Haroen Soebratie

In de naam van Allah, de Barmhartige, de Genadevolle.

Ibn Ishaak
Het leven van Mohammed.

AL HAMDULILLAHI RABBIL `ALAMIEN 
AS SALAATU WASSALAAMU `ALA RASULENAA MUHAMMED
WA `ALAA AALIHIE WE SAHBIHIE ADJMA`IEN.

Chronologisch overzicht van belangrijke gebeurtenissen
De stam van de Koeraisj
Genealogie van Mohammad en verwante familie

Inleiding
Mohammeds afkomst
Het geboorte
Het verhaal van Mohammeds voedster. Het 'splijten van de buik'
Mohammeds vroege jeugd. Tekenen en voorzeggingen van het profeetschap
Mohammed tegen de zonde beschermd
Het huwelijk met Chadiedja
Het begin van het profeetsehap. De eerste koranopenbaring
Chadiedja wordt moslim. Onderbreking en hervatting van de openbaring
De instelling van de salaat
De eerste moslims
De islam openlijk gepredikt. Vijandschap van Koeraisj
Hamza's bekering
Het eerste koranreciet
De vervolging verhevigd
De emigratie naar Ethiopie
Oemar wordt moslim
De boycot
De duivelsverzen
Twee wonderen
De nachtreis en de hemelreis. De spotters
Mohammeds bezoek aan Ta'if
De 'Helpers' uit Medina
De Tweede Akaba
Voorwaarden van de Tweede Akaba. Het bevel tot de strijd
De hidzjra naar Medina
Het document van Medina
De oproep tot de salaat
Vijandschap van de joden en Halfhartigen
De expeditie naar Nachla in de heilige maand
De slag bij Badr
De zaak met de stam Kainoekaa'
De slag bij Oehoed
De verdrijving van de stam Nadier
De laatste tocht naar Badr
De belegering van Medina
De uitroeiing van de joodse stam Koeraiza
De expeditie tegen Moestalik
De grote leugen over A'isja
Marjam Egyptische slavenmeisje, Mohammed nam haar als concubine
Het verdrag van Hoedaibia
De veldtocht tegen Chaibar
Het bezoek aan het heiligdom ten uitvoer gebracht
De slag bij Moe'ta
De inneming van Mekka
De slag in de wadi Hoenain
De belegering van Ta'if
De buitverdeling. Geschenken 'om de harten te winnen'
Dc expeditie naar Taboek
Het jaar negen, het jaar van de afvaardigingen
De gezant van de koningen van Himjar
Moesailima, de leugenprofeet
De afscheidsbedevaart
Mohammeds ziekte en dood

Chronologisch overzicht van belangrijke gebeurtenissen
Top

       570  Geboorte van de profeet Mohammed.
       610  Mohammeds eerste openbaring op de berg Hira.
       622  Emigratie (hidjra) van de moslims naar Medina.
       624  Slag bij Badr tegen de Mekkanen en de Koeraisjieten.
       625  Slag bij de berg Oehoed.
       627  `Loopgravenoorlog'.
       628  Verdrag van Hoedaibijja tussen Medina en Mekka.
       630  Mohammed verslaat de Koeraisjieten, de moslims bezetten Mekka.
       632  Overlijden van Mohammed.
632-634  Kalifaat van Aboe Bakr.
634-644  Kalifaat van Oemar ibn al-Chattaab.
644-656  Kalifaat van Oethmaan ibn Affaan.
656-661  Kalifaat van Ibn Ali ibn Abi Talib, die geldt als de eerste imam van de sjiÔeten.
       680  Hoesain ibn Ali, kleinzoon van de Profeet, sneuvelt bij Karbala.
661-750  Dynastie van de Omajjaden.
750-780  Dynastie van de Abassieden.
       756  Abd ar-Rahmaan, de laatste Omajjaden-vorst, stelt in Spanje een rivaliserend kalifaat in.
       874  Verdwijning van de twaalfde imam, de mandi.
934-1062  De dynastie van de Boejieden heerst over West-Iran, Irak en MesopotamiŽ.
969-1171  De dynastie van de Fatimieden heerst over Noord-Afrika, Egypte en SyriŽ.
977-1186  De dynastie van de Ghaznavieden heerst over Khoerasan, Afghanistan en Noord-India.
       1095  Eerste kruistocht, na een oproep van paus Urbanus II
1250-1517  De dynastie van de Mammelukken heerst over Egypte en SyriŽ.
1281-1924  Ottomaanse rijk.
1501-1725  De dynastie van de Safavieden heerst over Iran.
1520-1725  De dynastie van de Mogols heerst over India.
       1857  Opstand in India tegen de Britse overheersing.
       1924  Stichting van de Turkse Republiek en einde van het Ottomaanse kalifaat.
       1925  Begin van de Pahlavi-dynastie in Iran.
       1928  Hasan al-Banna richt in Egypte het genootschap der Moslimbroeders op.
       1932  Stichting van het koninkrijk Saoedi-ArabiŽ.
       1947  Stichting van Pakistan als eerste islamitische staat.
       1948  Stichting van de staat IsraŽl.
       1952  Officierenopstand in Egypte onder leiding van Gamal Abd al-Nasser.
       1979  Islamitische revolutie in Iran.
1990-1991  Eerste Golfoorlog. Vorming van al-Qaeda.
       2001  Aanval van al-Qaeda op New York en Washington.

Inleiding
Top

       `Er is geen god dan God, en Mohammed is Zijn Profeet,' luidt de geloofsbelijdenis van de moslims. Al is Mohammed volgens de koran niet goddelijk, in zekere opzichten kan men hem toch vergelijken met Jezus. Met zijn optreden is de islam begonnen: een nieuwe godsdienst, een politiek systeem en levenswijze die de wereldgeschiedenis ingrijpend heeft gewijzigd. Mohammed is tol heden toe voor miljoenen moslims de belangrijkste mens die ooit heeft geleefd.
       Het Arabisch schiereiland, waar Mohammed is geboren, lag omstreeks 6oo aan de rand van de beschaafde wereld. Ten noorden ervan strekten zich twee wereldrijken uit, het Oost-Romeinse Rijk en PerziŽ, die voortdurend strijd met elkaar voerden. Beide rijken gebruikten Arabische staatjes aan hun grenzen als buffer tegen de ontembare nomaden uit de steppe. Aan de westkant lag de Rode Zee, met aan de overkant EthiopiŽ. In het oosten, ver weg, lag India. In het zuiden van het schiereiland bevond zich het niet onbelangrijken Jemen, dat in het verleden een koninkrijk met een bloeiende beschaving was geweest, met hooggewaardeerde exportproducten als wierook, mirre, gom en specerijen. Maar de handel was in het slop geraakt en het land was uiteengevallen in kleine staatjes, die beurtelings onder Ethiopische dan wel Perzische opperheerschappij stonden. Nog altijd was Jemen een tussenstation op de zeewegen van India en Afrika naar het Middellandse-Zeegebied.
       Het centrale deel van het Arabische schiereiland bood door zijn droge klimaat weinig bestaansmogelijkheden. In een aantal ver uiteen liggende oases waren land- en tuinbouw mogelijk, waardoor slechts een geringe bevolking gevoed kon worden. Extensieve veeteelt (kamelen) vormde de bestaansbron voor de nomaden, die verre in de meerderheid waren. Dezen voerden onderling een verbitterde strijd: een twist over vee, een bron of weidegrond ontaardde dikwijls in een plundertocht, gevolgd door weerwraak De sociale eenheid was de stam: het individu telde nauwelijks mee, en nooit heeft een nomadenstamhoofd zich kunnen verheffen tot koning. In sommige oases vormden inkomsten uit de handel een aanvulling op de opbrengsten van het land. Enkele bevolkingsgroepen leefden van de handel over de karavaanwegen. In het waterarme Mekka, Mohammeds geboorte stad, was handel vrijwel de enige bron van welvaart.
        Geen der oude wereldrijken is ooit in staat geweest ArabiŽ te veroveren. Wagens liepen vast in het zand, paarden en soldaten bezweken aan hitte en dorst. De culturele beinvloeding vanuit het noorden is dan ook bescheiden gebleven. De monothŤistische godsdiensten hadden er nauwelijks aanhang. Christenen waren er in Nadjraan en Jemen en onder de Arabische stammen in de noordelijke grensgebieden, hoewel er ook een aantal in Midden-ArabiŽ moet zijn geweest. Joden leefden in Jemen en in sommige oases. De meeste Arabieren aanbaden echter godenbeelden of gewijde plaatsen: hoogten, grotten, bronnen en bomen. Er bestonden heilige terreinen, waarbinnen godsvrede heerste.

       Mekka was ten tijde van Mohammeds geboorte een bescheiden Handelsrepubliek, die de karavaanweg van Noord-Jemen naar SyriŽ domineerde en bescheiden handelscontacten onderhield met EthiopiŽ. Het verhandelde leder, textiel, vee, parfum en zuivelproducten voor voedingsmiddelen en wapens. De bewoners behoorden tot de stam Koeraisj, die onderverdeeld was in verschillende clans. Voor het uitrusten van handelskaravanen en het onderhouden van steunpunten op de halteplaatsen onderweg was een samenwerking tussen de clans onontbeerlijk. Er bestond een soort gemeentewad, waarin de leiders van alle clans zitting hadden. Het centrale heiligdom van Mekka, de Kaaba, symboliseerde enerzijds de verbondenheid van de clans binnen de stad, anderzijds hun macht daarbuiten, want van heinde en ver kwamen er pelgrims op af In het samenstel van de clans kregen telkens weer andere coalities de overhand. In Mohammeds tijd waren vooral Abd Sjams en Machzoem overheersend.
       Volgens de standaardoverlevering, die in grote lijnen wordt gevolgd door zowel moslims als traditionele arabisten, is in dit Mekka omstreeks het jaar 570 de profeet Mohammed geboren. Hij behoorde tot de clan Haasjim, een eertijds aanzienlijk geslacht, dat echter zijn leidende rol had verspeeld. Op vijfentwintigjarige leeftijd trouwde hij met de zakenvrouw Chadiedja, voor wie hij werkte. Vijftien jaar later heeft hij de eerste koranopenbaring ontvangen. Wellicht was hij tevoren reeds gekweld door innerlijke onvrede over zijn eigen nederige positie, over de teruggang van zijn clan, over de sociale misstanden in Mekka in het algemeen en over de primitieve religie waarin hij geen heil sneer zag. Gesteund door de openbaringen die hij ontving riep hij zijn stamgenoten ertoe op de ene God, de Schepper van hemel en aarde, aanbidden en zich aan Zijn wil te onderwerpen. Immers, de dag des gerichts was aanstaande, waarop God de ongelovigen voor eeuwig tot de hel zou verdoemen en de gelovigen zou binnenleiden in het paradijs.
        De eerste moslims behoorden vooral tot de lagere klassen en telden slechts enkele notabelen. De oppositie van de heersende kringen te de nieuwe beweging was groot - uit vrees wellicht voor een een breuk in het precaire evenwicht tussen de clans, maar ook uit puur conservatisme. Pogingen van Mohammed om buiten Mekka aanhang te verwerven mistlukten aanvankelijk.
       In Medina, waarheen hij in 622 met een aantal gezellen emigreerde, kreeg Mohammed echter de kans een staat op te bouwen volgens zijn eigen principes. Twistende stammen hadden hem als scheidsrechter daarheen gehaald. Hij toonde zich een groot staatsman: conflicten werden bijgelegd, de bewoners van Medina gingen over tot de islam en met de joden die dat weigerden werd afgerekend. Het Mekkaanse handelsimperium bleef hij net zo lang belagen tot de stad in zijn handen viel.
       Bij Mohammeds dood in 632 was ongeveer het hele Arabische schiereiland ingelijfd bij het islamitische rijk. In verrassend korte tijd daarna zou dit rijk zick uitbreiden over SyriŽ, Irak, PerziŽ, Afghanistan, Egypte en Noord-Afrika.

