
Allaahu Ta`ala heeft Adam en Hawwa's nakomelingen gezegend en uit hun zijn
vele mensen voortgekomen. Ze hebben zich over het gehele aardbol verspreid en
vermeerderd. Als Adam zou zien hoeveel nakomelingen hij had dan zou hij ze niet
herkend hebben. Als aan hem gezegd werd:" Adam, die mensen massa die je daar
ziet zijn jou nakomelingen", dan zou hij verbaasd antwoorden hebben:" Lof zij
Allaahu Ta`ala!. Zijn die allen mijn kinderen, mijn nakomelingen?". De nakomelingen van Adam hadden dorpen en steden gebouwd. Ze hadden het
land bewerkt en ze leefden zo in harmonie verder. Ze geloofden in dezelfde
godsdienst als hun vader Adam. Ze geloofden in Allaahu Ta`ala en ze aanbaden
Allaahu Ta`ala zonder deelgenoten aan Hem toe te kennen. Alle mensen leefden
volgens een en dezelfde godsdienst in een hechte gemeenschap; hun godheid was
Allaahu Ta`ala en hun profeet en vader was Adam. Maar hoe kon Iblis en zijn nageslacht ( de slechte geesten ) dit
verdragen?. Moesten ze zo maar toezien dat de mensen allen Allaahu Ta`ala
aanbaden en buiten Hem geen godheden accepteerden?. En moesten ze zo maar de
mensen, die een eenheid vormden en in vrede en harmonie leefden, hun gang laten
gaan?. Dit kon niet zo verder doorgaan. Zou alleen Iblis en zijn nakomelingen
naar het hellevuur gaan terwijl Adam en zijn nakomelingen in het paradijs zouden
vertoeven?. Dit mocht nooit en te nimmer gebeuren. Destijds had hij, Iblis, niet
voor Adam gebogen en Allaahu Ta`ala had hem uit het paradijs verjaagd en hen
verdoemd. Moest Iblis nu niet ervoor zorgen dat samen met hem ook nakomelingen
van Adam het hellevuur zouden binnengaan?. Hij moest wraak nemen. Iblis had besloten de mensen uit te nodigen om naast Allaahu Ta`ala andere
godheden te aanbidden. Dan pas konden ze samen met hem bevriend worden en met
hem voor altijd in het hellevuur verblijven. Iblis wist dat Allaahu Ta`ala
buiten "shirk" ( deelgenoten toekennen aan Allaahu Ta`ala ) alle andere zondes
vergaf. Om te zorgen dat de mensen nooit in het paradijs zouden komen moest
Iblis zorgen dat ze niet meer in Allaahu Ta`ala zouden geloven maar in
afgodsbeelden. Als hij al meteen in de erste instantie zou zeggen:" Aanbid
afgodsbeelden in plaats van Allaahu Ta`ala", dan zouden de mensen zijn list snel
door hebben en zich nog vijandiger tegenover hem opstellen dan tevoren. De
mensen zouden dan zeggen:" Moge Allaahu Ta`ala ons hiervoor beschermen. We
zullen nooit deelgenoten aan Allaahu Ta`ala toekennen. En jij, o Iblis, bent
niemand anders dan degene die verwijderd is van Allaahu Ta`alas barmhartigheid".
Daarom verzon hij het volgende: Er waren bepaalde personen die erg oprecht, goed
en vroom waren. Ze aanbaden en vereerden dag en nacht Allaahu Ta`ala. Ze deden
alles wat Allaahu Ta`ala beval: ze deden het goede en verwijderden zich van het
kwade en dit beveelden ze ook aan andere mensen. Allaahu Ta`ala hield van hen en
zij hielden van Allaahu Ta`ala. Iblis was op de hoogte van deze situatie. Toen
deze vrome personen stierven, fluisterde Iblis in de harten van de mensen:" Wat
vinden jullie van die en die ( Iblis noemde de namen van deze vrome
personen.)". De mensen zeiden:"Lof aan Allaahu Ta`ala, zij waren de vroomste dienaren
en geliefden van Allaahu Ta`ala. Als ze zich tot Allaahu Ta`ala richtten met
smeekgebeden, dan werden deze verhoord, al hun wensen werden door Allaahu Ta`ala
vervuld en alles wat ze wilden gaf Allaahu Ta`ala Iblis zei:" Zijn jullie niet
verdrietig door hun afwezigheid?"
