo lang geleden dat zij onwetendheid hebben verlaten."

1326. Overgeleverd van Anas Ibn Maalik is dat toen Allah rijkdommen van Hawaazin in het bezit van Zijn Boodschapper liet komen als oorlogsbuit, hij begon aan mannen van Qoraish honderd kamelen te geven. Sommigen van de Ansaar zeiden toen: `Moge Allah de Boodschapper van AllahSallalahu 'alaihi wasalam vergeven. Hij geeft aan Qoraish en laat ons, terwijl onze zwaarden nog druppelen van hun bloed [d.w.z. van de vijanden]'.' Anas heeft gezegd: `Men vertelde de Boodschapper van Allah over hun uitspraak. Hij zond toen naar de Ansaar en verzamelde hen in een tent van gelooid leer. Hij liet niemand anders dan zij met hen. Toen zij zich hadden verzameld, kwam de Boodschapper van AllahSallalahu 'alaihi wasalam naar hen toe en zei: "Wat is de uitspraak die mij van jullie heeft bereikt?" De geleerden onder hen zeiden tegen hem: `De wijzen onder ons hebben niets gezegd, o Boodschapper van AllahSallalahu 'alaihi wasalam'.' En de overlevering is al in zijn gehele lengte vermeld.

1327. Overgeleverd van Djubair lbn Mut'im is dat hij eens samen met de Boodschapper van AllahSallalahu 'alaihi wasalam was. Hij werd vergezeld door de mensen, terwijl hij terugkwam uit Hunain. De bedoeenen klampten zich vast aan de Boodschapper van AllahSallalahu 'alaihi wasalam en vroegen hem, totdat zij hem dwongen naar een platkroondoring [een acacia-achtige boom, samurah in het Arabisch], die zijn gewaad wegrukte. De Boodschapper van AllahSallalahu 'alaihi wasalam stond toen stil en zei: "Geef mij mijn gewaad. Als ik het aantal van deze bomen aan kamelen zou bezitten, dan had ik die onder jullie verdeeld. Jullie zouden mij vervolgens niet aantreffen als een gierigaard, een leugenaar of een lafaard."

1328. Overgeleverd van Anas Ibn Maalik is dat hij heeft gezegd: `Ik liep met de Boodschapper van AllahSallalahu 'alaihi wasalam. Hij had een gewaad aan uit Nadjraan, met een ruwe rand. Een bedoeen kwam hem tegemoet en trok hem hard aan zijn gewaad. Ik keek naar de nek van de Boodschapper van AllahSallalahu 'alaihi wasalam en zag dat de rand van het gewaad er sporen op had achtergelaten door de grove ruk. De man zei: `Geef de opdracht om mij te geven van het geld van Allah dat bij jou is.' Hij wendde zich tot hem, Lachte en beval om hem een schenking te geven.'

1329. Overgeleverd van Abdullaah is dat hij heeft gezegd: `Op de dag van [de slag van] Hunain verkoos de Profeet bepaalde mensen met de verdeling [van de oorlogsbuit]. Hij gaf Al-Agra' Ibn Haabish honderd kamelen en hij gaf aan 'Uyaynah hetzelfde aantal. Verder gaf hij aan sommige mensen van de vooraanstaanden onder de Arabieren. Omdat hij hen op die dag verkoos met de verdeling, zei een man: 'Bij Allah, met deze verdeling is geen rechtvaardigheid betracht noch wordt het Aangezicht van Allah ermee nagestreefd.' Ik zei toen: `Bij Allah, ik zal dit vertellen aan de Profeet .' lk kwam bij hem en vertelde het hem. Hij zei toen: `Wie zal rechtvaardigheid betrachten als Allah en Zijn Boodschapper geen rechtvaardigheid betrachten? Moge Allah Moesaa [Mozes] genadig zijn. Hij is met meer dan dit gekwetst, maar hij was geduldig".

Hoofdstuk: Het voedsel dat men incasseert in oorlogsgebied
1330. Overgeleverd van lbn `Omar is dat hij heeft gezegd: Tijdens onze veldslagen incasseerden wij honing en druiven. Wij aten ervan zonder om toestemming te vragen.'

55. Het boek vandjizyah * en wapenstilstand

Hoofdstuk: Djizyah en wapenstilstand met een strijdende partij

Top II
1331. Overgeleverd van 'Omar Ibn Al-Khattaab is dat hij een jaar voor zijn overlijden aan de inwoners van Basrah schreef: `Scheid tussen alle bloedverwanten van de Magirs [met een huwelijksakte].' `Omar nam geen djizyah van de Magirs totdat `Abdur-Rahmaan Ibn `Awf getuigde dat de Boodschapper van AllahSallalahu 'alaihi wasalam haar had genomen van de Magirs van Hadjar.

* Djizyah: een afdracht die niet-moslims doen aan de islamitische staatskas in ruil voor bescherming

1332. Overgeleverd van `Amr Ibn `Awf Al-Ansaari die een bondgenoot van Banu Aamir lbn Lu'ayy was en die [de slag van] Badr had bijgewoond, is dat de Boodschapper van AllahSallalahu 'alaihi wasalam Abu `Ubaidah Ibn Al-Djarraah naar Bahrein stuurde om haar djizyah te halen. De Boodschapper van Allah had namelijk een vredesverdrag met de inwoners van Bahrein gesloten en hij had Al-`Alan Ibn Al-Hadhrami als leider over hen aangesteld. Toen Abu `Ubaidah aankwam met rijkdommen uit Bahrein, hoorden de Ansaar van de aantocht van Abu `Ubaidah. Deze viel samen met het ochtendgebed met de Profeet. Nadat hij het ochtendgebed met hen had verricht, vertrok hij. Zij hielden hem echter staande en de Boodschapper van AllahSallalahu 'alaihi wasalam glimlachte toen hij hen zag en zei: "Ik denk dat jullie hebben gehoord dat Abu `Ubaidah is gekomen met iets." Zij antwoordden: Ja, o Boodschapper van Allah.' Hij zei: "Wees verheugd en wees hoopvol met wat jullie blij maakt. Want bij Allah, het is niet armoede die ik voor jullie vrees. Ik vrees echter voor jullie dat de wereld voor jullie gespreid zal worden net zoals zij is uitgespreid voor degenen die voor jullie waren, dat jullie om haar zullen wedijveren net zoals zij om haar hebben gewedijverd, en dat zij jullie zal vernietigen net zoals zij hen heeft vernietigd."

