Door: Rashied Soebratie

In de naam van Allah, de Barmhartige, de Genadevolle.

‘UTHMAN IBN ‘AFFAN
Een rechtgeleide Kalief?

23 juli 2005 | 16 Jumada Al-Thani 1426

Als men het heeft over de metgezellen van onze profeetSallalahu 'alaihi wasalam, dan denken wij vaak aan hun vroomheid, soberheid en vrees voor Allah de Verhevene. Wij worden vaak op onze vingers getikt als wij even negatief zijn tegenover hen. Het zijn mensen geweest die onze profeetSallalahu 'alaihi wasalamvan dichtbij hebben meegemaakt, direct van hem hebben geleerd en aan de volgende generaties doorgegeven. Het zou bijna blasfemisch zijn om te denken dat zij ook mensen waren die ook fouten konden maken. Bij elke publicaties over de metgezellen lees je nergens dat zij fouten hebben gemaakt en worden geprezen om hun kwaliteiten. En als je daarover begint dan ben jij een kafir of een lid van één of ander sekte.

De oorsprong van het Islamitische rijk begon met de rechtgeleide Kaliefen, Abu Bakr ibn Quhufa, 'Umar ibn Khattab, ‘Uthman ibn ‘Affan en als laatste ‘Ali ibn abi Talib. Soms wordt ‘Umar ibn ‘Abdul ‘Aziz als de vijfde rechtgeleide Kalief aangehaald en staat bekend als ‘Umar de tweede.

Het woord “rechtgeleid” houdt in dat deze mannen werden geleid door Allah de Verhevene en dankzij deze leiding is de Islam en zijn Rijk uitgegroeid. Vandaar dat ze in het Arabisch “Khulafaa-e-Rashiedoen” worden genoemd. Maar is dat zo? Maakten zij geen fouten? En verschilden zij niet van mening onder elkaar?

Helaas is het zo dat onze Imams in de moskee geen woord hierover uitspreken.

Ik zal hier dieper op ingaan en ‘Uthman ibn ‘Affan, onze derde Kalief in de Islam van dichtbij bekijken of hij werkelijk rechtgeleid was.

Wie was hij? 

Hij was de 3de kalief en behoorde tot de Banu Umaiya, een grote Mekkaanse familie met grote politieke invloed. Hij was een handelaar en rijk. Reeds in een vroeg stadium bekeerde hij tot de Islam en trouwde met de dochter van onze profeetSallalahu 'alaihi wasalam, Rukaiya. Hij emigreerde naar Abysinië en voegde zich later bij de Muhadjirun in Madinah. Hij nam geen deel aan de slag van Badr vanwege het ziekbed van zijn vrouw en kreeg een aandeel van de buit.

Na de dood van Rukaiya, trouwde hij met een andere dochter van onze profeetSallalahu 'alaihi wasalam, Umm Kulthum (1).

Banu Umaiya 

Umaiya was een neef van vaderskant van Hashim b. ‘Abd al-Muttalib en volgens overleveringen was hij jaloers op Hashim die zijn invloed toenam. Hij daagde hem uit door middel van een Murafara en de rechter was een Kahin van de Khuza’a.  Hij verloor de uitdaging  en moest zichzelf verbannen naar Madinah voor tien jaar (2). Sindsdien heerst er een soort rivaliteit tussen de Umayaden en de Hashimieten.  In tijde van oorlog was hij degene die het bevel had over de Mekkanen. Een rang die later werd overgedragen aan zijn zoon Harb en zijn kleinzoon Abu Sufyan. Zijn volledige naam was: Umaiya b. ‘Abd Shams b. ‘Abd Manaf b. Kusaiy.

In de begin fase van de Islam was Banu Umaiya de machtige stam in Makkah. Het was Abu Sufyan ibn Harb die een expeditie leidde tegen onze profeetSallalahu 'alaihi wasalamen bekend staat als de “Slag van Uhud”. Zijn zoon Mu’awiyah was de stichter van de Umayaden dynastie. (3)

Sommige leden van Banu Umaiya hadden een paar belangrijke posities te Makkah. Tijdens het Kalifaat van ‘Umar, kregen een paar leden van de Banu Umaiya nog meer posten in het buitenland.