-Maak dan standbeelden en portretten van hen, dan kunnen jullie hen zo
vaak zien als jullie maar willen. Iblis mening vonden de mensen erg goed, Ze
maakten eerst de portretten van deze vrome personen en later ook hun
standbeelden. In elk huis en gebedshuis werden deze standbeelden en portretten
neergezet. Elke keer dat ze naar hun standbeelden en portretten keken werden ze
aan hen herinnerd. Later kwamen de mensen met hun problemen en wensen bij de
standbeelden en portretten van deze vromen en vroegen deze om hulp en
verlossing. Daarnaast aanbaden ze Allaahu Ta`ala en stelden geen deelgenoten
naast Hem. Ze wisten dat de standbeelden en portretten de heilige vromen
voorstelden. Het waren stenen voorwerpen die noch voordeel noch nadeel en noch
voeding konden geven. Maar toch eerbiedigden ze hen en vroegen hen voorspoed en
bescherming. Want ze representeerden de heiligen. Langzamerhand werd de eerbied
voor deze beelden groter en voor elke heilige, die overleed, maakte men een
standbeeld of een portret.
Naarmate het aantal gelovigen afnam nam de eerbied voor de beelden toe en
uiteindelijk aanbaden de mensen deze beelden. Hiermee aanbaden de mensen niet
langer Allaahu Ta`ala als hun godheid maar de afgodsbeelden van de vrome
heiligen. Nu hadden ze geen een god maar vijf godheden, deze heetten suwa,
yaghus, yauk, nasr en wud.
Allaahu Ta`ala heeft deze mensen bestraft en verdoemd. Natuurlijk hadden
ze dit verdiend. Had Allaahu Ta`ala ze geschapen, gevoed en gekleed zodat ze
zich tegen Allaahu Ta`ala zouden keren?. Allaahu Ta`ala had hen onnoemelijk veel
gunsten verleend, Hij had de aarde met alles wat daarin zit voor hen geschapen
en toch ontkenden ze hun Schepper . Hoe is dat toch mogelijk. Ze profiteren van
alles wat Allaahu Ta`ala ze geeft en aanbidden hun afgodsbeelden. Dit is
onrechtvaardig. Daarom werd Allaahu Ta`ala boos op hen en er kwam een lange
periode van droogte en hongersnood. De mensen hadden niets te eten en hun aantal
nam af door hongersdood. Maar de mensen werden er niet wijzer van en het kwam
niet bij hun op om berouw te tonen.
Allaahu Ta`ala stuurde toen een boodschapper die onder deze mensen leefde.
Hij zou dan met hen praten en hen waarschuwen. Want Allaahu Ta`ala gaat niet
iedere mens afzonderlijk zeggen wat ze wel en wat ze niet mogen doen. Zo zijn
ook de regeringen. Het hoofd van een land gaat ook niet bij iedereen zeggen wat
verboden en toegestaan is. Daarvoor hebben ze allerlei ambtenaren ( ministers,
burgemeesters, politie, rechters etc.) in dienst. We kunnen deze mensen zien en
met hen praten. Maar we kunnen Allaahu Ta`ala niet zien en we kunnen ook niet
met Allaahu Ta`ala praten. Daarom stuurde Allaahu Ta`ala profeten die onder de
mensen leefden met boodschappen. Deze boodschappers konden wel met Allaahu
Ta`ala praten. Allaahu Ta`ala zei aan deze boodschappers wat ze aan de mensheid
moesten verkondigen. De mensheid kan alleen door middel van zulke boodschappers
te weten komen wat Allaahu Ta`ala goed vindt of afkeurt.
Allaahu Ta`ala wilde dat de profeten mensen moesten worden, die de taal en
gewoonte van de mens kende. Als de profeten engelen zouden zijn dan zouden de
mensen zeggen:" Wat hebben we met hen te maken, zij zijn engelen en wij zijn
mensen. Wij hebben allerlei behoeftes, zoals eten, drinken, slapen, ziek worden,
doodgaan en trouwen, hoe kunnen wij dan net als de engelen Allaahu Ta`ala
onophoudelijk aanbidden?". Met zulke smoesjes zouden de mensen zich niet tot
Allaahu Ta`ala keren.