        Ruim een eeuw na het overlijden van de Profeet ontstond de biografie (siera) waaruit hier een bloemlezing wordt aangeboden. Het originele werk, een typisch product van oude Arabische geleerdheid, sss een compilatie uit de zeer vele, dikwijls ogenschijnlijk mondeling overgeleverde verhalen die circuleerden in de eerste anderhalve eeuw van de islam. Deze werden niet tot een aaneensluitend verhaal verwerkt, maar in een los verband bijeen gezet en aan elkaar gepraat met korte, suggestieve commentaartjes.
       Het leven van Mohammed is dus geen biografie in de moderne zin, maar een verzameling veelal korte teksten of delen daarvan. De teksten vallen in drie hoofdsoorten uiteen: verhaal, Traditie en document. De koran is ouder dan de biografie en maakt er uiteraard geen deel van uit, maar speelt er wel een centrale rol in.
        Het verhaal (kissa). Na de dood van de Profeet circuleerden er onder zijn volgelingen allerlei overleveringen: berichten over veldslagen, verhalen over de schepping en de voortijd, legenden over Mohammed en over de profeten van joden en christenen, stukken geschiedenis, uitleggingen van de koran en uitweidingen op basis van koranteksten. Veel van dit materiaal gaat terug op de professsionele vertellers (kaars, meervoud koessaas) van zowel stichtelijke als amusante verhalen, die aanvankelijk na de vrijdagse preek in de moskee de gemeente mochten boeien en zich in later tijd op de markt opstelden en met de pet rondgingen.
       De Traditie (hadieth) is een heel ander type tekst. Met Traditie wordt meestal bedoeld: een kort bericht over iets dat Mohammed heeft gedaan, bevolen te doen of stilzwijgend heeft goedgekeurd als anderen het deden. Tradities golden en gelden voor moslims als leidraad voor leven en geloof. Met de koran zijn zij de grondslag voor de islamitische wet. Het zijn teksten waarin het juiste handelen centraal staat. Zij werden overgeleverd door de 'mensen van de Traditie en de soenna', de voorlopers van de latere wetgeleerden, de oelema. Een Traditie bestaat uit twee delen: de tekst van het bericht en de zogeheten overleveringsketen (isnaad), niet daarin de namen van de personen die, naar men meende, het bericht van geslacht op geslacht hadden overgeleverd. Met de overleveringsketenen werd van iedere Traditie de oorsprong nagegaan. Als het goed was liep de keten ononderbroken door van de jongste overleveraar tot aan de Profeet. De erin genoemde personen werden later kritisch nageplozen: heeft A inderdaad B gekend? Stond C niet als onbetrouwbaar bekend? Heeft D de Profeet wel echt ontmoet? Op basis van deze kritische arbeid hebben de grote negende-eeuwse Traditieverzamelaars verdachte overleveringsketens verworpen. Traditieverzamelingen als die van de gezaghebbende verzamelaars Boechari en Moeslim bevatten uitsluitend teksten met overleveringsketens die zij correct bevonden hadden. Hieruit is een bloemlezing in het Nederlands beschikbaar (Leidraad voor het leven), met een inleiding over het genre. Niet-islamitische geleerden hebben over het algemeen weinig respect voor de oude Traditiekritiek. Zij zijn veelal van mening dat de meeste Tradities, met `correcte' isnaads en al, latere verdichtsels zijn en in het geheel niet teruggaan op de Profeet of zijn tijd.
       De verhaalstof van de vertellers werd door de 'mensen van de Traditie' met argwaan bekeken, omdat zij onserieuze, dat wil zeggen niet de islamitische wet betreffende onderwerpen behandelde en zelfs dikwijls een niet-islamitische oorsprong had. Ook bestond er aanvankelijk nogal wat bezwaar tegen koranuitleg. Maar om de verbalen een wetenschappelijker tintje te geven heeft men deze, lang na hun ontstaan, eveneens van een overleveringsketen voorzien en worden ook zij vaak Tradities genoemd. Ibn Ishaak geeft ze vaak nog zonder isnaad, of met een uiterst gebrekkige, zoals: `Iemand die ik vertrouw heeft mij verteld...'. Hij drukt zijn twijfel over de betrouwbaarheid uit met waarden als: `Naar verluidt heeft een geleerde beweerd dat [...], maar God weet het beste of het waar is.'
        Documenten (of pseudo-docomenten) zijn bijvoorbeeld naamlijsten van Emigranten of van deelnemers aan een bepaalde veldslag. Verder zijn er brieven die de Profeet zou hebben geschreven aan buitenlandse heersers, en overeenkomsten met stamhoofden en plaatselijke autoriteiten. In het beroemdste document, dat als enige misschien inderdaad oud is, het zogeheten Document van Medina, zijn regels vastgelegd voor het samenleven van de Emigranten uit Mekka met de stammen in Medina en hun cliŽnten.
       Of het nu gaat om Tradities in engere zin of om de ongecontroleerde verhalen van vertellers, men kan zich hij ieder bericht in Het leven van Mohammed afvragen wat het eigenlijk wil, waarom het geschreven kan zijn. Om de lezer het zoeken naar de strekking te vergemakkelijken, worden hier enkele veel voorkomende genres beschreven of met een voorbeeld geÔllustreerd.
       1. Koran. Zeer veel teksten van Ibn Ishaak zijn verbonden met een korangedeelte. Dit is gemakkelijk te herkennen als er letterlijk geciteerd wordt, en wat moeilijker als er alleen op gezinspeeld wordt. In de vertaling worden korancitaten steeds cursief gedrukt en de vindplaatsen erbij gegeven.
        De koran is ongeveer een eeuw ouder dan de biografische teksten. De vertellers en overleveraars hebben op de koran gereageerd, hem op velerlei manier voor hun doeleinden gebruikt. Naar aanleiding van koranteksten zijn er interpreterende en aanvullende verhalen ontstaan, speelse verhalen rondom een vers, ongeveer zoals de joodse midrasj, verhalen waarin de aanleiding tot een bepaalde openbaring en de begeleidende omstandigheden worden uiteengezet. Ook hebben de vertellers regelmatig verhalen gekoraniseerd, dat wil zeggen: zij hebben ze versierd neet koranteksten, zonder dat deze er inhoudelijk veel verband mee hebben.
       -Aanleidingen tot een koranopenbaring (sabah an-noezoel). Op blz. 45 wordt verhaald wat de aanleiding was tot de openbaring van soera 93. De Profeet had enige tijd geen openbaringen ontvangen en daaronder leed hij. 'Toen bracht Djibriel hem de soera "Het morgenlicht', waarin zijn Heer [...] hem zwoer dat Hij hem niet verlaten had.' De genoemde soera bevat troostende woorden, gesproken tot ťťn persoon, kennelijk de ontvanger van de openbaring. In welke nood die troost voorzag deelt de koran echter niet mee, en in deze leemte voorziet het verhaal. Ook het verhaal De duivelsverzen' gaat over zo'n `aanleiding', en ettelijke andere eveneens. Het is goed te bedenken, dat de koran altijd ouder is dan het bijbehorende verhaal en er het uitgangspunt van is. De verteller suggereert meestal het omgekeerde - dat is n pisch voor dit genre. Het komt ook voor dat er verschillende `aanleidingen' zijn bij ťťn vers, of dat een `aanleiding' in verschillende bronnen op meer dan ťťn vers wordt toegepast.
       - Koranuitleg (tafsier). Nadat op blz. 45 de aanleiding tot de openbaring van soera 93 is verteld, wordt de soera vers voor vers geciteerd en door middel van parafrase verklaard. Dit soort exegese is niet de specialiteit van de biografie, zij is vooral in de korancommentaren te vinden.
        - Uitwerking. Soms wordt een beknopt koranvers sterk uitvergroot en opgevuld met vertelmateriaal. Dat is onder andere het geval bij het verhaal over het complot van Koeraisj aan de vooravond van de hidzjra, en bij dat over hun poging om de uitlevering te verkrijgen van de moslims die naar EthiopiŽ waren gevlucht (blz. 55 en 101).
       - Koranisering. Hieronder is te verstaan her latere invoegen van koranische elementen in een verhaal waarin deze oorspronkelijk niet thuishoorden. Soms is het moeilijk vast te stellen of dat inderdaad het geval is. Op blz. 101 wordt verteld hoe God de vijandige Koeraisjieten te slim af is: Hij heeft ze tijdelijk blind gemaakt en de Profeet bedekt hun hoofden met stof. Daarbij past het aldaar geciteerde koranvers 36:9 en Wij hebben hen hedekt, zodat zij niet kunnen zien. In een andere bron echter, bij Wahb bil Moenabbih (654-728), vinden we op die plek niet een korancitaat, maar een paar dichtregels. Denkbaar is dat Wahbs versie ouder is en dat een wat latere verteller gemeend heeft onpassend ervaren dichtregels door iets uit de koran te moeten vervangen. Bij nader inzien past 36:9 inderdaad goed op die plaats, maar de eveneens geciteerde verzen 1-8 doen dat helemaal niet.
        In het verhaal over Oemars bekering (blz. 68-70) is eveneens een los gebruik van de koran te onderkennen. Oemars zuster Fatima verbiedt haar nog heidense broer een blad met een koransoera aan te raken, omdat hij onrein is. Zonder twijfel dacht de verteller aan soera 56:79: [...] die alleen zij die rein gemaakt zijn mogen aanraken. Maar ook de direct voorafgaande woorden, een verborgen Schrifr, moeten in zijn hoofd weergalmd hebben, en daarom laat hij Fatima het blad verstopper: ze gaat er namelijk bovenop zitten! Natuurlijk wil dit niet de ultieme uitleg zijn van de woorden kitaab maknoen, die hier in de betekenis van een verborgen Schrift worden opgevat, terwijl zij elders meestal worden begrepen als een welbewaarde Srhrift. Maar de vertellers gingen associatief met koranteksten om, gebruikten ze zoals het hun uitkwam en schuwden daarbij liet boertige niet.
        2. Profetenlegende. In de legende wordt de Profeet beschreven als een navolgenswaardig maar tevens onnavolgbaar voorbeeld, door God uitverkoren tot het verrichten van wonderen en heldendaden. Vele verhalen over Mohammeds jeugd zijn legenden, evenals de berichten over wonderen op blz. 75 en elders. De Mohammed-legende is niet los te denken van de verhalen over joodse en christelijke profeten, waarvan een deel reeds in de koran is te vinden en die door de verhalenvertellers nog uitgebreider werden gepresenteerd. Het gaat er in deze teksten vaak om Mohammeds plaats tussen, respectievelijk aan het hoofd van de andere profeten vast te stellen. Hieruit hebben de verteller, zoals de koran al eerder had gedaan, een soort profielschets van 'de' profeet gedestilleerd. Zo zijn er beschrijvingen van de eigenschappen van een profeet in het algemeen, bijvoorbeeld: 'Er is geen profeet geweest of hij heek een kudde geweid' (blz. 31), `Zijn ogen slapen terwijl zijn hart waakt' (blz. 82; vandaar ook dat de monnik Bahira Mohammed vraagt hoe het is als hij slaapt, blz. 35) en: `Een profeet sterft niet zonder dat hem de keus is gegeven' (blz. 247).
        3. Stichtend verhaal en prediking, bij uitstek het terrein van de beroepsverteller. Het vrijmoedige verhaal op blz. 87 over de instelling van de rituele godsdienstoefening, de salaat, waarin Mohammed bij God net ze lang afdingt tot het aantal verplichte salaats wordt teruggebracht tot vijf per dag, is afkomstig van zo'n verteller. Men kan zich voorstellen dat het verhaal oorspronkelijk langer geweest, met veel meer herhalingen (vergelijk de bijbel, Genesis 18:23 e.v.), zeer geschikt voor mondelinge voordracht, waarbij de spanning langzaan wordt opgebouwd. De tendens ervan is dat de moslims nog blij mogen zijn dat zij er zo genadig afkomen, met slechts vijf salaats per dag. Grote delen van het hemelreisverhaal behoren eveneens tot dit genre. Veel van deze stof heeft een joodse of christelijke achtergrond.
        De predikers wenen en brengen hun gehoor tot wenen over de slechtheid van deze wereld en de zondigheid van de mens. Zij schilderen soms de komende zaligheid, maar liever nog de verschrikkingen van de eindtijd of het laatste oordeel. Een zin als: 'De verzoekingen komen als flarden duistere nacht, de ene na de andere, en de laatste zal erger zijn dan de eerste' (blz. 244) is een typische uiting van hun bevindelijke vroomheid.
        4. Verhalen over de verdiensten van de gezellen van de Profeet (fada'il al-ashaab). Bij elk bericht waarin ťťn of meer tijdgenoten van de Profeet (ashaab, 'gezellen') bij name worden genoemd, is de kans groot dat latere familieleden of stamgenoten de rol van hun voorouder bij een bepaalde gebeurtenis hebben aangedikt of geheel verzonnen. Vele verhalen dienen zelfs uitsluitend om een bepaalde persoon te verheerlijken. Deze zou dan vroeg moslim zijn geworden, de islam een bijzondere dienst hebben bewezen of heldhaftig hebben gevochten in een veldslag. Soms contrasteert de eer van de ťťn met de schande van een andere, bij name genoemd persoon (vgl. blz. 61). De reputatie van een gezel van de Profeet is in belangrijke mate afhankelijk geweest van omvang, invloed en welbespraaktheid van zijn nageslacht.
       Hiermee is verwant het subgenre 'De eerste die [...]` (awa'il). Op blz. 48 lezen we: 'De eerste man die geloofde in de Profeet [...j was Ali.' Op blz. 120 vernemen we terloops dat Sa'd ibn abi Wakkaas zich halverwege een krijgstocht terugtrok, naar verluidt omdat zijn kameel zoek was geraakt. Hierdoor wordt de indruk gewekt dat deze Sad laf was. Wie belang had bij het verspreiden van deze suggestie is zo op het oog niet duidelijk. Hoe dan ook, als tegenwicht is er het bericht op blz. 51, waarin Sa'd centraal staat: hij zou een heiden op het hoofd hebben geslagen, en `dat was het eerste bloed dat in de islam vergoten werd'.
       Vele stukken in dit genre hebben een politieke strekking, zo bijvoorbeeld die over de rol van Mohammeds oom Abbaas bij Akaba (blz. 96) en over het optreden van de toekomstige kaliefen rond het sterfbed van de Profeet (blz. 248-250).
       5. Verhalen over de krijgstochten van Mohammed (maghazi). Een genre dat nauwelijks toelichting behoeft. Ook vůůr Mohammed hebben de Arabieren de herinnering aan hun krijgsveerichtingen met verhalen en gedichten levend gehouden. Gedichten staan er ook heel wat in het werk van Ibn Ishaak, in deze bloemlezing zijn er slechts een paar opgenomen. De verhalen zijn vaak opgeluisterd met koranteksten, die er oorspronkelijk geen deel van hebben uitgemaakt.
        Soms wordt verteld hoe God de Profeet heeft bijgestaan in de strijd. Een aantal malen staat er: 'God doodde [...]`, 'God nam gevangen [...]' enzovoort. Bij sommige veldslagen kwamen engelen de gelederen der moslims versterken of geschiedden er wonderen. Zulke verhalen zou men ook bij de legenden kunnen indelen. Dikwijls worden echter zonder meer het strategisch inzicht, de moed of de edelmoedigheid van Mohammed beschreven. Een sympathieke trek is dat de Profeet ook wel eens als zwak wordt afgeschilderd (blz. 145), of dat een van zijn mannen een beter idee heeft dan hij (blz. 128).
       Binnen de verhalen over de krijgstochten komen uiteraard vele fragmenten voor over de 'verdiensten der gezellen'.
       6. Tradities (hadieth) in engere zin, dus handelend over wat toegestaan of verboden is (halaal en haraam). Hierboven werd verwezen naar een verhaal van een verteller over de instelling van de salaat. Op blz. 48 staat over hetzelfde onderwerp een nogal saaie tekst met een geheel ander karakter. Deze heeft dan ook niet ten doel om toehoorden te boeien, maar om de tijden voor de verrichting van de salaat vast te leggen. Het is een voorschrift, een Traditie met een overleveringsketen. Het leven van de ProfŤer bevat niet erg veel `wetgevende' Tradities.