1333. Overgeleverd van 'Omar is dat hij mensen zond naar alle grote landen om de veelgodenaanbidders te bestrijden. Al-Hormozaan [Hormuzan] werd vervolgens moslim en hij ['Omar] vroeg aan hem: `lk zag jou om raad over deze slagvelden die ik wil voeren.' Hij antwoordde: 'Ja. Hun voorbeeld en het voorbeeld van de mensen die zich daarin bevinden aan vijanden van de moslims is net als het voorbeeld van een vogel, met twee vleugels en met twee poten. Als n van de twee vleugels wordt gebroken, staan de poten alsnog op met n vleugel en met de kop. Als de andere vleugel wordt gebroken, staan de poten en de kop alsnog op. Als de kop echter wordt gebarsten, is het gedaan met de twee poten, de twee vleugels en met de kop. De kop is Kisraa [Khosrau], de ene vleugel is Caesar en de andere vleugel is Perzi. Beveel de moslims en laat hen uitrukken naar Kisraa [Khosrau].' 'Omar zond toen een groep mensen en stelde An-Namaan Ibn Muqarrin over hen aan. Toen wij in het land van de vijand aankwamen, trad de vertegenwoordiger van Kisraa [Khosrau] ons tegemoet met [een leger van] veertigduizend man. Een tolk stond op en zei: 'Laat n man van jullie tegen mij spreken.' Al-Mughierah zei toen: `Vraag maar wat je wilt.' Hij vroeg: Wat zijn jullie.' Hij antwoordde: Wij zijn mensen van de Arabieren.

Wij bevonden ons in hevig ongeluk en hevige tegenspoed. Wij zogen uit honger aan huiden en aan dadelpitten. Wij kleedden ons met [geiten] haren en [kamelen] bont. Wij aanbaden bomen en stenen. Terwijl wij ons in die situatie bevonden, zond de Heer van de hemelen en de Heer van de aarden - Verheven is Zijn Naam en Hoog is Zijn Almacht - een Profeet naar ons toe uit ons midden: wij kennen zijn vader en moeder. Onze Profeet, de Boodschapper van onze Heer, heeft ons vervolgens opgedragen om tegen jullie te strijden, totdat jullie Allah Alleen aanbidden of dat jullie de djizyah afdragen. Onze Profeet heeft ons bericht over de Boodschap van onze Heer, dat wie van ons gedood wordt naar het paradijs zal gaan, in een genieting wier gelijke hij nog nooit heeft gezien. En wie van ons in leven blijft, zal jullie bezitten [als krijgsgevangenenj.' An-Nu`maan zei later: Wellicht heeft Allah jou een soortgelijke [strijd] laten bijwonen samen met de Profeet, zonder dat hij spijt bij jou heeft veroorzaakt of jou heeft beschaamd. Ik heb de strijd echter ook meegemaakt met de Boodschapper van AllahSallalahu 'alaihi wasalam. Als hij niet aan het begin van de dag streed, wachtte hij totdat de winden waaiden en de gebeden aanbraken'.'

Hoofdstuk: Als de islamitische leider een wapenstilstand afsluit met de koning van een streek, geldt dat dan ook voor de rest van hen?
1334. Overgeleverd van Abu Humaid Saa'idie is dat hij heeft gezegd: `Wij voerden samen met de Profeet de slag om Tabuk. De koning van Elah schonk de Profeet een witte muilezel en hij [de Profeet] schonk hem een mantel en hij bevestigde zijn positie in zijn streek.

Hoofdstuk: De zonde van beschermeling doodt zonder misdaad
1335. Overgeleverd van `Abdullaah Ibn Amr is dat de Profeet heeft gezegd: "Wie een beschermeling doodt, zal de geur van het paradijs niet ruiken. Ondanks dat zijn geur geroken kan worden op een afstand van veertig jaren."

Hoofdstuk: Als de veelgodenaanbidders de moslims bedriegen, worden zij dan vergeven?
1336. Overgeleverd van Abu Hurairah is dat hij heeft gezegd: `Toen Khaibar werd bevrijd, werd er een vergiftigde ooi aan de Profeet geschonken. De Profeet zei toen: "Verzamel voor mij al de joden die hier waren." Toen zij voor hem werden verzameld, zei hij: "Ik ga jullie iets vragen. Zullen jullie mij eerlijk antwoorden?" Zij antwoordden: Ja.' De Profeet vroeg hun: "Wie is jullie vader?" Zij antwoordden: `Die-en-die.' Zij antwoorden: U heb de waarheid gsproken. Hij zei: "Zullen jullie mij eerlijk antwoorden als ik jullie ergens een vraag over stel?" Zij antwoordden: Jawel, o Abul Qaasim. Als wij liegen dan zult u dat weten, net zoals u wist dat wij logen over onze vader.' Hij vroeg hun toen: Wie zijn de mensen van het vuur?" Zij antwoordden: `Wij zullen kortdurend daarin verblijven en daarna zullen jullie ons daarin opvolgen.' De Profeet zei toen: "Moge jullie er verjaagd in zijn. Bij Allah, wij zullen jullie niet opvolgen erin." Vervolgens vroeg hij weer: "Zullen jullie mij eerlijk antwoorden als ik jullie ergens een vraag over stel?" Zij antwoordden: Jawel, o Abul Qaasim.' Hij vroeg: "Hebben jullie gif in deze ooi geplaatst?" Zij antwoordden: Ja.' Hij vroeg: "Wat heeft jullie daartoe bewogen?" Zij antwoordden: Wij wilden van u verlost worden als u een leugenaar zou zijn, en als u een profeet bent, zal het u niet deren'.'

Hoofdstuk: Een wapenstilstand en een vredesverdrag sluiten met de veelgodenaanbidders middels rijkdommen en anderszins, en de zonde van wie een verbond niet vervult
1337. Overgeleverd van Sahl Ibn Abi Hathmah is dat hij heeft gezegd: `Toen 'Abdullaah Ibn Suhail en Muhayyisah Ibn Mas`oed Ibn Zayd naar Khaibar vertrokken, was er sprake van een vredesverdrag. Zij gingen vervolgens uit elkaar. Toen Muhayyisah naar `Abdullaah Ibn Sahl ging, spartelde hij vermoord in zijn eigen bloed. Hij begroef hem en vertrok daarna naar Al-Madienah. `Abdur-Rahmaan Ibn Sahl, Muhayyisah en Huwayyisah de beide zonen van Mas`oed vertrokken toen naar de Profeet. Toen Abdur-Rahmaan wilde beginnen met spreken, zei hij: "Laat de oudsten spreken, laat de oudsten spreken." Omdat hij jongste van het gezelschap was, zweeg hij en spraken zei beiden. Hij zei: " Zweren jullie om rechthebbend te zijn op het bloed van jullie moordenaar?" Zij vroeg: `Hoe kunnen wij nou zweren, terwijl wij geen getuige zijn geweest noch iets hebben gezien?' Hij zei: "In dat geval moeten de joden hun onschuld aan jullie bewijzen middels vijftig eden." Zij vroegen: 'Hoe kunnen wij de eden van een ongelovig volk accepteren?' De Profeet betaalde toen zelf het bloedgeld van hem [vermoorde]:

Hoofdstuk: Als een beschermeling tovenarij heeft bedreven, wordt hem dat dan vergeven?
1338. Overgeleverd van Aaichah is dat de Profeet betoverd was, waardoor hij zich verbeeldde iets te hebben gedaan, terwijl hij dat niet had gedaan.