Maar als de profeet een mens is dan kan hij het volgende antwoord daarop
geven:" Ik heb dezelfde behoeftes en gevoelens als jullie. Ik eet, drink en
kleed als jullie, ik wordt ook wel een ziek en ik ga net als jullie eens dood.
Ik aanbid Allaahu Ta`ala zoals jullie het ook zouden moeten doen. Waarom doen
jullie het dan niet?". Dan zouden de mensen geen smoesjes meer kunnen verzinnen
en hem gelijk geven.
Allaahu Ta`ala wilde Noeh (as) als profeet voor zijn volk aanwijzen. Er
waren net als in elk volk, rijken en machthebbers onder Noeh (as)s volk. Allaahu
Ta`ala had Noeh (as) als profeet gekozen en niet een van de rijken of de
machthebbers. Want alleen Allaahu Ta`ala weet wie Hij als profeet zal kiezen en
Hij alleen is degene die het kan kiezen zonder hulp of advies van iemand.
Noeh (as) was een heel goede, betrouwbare en eerlijke man. Hij was
verstandig en hij had een zachtaardige karakter. Hij was de eerste Apostel die
gezonden was door Allaahu Ta`ala om de mensen te weerhouden van het ongeloof.
Het volk van Noeh (as) geloofde in vele afgoden. Allaahu Ta`ala zond Noeh (as)
tot zijn volk en zei tegen hem, dat hij zijn volk moest waarschuwen dat ze in
Allaahu Ta`ala moesten geloven en dat ze hem als de gezant van Allaahu Ta`ala
moesten accepteren, anders zouden ze door Allaahu Ta`ala bestraft worden. Noeh
(as) zei tegen zijn volk:
Ik ben voor jullie een betrouwbare gezant. Ik ben voor jullie een
duidelijke waarschuwer. (Allaahu Ta`ala heeft mij naar jullie gestuurd om jullie
te waarschuwen tegen de straf die jullie krijgen omdat jullie op het verkeerde
pad zijn). Jullie moeten alleen Allaahu Ta`ala dienen ( en niet jullie afgoden,
want buiten Allaahu Ta`ala is geen andere godheid die aanbeden mag worden ). (
Als jullie dat niet doen ) vrees ik voor jullie de bestraffing op een pijnlijke dag.
Deze woorden van Noeh (as) schrikte de rijke en machtige mensen. Ze konden
niet begrijpen dat Allaahu Ta`ala Noeh (as) als een Gezant had gezonden en niet
één van hen. Uit jaloezie wilden ze niet naar hem luisteren.
Noeh (as) zei tegen zijn volk: - Mijn volk, jullie moeten Allaahu Ta`ala vrezen en mij gehoorzamen. ( Als
jullie dat doen ) dan zal Allaahu Ta`ala jullie zondes vergeven en jullie
uitstel verlenen tot een vastgestelde termijn. Maar Allaahu Ta`alas termijn (
het moment wanneer jullie je straf krijgen ) wordt niet uitgesteld wanneer hij
komt, als jullie dat maar wisten ( geloofden jullie wel in Allaahu Ta`ala en
gehoorzaamden mij ook ). Toen Noeh (as) zei dat hij een profeet was, zeiden de voornaamsten onder
de ongelovigen uit zijn volk ( dit waren rijke, machtige en arrogante mensen
): Wij zien dat jij slechts een mens bent zoals wij en wij zien dat jij
alleen maar ondoordacht gevolgd wordt door de aller verachtelijksten onder ons.
Wij zien niet dat jullie op ons iets voor hebben. Integendeel, wij vermoeden dat
jullie leugenaars zijn. De aller verachtelijkste mensen waren degenen die arm of slaaf waren.
Hoewel deze mensen arm waren, waren ze noch arrogant noch hoogmoedig als de
rijke en machtige mensen. Integendeel, ze geloofden in Allaahu Ta`ala en
gehoorzaamden Allaahu Ta`alas gezant, en ze wisten dat ze na de dood
wederopstand is en dat ieder naar zijn daden berecht zal worden. In
tegenstelling tot de rijken verdienden ze hun brood op een eerlijke manier. Ze
aanbaden geen afgoden die uit portretten, beelden of hemellichamen bestonden. Ze
aanbaden Allaahu Ta`ala en niemand anders. Want Allaahu Ta`ala heeft hen en
alles wat bestaat geschapen en Allaahu Ta`ala geeft ze te eten en te drinken.