De Kalifaat van ‘Uthman 

De analyse van Caetani in zijn “Annali”, werd ‘Uthman naast ‘Ali gekozen als Kalief door al-Zubair en Talha, deze waren als raad aangesteld door ‘Umar zelf. De redenen van hun keuze waren: hij was getrouwd met de dochter van onze profeetSallalahu 'alaihi wasalamen hij was een belangrijk lid van de Banu Umaiya. ‘Abd al-Rahman riep ‘Ali naar voren en vroeg: - Verbind jij jezelf met het verbond van de Heer en alles te doen volgens het Boek van de Heer, het voorbeeld naar de profeetSallalahu 'alaihi wasalamen zijn opvolgers? -  “Ik hoop”, reageerde ‘Ali. “dat ik zo zal doen; ik zal handelen naar mijn best geweten en capaciteit”.  Toen stelde hij dezelfde vraag aan ‘Uthman, die onvoorwaardelijk antwoordde: “Ja, ik zal”.  Daarop hief ‘Abd al-Rahman zijn gezicht op naar de hemel, nam ‘Uthman bij zijn hand en bad heel luid: “ O Heer, U hoort alles en wees mijn getuige. Voorwaar, de verantwoordelijkheid die op mijn nek ligt, plaats ik nu op de nek van ‘Uthman”. Hij begroette hem als kalief en de mensen volgden zijn voorbeeld. Dit gebeurde op de 1ste dag van Muharram in het 24ste Higera (4)

Een belangrijk feit is dat Abu Sufyan tijdens het leven van onze profeetSallalahu 'alaihi wasalamen de eerste 20 jaar van de Kalifaten, het hoofd was van Banu Umaiya. Islamitische geschiedkundigen waren genoodzaakt vanwege het bloedige einde van de Kalifaat van ‘Uthman en de daarna burgeroorlog te schrijven over het ongenoegen van de bevolking en de ongehoorzaamheid van zijn gouverneurs. Men beschuldigde hem van zonde tegen de wetten van de Islam. De patriarchen van het geloof beweerden dat hij loog of misleid werd. Een hele lijst van beschuldigingen werd opgesteld door Imam at-Tabari in zijn: “Munhibb al-Din, hoofdstuk: al-Riyad al-Nadira fi Manahkib al-‘Ashara, Caïro 1327, II, 137-152”.

De eerste van de zwaarste beschuldiging aan hem is dat hij zijn eigen familie als gouverneurs aanstelde in de verschillende provincies. Zo werd Mu’awiyah ibn Abi Sufyan gouverneur van Syrië, Abu Musa al-Ashari werd in Basra vervangen door zijn familielid Abd Allah b. ‘Amir b. Kuarai en Sa’d b. Abi Wakkas werd vervangen door zijn familielid al-Walid b. ‘Ukba (halfbroer van ‘Utman) te Kufa. De laatste werd betrokken in een schandaal en werd vervangen door een ander lid van Banu Umaiya, namelijk Sa’id ibn al-‘As die een slogan had: “De Sawad van Kufa zijn de tuinen voor de Quraishieten”. Ook de gouverneur van Egypte werd vervangen door de neef van ‘Uthman. Zijn naam was Marwan b. al-Hakam b. Abdi ‘l-‘Asi en was tevens zijn adviseur. Hij was degene die zijn vader als banneling (veroordeeld door onze profeetSallalahu 'alaihi wasalam) terughaalde en onder de kapiteinen in het Egyptische leger bevond en zijn naam was Abu Sarh. Hij was een pleegbroer van ‘Uthman. Hij had geen benoemenswaardige rol in de Islam. Ooit was hij in dienst van MuhammadSallalahu 'alaihi wasalamom zijn openbaringen te notuleren, maar bewees onbetrouwbaar te zijn en tijdens de verovering van Makkah, kreeg hij amnestie op bemiddeling van ‘Uthman en zo ontsnapte hij van de dood (5).