       Ibn Ishaak
        Tot dusverre is alleen over de teksten gesproken en pas nu komt de auteur, Ibn Ishaak, aan de orde. Die volgorde vindt zijn rechtvaardiging in het feit dat hij grotendeels terugtreedt achter de teksten van anderen die hij verzameld heeft. Zijn grote verdienste is evenwel dat hij dat materiaal in een chronologische volgorde heeft gezet en er een samenhangende sira, biografie, van heeft gemaakt. Dat was in zijn tijd nog nauwelijks geprobeerd. In deze bloemlezing is van Ibn Ishaaks eigen inbreng uiteraard nog minder te merken dan in het werk als geheel. Hier komt hij slechts op enkele plaatsen zelf aan het woord.
       Moehammad Ibn Ishaak is gehoren in Medina in 704 en gestorven in Baghdad in 767. Zijn vader en zijn ooms waren allen overleveraars van verhalen. Ibn Ishaak heeft hun voetspoor gevolgd, maar schijnt zich al vroeg te hebben gespecialiseerd in geschiedenis. Reeds in de generatie na Mohammed waren er korte werken verschenen over het leven en de krijgstochten van de Profeet. Het fragmentarische materiaal werd in het begin van de achtste eeuw in verzamelingen bijeengebracht door Ibn Ishaaks directe voorgangers, zoals Oerwa ibn Zoebair, az-Zoehri, Abdallah ibn abi Bakr. Asim ibn Oemar en nog anderen, wier namen dikwijls voorkomen in zijn overleveringsketens.
        Kan men tegenwoordig moslims, ook gestudeerde moslims aantreffen die boos worden wanneer aan de historiciteit van de biografische teksten wordt getwijfeld, in de tijd van Ibn Ishaak twijfelden vele geleerden hier zelf aan, zoals hij bijna aan den lijve heeft moeten ervaren. Het biografische genre werd in Medina niet serieus genomen: alleen Tradities in engere zin vond men aanvaardbaar. De wetgeleerden in Medina hebben Ibn Ishaak sjiitische neigingen verweten en hem beschuldigd van ketterij, zij namen hem kwalijk dat hij verhalen van joden en christenen en vrouwen overleverde - kortom, zij maakten hem het leven zuur.
       Onder deze druk verliet hij omstreeks 750 zijn vaderstad en vestigde zich in Irak, waar zich reeds vele geleerden bevonden en waar hij beter tot zijn recht kwam. Daar werd immers in die tijd Baghdad gesticht, de hoofdstad van het Abbasidische kalifaat, die snel zou uitgroeien tot eem centrum van geleerdheid. Kalief al-Mansoer (754-775) wist Ibn Ishaaks activiteiten wel te waarderen, zodat deze ongestoord zijn levenswerk kon afmaken: het eerste alomvattende geschiedenisboek in de islamitische wereld, waarin de biografie van de Profeet werd opgenomen.
       Vanuit Medina had Ibn Ishaak al een studiereis ondernomen naar Egypte. In Irak stond hij in contact met de geleerden in de intellectuele centra van die dagen: Basra, Koefa en Baghdad, terwijl hij van daaruit ook studiereizen ondernam naar het noorden van Irak en PerziŽ. Dankzij zijn talrijke contacten heeft hij geweldige hoeveelheden materiaal bijeen kunnen brengen.
       Het levenswerk van Ibn Ishaak was een wereldgeschiedenis in vier delen. Uiteraard was het geschreven vanuit islamitisch gezichtspunt, zodat Mohammed er een centrale rol in speelde. Het eerste deel, getiteld In den beginne, handelde over de schepping van de wereld, over de vroege profeten van Adam tot Iesa ((Jezus), en over de Arabieren en Perzen in de voorislamitische tijd. In deel twee, De zending, werd het leven van Mohammed behandeld tot de hidzjra. Deel drie, De krljgstochten, beschreef de verrichtingen van de Proteet in Medina, terwijl in het laatste deel diens opvolgers, de kaliefen, werden behandeld. Van dit grote werk zijn slechts gedeelten bewaard. Het vierde deel is vrijwel geheel verloren gegaan; uit het eerste deel zijn lange stukken geciteerd bij latere auteurs; het tweede en derde deel zijn grotendeels bewaard.
       Het is de vraag of er ooit meer dan het ene exemplaar in de hofbibliotheek in boekvorm heeft bestaan. Ibn Ishaak 'publiceerde' eruit door steeds gedeelten te dicteren aan zijn leerlingen, die alles woordelijk opschreven. In hun dictaten en uittreksels is het werk tot ons gekomen, en in de werken van latere auteurs die deze afschreven.
       Een van hen is Abd al-Malik ibn Hasjaam (gestorven omstreeks 830 in Egypte). Hij heeft het materiaal van Ibn Ishaak dat handelt over Mohammed bewerkt en uitgegeven. Moeilijke woorden en zinnen heeft hij in noten verklaard, vaak voegt hij eigen materiaal toe. Sommige passages die hij blijkbaar aanstotelijk vond heeft hij weggelaten, zoals die over Mohammeds voornemen tot zelfmoord en over de Duivelsverzen.
       Daarover vernemen wij wel in het dertiendelige geschiedwerk van at-Tabari (gestorven 922), dat in Europa bekend staat als De annalen. Hierin is een kloek deel aan het leven van de Profeet gewijd, waarin veel teksten van Ibn Ishaak zijn opgenomen.
       De minst bekende bewerking van een deel van Ibn lshaaks biografische materiaal is die van Joenoes ibn Boekair (gest 815). Deze werd pas in 1976 uitgegeven.
        Deze Nederlandse vertaling is dus een bloemlezing uit reeds verkorte andere bloemlezingen. Wie meer verhalen wil lezen of beter zicht wil krijgen op de persoonlijke inbreng van de auteur en zijn bewerkers kan beschikken over volledige Engelse vertalingen van de bewerkingen door lbn Hisjaam en at-Tabari (zie de bibliografie).

       De hier vertaalde teksten zijn voor het grootste deel ontleend aan de versie van lbn Hisjaam, enkele aan de bewerking van Joenoes ibn Boekair en enkele andere aan het geschiedwerk van at-Tabari. Voor de koranteksten is een vrijmoedig gebruik gemaakt van de vertalingen van Kramers, Leemhuis en Paret. Dikwijls heb ik zelf een vertaling gemaakt, om een stijlbreuk met de omringende tekst te vermijden en omdat de verhalen soms uitgaan van zeer eigenzinnige opvattingen over de betekenis van een koranvers.

        Waar gebeurd?
Op het eerste gezicht is er over weinig grote figuren uit de Oudheid zoveel bekend als over Mohammed. Maar in hoeverre zijn de biografische teksten over Mohammed bruikbaar voor de geschiedschrijving? Over de vraag of de verhaalde gebeurtenissen al dan niet waar gebeurd zijn hebben de oudste moslims al gediscussieerd (vgl. blz. 78). Vele moslims geloven dat de talloze overleveringen over de Profeet in grote lijnen weergeven hoe het geweest is. Westerse geleerden daarentegen beschouwen deze bronnen niet zonder meer als historisch betrouwbaar. De traditionele Europese oriŽntalisten van de negentiende en twintigste eeuw volgden nog tamelijk getrouw de islamitische overlevering. Zij benaderden die wel kritisch, maar ze braken haar niet zo totaal af als zij dat deden met de traditonele opvattingen over de bijbel. Voor God als schepper en als bron van openbaring hadden zij geen plaats, voor engelen en wonderen evenmin. `Authentiek' materiaal scheidden zij van de producten van vrome fantasie of moedwillige vervalsing. Maar wat er na het zuiveringsproces overbleef was in hun ogen het betrouwbare verhaal dat ongeveer weergaf 'hoe het echt was gegaan', en dat zag er in grote lijnen niet veel anders uit dan dat van de moslims, althans waar het 'de feiten' van Mohammeds leven betrof.
       Nieuwere oriŽntalisten met een kritische inslag, waartoe ook de vertaler zich rekent, geloven niet dat er veel over het werkelijke leven van de Profeet te achterhalen is. Hij zal zeker hebben bestaan: immers, het is aannemelijker dat verhalen groeien rondom een kern dan helemaal vanuit het niets, maar verder weten we met zo veel. Verschillende feiten en overwegingen hebben het geloof aan de historiciteit van het biografische materiaal ondermijnd. Nauwelijks enige brontekst is met zekerheid te dateren in de eerste eeuw van de islam. Van vele teksten zijn varianten te vinden die tegenstrijdige data en inhouden bevatten. Niet-islamitisch bronnenmateriaal, dat soms heel oud is, levert een heel ander beeld op dan de islamitische bronnen. Hoe verder de tijd voortschreed, des te meer details 'wisten' de gelovigen over de Profeet Het belangrijkste kenmerk van deze nieuwere oriŽntalistiek is wel dat men oog heeft gekregen voor het literaire karakter van de teksten, en ook voor intertekstualiteit. Zeer dikwijls immers zijn de verhalen geŽnt op oudere teksten, bijvoorbeeld op de koran of op joodse of christelijke geschriften.
       Ondanks dit alles zijn hierboven in het korte overzicht over Mohammeds leven, en hieronder in de korte inleidingen hij de vertaalde verhalen, de gebeurtenissen soms zo weergegeven alsof ze echt gebeurd zijn. Dat is niet omdat de vertaler meent dat er met zekerheid iets over de veldslagen of politieke acties van de Profeet te weten is, laat staan over diens jeugd, maar omdat dat nu eenmaal makkelijker praat.
       Voor wie niet in de historiciteit kan geloven is het incest interessante van de biografische teksten dat zij laten zien hoe een religieuze gemeenschap zijn stichter literair heeft 'opgebouwd'.

       Namen en de transcriptie van Arabische woorden
In Het leven vam Mohammed komen talrijke eigennamen voor. De isnaads bestaan geheel uit namen, maar ook in de teksten zelf wemelt het ervan. De `auteurs' van de teksten waren nu eenmaal zeer geÔnteresseerd in genealogie en familieroem. Om de aanblik van de bladzijden niet al te afschrikwekkend te maken zijn waar mogelijk namen vereenvoudigd of weggelaten (bijvoorbeeld in opsommingen). In het register achterin zijn de namen voluit geschreven. Bij de transcriptie van de Arabische woorden en namen is in de tekst afgezien van het gebruik van de wetenschappelijke diacririsehe tekens, in het register worden deze wel gegeven.
       Tot de vaste bestanddelen van Arabische persoonsnamen behoren de woorden ibn (zoon van), bint (dochter van), (aboe en abi (vader van) en oemm (moeder van).
       Een voorbeeld van een persoonsnaam: Ali, de vierde kalief, kan men noemen: Aboe Hasan Ali ibn abi Talib al-Haasjimi. Ali is zijn eigen naam (ism). Aboe Talib is de naam van zijn vader. Al-Haasjimi is zijn nisba, de benaming die verwijst naar de herkomst van de betrokkene, in dit geval naar de clan Haasjim. Ecn benaming met aboe erin (of bij vrouwen: oemm) heet koenja. Aboe Hasan betekent: vader van Hasan. Inderdaad had Ali een zoon die Hasan heette. Een persoon kan of met zijn ism of met zijn koenja worden aangeduid. Sommige personen zijn vooral bij hun koenja bekend; dat is het geval met Ali's vader en met de eerste kalief Aboe Bakr.
       Namen van personen die ook in de christelijke traditie voorkomen worden in de vertalingen in de islamitische, dus Arabische vorm gegeven. Dus niet Mozes en Jezus, maar Moesa en Iesa. In het register staan de christelijke equivalenten erbij vermeld.
       De naam Moehammad wordt als Moehammad geschreven wanneer het de Profeet betreft, maar wordt in de Arabische vorm gehandhaafd wanneer het andere personen betreft.

Mohammeds afkomst
Top

Dit is het boek Het leven van de gezant van God.
       Mohammed was de zoon van Abdallah, de zoon van Abd al-Moettalib, wiens naam was Sjaiba, de zoon van Haasjim, wiens naam was Amr, de zoon van Abd Manaaf, wiens naam was Moeghiera, de zoon van Koesajj, wiens naam was Zaid, de zoon van Kilaab, de zoon van Moerra, de zoon van Ka'b, de zoon van Loe'ajj, de zoon van Ghalib, de zoon van Fihr, de zoon van Malik, de zoon van Nadr, de zoon van Kinana, de zoon van Choezaima, de zoon van Moedrika, wiens naam was Amir, dc zoon van Iljaas, de zoon van Moedar, de zoon van Nizaar, de zoon van Ma`add, de zoon van Adnaan, de zoon van Oedd of Oedad, de zoon van Moekawwam, de zoon van Nahoer, de zoon van Tairah, de zoon van Ya`roeb, de zoon van Yasjdjoeb. de zoon van Nabit, de zoon van Isma'iel, de zoon van Ibrahiem, de vriend van de Barmhartige, de zoon van Tarah (dat is Azar), de zoon van Nahoer, de zoon van Saroegh, de zoon van Ra'oe, de zoon van Falach, de zoon van Aibar, de zoon van Sjalach, de zoon van Arfachsjadz, de zoon van Saam, de zoon van Noeh, de zoon van Lamak, de zoon van Matausjalach, de zoon van Achnoceh (dat is de profeet Idries, naar men zegt, maar God weet het het beste; hij was de eerste van de zonen van Adam aan wie het profeetschap en het schrijven met de pen gegeven werden), de zoon van Jard, de zoon van Mahlajil, de zoon van Kainan, de zoon van Janisj, de zoon van Sjieth, de zoon van Adam.' [I. Vele van deze namen zijn de verarabischte vormen van de Hebreeuwse namen van de nakomelingen van Sem, zoals die genoemd worden in de bijbel (Genesis 11): Nahor, Terah, Abram. Nahor, Serug, Rehu, Peleg, Heber. Selah, Arpachsad, Sem, en namen uit een nog verder verleden (Genesis 5): Noach, Lamech, Methusalah, Henoch, Jered, Mahaleel, Kenan, Enos, Seth en ten slotte Adam.]

Na deze half bijbelse, half Oud-Arabische stamboom biedt Ibn Ishaak nog tal van andere voorislamitische genealogieŽn; voorts overleveringen over het oude ArabiŽ, over Koeraisj, de stam die Mekka bewoonde, en vooral over de Kaaba, het heiligdom van Mekka.
        Een lang verhaal, dat hier niet wordt opgenomen, vertelt hoe Mohammeds vader Abdallah bijna door zijn vader was geofferd aan de god Hoebal. Slechts het ingrijpen van zijn stamgenoten en het orakel van een zieneres konden dit offer voorkomen: in plaats van Abdallah werden er honderd kamelen geslacht. Uit dit verijdelde offer moet blijken dat hij tot iets anders was voorbestemd.
       De onderstaande vertellingen geven te verstaan dat ook zijn moeder niet een willekeurige persoon is geweest. Met zoveel woorden wordt gezegd dat zij van hoge geboorte was, maar de legende heeft daaraan niet genoeg: op twee manieren wordt het ene gegeven uitgewerkt dat bijna een andere vrouw de moeder van de Profeet was geweest. Zo wordt aangegeven dat het geen toeval was dat Amina de moeder is geworden, maar een bestiering van God.