Allaahu Ta`ala beschermt hen en laat hen leven. Ze wisten dat de afgoden deze
dingen nooit konden geven. De ongelovigen haatten hen omdat ze anders deden en
waren als zij. De gelovigen hielden niet van de afgoden. Noeh (as) had hen
verteld dat het aanbidden van de afgoden verkeerd was en dat alleen de
onwetenden daarin geloofden. Hij gaf toe dat hun voorouders die deze afgoden
hadden geïntroduceerd, op het verkeerde pad waren geweest. Adam, de vader van de
mensheid, aanbad Allaahu Ta`ala en geen afgoden. Hij ( Noeh (as) ) zei: O mijn volk! Hoe zien jullie het?. Als ik op een duidelijk bewijs van mijn
Heer steun en Hij mij van Zijn kant barmhartigheid gegeven heeft maar jullie er
blind voor gemaakt zijn, zullen wij jullie er dan toe dwingen terwijl het jullie
tegenstaat?. En mijn volk, ik vraag jullie er geen betaling voor. Slechts
Allaahu Ta`ala is belasterd met mijn loon. En ik jaag hen die geloven niet weg (
omdat jullie hen verachten. Ik ben niet zoals een koning die de ene persoon wel
wil ontvangen en de andere niet.) zij zullen hun Heer ontmoeten. Maar ik zie dat
jullie mensen zijn die niets weten. Mijn volk!. Wie zou mij tegen Allaahu Ta`ala
kunnen helpen als ik hen weg zou jagen?. Zullen jullie je dan niet laten
vermanen?. En ik zeg niet tot jullie dat ik Allaahu Ta`alas schatkamers bezit,
noch ken ik het verborgene, ook zeg ik niet dat ik een engel ben, noch zeg ik
tegen hen die in jullie ogen verachtelijk zijn dat Allaahu Ta`ala hun niets
goeds zal geven. Allaahu Ta`ala weet het best wat in jullie binnenste is, anders
zou ik tot de onrechtplegers behoren. Hoe kon Noeh (as) de gelovigen wegjagen?. Omdat de rijke mensen niet
hetzelfde behandeld wilden worden als de armen ?. Ze wisten dat voor Allaahu
Ta`ala en Zijn Gezant armen en rijken het zelfde zijn. Alleen de godvrezenden
waren voor Allaahu Ta`ala in hoger aanzien. Hij kon de gelovigen onder de armen
natuurlijk onmogelijk niet wegjagen want Allaahu Ta`ala zou dan boos op hem
worden. Als hij deze gelovigen weg zou jagen wie zou hem dan helpen bij zijn
zending en hem beschermen tegen de ongelovigen?. Noeh (as) zei: O, mijn volk!. Al is mijn optreden en mijn herinneren aan Allaahu Ta`alas
tekenen jullie te veel, toch blijf ik op Allaahu Ta`ala mijn vertrouwen stellen.
Wordt het samen met jullie ( zogenaamde goddelijke ) metgezellen eens over
jullie zaak en laat dat voor jullie dan ook niet vaag zijn. Houdt je dan met mij
bezig en laat mij dan niet wachten. Als jullie je dan afkeren, ik heb jullie
geen loon gevraagd. Slechts Allaahu Ta`ala is belast met mijn loon. En mij is
bevolen tot hen te behoren die zich aan ( Allaahu Ta`ala ) overgeven. De mensen, die niet in Noeh (as)s boodschappen geloofden zeiden: - Wij zien dat jij in duidelijke dwaling verkeert. Hij ( Noeh (as) ) zei: O mijn volk! Er is in mij geen dwaling, maar ik ben een gezant van de Heer
van de werelden. Ik verkondig jullie de zendingsopdrachten van mijn Heer en ik
geef jullie goede raad en van Allaahu Ta`ala weet ik dat jullie niet weten. Of
zijn jullie verbaasd dat er tot een man uit jullie midden een vermaning van
jullie Heer komt opdat hij jullie waarschuwt en jullie godvrezend worden;
misschien zal aan jullie barmhartigheid bewezen worden. - Allaahu Ta`ala zal ermee komen als Hij wil en jullie kunnen er niets
voor doen. En mijn raad heeft voor jullie ook niets nut, als ik jullie goede
raad zou wensen te geven, wanneer Allaahu Ta`ala jullie wenst te misleiden. Hij
is jullie Heer en jullie zullen tot Hem terugkeren. - O mijn volk!. Dient Allaahu Ta`ala; jullie hebben geen andere godheid
dan Hem ( Allaahu Ta`ala ). Zullen jullie niet godvrezend worden?. En de raad van voornaamsten onder de ongelovigen in zijn volk zei: Hij is slechts een mens zoals jullie, die boven jullie wil uitblinken. Als
Allaahu Ta`ala het namelijk gewild had, dan had Hij wel engelen nedergezonden.