Hoofdstuk: Verboden bedrog
1339. Overgeleverd van `Awf Ibn Maalik is dat hij heeft gezegd: `Ik kwam tijdens de slag om Tabuk bij de Profeet, terwijl hij zich in een tent van leer bevond. Hij zei toen: "Tel zes zaken die het naderen van het Uur aangeven: mijn overlijden; vervolgens de bevrijding van Bayt Ul-Maqdis [Jenuzalem]; daarna een doodepidemie die jullie zal treffen als scrapie; dan een overvloed aan rijkdom, waardoor een man die honderd dinar ontvangt ontevreden zal blijven; vervolgens een beroering die elk huis van de Arabieren zal binnengaan; en daarna een wapenstilstand tussen jullie en de gele afstammelingen [de Romeinen], waarin zij jullie zullen bedriegen. Zij zullen namelijk op jullie afkomen onder tachtig vlaggen, met onder elke vlag twaalfduizend man".'

Hoofdstuk: De zonde van wie een verbond sluit en vervolgens bedriegt
1340. Overgeleverd van Abu Hurairah is dat hij heeft gezegd: `Hoe zal het met jullie gesteld zijn als jullie geen enkele dinar of dirham zullen innen [uit djizyah]?' Men vroeg: `Hoe denk jij dat dat kan gebeuren, o Abu Hurairah?' Hij antwoordde: 'Jawel, bij Degene in Wiens Hand de ziel van Abu Hurairah is, uit de uitspraak van de waarachtige en de getrouwe.' Men vroeg: Waarover is dat dan?' Hij antwoordde: `Het erewoord tot bescherming van Allah en het erewoord tot bescherming van Zijn Boodschapper zullen geschonden worden, waardoor Allah de harten van de beschermelingen zal versterken met moed en zij wat in hun handen is zullen onthouden [van afdracht].Hoofdstuk: De zonde van wie een verbond sluit en vervolgens bedriegt

1341. Overgeleverd van `Abdullaah en van Anas is dat de Profeet heeft gezegd: "Voor elke bedrieger zal er een vaandel zijn tijdens de Opstandingsdag." De ene van hen heeft gezegd: "Die opgegeven zal worden." De andere heeft gezegd: "Die tijdens de Opstandingsdag gezien zal worden en waaraan hij herkend zal worden."

56. Het boek van het begin van de schepping

Hoofdstuk: Wat er is gekomen over de Uitspraak van Allah: (En Hij is Degene Die de schepping begint en Die haar vervolgens zal herhalen...)

Top II
1342. Overgeleverd van `Imraan Ibn Husain is dat hij heeft gezegd: `Er kwam een aantal mannen uit Banu Tamiem naar de Profeet en hij zei: "0 Banu Tamiem, wees verheugd." Zij zeiden: 'Je hebt ons verheugd, dus geef ons.' Hierop veranderde zijn gezichtsuitdrukking. Vervolgens kwamen de mensen van Jemen en hij zei tegen hen: "0 mensen van Jemen, aanvaard het verheugende nieuws, want Banu Tamiem hebben het niet aanvaard." Zij zeiden: Wij aanvaarden het.' Vervolgens begon de Profeet te vertellen over het begin van de schepping en de troon. Er kwam toen een man en zei: `O `Imraan, jouw rijdier is gevlucht.' Was ik overigens maar nooit opgestaan.'

1343. En in een andere versie van hem vertelt hij dat de Boodschapper van AllahSallalahu 'alaihi wasalam heeft gezegd:
"Allah was er toen niets anders was dan Hij. Zijn Troon was op het water. Hij heeft alles opgeschreven in de vermelding [het Welbewaard Paneel] en Hij schiep de hemelen en de aarde." Vervolgens riep iemand: `O Ibn Husain, jouw kamelin is weggelopen.' Toen ik vertrok, was zij aan mijn zicht onttrokken door de luchtspiegeling. Bij Allah, ik hoopte dat ik haar had gelaten.'

1344. Overgeleverd van Abu Hurairah is dat de Profeet heeft gezegd: "Allah heeft gezegd: "De zoon van Aadam scheldt Mij uit, terwijl het hem niet betaamt om Mij uit te schelden. En hij verloochent Mij, terwijl dat hem niet betaamt. Wat betreft zijn uitschelden, dat is zijn uitspraak dat ik een zoon zou hebben. Wat betreft zijn verloochening, dat is zijn uitspraak dat Hij mij niet zal herscheppen zoals Hij mij is begonnen"."

1345. Van hem is ook overgeleverd dat de Boodschapper van AllahSallalahu 'alaihi wasalam heeft gezegd: "Toen Allah de schepping had voltooid, schreef Hij op in Zijn Boek [het Welbewaard Paneel] dat bij Hem is boven de Troon: "Mijn Genade heeft Mijn Toorn overtroffen"."

Hoofdstuk: Wat er is gekomen over de zeven aarden
1346. Overgeleverd van Abu Bakrah is dat de Profeet heeft gezegd: "Het jaar is teruggekeerd naar zijn hoedanigheid op de dag dat Allah de hemelen en de aarde heeft geschapen: het jaar bestaat uit twaalf maanden, waarvan er vier heilig zijn. Drie daarvan zijn opeenvolgend: Dhul-Qi`dah, Jul-Hidjah en Al-Muharram. En [de vierde, afzonderlijke] is Radjab van [de stam van] Mudhar, die komt tussen Djumaada en Sha`baan."

Hoofdstuk: De aard van de zon en de maan
1347. Overgeleverd van Abu Dharr is dat de Profeet toen de zon onderging, tegen Abu Dharr heeft gezegd: "Weet jij waar zij heengaat?" Ik zei: `Allah en Zijn Boodschapper weten het beter.' Hij zei: "Zij gaat totdat zij zich neerknielt onder de Troon. Zij vraagt dan toestemming [om weer op te komen] en zij krijgt toestemming. De tijd nadert echter dat zij zal neerknielen, maar dat dit niet van haar geaccepteerd zal worden en dat zij om toestemming zal vragen, maar geen toestemming zal krijgen. Er zal tegen haar gezegd worden: `Keer terug naar waar je vandaan komt.' Zij zal dan opkomen van waar zij normaliter ondergaat. Dat is de [betekenis van de] Uitspraak van Hem: (En de zon beweegt voort gedurende een voor haar vastgestelde termijn. Dat is de Bepaling van de Almachtige, de Alwetende) [Soerah Yaa-Sien (36):38]".'

1348. Overgeleverd van Abu Hurairah is dat de Profeet heeft gezegd: "De zon en de maan zullen samengepakt worden tijdens de Opstandingsdag zwaardoor hun licht zal doven]."

Hoofdstuk: Wat er is gekomen over Zijn Uitspraak: (En Hij is Degene Die de winden zendt als voorbodes van goede tijdingen voorafgaand aan Zijn Genade)
1349. Overgeleverd van 'Aaichah is dat zij heeft gezegd: 'Als de Profeet een regenachtige wolk zag, ging hij naar voren en naar achteren, naar binnen en buiten en veranderde zijn gelaatsuitdrukking. Als het had geregend, raakte hij oplucht en kon ik dat aan zijn gezicht. De Profeet zei dan: "Het kan zijn zoals het volk van `Aad heeft gezegd: (Toen zij het als een wolkendeken richting hun valleien zagen komen...) Soerah A1-Ahqaaf (46):24]".