Abd al-Moettalib ging weg en nam Abdallah mee. Naar men zegt kwamen ze onderweg een vrouw tegen uit de stam Asad ibn Abd al-Oezza, de zuster van Waraka ibn Naufal, die zich ophield bij de Kaaba. Zij keek Abdallah aan en vroeg: 'Waar ga je naar toe?' Hij zei: 'Met mijn vader mee' Toen zei ze: `Je krijgt evenveel kamelen als er in jouw plaats zijn geslacht als je me nu neemt.' Hij antvoordde: 'Ik ben met mijn vader en kan niets tegen zijn wil doen of van hem weglopen.'
       Abd al-Moettalib nam hem mee naar Wahb ibn Abd Manaaf, die toen de voornaamste van de stam Zoehra was in afkomst en rang, en deze gaf hem zijn dochter Amina ten huwelijk, destijds de nobelste vrouw van Koeraisj. Fr wordt gezegd dat Abdallah haar daarna dadelijk bezocht en haar nam, en dat zij toen zwanger werd van de Profeet. Toen hij bij haar wegging kwam hij weer langs de vrouw die hem dat voorstel had gedaan, en hij vroeg haar: 'Waarom doe je me vandaag niet hetzelfde voorstel als gisteren?' Zij antwoordde: 'Het licht dat je gisteren bij je had is nu van je weggegaan; nee, vandaag heb ik je niet nodig: Zij had namelijk gehoord van haar broer Waraka ibn Naufal, die christen was en de Schriften bad bestudeerd, dat er onder dit volk een profeet zou opstaan.

Abdallah bezocht eens een vrouw die hij buiten Amina nog had. Hij had juist gewerkt met klei, en de resten klei zaten nog op hem. Toen hij haar bij zich riep scheepte zij hem af, vanwege de kleiresten die zij op hem zag zitten. Hij ging bij haar vandaan, baadde zich en waste de klei van zich af en ging op weg naar Amina. Onderweg kwam hij weer langs die andere vrouw en nu riep zij hem bij zich, maar hij weigerde en liep door om Amina te gaan bezoeken. Bij haar verwekte hij een kind en zij werd zwanger met Mohammed. Toen hij daarna weer hij die andere vrouw kwam vroeg hij: `Wil je?' maar zij zei: 'Nee, toen je eerst bij me kwam zat er een witte bles tussen je ogen, maar toen ik je riep weigerde je en ging Amina bezoeken, en zij heeft hem weggenomen.'
       Men beweert dat die andere vrouw heeft verteld dat hij, toen hij bij haar langs kwam, een bles tussen zijn ogen had, als de bles van een paard. Ze zei: 'Ik riep hem hij me in de hoop dat ik die in me zou krijgen, maar hij weigerde en ging Amina bezoeken en verwekte een kind bij haar, zodat zij het werd die de Profeet ter wereld bracht.'

Het geboorte
Top

Ook Mohammeds geboorte is niet alledaags: een licht, een ster, een aankondiging aan de moeder, een wonderbaarlijke zwangerschap behoren hij een bijzondere geboorte. In allerlei varianten zijn deze tekenen eveneens te vinden in de berichten over de geboorte van Jezus, de Boeddha, Griekse helden en christelijke heiligen.
       De mensen vertellen - en alleen God weet wat ervan waar is - dat Amina, de moeder van de Profeet, heeft verteld dat er tijdens haar zwangerschap een stem tot haar kwam die zei: `Jij bent zwanger met de heer van dit volk; als hij geboren is, zeg dan: "Laat de Ene hem behoeden voor het kwaad van elk die hem benijdt," en noem hem Mohammed.' Toen zij in verwachting van hem was zag zij een licht van zich uitgaan waardoor zij de heruchten van Boesra in SyriŽ kon zien.
       Kort daarop stierf Abdallah, de vader van de Profeet, nog tijdens de zwangerschap van zijn moeder.
       De Profeet werd geboren op maandag 12 rabie al-awwal in het jaar van de olifant.

       Salih ibn lbrahiem heeft gehoord via Jahja ibn Abdallah van een of andere man uit diens stam dat Hassaan ibn Thabit heeft gezegd: Ik was al een grote jongen, van zeven of acht jaar, die alles begreep wat hij hoorde. Ik hoorde een jood vanaf een fort in Jathrib roepen, zo hard hij kon: `Alle joden hierheen!` Ze verzamelden zich hij hem en riepen: 'He, wat is er?' Hij antwoordde: `Vannacht is de ster opgegaan waaronder Ahmad, is geboren.'

        Na zijn geboorte stuurde zijn moeder iemand naar zijn grootvader Abd al-Moettalib met de boodschap: 'Het is een zoon, kom maar naar hem kijken.' Toen hij gekomen was vertelde ze hem wat ze had gezien tijdens haar zwangerschap, en over de stem die zij gehoord had, en dat haar gezegd was hoe zij hem moest noemen. Men zegt dat Abd al-Moettalib hem heek meegenomen in de Kaaba om tot God te bidden en hem te danken voor dit geschenk. Daarna gaf hij hem weer terug aan zijn moeder en begon een voedster voor hem te zoeken. Zijn zoging werd toevertrouwd aan een vrouw uit de stam Sa'd ibn Bakr, die Haliema bint abi Dzoe'aib heette.

Het verhaal van Mohammeds voedster
Het 'splijten van de buik'
Top

Mekka, de geboortestad van de Profeet, had slecht drinkwater en werd dikwijls geteisterd door epidemien. Dat Mohammed door een voedster buiten de stad is gezoogd klinkt dus aannemelijk, al zijn het voedstermotiefen het pastorale element in deze vertelling wel erg literair.
        De rol van de voedster Haliema blijft beperkt tot het geven van een verslag - enigszins in hakerstijl - van de eerste wonderen die God aan en door middel van Mohammed heeft verricht, de zogeheten `tekenen van het profeetschap'.
       Een bijzonder teken is het splijten van de buik'. Een oud verhaal daarover is, niet geheel naadloos, aan de vertelling van Haliema vastgehecht. Twee mannen (engelen?) splijten Mohammeds buik open en zoeken daarin iets, wellicht het profeetschap of de aanleg daartoe. Van een Arabische dichter uit die tijd is bekend dat hij op een dergelijke wijze is onderzocht hij zijn `roeping' tot dichter. In de tweede, jongere versie, die voorkomt in het verzamelbericht tezamen met andere tekenen van het profeetschap, is duidelijk sprake van een reiniging, van het heidendom of van de zonde. (Daar wordt eerst de buik en vervolgens het hart gespleten; een dergelijke verdubbeling van een vertelmotief is niet ongewoon.)
        Volgens een andere overlevering, niet van Ibn lshaak, zou dit teken zijn geschied kort voor de eerste koranopenbaring; dan fungeert het als een soort roepingsvisioen. Dikwijls ook wordt het als inleiding geplaatst bij het verhaal over Mohammeds hemelreis. Ibn Ishaak verkiest het echter te plaatsen in de vroege jeugd van de Profeet. Het theologische probleem hoe het mogelijk was dat de Profeet, die God voor Zijn openbaring had uitverkoren, zijn eerste veertig levensjaren als een gewoon en zondig mens had geleefd, was daarmee opgelost. Reeds als onnozel kind was hij voor zijn profetische taak voorbereid.
       Van de vroegere profeten die volgens de legende kudden hebben gehoed is Moesa wel de bekendste. Maar ook op de bijbelse Jezus is het herdersmotief toegepast: Ik ben de goede herder (Johamnes 10).

        Het verhaal van Haliema, de voedster van de Profeet, is mij verteld door Djahm ibn abi Djahm, die het had van Abdallah ibn Dja'far ibn abi Talib, of iemand anders: hoe zij met haar man en haar zoontje, dat nog aan de borst was, haar woongebied verliet om zoogkinderen te gaan zoeken met de vrouwen van haar stam. Ze vertelde: Het was in een jaar van droogte en we hadden niets meer te eten. Ik reed op een vaalwitte ezelin en we hadden ook een oude kamelin bij ons, die geen druppel melk gaf. De hele nacht deden we geen oog dicht omdat ons kind huilde van de honger. lk had geen zog om hem te stillen en onze kamelin gaf `s morgens ook geen slok, maar wij bleven op regen en op uitkomst hopen. Ik reed dus op die ezelin van mij en kon de andere ruiters niet bijhouden op dat zwakke magere beestje, wat heel lastig voor hen was. Ten slotte bereikten we Mekka, waar we naar zuigelingen begonnen uit te kijken. Alle vrouwen die de Profect aangeboden kregen weigerden hem te nemen zodra ze hoorden dat het een weeskind was, en ik ook, want wij hoopten op betaling door de vader van het kind en we dachten: 'Een wees! Wat zouden zijn moeder en zijn grootvader kunnen opbrengen?' en daarom hadden we hem liever niet. Op het laatst hadden alle vrouwen met wie ik was een zoogkind, alleen ik nog niet, en toen we besloten op te breken zei ik tegen mijn man: 'Hoor eens, ik heb geen zin om als enige van mijn vriendinnen terug te gaan zonder zoogkind; laat ik toch die wees maar gaan halen.' Hij antwoordde: `Je moet het zelf weten, misschien zal God ons zegen schenken om hem.' Dus ik nam hem enkel en alleen omdat ik geen ander kind kon vinden, Ik nam hem mee terug naar mijn ezelin, en zodra ik hem op mijn schoot zette liepen mijn borsten over van melk; hij dronk tot hij genoeg had en daarna zijn broertje ook nog. Toen vielen ze allebei in slaap, terwijl wij daarvoor niet hadden kunnen slapen door ons kind. En toen mijn man naar onze oude kamelin liep waren haar uiers ineens vol melk; hij molk haar en wij dronken nu de melk tot we verzadigd waren, en we hadden een heerlijke nacht. De volgende morgen zei mijn man: `Weet je, Haliema, je hebt een gezegend schepseltje meegenomen! Ik zei: `Bij God, dat wil ik hopen.' Op de terugweg reed ik weer op mijn ezelin, met het kind er ook nog bij, en ze zette het zo op een draf dat de andere ezels haar niet bij konden houden, zodat mijn vriendinnen riepen: 'Hť Haliema, wacht eens op ons! Is dat niet de ezelin waarop je van huis bent gegaan?' Ik zei: 'Jazeker, die is het,' en toen zeiden ze: `Nou, die heeft wel iets bijzonders!'
        We kwamen terug hij onze tenten in het gebied van onze stam, en dat is de schraalste landstreek die ik ken, maar toen wij hem bij ons hadden gaf mijn kudde melk in overvloed. Wij molken en dronken maar, terwijl de anderen geen druppel in de uiers van hun dieren aantroffen, zodat de boeren van onze stam tegen hun herders zeiden: 'Laat de kudde dan eens grazen op de plek waar de herder van de dochter van Aboe Dzoe'aib heengaat!' Toch kwamen hun kuddes hongerig terug en gaven geen druppel, terwijl de mijne melk in overvloed gaf. Twee jaar lang hadden wij overvloed en ondervonden wij Gods weldaden; daarna speende ik het kind. Hij was gegroeid als geen van de andere jongens en toen hij twee jaar oud was was hij al een flinke kleuter. We brachten hem naar zijn moeder, hoewel we hem erg graag bij ons wilden houden, vanwege de zegen die hij ons bracht. Wij spraken met zijn moeder en ik zei tegen haar: 'Ik zou graag willen dat u mijn jongetje bij mij liet tot hij groot is, want ik ben bang dat hij in Mekka de ziekte zal krijgen. We drongen zo lang aan tot zij hem weer mee teruggaf.
       Een paar maanden later waren hij en zijn broertje bij de lammetjes achter onze tenten, toen ineens zijn broertje aangehold kwam en ons eertelde: `Mijn broertje uit Koeraisj is door twee mannen in witte kleren vastgepakt en op de grond gelegd; toen hebben ze zijn buik opengespleten en nu zijn ze die aan het omwoelen.' Wij snelden toe en vonden hem rechtopstaand en spierwit; we omhelsden hem en vroegen wat er gebeurd was. Hij zei: `Er kwamen twee mannen in witte kleren naar me toe; ze legden me op de grond, spleten mijn buik open en zochten iets daarin, ik weet niet wat: We brachten hem terug naar onze tent en mijn man zei tegen me: 'Haliema, ik ben bang dat deze jongen een ziekte heeft; breng hem naar zijn familie voordat er iets van te merken zal zijn.' We kwamen bij zijn moeder en die zei: 'Waarom breng je hem nu hier, terwijl je hem eerst zo graag bij je wilde houden?' Ja.' zei ik, 'mijn jongetje is nu al groot; ik heb mijn werk gedaan en ik ben bang dat hem iets zal overkomen; daarom breng ik hem bij u, zoals u graag wilt.` 'Nee, zo is het niet,' zei zijn moeder, 'zeg eens eerlijk wat er aan de hand is,' en ze drong zo lang aan tot ik het vertelde.
        'Ben je bang dat het de satan was?'
       'Ja.`
       `Welnee, de satan heeft op hem geen vat. Mijn zoontje wacht een grote toekomst. Zal ik je vertellen wat er met hem is? Toen ik zwanger was zag ik een licht van mij uitgaan, zo helder dat ik de burchten van Boesra in SyriŽ kon zien. Verder heb ik nog nooit een zwangerschap gezien die zo gemakkelijk was als deze. En bij de geboorte zette hij zijn handen op de grond en tilde hij zijn hoofd op naar de hemel. Laat hem nu maar hier en ga gerust naar huis!'