Wij hebben hiervan bij onze vaderen die er eertijds waren niet gehoord. Hij is
slechts een man die last heeft van bezetenheid. Wacht maar enige tijd
af. De arrogante rijken konden maar niet begrijpen waarom Noeh (as) de mensen
uitnodigden hem te volgen. De mensen moesten alleen hen volgen. Zij hadden
immers geld, macht, de mooiste spullen, de lekkerste etenswaren, de netste
kleren en zij hielpen de armen en behoeftigen met hun rijkdommen. Noeh (as) kon
al deze dingen niet doen en hij had ook de middelen er niet voor. Ze vonden dat
hij dingen zei die voor hun ogen niet zichtbaar waren. Hoe kon het volk zo'n
iemand volgen in plaats van hen te volgen. Als de godsdienst die Noeh (as)
predikte goed was dan ging hij niet eerst bij de armen maar bij hen. Hij ( Noeh (as) ) zei: - Mijn Heer help mij want zij betichten mij van leugens. Het volk van Noeh (as) betichtte de gezondene ( Noeh (as) ) van leugens.
Toen hun broeder Noeh (as) tot hen zei: - Willen jullie niet godvrezend zijn?. Ik ben voor jullie een betrouwbare
gezant. Vrees dan Allaahu Ta`ala en gehoorzaam mij. En ik vraag jullie daarvoor
geen loon. Slechts de Heer der werelden is belast met mijn loon. Vrees dan
Allaahu Ta`ala en gehoorzaam mij. Zij zeiden: - Zullen wij jou geloven, terwijl jij alleen maar gevolgd wordt door de
allerverachtelijksten?. Hij ( Noeh (as) ) zei: - En hoe kan ik weten wat zij gedaan hebben?. Mijn Heer is belast met de
afrekening met hen, als jullie het maar beseffen. En ik jaag hen die geloven
niet weg. Ik ben slechts een duidelijke waarschuwer Zij zeiden: - Als jij niet ophoudt Noeh (as) dan behoor jij bij hen die gestenigd
worden Hij ( Noeh (as) ) zei: - O mijn Heer, mijn volk beticht mij van leugens. Doe dus tussen mij en
hen ( mijn volk ) uitsprak en red mij en die gelovigen die met mij zijn. Hij ( Noeh (as) ) zei: - Mijn Heer , ik heb mijn volk dag en nacht opgeroepen, maar mijn oproep
heeft hen alleen maar meer laten vluchten. En telkens als ik hen opriep, opdat U
hen zou vergeven, stopten zij hun vingers in hun oren , bedekten zich met hum
kleren en bleven stijfkoppig en hoogmoedig. toen riep ik hen in het openbaar op.