Hoofdstuk: Verwijzing naar de engelen, moge Allah hen genadig zijn
1350. Overgeleverd van `Abdullaah Ibn Mas'oed is dat hij heeft gezegd: `De Boodschapper van AllahSallalahu 'alaihi wasalam - die de waarachtige en de getrouwe is - heeft ons verteld: "De schepping van eenieder van wordt in de buik van zijn moeder vertig dagen verzameld. Daarna is hij net en een bloedklonter. Daarna is hij net zo lang een vleesklomp. Vervolgens zendt Allah een engel, die vier opdrachten Krijgt. Er wordt tegen hem gezegd: `Schrijf zijn daden op, zijn levensvoorziening, zijn levenseinde en of hij ongelukkig of geluk zal zijn.' Vervolgens wordt de levensadem in hem geblazen. Dus een man onder jullie kan [goede] daden verrichten totdat tussen hem en het paradijs een armlengte [afstand] blijft. Vervolgens wordt hij ingehaald door zijn boek [dat hem is voorgeschreven] en verrichten de daden van de bewoners van het vuur. Hij kan ook [slechtej daden verrichten totdat tussen hem en het vuur een armlengte [afstand] blijft. Vervolgengs wordt hij ingehaald door het boek [dat voor hem is voorgeschreven] en verricht hij de daden van de bewoners van het paradijs".

1351. Overgeleverd van Abu Hurairah is dat de Profeet heeft gezegd: "Als Allah van een dienaar houdt, roept Hij Djibriel [en zegt]: "Allah houdt van die-en-die, dus houd van hem." Hierop zal Djibriel ook van hem houden. Djibriel zal dan omroepen onder de hemelbewoners: `Allah houdt van die-en-die, houd dus van hem.' Hierop zullen de hemelbewoners van hem houden en zal vervolgens acceptatie voor hem geplaatst worden op aarde."

1352. Overgeleverd van 'Aaichah de echtgenote van de Profeet - is dat zij de Boodschapper van AllahSallalahu 'alaihi wasalam heeft horen zeggen: "De engelen dalen neer in de wolken en noemen een kwestie die is verordend in de hemel. De Satans luisteren [stiekem] af en horen dit [nieuws]. Zij [de duivels] openbaren het vervolgens aan de waarzeggers, die er op hun beurt weer honderd leugens van henzelf aan toevoegen."

1353. Overgeleverd van Abu Hurairah is dat de Profeet heeft gezegd: "Als het vrijdag is, bevinden zich bij elke deur van de moskee engelen, die [de namen van de bezoekers] noteren op volgorde van binnenkomst. Als de Imaam gaat zitten, vouwen zij hun bladen dicht en komen om naar de gedenking [de preek] te luisteren."

1354. Overgeleverd van Al-Baraa' is dat de Profeet tegen Hassaan zei: `Bespot hen in een hekeldicht en Djibriel is met jou."

1355. Overgeleverd van Aaichah is dat de Profeet tegen haar zei: "0 'Aaichah, dit is Djibriel die jou de vredesgroet brengt." Zij antwoordde: `En moge de vrede en de Genade van Allah en Zijn Zegeningen ook met hem zijn. U (d.w.z. de Profeet) ziet wat ik niet zie.'

1356. Overgeleverd van Ibn Abbaas is dat de Boodschapper van AllahSallalahu 'alaihi wasalam tegen Djibriel zei: "Waarom bezoek je ons niet vaker dan je ons nu bezoekt?" Hierop werd het volgende vers geopenbaard: (En wij dalen alleen neer met een Bevel van jouw Heer. Aan Hem behoort wat voor ons en wat achter ons is...) [Soerah Mariam (19):64].

1357. Van hem is ook overgeleverd dat de Boodschapper van AllahSallalahu 'alaihi wasalam heeft gereed: "Djibriel reciteerde de Qor'aan voor mij op n manier [tongval]. Ik bleef hem echter net zo lang om meer vragen, totdat eindigde bij zeven manieren [tongvallen].1358. Overgeleverd van Yalaa is dat hij de Profeet op de preekstoel heeft horen reiteren: "(En zij zullen roepen: 0 Malik...) [Soerah Az-Zochrof (43):77]."

1359. Overgeleverd van Aaichah de echtgenote van de Profeet - is dat zij hem heeft verteld dat zij tegen de Profeet zei: `Heb jij een dag meegemaakt die erger was dan de dag van [de slag van] Uhud?' Hij antwoordde: "lk heb het nodige ondervonden van jouw volk. Het ergste wat mij van hen was overkomen was tijdens de dag van Al-`Aqabah, toen ik mezelf aanbood aan Ibn `Abd Yaalie, Ibn `Abd Kulaal. Hij gaf echter geen gehoor aan wat ik wilde. Ik vertrok toen bezorgd vooruit. Ik ontwaakte pas toen ik in Qarn Ath-Tha`aalib was. Ik hief mijn hoofd op en zag dat een wolk mij beschaduwde. Toen ik keek, zag ik in haar Djibriel die mij riep en zei: `Allah heeft gehoord wat jouw volk tegen jou heeft gezegd en wat zij jou hebben geantwoord. Hij heeft de engel van de bergen naar jou gezonden, zodat je hem wat jij wilt kan bevelen jegens hen.' Vervolgens riep de engel van de bergen mij, hij groette mij en zei: `O Mohammad, (en hij zei hetzelfde [als Djibriel]). Wat jij wilt: als jij dat wilt, dan laat ik de twee geweldige bergen [van Mekka] op hen neervallen.' De Profeet antwoordde toen: "Nee. Ik hoop namelijk dat Allah uit hun lendenen mensen zal laten voortkomen die Allah Alleen aanbidden en niets als deelgenoot aan Hem toekennen."

1360. Overgeleverd van Ibn Mas'oed , is over de Uitspraak van Allah (En Hij openbaarde aan Zijn dienaar wat Hij openbaarde) [Soerah An-Nadjm (53):10] dat hij heeft gezegd: `Hij heeft Djibriel gezien met zeshonderd vleugels.

1361. Van hem is ook overgeleverd met betrekking tot de Uitspraak van Allah: (Hij heeft van de Grote Tekenen van zijn Heer gezien.) [Soerah An-Nadjm [33:18] dat hij heeft gezegd: `Hij heeft een groen tapijt gezien, dat de horizon van de hemel bedekte.

1362. Overgeleverd van `Aaichah is dat zij heeft gezegd: `Wie beweert dat Mohammad zijn Heer heeft gezien, heeft iets geweldigs beweerd. Hij heeft echter Djibriel gezien in zijn hoedanigheid gedaante, terwijl hij bedekte wat zich tussen de horizon bevindt.