       Thaur ibn Jazied heeft vernomen van een geleerde, ik denk van Chalid ibn Ma'daan al-Kala'i: Een paar gezellen van de Profeet vroegen haar eens: `Profeet, vertel ons eens iets over u zelf" 'Goed; zei hij, 'ik ben het gebed van mijn vader Ibrahiem en de blijde boodschap van mijn broeder Iesa. Toen mijn moeder zwanger van mij was zag zij een licht van zich uitgaan, zo helder dat zij de burchten van Boesra in SyriŽ kon zien. Ik heb een voedster gehad bij de stam Sa'd ibn Bakr en toen ik eens met een broertje achter onze tenten lammetjes aan het weiden was, kwamen er ineens twee mannen in witte kleren aan met een gouden schaal vol sneeuw. Ze pakten mij vast en spleten mijn buik open, haalden mijn hart eruit en spleten ook dat open, ze haalden daar een zwarte bloedklomp uit en gooiden die weg; toen wasten ze mijn hart en mijn buik met die sneeuw tot ze hem schoon hadden. Toen zei de een tegen de ander: "Weeg hem af tegen tien man van zijn volk!" Dat deed hij, en ik was zwaarder. Toen zei hij: "Weeg hem af tegen honderd van zijn volk!" Dat deed hij, en ik was zwaarder. Toen zei hij: "Weeg hem af tegen duizend van zijn volk!" dat deed hij, en ik was zwaarder. Toen zei hij: "Genoeg, want ook als je hem zou afwegen tegen heel zijn volk zou hij zeker zwaarder zijn."'

       De Profeet heeft gezegd: 'Er is geen profeet geweest of hij heeft een kudde geweid.' Toen vroeg iemand: 'U ook, Profeet?' en hij antwoordde: 'Ik ook.'

        De Profeet heeft tegen zijn gezellen gezegd: '1k ben het meest Arabisch van jullie allemaal: ik ben een Koeraisjiet cn ik heb een voedster gehad bij de stam Sa'd ibn Bakr.'

Mohammeds vroege jeugd
Tekenen en voorzeggingen van het profeetschap
Top

Joden en christenen worden geacht over Mohammeds komst te hebben gelezen in de Schrift. De beloften daarin over de komst van een tweede Mozes, van de Messias en van de heilige geest zijn door de moslims toegepast op Mohammed.
       In sommige gevallen heeft men bijbelteksten in een of andere vorm ter beschikking gehad. Van de in gebrekkige vertaling over geleverde bijbeltekst over de heilige geest (Johannes 15:23 e.v.), die door Ibn Ishaak wordt geÔdentificeerd met Mohammed, komt de tekst overeen met die van het liturgische leesboek van de Palestijns-Syrische kerk. Hiervanhebben de moslims kennis kunnen nemen na hun verovering van SyriŽ omstreeks 635. Er zal zeker ook allerlei apocriefe evangeliestof hebben gecirculeerd.
       Ook de heidense ziener ziet, na aanvankelijk gebrek aan belangstelling, wie Mohammed was, maar Aboe Talib houdt hem van hem weg. Hierin weerspiegelt zich de theologie van de vroege islam, die het christendom als godsdienst van de tweede rang aanvaardt, maar het Oud-Arabische heidendom als barbarij afwijst. Wel wordt benadrukt in de teksten dat Mohammed is opgegroeid in de schaduw van de Kaaba, het heiligdom van Mekka, dat eertijds heidens was, maar in de islam een rol is blijven spelen.

       De Arabieren waren ongeletterd, bestudeerden geen Schrift, kenden geen testament van de profeten en hadden geen weet van paradijs of hel, van de opstanding of de jongste dag, behalve het weinige dat zij van de mensen van de Schrift hadden gehoord, maar dat zich niet bij hen had vastgezet en waarnaar zij niet handelden. Dat was, naar wij vernemen, afkomstig uit de overlevering van de rabbijnen en monniken over de Profeet, lang voordat God hem zond.

        In de overlevering wordt het volgende beweerd (maar God weet het het beste): Toen zijn voedster uit de stad Sa'd met hem onderweg was naar Mekka om hem naar zijn familie te brengen raakte ze hem kwijt in de menigte. Ze zocht hem overal maar ze kon hem niet vinden. Bij Abd al-Moettalib gekomen zei ze: ik wilde vanavond Mohammed thuis komen brengen, maar in de bovenstad ben ik hem kwijtgeraakt en ik weet bij God niet waar hij is.' Toen ging Abd al-Moettalib bij de Kaaba staan en bad tot God dat hij hem terug zou brengen. Nu beweert men dat Waraka ibn Naufal en nog een andere man van Koeraisj hem hadden gevonden en hem bij Abd al-Moettalib brachten met de woorden: `Hier is het kind; we hebben hem gevonden in de bovenstad.' Abd al-Moettalib nam hem op zijn nek en deed zo de ommegang om de Kaaba, terwijl hij om bescherming en zegen voor hem bad; pas daarna stuurde hij hem naar zijn moeder Amina.

       Een geleerde heeft mij bericht: Er was nog een reden dat zijn voedster hem naar zijn moeder terugbracht, behalve die zij aan zijn moeder vertelde, namelijk dat enige Ethiopische christenen hem hadden gezien toen ze hem wilde terugbrengen na het spenen. Ze hadden hem goed opgenomen, vragen over hem gesteld en hem aan alle kanten bekeken en gezegd: `Laten wij dit knaapje meenemen en het naar ons land en onze koning brengen, want deze jongen wacht een grote toekomst, waarvan wij op de hoogte zijn.' (Degene die dit bericht beweert zelfs dat zij hem nauwelijks bij hen vandaan kon houden.)

       Bij zijn moeder Amina en zijn grootvader Abd al-Moettalib groeide Mohammed op als een sterke plant, onder Gods hoede, omdat Hij hem wilde eren. Toen hij zes jaar oud was stierf zijn moeder.
       Abdallah ibn abi Bakr ibn Moehammed heeft mij verteld dat de moeder van de Profeet is gestorven in Abwaa', tussen Mekka en Medina, op de terugweg van een bezoek aan zijn ooms uit de stam Adi Ibn Naddjaar. Hij was toen zes jaar oud. Zo bleef Mohammed achter bij zijn grootvader Abd al-Moettalib. Voor deze had men een matras neergelegd in de schaduw van de KaŠba. Zijn zonen zaten altijd om die matras heen totdat hij kwam, maar niemand ging erop zitten, uit eerbied. Mohammed ging er als kleuter wel eens op zitten; dan kwamen zijn ooms en joegen hem eraf. Als Abd al-Moettalib dat zag zei hij: 'Laat die jongen toch, want bij God, hij heeft een grote toekomst,' en dan liet hij hem bij zich op de natras zitten en wreef met zijn hand over zijn rug; ook had hij er plezier in te kijken naar wat hij deed.

       Toen Mohammed acht jaar oud was, dus acht jaar na het jaar van de olifant, stierf zijn grootvader.
       Na de dood van Abd al-Moettalib kwam de profeet bij zijn oom Aboe Talib. Aan deze had Abd al-Moettalib namelijk, zo wordt er tenminste beweerd, de zorg voor hem overgedragen, omdat hij en Mohammeds vader Abdallah volle broers waren. Zo werd Aboe Talib degene die voor de Profeet Mohammed zorgde en hem in huis nam na de dood van zijn grootvader.
        Jahja ibn Abbaad ibn Abdallah ibn Zoebair heeft mij verteld, op gezag van zijn vader, dat er een ziener was uit de stam Lihb. Als deze in Mekka kwam brachten de mannen van Koeraisj hun zonen naar hem toe; dan keek hij naar hen en voorspelde hun toekornet. Ook Mohammed werd als jongen naar hem toegebracht, door Aboe Talib. De ziener bekeek hem even, maar werd afgeleid door iets anders, en toen hij daarmee klaar was riep hij: 'Breng mij nu die jongen!' Omdat Aboe Talib zag hoe gretig hij was hield hij hem weg, naar de ziener drong aan en zei: 'Breng nu toch die jongen hier die ik zoeven zag, want bij God, hem wacht een grote toekomst.' Maar Aboe Talib liep.

       Op een keer zou Aboe Talib met de handelskaravaan naar SyriŽ meegaan. Toen alle voorbereidingen waren getroffen en hij op het punt stond te vertrekken, zou Mohammed zich aan hem hebben vastgeklampt, Aboe Talib was toegeeflijk gestemd en zei dat hij hem mee zou nemen en dat zij tweeŽn nooit van elkaar zouden scheiden, of woorden van die strekking.
       Hij nam hem dus mee, en toen de karavaan halt hield in Boesra, in SyriŽ, was daar een monnik in zijn cel, die Bahira heette; hij was doorkneed in de geleerdheid van de christenen. In die cel had sinds jaar en dag een monnik gehuisd, die daar, naar het heet, kennis opdeed uit een boek dat er lag en dat ze van geslacht op geslacht aan elkaar doorgaven. De karavaan was daar al dikwijls langs gekomen en nooit had hij iets tegen hen gezegd of zich zelfs maar vertoond. Maar toen ze dit jaar halt hielden dichtbij zijn cel richtte hij een grote maaltijd aan, en wel om een visioen dat hij gehad zou hebben in zijn cel. Men zegt namelijk dat hij in zijn cel de Profeet had gezien, temidden van de naderende karavaan, net bovenzijn hoofd een wolk die alleen hťm overschaduwde. Welnu, toen ze halt hadden gehouden onder een boom dichtbij hem, zag hij hoe er een wolk boven die boom ging hangen en de takken zich over de Profeet heen bogen, zodat hij daaronder schaduw vond. Toen Bahira dat gezien had kwam hij uit zijn cel en stuurde hun de boodschap: 'Mannen van Koeraisj, ik heb een maaltijd klaargemaakt en ik wil dat jullie allemaal aanwezig zullen zijn, oud en jong, slaven en vrijen.' Iemand zei: 'Wel, Bahira, dat is iets bijzonders; dat is ons nog nooit overkomen, terwijl we al zo dikwijls langs zijn gekomen; wat heb je vandaag?' Bahira antwoordde: 'Je hebt gelijk, het is zoals je zegt, maar vandaag zijn jullie mijn gasten; ik wil jullie eren en een maaltijd aanbieden en jullie moeten er allemaal van eten!' Iedereen kwam, behalve de Profeet, die achterbleef bij de bagage onder de boom, omdat hij nog zo jong was. Toen Bahira de mannen eens opnam, zag hij niemand die voldeed aan de beschrijving die hij kende en hij zei: 'Mannen van Koeraisj, laat niemand ontbreken aan deze maaltijd.' Ze zeiden: 'Nee Bahira, niemand die had moeten komen is achtergebleven, alleen een jongen, de jongste van ons; die is achtergebleven bij de bagage.' 'Dat is niet goed,' zei hij, 'ga hem roepen en laat hem ook aanwezig zijn hij deze maaltijd.' Een van de Koeraisjieten zei: 'Bij Laat en Oezza, we hadden de zoon van Abdalilh niet mogen achterlaten.` Hij ging hem halen, drukte hem aan zijn borst en liet hem plaatsnemen bij de anderen. Zodra Bahira Mohammed gewaarwerd begon hij hem scherp aan te kijken en te zoeken naar bepaalde lichaamskenmerken die hij had gevonden in de beschrijving die hij had. Toen iedereen klaar was met eten en weer terugging liep Bahira naar hem toe en zei: `Jongen. ik bezweer je bij Laat en Oezza, antwoord mij op wat ik je ga vragen.` Dat zei Bahira alleen maar omdat hij zijn stamgenoten bij die godinnen had horen zweren. Welnu, de Profeet zou toen hebben geantwoord: 'Vraag mij niet bij Laat en Oezza, want bij God, niets haat ik zo als die twee!' Toen zei Bahira: 'Bij God dan, antwoord mij op wat ik ga vragen.' Hij antwoordde: 'Vraag mij wat u wilt!' Daarop begon hij hem vragen te stellen over hoe het was als hij sliep, en over zijn lichaam en zijn toestand in het algemeen, en wat de Profeet aan Bahira vertelde kwam overeen met de beschrijving die deze van hem had. Ook keek hij op zijn rug en daar zag hij het zegel van het profeetschap, tussen zijn schouders, precies op de plaats die hem beschreven was. Daarna henaderde hij zijn oom Aboe Talib en vroeg hem in welke relatie hij stond tot de jongen. 'Het is mijn zoon,' zei hij, maar Bahira ontkende dat, want het kon niet zijn dat zijn vader nog in leven was. 'Het is mijn neef' zei hij toen, en toen Bahira hem vroeg wat er van zijn vader geworden was, vertelde hij hem dat die nog tijdens dc zwangerschap van zijn moeder gestorven was. 'Zo is het; zei hij, 'neem je neef mee terug naar zijn land en pas op voor de joden, want hij God, als zij hem zien en over hem te weten komen wat ik weet, dan zullen zij hem kwaad willen doen. Je neef wacht een grootse toekomst, dus breng hem snel naar huis.'

       Van de beschrijving van de Profeet die Iesa de zoon van Marjam heeft opgeschreven in de Indjiel [Het Evangelie] die hij van God heeft ontvangen voor de mensen van de Indjiel heeft mij het volgende bereikt:
       Het is afkomstig uit hetgeen de discipel Johanna voor hen over de Profeet heeft vastgelegd, toen hij de Indjiel voor hen opschreef uit het testament van Iesa de zoon van Marjam: `Wie mij haat, haat ook de Heer. Als ik geen werken onder hen gedaan had die niemand vůůr mij gedaan heeft, zouden zij geen zonde hebben, maar van nu af aan zijn zij overmoedig en denken zij dat zij mij zullen overwogen, en ook de Heer. Maar het woord moet vervuld worden dat in de wet is: "Zij hebben mij voor niets gehaat" - dat is: zonder reden. - "Wanneer de trooster (moenhamanna) komt dien God u zenden zal van de Heer, de heilige geest, die van de Heer uitgaat, zal deze van mij getuigen, en gij evenzo, want gij zijt van het begin aan met mij geweest. Hierover heb ik tot u gesproken opdat gij niet zoudt twijfelen:"'
       Moenhamanna is Syrisch voor 'Mohammed'; in het Grieks heet hij de paraklitos.

Mohammed tegen de zonde beschermd
Top

Hoewel Mohammed een gewoon mens is geweest en geen godenzoon, is hij voor de moslims het navolgenswaardige voorbeeld bij uitstek geworden, dat zich in de legende zelfs heeft verdicht tot ten onnavolgbaar voorbeeld. Evenals een heilige verricht hij met Gods hulp het goede in de geconcentreerde vorm van wonderen en heroÔsche daden. In een heilig leven moet echter ook het kwade een plaats hebben, om het goede beter te doen uitkonen. Een heilige kan in de legende eerst in zonde leven en daarna worden gelouterd. Of hij kan aan verleidingen blootstaan en door God daartegen worden beschermd. Het tijdstip van Mohammeds loutering is naarmate de legende zich ontwikkelde steeds vroeger gesteld. Geschiedde de loutering volgens het tweede bericht over het 'splijten van de buik' in zijn vroegste jeugd, in de teksten hieronder moet hij blijkbaar als jongen en als jongeman nog worden beschermd tegen onkuisheid. Onkuisheid staat hier vermoedelijk voor zonde in het algemeen.