Een ander beschuldiging aan het adres van ‘Uthman was dat de binnen gehaalde buit uit verschillende expedities werden verdeeld in zijn familie, vooral bij de gouverneurs die hij had aangesteld en de soldaten kwamen er niet voor in aanmerking. Het was ibn Mas’ud die meende dat  het deze redenen waren die het Arabische volk demolariseerde en niet loyaal waren aan het centrale gezag en de Kalief. Zo noemt hij dat az-Zubair 1000 slaven, bestaande uit mannen en vrouwen, en 1000 paarden bezat. In elke grote stad had hij paleizen. Zijn stuk grond in Iraq ging met 1000 stukken goud per dag in waarde omhoog. ‘Abd al-Rahman had 1000 kamelen, 10.000 schapen en liet een eigendom achter ter waarde van vierhonderdduizend (400.000) dinars. De notabelen der Quraishieten lieten enorme paleizen in Makkah en Madinah bouwen. ‘Uthman zelf had een mooie paleis in Madinah met marmeren pilaren, dure gestuukte muren, grote poorten en tuinen en vergaarde grote rijkdom (6).

De afgezette gouverneurs waren ontevreden en zo kregen zij aanhang die een oppositie vormden samen met Talha, al-Zubair en ‘Ali. Voor het eerst werd de eenheid binnen de Islam verstoord. De laatste zes jaren van zijn Kalifaat (30-35 A.H.) werden beheerst door illegaliteit en verwarringen. De chaos werd groter toen hij in het jaar 30 A.H. de zegelring van zilver van de profeetSallalahu 'alaihi wasalamverloor. Hiermee werden alle officiële documenten bezegeld. Een aantal kopieën dook op en zo produceerden zij officiële documenten in naam van de Kalief. De eerste rebellie begon in Irak waar men aldaar leed van een economische crisis. Door de chaos werd Sa’id b. al’As vervangen door de voormalig gouverneur Abu Musa al-Ash’ari nu in Kufa en stond niet meer langer onder druk van het centrale gezag te Madinah.

In Egypte kwam men in opstand doordat ‘Amr b. al-‘As hen in het geheim had opgestookt. Langzamerhand kwamen de rebellen van alle kanten naar Madinah in het jaar 35 A.H.  De eerste die aankwamen waren de Egyptenaren die in debat gingen met de kalief en stelden hun eisen op. Deze werd toegekend met de belofte dat de gouverneur van Egypte vervangen zal worden. Op de terugweg van de Egyptenaren bij de plaats al-‘Arish werd een koerier van ‘Uthman tegengehouden en men vond een brief die van ‘Uthman afkomstig was en gericht aan ibn Abi Sarh met de opdracht om de leiders van de opstandelingen te doden.

‘Uthman ontkende dat het van hem afkomstig was en dat zijn vijanden hem wilden vernietigen (7).

Volgens overleveringen was het Marwan die de brief had vervalst, maar er is een overlevering bewaard gebleven die opgetekend is door al-Baladhuri, waarin verteld wordt dat het door ‘Ali werd vervalst.

‘Ali ging in gesprek met ‘Uthman en zei: “ De mensen hebben aan mij gevraagd om met jou in debat te gaan. Maar wat kan ik jou zeggen, jij die de schoonzoon van de profeet bent en zijn boezemvriend?  De weg ligt open voor jou: maar jouw ogen zijn blind waarmee je niet kan zien. Bloed is eenmaal gevloeid en zal niet meer stoppen tot de dag des oordeels. Rechtvaardigheid is weggevaagd, verraad zal opreizen als schuimende golven van de zee”. ‘Uthman klaagde over de onvriendelijkheid van ‘Ali zelf en zei: ‘Van mijn kant heb ik mijn best gedaan en wat jouw beschuldigingen betreft, was het niet ‘Umar zelf die Mughira had benoemd in Kufa en als ibn ‘Amr mijn familielid is, is hij dan slechter voor dat?” “Nee”, antwoordde ‘Ali, “maar ‘Umar hield zijn officieren in het gelid en als zij iets fouts deden, strafte hij hen; terwijl  jij zelf hen heel zacht behandelt omdat zij jouw familieleden zijn”. “En ook Mu’awiyah” continueerde de Kalief, “ het was ‘Umar die hem had benoemd in Syrië”.  “Ja”, antwoordde ‘Ali, “toch zweer ik dat zelfs de slaven van ‘Umar ontzag hadden voor hem en Mu’awiyah ook. En nu doet hij wat hij wil en zeggende: het is ‘Uthman. En nu je alles ervan wist, laat je hem met rust!” Hierna keerde ‘Ali zich om en ging weg (8).