1363. Overgeleverd van Abu Hurairah dat de Boodschapper van AllahSallalahu 'alaihi wasalam heeft gezegd: "Als een man zijn echtgente naar bed roept en zij weigert, waardoor boos op haar in slaap valt, dan vervloeken de engelen haar totdat de ochtend aanbreekt."

1364. Overgeleverd van Ibn `Abbaas is dat de Profeet heeft gezegd: Tijdens mijn nachtelijke reis zag ik Moesaa. Hij was een bruingetinte man, lang en gekruld haar. Alsof hij een man uit Shanu'ah was. Ik zag ook `Iesaa. Hij was man van middelmatige lengte en middelmatige bouw. Zijn huidskleur neigde rood en wit, met stijl haar. Ik heb Maalik, de bewaarder van het vuur, en ook Ad -Dadjaal [antichrist] gezien." Dit waren allemaal tekenen die Allah hem had getoond: (Verkeer daarom niet in twijfel over zijn ontmoeting [d.w.z. de ontmoeting van Moesaa tijdens de nachtelijke reis]) [Soerah As-Sadjdah (32):23].

Hoofdstuk: Wat er is gekomen over de aard van het paradijs en dat het geschapen is
1365. Overgeleverd van `Abdullaah Ibn 'Omar is dat de Boodschapper van AllahSallalahu 'alaihi wasalam heeft gezegd: "Als iemand van jullie overlijdt, dan wordt zijn bestemming aan hem getoond in de vroege ochtend en in de vooravond. Als hij behoort tot de bewoners van het paradijs, dan [is de bestemming die aan hem wordt getoond) die van de bewoners van het paradijs. Als hij behoort tot de bewoners van het vuur, dan [is de bestemming die aan hem wordt getoond] die van de bewoners van het vuur."

1366. Overgeleverd van 'Imraan Ibn Husain is dat de Profeet heeft gezegd: "Ik heb in het paradijs gekeken en zag dat de meeste van haar bewoners bestaan uit armen. En ik heb in het vuur gekeken en zag dat de meeste van haar bewoners bestaan uit vrouwen.

1367. Overgeleverd van Abu Hurairah is dat hij heeft gezegd: `Terwijl wij eens bij de Boodschapper van AllahSallalahu 'alaihi wasalam waren, zei hij: "Terwijl ik sliep, zag ik mezelf in het paradijs. Opeens zag ik een vrouw die wudoe' verrichtte naast een kasteel. Ik vroeg toen: "Van wie is dit kasteel?" Men antwoordde: `Van 'Omar Ibn Al-Khattaab.' Ik herinnerde mij toen zijn jaloezie en maakte rechtsomkeert." Hierop huilde 'Omar en zei: `Moet ik jaloers op u zijn, o Boodschapper van AllahSallalahu 'alaihi wasalam?"

1368. Van hem is ook overgeleverd dat de Boodschapper van AllahSallalahu 'alaihi wasalam heeft gezegd: "De eerste groep die het paradijs zal betreden zal de beeltenis hebben van de maan tijdens een vollemaansnacht. Zij zullen daarin [het paradijs] niet spugen, hun neuzen] niet snuiten en hun natuurlijke behoefte niet doen. Hun [keuken] gerei zal daar van goud zijn, hun kammen zullen van goud en zilver zijn, hun wierookvaten zullen van alostokjes zijn en hun zweet zal van musk zijn. Ieder san hen zal twee echtgenoten hebben: het beenmerg van hen beiden is door het vlees heen te zien van schoonheid. Onder hen zal geen onenigheid zijn of haat. Hun harten zullen [als] n hart zijn en zij zullen Allah verheerlijken in de vroege ochtend en in de vooravond." Zij zullen niet ziek worden noch [hun neuzen] snuiten..." En hij noemde de rest van de overlevering.

1370. Overgeleverd van Sail Ibn Sa`d is dat de Profeet heeft gezegd: "Van mijn gemeenschap zullen er zeventigduizend (of zevenhonderdduizend) tegelijkertijd naar binnengaan [in het paradijs]. De eerste van hen zal pas naar binnengaan als de laatste van hen ook naar binnengaat. Hun gezichten zullen zijn als de beeltenis van de maan tijdens een vollemaansnacht."

1369. En in een andere versie van hem vertelt hij dat hij heeft gezegd: "En de enen die na hen komen, zullen net als de meest verlichtende ster zijn. Hun harten rillen [als] het hart van n man zijn. Onder hen zal geen onenigheid zijn of haat. Ieder van hen zal twee echtgenoten hebben: het beenmerg van hen beiden is door het vlees heen te zien van schoonheid. Zij zullen Allah verheerlijken in de vroege ochtend en vooravond.

1371. Overgeleverd van Anas is dat hij heeft gezegd: 'Er werd een djubba-gewaad van brokaat geschonken aan de Profeet, terwijl hij zilver verbood. De mensen waren er onder de indruk van. Daarom zei hij: `Bij Degene in Wiens Hand de ziel van Mohammad is, de zakdoeken van Sa`d Ibn Mu`aadh in het paradijs zijn beter dan dit gewaad".

1372. Van hem is ook overgeleverd dat de Profeet heeft gezegd: "In het paradijs is een boom in wiens schaduw een ruiter honderd jaar rijdt, zonder haar over te steken."

1373. In een versie van Abu Hurairah wordt hetzelfde vermeld, maar voegt hij eraan toe: "Reciteer maar als jullie willen: (En verlengde schaduw) [Soerah Al-Waayi`ah (56):30]. 1370. Overgeleverd van Sahl Ibn Sa`d is dat de Profeet heeft gezegd: "Van mijn gemeenschap zullen er zeventigduizend (of zevenhonderdduizend) tegelijkertijd naar binnengaan [in het paradijs]. De eerste van hen zal pas naar binnengaan als de laatste van hen ook naar binnengaat. Hun gezichten zullen zijn als de beeltenis van de maan tijdens een vollemaansnacht."

1374. Overgeleverd van Abu Sa`ied Al-Khudrie is dat de Profeet heeft gezegd: "De paradijsbewoners zien de bewoners van de vertrekken boven hen net zoals zij een schitterende ster zien die vertrekt in de horizon vanuit het oosten of het westen. Dat is vanwege hun onderlinge bevoordeling." Zij vroegen: `O Boodschapper van AllahSallalahu 'alaihi wasalam, dat zijn toch de verblijfplaatsen van de profeten, die niemand anders dan zij bereikt?' Hij antwoordde: "Welnee. Bij Degene in Wiens Hand mijn ziel is, [zij zijn ook] voor mannen die in Allah hebben getrouwd.

Hoofdstuk: De aard van de hel en dat zij geschapen is
1375. Overgeleverd van `Aaichah is dat de Profeet heeft gezegd: Jullie Koorts komt van de hitte van de hel. Verkoel haar dus met water."