Toen sprak ik openlijk en in het diepste geheim met hen. En ik zei: Vraag jullie Heer om vergeving; Hij is vergevend. Hij zal dan de hemel in
overvloed over jullie laten regenen, jullie met bezittingen en zonen versterken,
tuinen voor jullie maken en rivieren voor jullie maken. Wat is er met jullie dat
jullie van Allaahu Ta`ala geen waardigheid verwachten?. Hij heeft jullie toch in
fasen geschapen. Zien jullie dan niet hoe Allaahu Ta`ala zeven hemelen in lagen
geschapen heeft?. En dat Hij daarin de maan tot een licht heeft gemaakt en dat
Hij de zon tot een heldere lamp heeft gemaakt?. Allaahu Ta`ala heeft jullie toch
uit de aarde laten ontstaan . Daarna zal Hij jullie in haar terug laten keren en
jullie dan opnieuw te voorschijn brengen. En Allaahu Ta`ala heeft de aarde voor
jullie tot een uitgelegd tapijt gemaakt, opdat jullie er wegen en passen begaan
kunnen. Noeh (as) zei: - Mijn Heer, zij gehoorzamen mij niet, maar zij volgen iemand wiens bezit
en kinderen hem alleen maar meer verlies laten lijden. En zij hebben grote
listen beraamd. En zij ( de ongelovigen ) zeiden: - Verlaat jullie goden niet. Verlat Wadd niet, noch Suaa', noch Yaghuth,
Ya'uk en Nasr. En zij hebben velen tot dwaling gebracht. laat dan de onrechtplegers
alleen maar meer dwalen. Zij zeiden: - ( Noeh (as) jij bent een ) bezetene. Hij werd door hen afgeschikt, en hij bad tot zijn Heer:Ik ben verslagen
kom dus te hulp. Noeh (as) verbleef 950 jaar onder zijn volk en al die tijd heeft hij hen
uitgenodigd in Allaahu Ta`ala, Zijn engelen, Zijn bevelen, Zijn profeten, in de
dag des oordeels, in het feit dat het goede en het slechte door Allaahu Ta`ala
is geschapen, te geloven. Maar het was te vergeefs. De meeste mensen wilden dit
niet accepteren. Hoe kan een blinde zien en een dove horen. Deze mensen waren
blind en doof voor de boodschappen van Noeh (as). Ze gingen hun gang: ze
aanbaden hun godheden, ze deden onrecht en ze wilden de waarheden, die Noeh (as)
hen vertelde, niet onder ogen zien. Hoe lang kon Noeh (as) dit volhouden?. Hoe
lang moest hij dit onrecht nog verdragen?. Hoe lang moest hij toe zien dat de
mensen de afgoden dienden?. Deze mensen maakten gebruik van Allaahu Ta`alas
gunsten en toch ontkenden ze Hem. Toen Noeh (as) hen weer uitnodigden in Allaahu
Ta`ala te geloven, zeiden ze: - O,Noeh (as), jij hebt met ons getwist, jij hebt veel twist met ons
gehad. Kom dan maar met wat je ons toegezegd hebt,als je gelijk hebt. Noeh (as) werd erg boos op hen en gaf de hoop op dat ze ooit tot geloof
zouden komen en hij bad tot Allaahu Ta`ala en zei: - Mijn Heer, laat niet een van de ongelovigen op de aarde blijven wonen.
Immers als U hen laat, zullen zij U dienaren tot dwaling brengen en alleen maar
overtreders en ondankbaren voortbrengen. Mijn Heer, vergeef mij en mijn ouders
en wie mijn huis als gelovige binnen komen, en de gelovige mannen en vrouwen. En
laat de ongelovigen alleen maar meer vernietigd worden. Allaahu Ta`ala zegt in de Qur'an: - En Wij hebben Noeh (as) naar zijn volk gezonden en hij verbleef duizend
jaar in hun midden, op vijftig jaar na. Toen greep de overstroming hen terwijl
ze onrecht pleegden. Allaahu Ta`ala verhoorde Noeh (as)s gebed en openbaarde Noeh (as) het
volgende: - Niemand van jouw volk zal tot geloof komen, afgezien van hen die al
gelofden. Wees dus niet bedroefd over wat zij aan het doen waren. Bouw dan het
schip onder Onze ogen en volgens Onze openbaring, maar spreek ons niet aan over
hen die onrecht plegen; zij zullen verdronken worden. En Noeh (as) bouwde het schip en telkens als er voornaamsten van zijn volk
voorbijkwamen maakten zij hem belachelijk. De ongelovigen lachten Noeh (as) en zijn volgelingen uit. Midden in het
land bouwden ze een kolosaal schip. Waar moest het schip varen?. Zou het schip
misschien boven op de bergen klimmen of op de zandvlakken varen?. Er was in de
verste omtrek geen zee te bemerken. Noeh (as) ging met bouwvakkers en
handenarbeiders om en uiteindelijk werd hij ook één van hen. De ongelovigen
maakten zo Noeh (as) en de overige gelovigen belachelijk. Noeh (as) hoorde al deze opmerkingen en hij bouwde geduldig zijn schip.