Het huis van ‘Uthman werd omsingeld. ‘AishaRadie Allahu anhaa, de weduwe van onze profeetSallalahu 'alaihi wasalam, had intussen een gewelddadige campagne gevoerd tegen ‘Uthman en ging op het laatste moment weg onder het mom van pelgrimage naar Makkah.

Na een lange tijd van belegering, gingen een aantal mannen naar binnen geleid door Muhammad b. Abi Bakr (zoon van Abu Bakr, de eerste Kalief en tevens de broer van ‘AishaRadie Allahu anhaa) die als eerste zijn hand oprees tegen ‘Uthman. Dit gebeurde in het jaar 35 A.H. (juni 656 A.D.)

Met moeite kregen de inwoners van Madinah het lichaam van ‘Uthman vrij en op de derde dag na zijn dood werd hij begraven. Slechts zeventien Muslims deden mee aan de gebeden bij de begrafenis (9).

Zijn familielid Mu’awiyah ibn Abi Sufyan stuurde een leger vanuit Syrië om hem te beschermen, maar kwam veel te laat. Mu’awiyah die heer en meester was in Syrië en tevens de enig overgebleven van Banu Umaiya en grondlegger van de Umayaden Dynastie, wou wraak! Aan het hof van Mu’awiyah in de tijd van het Kalifaat van ‘Uthman, was Ka’b al-Ahbar aanwezig als zijn adviseur. [Hij was degene die Abu Hurairah overleveringen uit de Torah gaf. Zie: “al-Muwatta, Imam Malik ibn Anas, Hadith 5:7:17, pag. 43 van Diwan Press”, zie ook: onderwerp "Was Abu Hurairah, de ideale Sahaba?" van Rashied Soebratie]

Zie ook:An Introduction to the Science of Hadith” van Dr. Suhaib Hasan Abdul Ghaffar, pagina 43. Waarin staat dat volgens Ibn Taymiyyah en al-Albani, Ka’b al-Ahbar een leugenaar was! (10)

Hier kwam definitief een einde aan de eenheid binnen de Islam en het begin van talloze burgeroorlog. Dit is een keerpunt in de Islamitische geschiedenis (11

De gevolgen 

In de tijd van Mu’awiyah als Kalief, werd ‘Ali ibn Abi Talib op elke vrijdagspreek vervloekt. Dit wordt verzwegen door Muslim geleerden zodat de Ashaab van onze profeetSallalahu 'alaihi wasalamniet in het kwade daglicht komen te staan. Zo zei Abu Zur’a: ‘Waar en wanneer Hasan al-Basri zegt: ‘ De profeetSallalahu 'alaihi wasalamheeft gezegd: Ik vind het een autoritaire bron, behalve vier Ahadith’. Yunus b. ‘Ubaid vroeg aan Hasan: ‘O Abu Sa’id, je zegt dat de Boodschapper van AllahSallalahu 'alaihi wasalamheeft gezegd, terwijl je hem nooit hebt ontmoet’. Hij antwoordde: ‘ Je vraagt mij iets wat nooit eerder door iemand anders is gevraagd. Was het niet vanwege je reputatie, dan zou ik het nooit vertellen. Je kent de tegenwoordige tijd. Wanneer je mij hoort zeggen: de Boodschapper van AllahSallalahu 'alaihi wasalamheeft gezegd, dan [bedoel ik] is het van ‘Ali b. Abi Talib, maar ik kan zijn naam niet noemen in deze dagen’. Dat Hasan al-Basri de naam van ‘Ali b. Abi Talib niet kon noemen in zijn tijd was vanwege het kalifaat van al-Hajjaj. Hij was een nakomeling van Banu Umaiya! (12)

Ook  vertelt Abdi al-Hadid ons het volgende:

“Door de Shia werden leugens in Hadeeth geïntroduceerd. In het begin fabriceerden zij vele Hadith ten behoeve van hun eigen man die door vijandigheid van hun opponenten gedreven waren. Toen de Bakriyya (aanhangers van Abu Bakr, de 1ste kalief) ontdekten wat de Shia gedaan hadden, fabriceerden zij op hun beurt Hadeeth die hun eigen man moest ondersteunen”. Ook zegt hij dat Mu’awiya beloning in het vooruitzicht had gesteld voor degenen die Hadith fabriceerden tegen ‘Ali. (13) 

40-41 A.H. (661 A.D.)  Na de dood van ‘Ali zwoerden de mensen van Kufa trouw aan al-Hasan als de nieuwe Kalief. Mu’awiyah stuurde zijn leger naar Kufa om deze rebellie uit te roeien. Al-Hasan stuurde een brief van overgave naar Mu’awiyah en werd zo zijn leven bespaard. Iets later stierf hij (Mu’awiyah) aan vergiftiging door zijn eigen vrouw. En de mensen hadden geen andere keus dan om al-Husain te kiezen als kalief (14).