1376. Overgeleverd van Abu Hurairah dat de Boodschapper van AllahSallalahu 'alaihi wasalam heeft gezegd: "Jullie vuur is n van zeventig delen van het vuur van de hel." Er word gevraagd: `O Boodschapper van AllahSallalahu 'alaihi wasalam, het [het wereldse vuur] zou toch al genoeg zijn geweest [voor bestraffing]?' Hij antwoordde: "Het [het hellevuur] is bevoorbeeld daarop [het wereldse vuur] met negenenzestig delen: elk deel is [net heet] als zijn [het wereldse vuur] hitte."

1377. Overgeleverd van Usaamah dat hij de Boodschapper van AllahSallalahu 'alaihi wasalam heeft horen zeggen: "Op de Opstandingsdag zal een man gebracht worden en in het vuur geworpen worden, waardoor zijn ingewanden in het vuur zullen storten. Hij zal rondgaan, net zoals een ezel rondgaat om zijn molensteen. De bewoners van het vuur zullen zich om hem heen verzamelen en vragen: `O jij, wat is er met jou aan de hand? Gebood jij ons niet het goede en verbood jij ons niet het verwerpelijke?' Hij zal dan antwoorden: `Ik gebood jullie het goede, maar deed het zelf niet. En ik verbood jullie het verwerpelijke, maar zelf deed ik het wel'."

Hoofdstuk: De aard van Iblies en zijn soldaten
1378. Overgeleverd van `Aaichah is dat zij heeft gezegd: "De Profeet werd betoverd, waardoor hij zich verbeeldde iets te doen, terwijl hij dat niet deed. Op een dag verrichtte hij aanroeping na aanroeping. Daarna zei hij: "Heb je gemerkt dat Allah mij heeft beantwoord met wat mijn genezing bevat? Er kwamen twee mannen naar mij toe. De ene van hen ging bij mijn hoofd zitten en de andere bij mijn voeten. De ene zei tegen de ander: Waar lijdt de man aan?' De ander antwoordde: `Hij is betoverd.' Hij vroeg: `Wie heeft hem betoverd?' Hij antwoordde: `Labied Ibn Al-A`sam.' Hij vroeg: Waarmee.' Hij antwoordde: `Met een kam en kamsel, en gedroogde pollen van een mannelijke dadelpalmboom.' Hij vroeg: Waar bevindt dit zich dan?' Hij antwoorddo: 'In de put van Dharwaan.' De Profeet begaf zich erheen en kwam terug. Toen hij terug was, zei hij tegen `Aaichah: "Zijn dadelpalmbomen zijn net als satanskoppen." Ik vroeg: `Heeft u haar [de betovering] naar buiten gebracht?" Hij antwoordde: "Nee. Wat mij betreft, Allah heeft mij genezen. lk vreesde namelijk dat dat het kwade onder de mensen zou oproepen." Daarna werd de put drooggelegd.

1379. Overgeleverd van Abu Hurairah is dat de Boodschapper van AllahSallalahu 'alaihi wasalam heeft gezegd: "De duivel [Shaytaan] komt hij iemand van jullie en zegt tegen hem: 'Wie heeft dit geschapen?' `Wie heeft dat geschapen?' Totdat hij vraagt: Wie heeft jouw Heer geschapen?' Als iemand dit overkomt, dan dient hij bescherming bij Allah te zoeken [tegen de duivel] en [deze gedachte] op te geven."

1380. Overgeleverd van 'Abdullaah Ibn Omar is dat hij heeft gezegd: ik zag de Boodschapper van AllahSallalahu 'alaihi wasalam wijzen naar het oosten en zeggen: "Let op! De beroering bevindt zich daar. De beroering bevindt zich daar waar de kop van de satan opkomt".

1381. Overgeleverd van Djaabir is dat Profeet heeft gezegd: "Als de nacht zijn intrede doet - of als de nacht valt - houd jullie kinderen dan dicht] bij jullie, want de duivels [Satans] verspreiden zich op dat moment. Als er vervolgens een uur verstreken van de nacht, dan kunnen jullie hen weer los laten. Sluit je deur [in de nacht] en noem de Naam van Allah, - doe je lamp uit en noem de Naam van Allah, bind je waterzak dicht en noem de Naam van Allah en bedek je [eet] gerei en noem de Naam van Allah, ook al leg je er alleen maar iets overheen."

1382. Overgeleverd van Sulaymaan Ibn Surd is dat hij heeft gezegd: `Ik zat eens met de Profeet, terwijl twee mannen elkaar uitscholden. Het gezicht van de ene werd rood en zijn halsslagaders zwollen op. De Profeet zei toen: "Ik ken een woord, als hij dat zou zeggen dan zou wat hem heeft overmand hem verlaten. Als hij `ik zoek bescherming bij Allah tegen de Satan' zou zeggen, dan zou wat hem heeft overmand hem verlaten." Men zei toen tegen hem dat de Profeet zegt: "Zoek bescherming bij Allah tegen de Satan." Hij antwoordde: `Ik ben toch niet bezeten?

1383. Overgeleverd van Abu Hurairah is dat de Profeet heeft gezegd: "Gapen is van de Satan. Als iemand van jullie gaapt, laat hij dit dan zoveel als hij kan, tegenhouden. Want als iemand van jullie [gapend] `Aah' zegt, lacht de Satan [verheugd]."

1384. Overgeleverd van Abu Qataadah is dat de Profeet heeft gezegd: "Een goede droom is afkomstig van Allah en een slechte droom is afkomstig van de duivel [Satan]. Als iemand van jullie dus een slechte droom heeft die hem beangstigt, dan moet hij aan zijn linkerzijde spuwen en bescherming bij Allah zoeken tegen het kwaad ervan. Hierdoor zal het hem niet schaden."

1385. Overgeleverd van Abu Hurairah is dat de Profeet heeft gezegd: "Als iemand van jullie ontwaakt uit zijn slaap en vervolgens de wudoe' verricht, laat hij dan driemaal met water snuiten. De Satan brengt namelijk de nacht door op zijn neus."

Hoofdstuk: De Uitspraak van Allah (...en de zich voortbewegende schepselen die Hij erop heeft verspreid...)
1386. Overgeleverd van Ibn 'Omar is dat hij de Profeet op de preekstoel heeft horen preken, toen hij zei: Dood de slangen, dood de koningstang en de kortstaartige slang, want zij wissen beide het gezichtsvermogen uit en veroorzaken miskramen." `Abdullaah heeft zegd: `Terwijl ik eens een slang najoeg om hem te doden, riep Abu Lubaabah mij: Dood hem niet.' Ik zei: `De Boodschapper van AllahSallalahu 'alaihi wasalam heeft opgedragen om slangen te doden.' Hij antwoordde: 'Hij heeft later verboden om huisslangen doden'.

Hoofdstuk: Het beste rijkdom van een moslim zullen schapen zijn die hij in de bergtoppen hoedt
1387. Overgeleverd van Abu Hurairah is dat de Boodschapper van AllahSallalahu 'alaihi wasalam heeft gezegd: "Het hoofd van ongeloof is in de richting van het oosten. Trots en hoogmoed behoren tot [het karakter van] de bezitters van paarden en kamelen en de luidruchtige veehouders onder de bedoeienen. Terwijl sereniteit [en rust] behoren tot [het karakter van] de schapenhouders."