Maar hij zei eens: - Jullie maken ons belachelijk, maar wij zullen jullie belachelijk maken,
zoals jullie ( ons nu ) belachelijk maken. En jullie zullen weten tot wie de
bestaffing zal komen die hem tot schande maakt en op wie een blijvende
bestaffing zal neerkomen. Allaahu Ta`alas aankondiging was aangebroken. De bestraffing van de
ongelovigen was begonnen. Het regende pijpenstelen. Het leek of de regen met
stralen naar beneden kwam en het hield maar niet op. Het water omringde de
ongelovigen van alle kanten. Toen dan Onze ( Allaahu Ta`alas ) beschikking kwam en de oven ( van het
schip ) overkookte, zeiden Wij ( Allaahu Ta`ala ): - Belaad het met van alles twee stuks, paarsgewijs, en met jouw familie
behalve over wie al sprake geweest is en met wie geloven, maar slechts weinigen
geloofden met hem. - En wanneer jij met hen die bij jou zijn op de boot plaats genomen hebt,
zeg dan: Lof zij Allaahu Ta`ala die ons van de mensen die onrecht plegen gered
heeft. En zeg: - Mijn Heer, geef mij een gezegend onderkomen. U bent de beste van hen die
een onderkomen geven. En Noeh (as) zei: - Gaat aan boord. In Allaahu Ta`alas naam zal het ( schip ) afvaren en
afmeren. Mijn Heer is vergevend en barmhartig. Noeh (as) had een zoon die tot de ongelovigen behoorde en ( toen ) het (
schip ) weg voer met hen ( Noeh (as), de gelovigen en de dieren ) door golven
als bergen en riep Noeh (as) naar zijn zoon die apart stond: - Mijn zoon!. Kom met ons aan boord en wees niet één van de
ongelovigen. Hij ( de zoon van Noeh (as) ) zei: - Ik zal een onderkomen op een berg vinden die mij tegen het water zal
beschermen. Hij ( Noeh (as) ) zei: - Tegen Allaahu Ta`alas beschikking is er vandaag geen beschermer behalve
voor hen met wie Hij erbarmen heeft. En de golven kwamen tussen hen beiden en zo werd hij ( de zoon van Noeh
(as) ) één van de verdronkenen. Noeh (as) was er droevig om zijn zoon. Het was zijn eigen zoon. Hij wilde
zijn zoon op de oordeelsdag redden. Hier op aarde had hij zijn zoon niet kunnen
redden. Maar zijn zoon bleef hardnekkig weigeren. En er werd gezegd: - O, aarde, slik je water in en o hemel, droog op, en het water na af. De
beslissing was gevallen en het ( schip ) kwam op de Djûd vast te zitten. En er
werd gezegd: - Weg met de mensen die onrecht plegen. En Noeh (as) riep tot zijn Heer en zei: - Mijn Heer, mijn zoon behoort tot mijn familie; Uw toezegging is de
waarheid en U bent de wijste van hen die oordelen. Hij ( Allaahu Ta`ala ) zei: O Noeh (as), hij behoort niet tot jouw familie. Hij is ( een toonbeeld van
) ondeugdelijk handelen. Vraag mij niet iets waarvan jij geen kennis hebt. Ik
vermaan je niet tot de onwetenden te behoren. Hij ( Noeh (as) ) ( kreeg spijt en ) zei: - Mijn Heer, ik zoek bij U bescherming dat ik niets vraag waarvan ik geen
kennis van heb. En als U mij niet vergeeft en erbarmen met mij hebt, dan behoor
ik tot de verliezers. En tot hem werd gezegd: - O Noeh (as), ga van boord in vrede die van Ons komt en met zegeningen
voor jou en voor gemeenschappen van hen die bij jou zijn. Er zijn ook
gemeenschappen die Wij laten genieten, maar dan treft hen een pijnlijke
bestraffing van Ons. Zij ( de ongelovigen van het volk van Noeh (as) ) betichtten hem toen van
leugens, maar Wij redden hem en wie met hem in het schip waren en Wij maakten
hen tot opvolgers. Maar Wij lieten hen die Onze tekenen loochenden
verdrinken. WAL HAMDULILLAHI RABBIL `ALAMIEN
AS SALAATU WASSALAAMU `ALA RASULENAA MUHAMMED
WA `ALAA AALIHIE WE SAHBIHIE ADJMA`IEN.
-En hoe is jullie verlangen naar deze vrome personen?
-Dat is heel groot.
-Zouden jullie niet elke dag naar hun willen kijken?
-Hoe kunnen we elke dag naar ze kijken als ze al dood zijn?