Op de dag van Ashura (10de Muharram) 61 A.H. / 10 oktober 680 A.D. marcheerde Imam Husain b. ‘Ali ibn Abi Talib van Makkah naar Iraq, waar hij van plan was om kracht bij te zetten bij zijn eis van het Kalifaat. Zo kwam hij in Kerbela terecht en kwam het leger tegen onder leiding van Khalid b. al-Walid. Na een confrontatie viel hij als martelaar en zijn hoofd werd afgehakt en gezonden naar Damascus bij de Kalief al-Yazid I ibn Mu’awiyah ibn Abi Sufyan  (15). Zijn lichaam werd begraven in al-Ha’ir (Kerbela) en wordt Kabr al-Husain genoemd. De kalief al-Mutawakkil vernietigde zijn graftombe in 236 A.H. (850-851 A.D.) en annexeerde het stuk land en verbood een ieder voor een bezoek (16). Pas in 369 A.H. (979-980 A.d.) kwamen de tombe van ‘Ali en Husain onder speciale bescherming van de Shi’i Buyid ‘Adud al-Dawla (17) Ibn Battuta bezocht Kerbela in 727 A.H. (1326-1327 A.D.) en gaf een uitvoerig beschrijving in zijn werk.

Einde? 

Nog steeds wordt er modder gegooid tussen de Soenieten en de Shi’ieten. Opmerkelijk is dan ook dat van alle inwoners uit Madinah, maar zeventien mensen meededen aan zijn begrafenis gebed. Waar waren de overige metgezellen van onze ProfeetSallalahu 'alaihi wasalam? Kunt u zich voorstellen dat de kleinkinderen van onze ProfeetSallalahu 'alaihi wasalamworden vermoord door de nakomelingen van de Banu Umaiya? Dat zij de metgezellen waren van onze ProfeetSallalahu 'alaihi wasalam? Kunt u zich voorstellen dat de zoon van Abu Bakr als eerste toesloeg? Kunt u zich ook voorstellen dat onze moeder der gelovigen, ‘AishaRadie Allahu anhaacampagne had gevoerd tegen ‘uthman en daarna gestreden tegen ‘Ali?

De mensen hebben in het algemeen het beeld dat metgezellen heilig waren en verdienen heel veel respect. Maar de waarheid is anders (tevens een ander worsteling van mij) en daarom ben ik teleurgesteld dat Muslims hun eigen geschiedenis niet meer kennen. Bovendien worden alle belangrijke bronnen van geschiedenis zoals: at-Tabari, ibn Ishaq, ibn al-Athir en ibn Sa’d genegeerd. Juist deze mannen hebben veel details achter gelaten. De ‘Alims citeren vaak uit recentere Islamitische literatuur dan de bovengenoemde bronnen. Ik vermoed zelf dat hun denk- en handelwijze gericht is om de metgezellen niet in het kwade daglicht te zetten.

Zo krijgt men dus een beeld van heiligheid. Men vergeet dat de metgezellen van onze ProfeetSallalahu 'alaihi wasalamook mensen waren en dat ze ook fouten kunnen maken. En het bewijs is dat zij bloed hebben vergoten, iets wat heilig is in de ogen van onze Heer, de Verhevene.