1388. Overgeleverd van Uqbah Ibn `Amr Abu Mas`oed is dat hij heeft gezegd: `De Boodschapper van AllahSallalahu 'alaihi wasalam wees met zijn hand richting Jemen en zei: "Het geloof [Al-Iemaan] is Jemenitisch aldaar. Voorwaar, hardheid en hardhartigheid behoren tot [het karakter van] de luidruchtige veehouders tijdens het drijven van de kamelen, daar waar de beide kopzijden van de Satan opkomen, in Rabie`ah en Mudhar."

1389. Overgeleverd van Abu Hurairah is dat de Profeet heeft gezegd: "Als jullie hanengekraai horen, vraag Allah dan om Zijn verdienste, want zij hebben dan een engel gezien. Als jullie ezelgebalk horen, vraag Allah dan om bescherming tegen de Satan, want hij heeft dan een Satan gezien."

1390. Overgeleverd van Abu Hurairah is dat de Profeet heeft gezegd: "Een volk van de kinderen van Israa'iel verdween. Niemand wist wat zij hadden gedaan. Ik denk echter dat zij [naar] muizen [omgevormd] zijn: als kamelenmelk voor hen wordt neergelegd, dan drinken zij niet [kamelenmelk en vlees waren immers verboden voor de kinderen van Israa'iel]. Terwijl zij wel drinken als geitenmelk voor hen wordt neergelegd." Toen ik Ka`b daarover vertelde, vroeg hij: 'Heb jij de Profeet dit horen zeggen?' Ik antwoordde:'Ja.' Nadat hij dezelfde vraag een aantal keren had herhaald, zei ik: `lk lees de Thora [Tawraat] toch niet?'

Hoofdstuk: Als een vlieg in het drinken van iemand van jullie valt, laat hij hem dan onderdompelen, want zijn ene vleugel bevat namelijk een ziekte en de andere vleugel bevat een genezing.
1391. Van hem is ook overgeleverd dat de Profeet heeft gezegd: `Als een vlieg het drinken van iemand van jullie valt, laat hij hem dan onderdompelen, want zijn ene vleugel bevat tamelijk een ziekte en de andere vleugel bevat een genezing
1392. Van hem is ook overgeleverd dat Boodschapper van Allah heeft gertzd: "Een prostituee is vergeven omdat langs een hijgende hond liep aan de rand van een waterput. Hij ging bijna dood van de dorst. Zij trok haar leren sokken uit en bond hem vast aan haar hoofdsluier. Zij schepte water voor hem en zij werd vanwege dat vergeven."

57. Het boek van overleveringen over de Profeten

Hoofdstuk: De schepping van Aadam [Adam] en zijn nageslacht

Top II
1393. Overgeleverd van Abu Hurairah is dat de Profeet heeft gezegd: "Allah heeft Aadam [Adam] geschapen met een lengte van zestig e1. Vervolgens zei Hij: "Ga, begroet die engelen en luister naar hoe zij jou groeten. Dat wordt namelijk jouw groet en de groet van jouw nageslacht." Hij zei toen: `Vrede zij met jullie [As-salaamu `alaikum].' Zij antwoordden: `Vrede zij met jou en de Genade van Allah [As-salaamu 'alaika warahmatullaah].' Zij voegden dus `en de Genade van Allah' voor hem toe. Eenieder die het paradijs zal betreden, zal de gedaante van Aadam [Adam] hebben. De schepping is blijven afnemen tot nu."

1394. Overgeleverd van Anas is dat hij heeft gezegd: `Het bericht van de aantocht van de Boodschapper van AllahSallalahu 'alaihi wasalam naar A1-Madienah bereikte 'Abdullaah Ibn Salaam. Hij kwam naar hem toe en zei: `Ik zal jou over drie zaken vragen waar alleen een profeet van afweet.' Hij vroeg: Wat is het eerste voorteken van het Uur? Wat is het eerste voedsel dat de paradijsbewoners zullen nuttigen? Waardoor lijkt een kind op zijn vader en waardoor lijkt hij op zijn ooms van moederskant?' De Boodschap van Allah antwoordde: "Djibriel heeft mij er zonet over bericht." 'Abdullaah zei toen: `Hij [Djibriel] is de vijand van de joden onder de engelen.' De Boodschapper van AllahSallalahu 'alaihi wasalam zei: "Wat betreft het eerste voorteken van het Uur, dat is een vuur dat de mensen zal verzamelen van het oosten naar het westen. Wat betreft het eerste voedsel dat de paradijsbewoners zullen nuttigen, dat is de leverkwab van een vis. Wat betreft de gelijkenis van het kind: als de man bij een vrouw naar binnengaat [middels geslachtsgemeenschap] en zijn vocht haar inhaalt, dan lijkt het op hem. Als haar vocht echter eerder is, dan lijkt het op haar." Hij zei toen: `Ik getuig dat jij de Boodschapper van Allah bent.' Vervolgens zei hij: `0 Boodschapper van AllahSallalahu 'alaihi wasalam joden zijn pathologische leugenaars. Als zij weten dat ik moslim ben geworden voordat u hen over mij vraagt, zullen zij lasterlijk over mij liegen tegen u.' Vervolgens kwamen de joden en betrad Abdullaah het huis. De Boodschapper van AllahSallalahu 'alaihi wasalam vroeg toen aan hen: "Wat soort man is `Abdullaah Ibn Salaam onder jullie?' Zij antwoordden: `Hij is de meest geleerde onder ons en de zoon van meest geleerde, de beste onder ons en zoon van de beste.' De Boodschapper vroeg daarna: "Wat zouden jullie ervan vinden als `Abdullaah moslim zou worden?' Zij antwoordden: `Moge Allah tot daarvoor behoeden.' Vervolgens kwam 'Abdullaah naar buiten naar hen toe zei: `Ik getuig dat er geen ware god is behalve Allah en ik getuig dat Mohammad de Boodschapper is van Allah.' Zij zeiden toen: `Hij is de slechtste onder ons zoon van de slechtste.' En zij belasterden hem.'

1395. Overgeleverd van Abu Hurairah is dat de Profeet heeft gezegd: "Als het de kinderen van Israa'iel niet waren, dan zou vlees nooit bederven. En als het Hawaa [Eva] niet was, zou een vrouw nooit haar echtgenoot bedriegen."

1396. Overgeleverd van Anas is dat de Profeet heeft gezegd: "Allah zal [tijdens de Opstandingsdag] tegen de tegen de lichtst gekwelde persoon van de vuurbewoners zeggen: "Als jij alles op aarde zou bezitten zou jij jezelf er dan mee vrijkopen?" Hij zal met Ja' antwoorden. Allah zal daarop zeggen: "Ik heb minder dan dat van jou gevraagd, toen jij je nog bevond in de lende van Aadam [namelijk]: dat je geen deelgenoot aan Mij zou toekennen. Jij stond er echter op om veelgoderij te begaan".