        De Profeet zou hebben verteld hoe God hem in de heidentijd bechermde, toen hij nog een kind was: 'Ik was met de jongens van Koeraisj aan het stenen sjouwen voor het een of andere spel, en we hadden allemaal onze lendendoek uitgetrokken en om onze nek gedaan om er die stenen op te dragen. Zo liep ik af en aan, net als de anderen, maar ineens gaf iemand die ik niet kon zien mij een harde klap en zei: 'Doe je lendendoek aan!' Toen deed ik hem weer aan en verder droeg ik de stenen zo maar op mijn nek; ik was de enige die zijn lendendoek aan had.'

        Van Moehammad ibn Abdallah ibn Kais stamt het bericht van Hassan ibn Moehammad ibn Ali, via zijn vader, van zijn grootvader Ali ibn abi Talib, die de Profeet heeft horen zeggen: Om de dingen die de mensen in de heidentijd deden heb ik nooit gegeven, behalve twee avonden, en beide keren heeft God mij beschermd. Op een avond zei ik namelijk tegen een van de jongemannen uit Mekka, met wie ik de kudden van de stad weidde: 'Wil jij op mijn beesten passen? Dan kan ik naar Mekka om daar de nacht door te brengen zoals jongemannen dat doen.' Hij vond het goed en ik ging op weg. Bij het eerste huis van Mekka gekomen hoorde ik op tamboerijnen en fluiten spelen, en toen ik vroeg wat dat was werd mij gezegd dat er een bruiloft gevierd werd. Ik ging zitten kijken totdat God mijn oren toedekte; ik viel in slaap en werd pas wakker toen ik de zon op mijn huid voelde. Toen ik terugkwam bij mijn vriend vroeg hij wat ik gedaan had. 'Ik heb niets gedaan,' zei ik, en vertelde hem het verhaal. Precies hetzelfde overkwam mij nog een andere avond. Daarna heb ik in de tijd voordat God mij eerde met het profeetschap nooit meer aan zoiets gedacht.

Het huwelijk met Chadiedja
Top

Men zegt dat Mohammed vijfentwintig jaar oud was toen hij trouwde met de rijke weduwe Chadiedja, die ouder moet zijn geweest. Er worden drie zonen en vier dochters uit deze verbintenis genoemd; de zonen zijn allen jong gestorven, van de meisjes is Fatima het bekendst geworden.
        Het bericht over de monnik dat is verweven met dat over Chadiedja's aanzoek is een variant van bet verhaal over Bahira.

        Chadiedja bint Choewailid was een vrouw uit de koopmansstand, voornaam en rijk. Ze nam gewoonlijk mannen in dienst om met haar goederen handel te drijven, op basis van een aandeel in de winst. Koeraisj was namelijk een stam van kooplieden. Toen zij vernam hoe eerlijk en betrouwbaar Mohanmaed was, en hoe nobel van karakter, stuurde ze iemand naar hem toe met het voorstel dat hij met haar goederen naar SyriŽ zou trekken om er handel mee te drijven; ze zou hem meer betalen dan aan iemand anders en hij zou een jongen van haar meekrijgen, die Maisara heette. De Profeet nam het aan; zc gingen op weg, hij en Maisara, en ze kwamen in SyriŽ aan.
       De Profeet hield halt in de schaduw van een boom, dichtbij de cel van een monnik. Deze informeerde bij Maisara wie dat was die daar onder de boom zat. Toen hij te horen kreeg dat het een man uit Koeraisj was, de stam die dat heiligdom bezat, riep de monnik uit: 'Onder die boom heeft nooit een ander dan een profeet gezeten!'
       Nadat de Profeet zijn koopwaar verkocht had en had gekocht wat hij wilde kopen, begonnen ze aan de terugreis naar Mekka. Volgens het verhaal zag Maisara vanaf zijn rijdier, toen de zon op zijn hoogst stond en het erg warm was, dat twee engelen de Profeet schaduw boden tegen de zon. Toen hij terug was in Mekka en aan Chadiedja haar goederen bracht kon ze die verkopen voor het dubbele of daaromtrent. Maisara vertelde haar wat de monnik had gezegd, en dat hij had gezien hoe twee engelen hem schaduw boden. Nu was Chadiedja een doortastende, voorname en intelligente vrouw; met de eigenschappen die haar door God waren verleend. Dus toen Maisara haar deze dingen had verteld stuurde ze, naar verluidt, iemand naar de Profeet met de boodschap: 'Beste neef, ik hen op jou gesteld omdat wij familie zijn en jij hoog staat aangeschreven bij je stam, en omdat je eerlijk en betrouwbaar bent en een goed karakter hebt,' en vervolgens deed zij hem een aanzoek. Chadiedja was destijds de voornaamste en nobelste vrouw van Koeraisj, en ook de rijkste. Al haar stamgenoten waren erop gebrand haar rijkdom te verwerven, als dat kon.
       De Profeet bracht zijn ooms op de hoogte van Chadiedja's aanzoek; zijn oom Hamza ibn Abd al-Moettalib ging met hem naar Choewailid, haar vader, om haar hand te vragen, en deze gaf hein haar ten huwelijk.
        Chadiedja vertelde haar neef Waraka ibn Naufal, die christen was, een geleerde die de Schriften had bestudeerd, wat haar slaaf Maisara had gezegd over die monnik en de twee engelen. Waraka zei toen: 'Als dit waar is, Chadiedja, dan is Mohammed de profeet van dit volk. Ik weet dat er voor dit volk een profeet te verwachten is; zijn tijd is nu gekomen,' of woorden van die strekking.
       Het wachten begon Waraka lang te vallen; dikwijls verzuchtte hij: 'Hoe lang nog?'

Het begin van het profeetsehap
De eerste koranopenbaring
Top

Heeft Mohammed tijdens de eerste openbaring en bij latere gelegenheden God, of Djibriel, met eigen ogen gezien, was het een visioen of heeft hij het gedroomd? De meningen van de moslims zijn verdeeld. Het eerste fragment over het begin van het profeetschap spreekt van een droom, het derde suggereert een visioen, of zelfs een soort lijfelijke ontmoeting met Djibriel. De verdienste van oude islamitische geleerden als Ibn Ishaak is, dat zij hun stof niet harmoniseren tot een sluitend verhaal, maar die aan de lezer aanbieden zoals ze haar hebben aangetroffen, althans in grote lijnen.
       Volgens het onderstaande verhaal was de eerste korantekst die werd geopenbaard het begin van soera 96, 'De bloedklomp'. Er bestaan andere overleveringen over de eerste openbaring, volgens welke een andere soera de eerste zou zijn geweest. Ook uit andere bronnen is bekend dat de openbaring gepaard kon gaan met ervaringen als benauwdheid, hevige transpiratie of het weergalmen van een klok.
       Het is een bekende trek van profeten dat zij zich aanvankelijk verzetten tegen hun profetische opdracht of daar onderuit proberen te komen. In de bijbel is dit bijvoorbeeld bekend van Mozes (Exodus 4:1, 10, 13), Jeremia (Jeremia 1:6) en Jona (Jona 1:3). Ook Mohammed vertoont deze trek. De hier met 'Nee, ik lees niet voor!' vertaalde woorden zijn in het Arabisch dubbelzinnig. Zij kunnen ook betekenen `Ik kan niet lezen'. Moslims vatten ze vaak zo op, want volgens de islamitische overlevering is Mohammed het lezen niet machtig geweest.

       Az-Zoehri heeft gehoord van Oerwa ibn Zoebair, en deze had het van A'isja: Toen God Mohammed wilde eren en door middel van hem de mensheid ontferming wilde betonen, begon het profeetschap met een waarheidbrengende droom. Als de Profeet een droom had was die zo helder als de dageraad. En God gaf hem een hang naar de eenzaamheid; hij was het liefst alleen.

       Abd al-Malik ibn Oebaidallah ibn abi Soefjaan, van de stam Thakief, die een uitstekend geheugen had, heeft vernomen van een geleerde: In de tijd dat God hem wilde eren en het profeetschap wilde laten beginnen was de Profeet gewoon, als hij uitging voor zijn behoefte, ver weg te gaan, tot hij de huizen achter zich had gelaten en terechtkwam in de rotskloven en rivierbeddingen buiten Mekka. De Profeet kon geen steen of boom passeren of deze sprak: Wees gegroet, gezant van God!' De Profeet keek naar links en naar rechts en achterom, maar hij zag enkel bomen en stenen. Dat bleef hij zien en horen zolang God het wilde. Toen bracht Djibriel hem Gods eerbewijs; het was op de berg Hiraa', in de maand ramadan.

       Wahb ibn Kaisaan, een beschermeling van de familie Zoebair heeft verteld: Ik heb Abdallah ibn Zoebair aan Oebaid ibn Oemair ibn Katada horen vragen: 'Vertel eens, Oebaid, hoe begon het profeetschap precies, toen Djibriel bij hem kwam?' Toen zei Oebaid tegen Abdallah en de andere aanwezigen - onder wie ook ik: De Profeet zonderde zich iederjaar een maand af op de berg Hiraa', om tahannoeth te beoefenen, zoals de stam Koeraisj dat gewoon was in de heidentijd (Tahannoeth is 'devotie'.) Ieder jaar als de Profeet zich die maand afzonderde gaf hij de armen die bij hem kwamen te eten. Als de maand voorbij was en hij terugkeerde naar de stad, ging hij eerst naar de Kaaba, nog voordat hij naar huis ging, en maakte zevenmaal een omegang, of zo dikwijls als het God behaagde, en pas daarna ging hij naar huis. Maar in de maand waarin God hem Zijn gunstbewijs wilde verlenen, in het jaar waarin Hij hem uitzond - en dat was inde maand ramadan - trok de Profeet met zijn mensen naar de Hiraa' om zich te zonderen zoals hij gewoon was, en in de nacht waarin God hem tot Zijn gezant maakte en aldus de mensheid ontferming betoonde kwam Djibriel bij hem, door Gods beschikking.
        In de woorden van de Profeet zelf: Terwijl ik sliep kwam Djibriel bij mij met een brokaten deken met schrifttekens erop. Hij zei: 'Lees voor!' lk zei: `Nee, ik lees niet voor!' Vervolgens drukte hij daar mijn keel zo krachtig toe dat ik dacht dat het de dood was. Toen hij me los en zei: 'Lees voor!' Ik zei: 'Nee, ik lees niet voor!' Toen drukte hij weer zo hard dat ik dacht dat het de dood was. Toen liet me los en zei: 'Leesvoor!' lk zei: `Wat moet ik dan voorlezen?' en dat zei ik alleen om van hem af te komen, want ik was bang dat hij nog eens zou doen. Hij zei:

        Lees voor in de naam van jouw Heer die geschapen heeft,
       de mens geschapen heeft uit een bloedklomp.
        Lees voor: Zeer edelmoedig is jouw Heer,
       die onderwezen heeft het gebmik van de pen,
        de mens onderwezen heeft wat hij niet kende. [96:1-5]

       Dat reciteerde ik; toen liet hij mij los en ging weg, en toen ik on waakte uit mijn slaap was het alsof er woorden in mijn hart geschreven waren. Nu was er geen schepsel waar ik een groter hekel aan had dan dichters en bezetenen; ik kon ze niet zien of luchten. En ik dacht: 'O wee, ik ben een dichter of eem bezetene. Maar dat zullen de Koeraisjieten nooit van mij zeggen! lk zal hoog de berg opklimmen en mij eraf storten; dan heb ik rust.'
        Met die bedoeling ging ik op weg en toen ik halvenvege de berg was hoorde ik een stem uit de hemel die zei: 'Mohammed! Jij bent de gezant Gods en ik ben Djibriel.' Ik keek naar boven, naar de hemel, om te zien wie er sprak, en daar was Djibriel, in de gedaante van een man, die met zijn voeten naast elkaar aan de einder stond, en hij zei: 'Mohanuned! Jij bent de gezant van God en ik ben Djibriel.' Ik bleef naar hem staan kijken en dat bracht mij van mijn voornemen af; ik ging vooruit noch achteruit. Toen wilde ik mijn gezicht van hem afwenden, maar waar ik ook keek aan de horizon, overal zag ik hem weer. Zo lang bleef ik daar staan, zonder een stap vooruit of achteruit te doen, dat Chadiedja haar boden stuurde om mij te zoeken; zij kwamen tot aan Mekka en gingen weer terug, terwijl ik nog op diezelfde plaats stond. Toen verliet Djibriel mij. Ik ging terug naar mijn gezin en ging bij Chadiedja zitten, dicht tegen haar aan.
       Ze vroeg: 'Aboe Kasim, waar ben je geweest? Ik had al boden gestuurd om je te zoeken; ze zijn helemaal tot aan Mekka gegaan en onverrichter zake teruggekeerd.'
        Ik zei tegen haar: '0 wee, ik ben een dichter of een bezetene!'
       Maar zij zei:' Daarvoor behoede je God, Aboe Kasim. Dat zou God je niet aandoen, omdat Hij weet hoe eerlijk betrouwbaar je bent en wat een goed karakter je hebt, en dat je de familiebanden eerbiedigt, Dat kan niet zijn, lieve neef; maar misschien heb je een gezicht gehad?'
        'Ja,' zei ik, en toen vertelde ik haar wat ik gezien had.
       Ze zei: 'Wees blij, mijn neef, en houd goede moed! Bij Hem in Wiens hand mijn leven is: ik hoop dat jij de profeet van dit volk bent!'
       Toen stond ze op, kleedde zich aan en begaf zich naar Waraka ibn Naufal, die een neef van haar was. Waraka was namelijk christen; hij had de Schriften gelezen en had allerlei zaken gehoord van de volgelingen van tauraat [de Thora] en indjiel. Toen zij hem vertelde wat de Profeet had gezien en gehoord riep Waraka uit: 'Heilig! Heilig! Bij Hem in Wiens hand mijn leven is: als je de waarheid hebt gesproken, Chadiedja, dan is de grote Namoes bij hem gekomen' - daarmee bedoelde hij Djibriel - `die eertijds tot Moesa is gekomen, en dan is hij de profeet van dit volk. Zeg hem dat hij goede moed houdt!' Chadiedja ging terug naar de Profeet en vertelde hem wat Waraka had gezegd, en dat maakte hem wat minder ongerust. Toen de Profeet zijn periode van afzondering had beŽindigd en was teruggekeerd ging hij, zoals hij gewoon was, eerst naar de Kaaba om de ommegang te maken. Terwijl hij daarmee bezig was ontmoette hij Waraka, die tegen hem zei: 'Beste neef, vertel mij eens wat je gezien en gehoord hebt!' Dat deed de Profeet en Waraka zei: `Werkelijk, bij Hem in Wiens hand mijn leven is: jij bent de profeet van dit volk! De grote Namoes is bij je gekomen, die ook tot Moesa is gekomen. Je zult voor leugenaar worden uitgemaakt, gekrenkt en uitgestoten en bestreden worden, maar als ik die dag nog mag beleven zal ik God helpen op de manier die Hij kent.' Toen boog hij zich naar hem over en kuste zijn kruin. Daarna ging de Profeet naar huis. Die woorden van Waraka vergrootten zijn zelfvertrouwen en namen zijn ongerustheid een beetje weg.