Bronnen:

1    First Encyclopaedia of Islam”, E.J. Brill, vol. 6, pag. 1008-1011 met verwijzing naar: “Annali dell ‘Islam, Caetani, hoofdstuk 7 en 8, Milan 1914-1918” “Chronographia Islamica, Caetani, pag. 279-388” “Ansab al-Ashraf, al-Baladhuri” “Tarikh Dimashk, ibn ‘Asakir, vol. 8

2        Imam at-Tabari in zijn: “Munhibb al-Din, hoofdstuk: al-Riyad al-Nadira fi Manahkib al-‘Ashara, Caïro 1327, vol.1, pag.1090

3        First Encyclopaedia of Islam, E.J. Brill, vol. 8, pag. 996-1012

4        The Caliphate, its Rise, Decline and Fall”, Sir William Muir, pag.201-203 en zie ook: Biografie van de rechtgeleiden Kalieven, Uitgeverij Noer.

5        The Caliphate, its Rise , Decline and Fall, Sir William Muir, pag. 210

6        The Caliphate, its Rise , Decline and Fall, Sir William Muir, pag. 220 en vergelijk met:  Biografie van de rechtgeleiden Kalieven, Uitgeverij Noer, pag. 371-372

7        The Caliphate, its Rise , Decline and Fall, Sir William Muir, pag. 236 en Biografie van de rechtgeleiden Kalieven, Uitgeverij Noer. Pag. 386-387

8        The Caliphate, its Rise , Decline and Fall, Sir William Muir, pag. 229 en vergelijk met: Biografie van de rechtgeleiden Kalieven, Uitgeverij Noer, pag. 370-371(met andere woord keuze).

9        De Rechtgeleide kaliefen”, A.J. de Ridder, pag. 55

10    The Caliphate, its Rise , Decline and Fall, Sir William Muir, pag. 221

11    First Encyclopaedia of Islam”, E.J. Brill, vol. 6, pag. 1008-1011

12    Criticism of Hadith among Muslims with reference to Sunan ibn Maja, Suhaib Hasan Abdul Ghaffar, pagina 23

13    Sharh Nahj al-Balagha, Dar al-Kutub al-Arabiya al-Kubra, Cairo, 1:135 en Criticism of hadith among Muslims with reference to Sunan ibn Maja, Suhaib Hasan Abdul Ghaffar, pagina 23

14    The Caliphate, its Rise , Decline and Fall, Sir William Muir, pag. 302-303

15    Imam at-Tabari in zijn: “Munhibb al-Din, hoofdstuk: al-Riyad al-Nadira fi Manahkib al-‘Ashara, Caïro 1327, 3: 752 en 2190 en The Caliphate, its Rise , Decline and Fall, Sir William Muir, pag. 318-324 en First Encyclopaedia of Islam, E.J. Brill, vol. 5, pag. 477-479

16    Imam at-Tabari in zijn: “Munhibb al-Din, hoofdstuk: al-Riyad al-Nadira fi Manahkib al-‘Ashara, Caïro 1327, 3:1407

17    Al-Kamil fi  ‘l-Tarikh, Ibn al-Athir ‘Izz al-din Abu ‘l-Hasan ‘Ali b. Muhammad, 8:518

 

Geraadpleegde bronnen door Sir William Muir

Jami’ fi Tafsir al-Quran”, Abu Ja’far Muhammad ibn Jari’r at-Tabari

“Akhbar ar-Rasul wa  ‘l-Muluk”, Abu Ja’far Muhammad ibn Jari’r at-Tabari

“Al-Kamil fi  ‘l-Tarikh”, ibn al-Athir ‘izz al-Din Abu ‘l-Hasan ‘Ali b. Muhammad

“Usd al-Ghaba”, Ibn al-Athir ‘Izz al-din Abu ‘l-Hasan ‘Ali b. Muhammad (555 A.H. / 1160 A.D. – 630 A.H. / 1234 A.D.)

 

At-Tabari (224-225 A.H. / 839 A.D. tot 923 A.D.) De Leidse editie en tevens niet voltooide  “Akhbar ar-Rasul wa ‘l-Muluk”  is een beknopte versie die uit 12,5 volumes bestaat.  Ibn al-Athir maakte gebruik van zijn materiaal en heeft het verder voltooid.

Moge Allah de Verhevene, aan een ieder wijsheid schenken en moge Zijn Zegeningen en Vrede op onze profeet MohammedSallalahu 'alaihi wasalamrusten.

Rashied Soebratie, een instrument van Allah de Verhevene.

Mocht u nog vragen hebben, dan kunt u altijd contact met mij opnemen. Klik hier

Top


Terug naar Haroen`s Religie pagina