1397. Overgeleverd van Abdullaah is dat de Boodschapper van AllahSallalahu 'alaihi wasalam heeft gezegd: "Voor elke ziel die onrechtvaardig wordt gedood, zal de eerste zoon van Aadam [namelijk Qaabiel] daar een aandeel in hebben. Hij is immers de eerste die moordgewoonte heeft gepraktiseerd."

1395. Overgeleverd van Abu Hurairah is dat de Profeet heeft gezegd: "Als het de kinderen van Israa'iel niet waren, dan zou vlees nooit bederven. En als het Hawaa [Eva] niet was, zou een vrouw nooit haar echtgenoot bedriegen."

1396. Overgeleverd van Anas is dat de Profeet heeft gezegd: "Allah zal [tijdens de Opstandingsdag] tegen de tegen de lichtst gekwelde persoon van de vuurbewoners zeggen: "Als jij alles op aarde zou bezitten zou jij jezelf er dan mee vrijkopen?" Hij zal met `]a' antwoorden. Allah zal daarop zeggen: "Ik heb minder dan dat van jou gevraagd, toen jij je nog bevond in de lende van Aadam [namelijk]: dat je geen deelgenoot aan Mij zou toekennen. Jij stond er echter op om veelgoderij te begaan".

1397. Overgeleverd van `Abdullaah is dat de Boodschapper van AllahSallalahu 'alaihi wasalam heeft gezegd: "Voor elke ziel die onrechtvaardig wordt gedood, zal de eerste zoon van Aadam [namelijk Qaabiel] daar een aandeel in hebben. Hij is immers de eerste die moordgewoonte heeft gepraktiseerd."

Hoofdstuk: De Uitspraak van Allah: (En zij vragen jou over Dhul-Qarnain. Zeg: `Ik zal iets voor jullie reciteren waarin hij wordt genoemd." Wij hebben hem gevestigd op aarde en Wij hebben hem de middelen van alles gegeven. Daarom volgde hij een weg...)
1398. Overgeleverd van Zainab Bint Djahsh is dat de Profeet eens angstig bij haar binnenkwam en zei: "Er is geen ware god behalve Allah. O wee de Arabieren voor een kwaad dat is genaderd. Vandaag is van de barrire van Ya'djudj en Ma'djudj [Gog en Magog] zoveel als dit geopend," en hij maakte een cirkel met zijn duim en de volgende vinger.' Zainab Bint Djahsh zei dat zij toen vroeg: `O Boodschapper van AllahSallalahu 'alaihi wasalam, worden wij vernietigd, terwijl er rechtschapenen onder ons zijn?' Hij antwoordde: "Ja, als de slechtheid omvangrijk zal zijn."

1399. Overgeleverd van Abu Sa`ied is dat de Profeet heeft gezegd: "Allah zal zeggen: "0 Aadam." Hij zal antwoorden: `Labbayk en Sa`dayk * en al het goede is in Uw Beide Handen.' Hij zal zeggen: "Breng de zending van het vuur naar buiten:' Hij zal vragen: Wat is de zending van het vuur dan?' Hij zal antwoorden: Negenhonderdnegenennegentig uit elke duizend"." Hij zei: "Dit zal [op de Dag] zijn als het haat van een kind grijs wordt (en elke zwangere haar vrucht zal laten vallen, en dat je de mensen zult zien in dronken staat, terwijl zij niet dronken zijn. De kwelling van Allah zal echter hevig zijn) [Soerah Al-Hadj (22):2]." Zij vroegen: `0 Boodschapper van AllahSallalahu 'alaihi wasalam, wie van ons is dan die ene man [uit de duizend]?' Hij antwoordde: "Wees verheugd. Het zullen er duizend van Ya'djudj en Ma'djudj [Gog en Magog] zijn en n van jullie."

Vervolgens zei hij: Bij Degene in Wiens Hand mijn ziel is,' ik hoop dat jullie een kwart van de paradijsbewoners zullen zijn." Wij spraken de takbier [Allahu Akbar] uit. Vervolgens zei hij: "Bij Degene in Wiens Hand mijn ziel ligt, ik hoop dat jullie een derde van de paradijsbewoners zullen zijn." Wij spraken de takbier [Allahu Akbar] uit. Vervolgens zei hij: `Bij Degene in Wiens Hand mijn ziel ligt, ik hoop dat jullie de helft van de paradijsbewoners zullen zijn." Wij spraken de takbier [Allahu Akbar] uit. Vervolgens zei hij: `Jullie zijn in vergelijking met de andere volkeren net als een zwart haartje in de huid van een witte stier of net als een wit haartje in de huid van een zwarte stier".'

* Labbayk en Sa`dayk: Ik geef aan Uw oproep; Ik ben hehoorzaam aan Uw bevelen.

Hoofdstuk: De Uitspraak van Allah :(En Allah heeft Ibraahiem [Abraham] als boezemvriend genomen...)
1400. Overgeleverd van Ibn `Abbaas is dat de Profeet heeft gezegd: "Jullie zullen blootvoetig, naakt en onbesneden [uit jullie graven] verzameld worden." Vervolgens reciteerde hij: "(Net zoals Wij de eerste schepping zijn begonnen, zullen Wij haar herhalen. Dat is een bindende belofte die Wij op Ons hebben genomen. Voorzeker, Wij zullen dat doen) [Soerah Al-Anbiyaa' (21):104]. De eerste die tijdens de Opstandingsdag wordt gekleed, is Ibraahiem. Sommigen van mijn metgezellen zullen dan naar de linkerzijde [in de richting van het vuur] meegenomen worden. Ik zal dan zeggen: "Dat zijn mijn metgezellen, dat zijn mijn metgezellen." Er zal gezegd moorden: `Vanaf het moment dat jij hen hebt verlaten, hebben zij als afvalligen hun hielen laten zien.' Ik zal dan zeggen zoals rechtschapen dienaar [`Iesaa de zoon van Mariam] heeft gezegd: "(En ik was een getuige over hen zolang ik mij tussen hen bevond. Nadat U mij deed overlijden ... de Almachtige, de Alwijze) [Soerah A1-Maa'idah (5):117, 118]."

1401. Overgeleverd van Abu Hurairah is dat de Profeet heeft gezegd: "Tijdens Opstandingsdag zal Ibraahiem [Abraham] zijn vader Aazar ontmoeten, terwijl het gezicht van Aazar donkergekleurd en stoffig zal zijn. Ibraahiem zal dan tegen zeggen: Heb ik niet tegen u gezegd om niet ongehoorzaam aan mij te zijn?' Zijn vader zal antwoorden: `Vandaag zal ik niet ongehoorzaam aan je zijn.' Ibraahiem zal dan zeggen: `O mijn Heer, U hebt mij beloofd dat U mij niet te schande zult maken tijdens de dag dat zij opgewekt zullen worden. Wat is echter een ergere schande dan mijn verstoten vader?' Allah zal dan antwoorden: "Ik heb het paradijs verboden voor de ongelovigen." Vervolgens zal