        Isma'iel ibn abi Hakim, een beschermeling van de familie Zoebair, bericht dat hem was verteld dat Chadiedja tegen de Profeet zei: `Neef, kun je het mij laten weten als die persoon bij je komt?' Dat zou hij doen. Toen Djibriel dus bij hem verscheen, zoals hij dat eerder had gedaan, zei de Profeet tegen Chadiedja: `Nu is Djibriel bij mij.` Ze zei: 'Kom eens hier, mijn lief, en ga tegen mijn linkerdij aan zitten!' Dat deed de Profeet, en ze vroeg: `Zie je hem nog?' Ja,' zei hij. 'Ga nu eens tegen mijn rechterdij aan zitten!' Dat deed hij, en ze vroeg: `Zie je hem nog?' 'Ja,` zei hij. `En ga nu eens op mijn schoot zitten!' Dat deed hij; toen vroeg ze: 'Zie je hem nog?' Ja,' zei hij. Toen ontblootte zij haar hoofd en deed haar sluier af, terwijl de Profeet nog op haar schoot zat, en ze vroeg: 'Zie je hem nog?' Hij antwoordde: 'Nee.' Toen zei ze: `Mijn lief, houd goede moed en wees blij; want bij God, het is een engel en geen satan.`

       Toen ik dit verhaal aan Abdallah ibn Hasan vertelde zei deze: `Ik heb mijn moeder Fatima bint Hoesain deze overlevering van Chadiedja horen vertellen, maar zij zei, dat ze de Profeet onder haar hemd had laten komen, en dat Djibriel daarop was weggegaan, en dat zij toen tegen de Profeet had gezegd: dit is een engel en geen satan.`

Chadiedja wordt moslim
Onderbreking en hervatting van de openbaring
Top

Chadiedja wordt genoemd als de eerste moslim, die haar man tot steun is geweest bij de neerslachtigheid en twijfel die het proces van de openbaring vergezelden.
       Volgens bovenstaande versie van het verhaal over de eerste openbaring heeft Mohammed bij die gelegenheid zelfmoord willen plegen; in sommige Tradities wordt dit motief echter in verband gebracht met het uitblijven van een volgende openbaring. Een langere onderbreking daarvan is volgens Ibn Ishaak de aanleiding (sabah al-noezoel) geweest tot de openbaring van soera 'Het morgenlicht' [93]. Na vermelding van de aanleiding wisselt Ibn Ishaak de korantekst telkens af met zijn eigen interpretatie, die grotendeels bestaat uit een parafrase. Het is een vroeg stuk koranuitleg (tafsier).

        Chadiedja geloofde in hem en geloofde de boodschap die tot hem kwam van God en stond hem terzijde. Zij was de eerste die geloofde in God en Zijn Profeet, en die zijn boodschap voor waar hield. Door haar verlichtte God de last van Zijn Profeet. Telkens als hij onheus wens bejegend of voor leugenaar werd uitgemaakt en daarover bedroefd was, troostte God hem door middel van haar, als hij weer hij haar kwam. Zij sterkte hem, verlichtte zijn last, geloofde hem en kleineerde wat de mensen zeiden.

       Daarna hield de openbaring een tijd op, en dat benauwde en bedroefde hem. Toen bracht Djibriel hem de soera 'Het morgenlicht' [93], waarin zijn Heer, die hem dat eerbewijs schonk, hem zwoer dat Hij hem niet verlaten had en hem niet haatte.
       God sprak: Bij het morgenlicht, en bij de nacht als hij stil is: jouw Heer verlaat je niet en haat je niet. Dat wil zeggen: Hij laat je niet los en haat je niet, nadat Hij je eerst heeft liefgehad.
       De latere wereld is beter voor je dan de eerste. Dat wil zeggen: wat Ik heb wanneer je tot Mij terugkeert is beter voor je dan het eerbewijs dat ik je in deze wereld reeds geef.
        Je Heer zal je zoveel geven dat je tevreden zult zijn. Dat is: aan triomf in deze wereld en beloning in de latere wereld.
        Heeft Hij jou niet als wees gevonden en je toevlucht verschaft, je dwalend gevonden en je de weg gewezen, je behoeftig gevonden en je rijk gemaakt? Zo laat God hem weten hoe Hij was begonnen hem te eren in dit leven en hem genadig te zijn als wees, in armoede en in dwaling, en hem van dat alles te verlossen door Zijn ontferming.
       Behandel dus de wezen niet hard en jaag de bedelaars niet weg! Dat wil zeggen: wees niet hardvochtig en trots en schaamteloos en grof tegen de zwaksten van Gods knechten.
        Maar spreek van de weldaad van je Heer! Dat wil zeggen: de weldaad en het eerbewijs dat tot u is gekomen van God, namelijk liet profeetschap; spreek daarvan, dat wil zeggen: heb het erover en roep ertoe op.
       Dus begon de Profeet in het geheim te spreken over Gods weldaad jegens hem en de mensheid, namelijk het profeetschap, tegen zijn familieleden die hij kon vertrouwen.

De instelling van de salaat
Top

Een bekende uitspraak die aan de Profeet wordt toegeschreven luidt: `De islam is gebouwd op vijf grondslagen: de geloofsbelijdenis, de salaat, de zakaat, de hadj en de vasten in de maand ramadan.'
       De geloofsbelijdenis luidt: 'Er is geen God dan God, en Mohammed is Zijn gezant.' Deze geloofsbelijdenis is bet middelpunt van heel de islam.
        Salaat wordt soms vertaald met `gebed', maar dat is niet geheel juist. Het woord wordt hier dan ook onvertaald gelaten. De salaat is een vijfmaal daags te verrichten rituele godsdienstoefening, waarin God aanbeden en verheerlijkt wordt. De verrichter ervan dient zich eerst ritueel te reinigen en zijn `intentie' te formuleren. Vervolgens plaatst hij zich in de kibla, de richting van de Kaaba. Daarop wordt, na het uitspreken van het Allakoe akbar (`God is groot'), de eerste soera van de koran gereciteerd. Dan volgt een aantal buigingen, teraardewerpingen en knielingen. Ten slotte worden de geloofsbelijdenis en heilbeden uitgesproken.
       Zakaat is het geven van aalmoezen, of meer specifiek, het betalen van een belasting ten behoeve van de armen, waartoe de moslims in de koran worden aangespoord.
        De hadj is de jaarlijkse bedevaart naar de Kaaba, het heiligdom van Mekka, en enige plaatsen buiten Mekka. Reeds voor de islam was de Kaaba een heiligdom, dat jaarlijks vele bezoekers trok uit het gehele Arabische schiereiland; tegelijkertijd vond er dan een jaarmarkt plaats, waar de verschillende stammen elkaar ongehoord konden ontmoeten, daar er godsvrede heerste. Ibn Ishaak vermeldt deze `jaarmarkt' meermalen.
        Het vasten in de maand ramadan is een religieuze oefening die een plicht is voor iedere moslim. In die maand onthoudt men zich gedurende de dag van spijs, drank en geslachtsverkeer.

       De salaat werd verplicht gesteld en de Profeet verrichtte die, Salih Ibn Kaisaan heeft mij bericht, op gezag van Oerwa ibn Zoebair, van A'isja: Toen de Profeet de salaat kreeg opgelegd was dat met twee teraardewerpingen bij iedere salaat; toen vulde God het aantal aan tot vier teraardewerpingen bij de verrichting thuis, terwijl voor op reis het aantal op twee gesteld bleef.

       Een geleerde bericht mij: Toen de Profeet de salaat kreeg opgelegd kwam Djibriel bij hem terwijl hij bij de bovenstad van Mekka was. Hij drukte met zijn hiel in de grond, in de richting van de rivierbedding; daar ontsprong een bron en hij verrichtte de wassing, om de Profeet te laten zien hoe de reiniging voor de salaat ging. Toen verrichtte de Profeet de wassing zoals hij het Djibriel had zien doen. Toen verrichtte Djibriel de salaat en de Profeet verrichtte de salaat zoals hij het deed. Daarop verliet Djibriel hem.
       De Profeet kwam bij Chadiedja en verrichtte de wassing om haar te laten zien hoe de reiniging voor de salaat ging, zoals Djibriel het hem had laten zien, en zij deed het hem na. Toen verrichtte de Profeet de salaat zoals Djibriel het had gedaan, en zij verrichtte die net zo.

       Oetba ibn Moeslim, cliŽnt van de stam Taim, heeft mij bericht, op gezag van Nafi' ibn Djoebair (van wie veel overleveringen afkomstig zijn), van Ibn Abbaas: Toen de Profeet de salaat kreeg opgelegd kwam Djibriel hij hem en verrichtte de middag-salaat met hem toen de zon naar het westen begon te neigen. Voorts verrichtte hij met hem de namiddag-salaat toen zijn schaduw net zo lang was als hij zelf. Voorts verrichtte hij met hem de salaat van de zonsondergang toen de zon onder was. Voorts verrichtte hij met hem de late avond-salaat toen de schemering verdwenen was. Voorts verrichtte hij met hem de ochtend-salaat bij de dageraad. De volgende dag kwam hij weer en verrichtte de middag-salaat met hem toen zijn schaduw net zo lang was als hij zelf. Voorts verrichtte hij de namiddag-salaat met hem toen zijn schaduw tweemaal zo lang was als hij zelf. Voorts verrichtte hij met hem de salaat van de zonsondergang toen de zon onder was, op dezelfde tijd als de dag tevoren. Voorts verrichtte hij de late avond-salaat toen het eerste derde van de nacht verstreken was. Voorts verrichtte hij de ochtend-salaat toen het al licht was maar de zon nog niet op was. Toen zei hij: `Mohammed, de tijden voor de salaat vallen tussen die van vandaag en die van gisteren.'

       De eerste man die geloofde in de Profeet, die met hem de salaat verrichtte en zijn goddelijke boodschap geloofde was Ali ibn abi Talib, die toen tien jaar oud was. God vergunde het hem op te groeien onder de hoede van de Profeet, al voor de islam.
       Abdallah ibn abi Nadjieh heeft vernomen van Moedjahid ibn Djabr: God toonde Zijn genade en Zijn welwillendheid jegens Ali toen de stam Koeraisj werd getroffen door een ernstige hongersnood. Zijn vader Aboe Talib had een groot gezin en de Profeet benaderde zijn oom Abbaas, een van de rijksten van de stam Haasjim, en stelde voor, nu de hongersnood zo hevig was, samen naar hem toe te gaan en elk de zorg voor ťťn van zijn zonen over te nemen, om hem enigszins te ontlasten. Abbaas was het daarmee eens en zo gingen ze naar Aboe Talib om twee zonen van hem over te nemen tot de toestand zou verbeteren. Aboe Talib zei: 'Doe wat jullie willen, als je Akiel maar hier laat.' De Profeet nam dus Ali bij zich in huis en Abbaas nam Dja'far. Ali bleef bij Mohammed tot God hem als profeet uitzond. Ali volgde hem en geloofde in hem. Dja'far bleef bij Abbaas tot hij moslim werd en hem niet meer nodig had.

       Een geleerde vertelt dat de Profeet, toen de salaat was ingevoerd, altijd naar de rotskloven buiten Mekka ging en dat Ali dan meeging, zonder dat te vertellen aan zijn vader, zijn ooms en de rest van zijn familie. Daar verrichtten ze salaats en 's avonds gingen ze weer terug. Dat bleven ze doen zolang God het wilde, tot op zekere dag Aboe Talib hen daar aantrof en hen bezig zag. Hij zei tegen de Profeet: `Maar beste neef, wat is dat voor een godsdienst die jullie daar beoefenen?' De Profeet moet toen hebben geantwoord: `Dit is de godsdienst van God en Zijn engelen en Zijn gezanten, en van onze vader Ibrahiem. God heeft mij als gezant tot de mensheid gezonden en u, waarde oom, verdient het dat ik u een goede raad geef en tot de rechte weg roep, en u verdient het ook, daarop in te gaan en mij te helpen,' of woorden van die strekking. Man Aboe Talib antwoordde: 'Nee, de godsdienst van mijn vaderen kan ik niet opgeven, maar bij God, zolang ik leef zal jou nooit iets onaangenaams overkomen!'
       Ze zeggen dat hij aan Ali vroeg: `Jongen, wat is dit voor een godsdienst waar jij aan doet?' en dat Ali antwoordde:' Vader, ik geloof in God en zijn gezant, ik geloof zijn boodschap; ik verricht met hem salaats voor God en ik volg hem.' En naar verluidt zei zijn vader toen: `Hij zou je niet ergens toe oproepen als het niet goed was, dus blijf maar bij hem!'

De eerste moslims
Top

De overlevering heeft de namen bewaard van de eerste moslims. Hieronder worden er drie genoemd: Zaid ibn Haritha, een vrijgelaten slaaf en aangenomen zoon van de Profeet; Ali, de neef en schoonzoon van Mohammed, die later de vierde kalief is geworden; en Aboe Bakr, de eerste kalief. Er bestaan ook namenlijsten waarop de andere vroege bekeerlingen zorgvuldig in volgorde zijn genoteerd. In andere berichten worden echter alternatieve volgordes gegeven. De lijsten worden hier wegens hun geringe leesbaarheid niet afgedrukt.
       De oude Arabieren hebben zich altijd geinteresseerd voor wie of wat het 'eerste' met iets was. Maar het was niet alleen een hang naar wetenswaardigheden die hen ertoe bracht lijsten van de eerste moslims hij te houden. Een vroege bekering en, in het algemeen, vroege verdiensten jegens de islam golden in later tijd als een soort adelbrief, die goed was voor prestige, hoge posities en eregelden. Na de dood van de betrokkenen zorgden hun nakomelingen wel dat de naam van hun illustere vader hoog genoteerd bleef. Aan hun activiteiten hebben wij niet alleen die lijsten te danken, maar ook talloze verhalen van het genre `verdiensten der gezellen'.

       Zaid ibn Haritha, de vrijgelatene van de Profeet, was de eerste man die moslim werd na Ali. Daarna kwam Ahoe Bakt ibn abi Koehafa. Toen deze moslim werd kwam hij daar openlijk voor uit en riep ook anderen op tot God en Zijn gezant. Aboe Bakr was iemand niet wie men graag verkeerde, hij was geliefd en gemakkelijk in de omgang. Hij was degene die het meeste wist van de genealogie van Koeraisj en van hun deugden en ondeugden. Hij was een koopman met karakter en fatsoen, en zijn familieleden kwamen hem opzoeken voor tal van zaken, omdat hij zoveel wist, zo'n goede koopman en 'n hartelijke kerel was. Van zijn familieleden die hij hem kwamen begon hij degenen die hij vertrouwde op te roepen tot God en tot de islam.

        Er begonnen in groten getale mensen over te gaan tot de islam, zowel mannen als vrouwen, zodat de islam bekend werd in Mekka en erover gesproken werd. Toen droeg God zijn gezant op zijn boodschap openlijk te verkondigen en de mensen bekend te maken met zijn zaak op hen daartoe op te roepen. Naar ik verneem waren er drie jaar verstreken tussen de zending van de Profeet, toen hij het nog stilhield, en het ogenblik dat God hem opdroeg zijn godsdienst openbaar te maken. Toen sprak God: Verkondig wat je bevolen wordt en wend je af van de heidenen [15:94] en: Waarschuw je naaste stamgenoten en stel je open voor de gelovigen die je volgen [26:214-215] en: En zeg: ik ben de duidelijke waarschuwer [15:89]

        Als de gezellen van de Profeet de salaat wilden verrichten gingen ze naar de rotskloven, zodat hun stamgenoten hen niet konden zien. Toen Sa'd ibn abi Wakkaas eens met een aantal gezellen van de Profeet in een van de rotskloven bij Mekka was, verscheen er, terwijl zij met de salaat bezig waren, ineens een groepje heidenen die daar wat van zeiden, hen uitscholden en hen zelfs te lijf gingen. Bij die gelegenheid sloeg Sa'd ibn abi Wakkaas een van de heidenen een gat in zijn hoofd met het kaakbeen van een kameel. Dat was het eerste bloed dat in de islam vergoten werd.

De islam openlijk gepredikt
Vijandschap van Koeraisj
Top

Mohammeds stamgenoten schijnen aanvankelijk niet onwelwillend tegenover zijn boodschap te hebben gestaan, maar zodra begrepen dat hun polytheÔstische godsdienst en heel hun levenswijze door de islam werden aangevallen keerden zij zich daartegen.
       De stam Koeraisj was onderverdeeld in verscheidene clans: Haasjim, de clan van Mohammed, was eens belangrijk geweest maar reeds voor het optreden van de Profeet overvleugeld door de machtige geslachten Abd Sjams en Machzoen, die tezamen de hegemonie in het stadsbestuur hadden verworven en een monopoliepositie in de handel nastreefden. Mogelijk hebben deze beide gevreesd dat Mohammed, die zich met zijn boodschap niet alleen tot Haasjim richtte, een coalitie van kleinere clan wilde vormen om hun macht te breken.
       De islamitische overlevering legt de nadruk op de vervolging die de eerste moslims ten deel viel van de kant van hun heidense stadgenoten. In de voorislamitische maatschappij genoot ieder individu de bescherming van zijn clangenoten. Viel men een man aan, dan vond men diens gehele clan tegenover zich. Eventueel wangedrag van een individu moest binnen zijn clan worden gecorrigeerd. Mohammed stond nog steeds onder protectie van zijn oom Aboe Talib, de leider van Haasjim, al was deze zelf geen moslim geworden. Het zwaarst hadden die moslims het te verduren die geen of weinig familie hadden, bijvoorbeeld slaven en vrijgelatenen. Ibn Ishaak noemt deze groep 'de zwakkeren'. Zij konden vrijwel ongestraft worden beledigd of aangevallen.
        Twee jaar lang zijn de clans Haasjim en Moettalib door de rest van Koeraisj geboycot: er zou geen handel met hen gedreven worden en er zouden geen onderlinge huwelijken plaatsvinden. De boycot schijnt weinig effectief geweest te zijn, wellicht omdat er vanouds al gezamenlijke belangen en gemengde huwelijken bestonden. Hoewel Mohammed zelf een Koeraisjiet was, staat hier en in het vervolg de naam Koeraisj meestal voor de nog heidense Koenisjieten.

       Toen de Profeet openlijk de islam verkondigde aan zijn stamgenoten, zoals God hem had opgedragen, wendden dezen zich, naar ik verneem, eerst nog niet van hem af en keerden zich niet tegen hem. Maar toen hij kleinerend over hun goden sprak namen ze dat hoog op en besloten ze hem als een vijand te beschouwen, behalve degenen die God daarvoor behoedde door de islam, maar dat was een te verwaarlozen minderheid. Zijn oom Aboe Talib was hem vriendelijk gezind en gaf hem bescherming. De Profeet hield zich aan Gods opdracht; hij maakte zijn zaak openbaar en liet zich door niets weerhouden. Toen de mannen van Koeraisj zagen dat de Profeet hun in het geheel niet ter wille was, maar zich niet meer met hen inliet en hun goden kleineerde, en toen ze merkten dat zijn oom Aboe Talib hem vriendelijk gezind was en voor hem opkwam en hein niet aan hen wilde overleveren, wendden enkele edelen van Koeraisj zich tot Aboe Talib: Oetba en Sjaiba, de zonen van Rabie'a, Aboe Soefjaan ibn Harb, Aboe Djahl en nog anderen. Ze zeiden: `Aboe Talib, die neef van jou vervloekt onze goden en kleineert onze godsdienst: hij noemt onze beste deugden barbarij en zegt dat onze voorvaderen hebben gedwaald. Of jij moet hem tegenhouden of je moet ons onze gang laten gaan, want jij bent ook tegen hem; dan helpen we je van hem af.' Aboe Talib gaf hun een vriendelijk en verzoenend antwoord en toen gingen ze weg.
       Nu de Profeet openlijk Gods religie bleef verkondigen en daartoe opriep verslechterde de verhouding met de mannen van Koeraisj; er ontstond verwijdering en wrok. De Koeraisjieten praatten veel over hem en ze hitsten elkaar op. Toen wendden ze zich nogmaals tot Aboe Talib en zeiden: 'Aboe Talib, jij hebt een hoge en eervolle positie onder ons. wij hebben je gevraagd een eind te maken aan de activiteiten van je neef, maar dat heb je niet gedaan, en we kunnen beslist niet dulden dat er op onze voorouders wordt gescholden, dat onze deugden barbarij worden genoemd en onze goden worden gekleineerd. Jij moet hem tegenhouden, of we nemen het op tegen jullie allebei, tot een van de partijen eraan ten onder gaat,' of woorden van die strekking. Toen gingen ze weer weg. De breuk en de vijandschap met zijn stamgenoten waren een zware slag voor Aboe Talib, maar hij kon het niet over zich verkrijgen de Profeet aan hen over te leveren hem in de steek te laten.
        Ja'koeb ibn Oerba ibn Moeghiera heeft mij verteld dat hij had gohoord dat Aboe Talib de Profeet toen liet weten wat zijn stamgenoten hadden gezegd. `Ontzie mij en jezelf,' zei hij, 'en leg mij geen last op die ik niet kan dragen.' De Profeet dacht dat zijn oom erover dacht hem in de steek te laten en over te leveren, en dat hij te zwak was om hem te helpen, en hij antwoordde: `Beste oom, bij God, al zouden ze de zon in mijn rechterhand leggen en de maan in mijn linker: ik blijf die zaak trouw tot God de overwinning schenkt of ik eraan ten onder ga.' Daarna barstte hij in tranen uit en stond op om weg te gaan. Maar Aboe Talib riep hem terug en zei: `Ga dan maar, neef, en zeg wat je wilt, want bij God, ik zal je nooit overleveren, om wat dan ook!'
       Nadat de mannen van Koeaisj hadden vernomen dat Aboe Talib had geweigerd de Profeet in de steek te laten en over te leveren, maar juist besloten had met hen te breken en hen te bestrijden, brachten ze hem Oermara ibn Walied ibn Moeghiera, en naar verluidt zeiden ze toen: 'Aboe Talib, dit is Oemara, de flinkste en knapste jongeman van Koeraisj. Als je hem nu eens neemt, dan kun je profiteren van zijn verstand en zijn steun; adopteer hem en geef ons die neef van je, die zich verzet tegen de godsdienst van jou en je voorouders, die tweedracht zaait in je stam en onze deugden barbarij noemt; dan kunnen we hem doden en dan is het man om man.' Hij antwoordde: `Dat is me wat moois, dat voorstel van jullie! Jullie bieden dus je zoon aan om hem door mij te laten voeden en dan zou ik mijn zoon geven om hem door jullie te laten doden? Dat nooit!' Toen zei Moet'im ibn Adi ibn Naufal: 'Bij God, Aboe Talib, je stamgenoten hebhen je redelijk behandeld en hun best gedaan om je onaangenaamheden te besparen, maar ik geloof dat jij helemaal niets van ze wilt aannemen!' Ahoe Talib zei: `Bij God, ze hebben mij niet redelijk behandeld, maar jij heb besloten mij in de steek te laten en de stam te helpen tegen mij, dus doe maar wat je goeddunkt!' of woorden van die strekking. Daarop verslechterde de situatie, het conflict laaide op en de stam werd verscheurd door openlijke vijandschap.

       Toen Koeraisj last begon te krijgen van de vijandschap met de Profeet en zijn volgelingen in de islam, stookten zij hun dwazen op om hem voor leugenaar uit te maken en te beledigen, en hem uit te schelden voor dichter, tovenaar, ziener en bezetene. De Profeet bleef echter openlijk de zaak Gods verkondigen, wekte hun misnoegen door onomwonden uiteen te zetten hoe verachtelijk hun godsdienst en hun beelden waren en liet hen over aan hun ongeloof.
       Jahja ibn Oerwa ibn Zoebair heeft gehoord van zijn vader dat iemand aan Abdallah ibn Amr ibn al-Aas vroeg wat het ergste was dat hij Koeraisj de Profeet had zien aandoen, toen zij hem vijandig gezind waren. Hij antwoordde: Op een dag was ik erbij toen de edelen bijeengekomen waren in de omheinde ruimte om de KaÔba en ze het over de Profeet hadden. Ze zeiden dat ze nog nooit zoiets te verduren hadden gehad als van deze man: bun beste deugden had hij dwaasheid genoemd, hun voorvaderen had hij beledigd, hun godsdienst bespot, tweedracht had hij gezaaid in hun gemeenschap en hun goden vervloekt; ja, ze hadden erg van hem te lijden, of woorden van die strekking. Op dat ogenblik kwam de Profeet eraan; hij raakte de zwarte steen aan en daarna maakte hij de ommegang rond het heiligdom. Terwijl hij langs hen liep, maakten ze hatelijke opmerkingen tegen hem, dat kon ik aan zijn gezicht zien. Hij liep door, en bij de tweede keer deden ze het weer, en bij de derde keer weer. Toen bleef hij staan en zei: `Luisteren jullie, Koeraisjieten!? Bij Hem in wiens hand Mohammed is: ik breng jullie een bloedbad!' Door deze woorden waren ze zo getroffen dat ze allemaal doodstil bleven staan, alsof er een vogel op hun hoofd zat; zelf het ergste heethoofd probeerde hem nu te kalmeren en zei zo vriendelijk als hij kon: 'Ga weg, Aboe Kasim, jij bent geen dwaas.' De Profeet ging weg. De volgende dag kwamen ze weer samen bij de Kaaba terwijl er ook was, en ze zeiden tegen elkaar: 'Weten jullie nog wat er bier gisteren gebeurd is met die vent, en dat we hem hebben laten lopen, hoewel hij openljk de ergste dingen zei?' Op dat ogenblik kwam de Profeet eraan; zij sprongen als ŤŤn man op hem af en omsingelden hem. `Ben jij degene die dat en dat zegt?' 'ja,' zei hij, 'dat ben ik.' En ik zag al iemand hem bij de gordel van zijn kleed pakken. Abu Bakr sprong voor hem in de bres en zei huilend: `Gaan jullie iemand doden omdat hij zegt: Mijn Heer is God?' Toen lieten ze hem los. Dat was het ergste dat ik Koeraisj hem ooit heb zien aandoen.
        Oemm Koelthoem bint abi Bakr heeft volgens een familielid van haar verteld: Die dag kwam Aboe Bakr thuis met plukken uit zijn haar. Ze hadden hem aan zijn baard weggetrokken, en hij was een man met veel haar.

Hamza's bekering
Top

Een man uit de stam Aslam, die een goed geheugen had, heeft mij verteld: Toen Aboe Djahl de Profeet eens tegenkwam bij Safa begon hij dadelijk te schelden, bittere verwijten te maken over zijn geloof en hem te vernederen. De Profeet zei niets terug. Nu was daar een vrijgelaten slavin van Abdallah ibn Djoed'aan, die in haar huis deze tirade hoorde. Aboe Djahl vervolgde zijn weg en ging naar de vergadering van Koeraisj bij de Kaaba, en de Profeet ging naar huis.
       Na een poosje verscheen Hamza ibn Abd al-Mocttalib bij dat huis; hij kwam terug van de jacht en had zijn boog om zijn schouder hangen. Hij hield namelijk van schieten en ging graag uit jagen. Als hij terugkwam van de jacht ging hij nooit dadelijk naar huis, maar maakte eerst een ommegang om de Kaaba, en wanneer hij dan langs de vergaderde Koeraisjieten kwam bleef hij even staan praten. Hij was de sterkste en meest onverzettelijke man van Koeraisj. Toen hij langs die vrouw kwam zei zij tegen hem: `Hamza, als je eens had gezien wat je neef Mohammed zo-even is overkomen! Aboe Djahl zag hem hier zitten en begon hem uit te schelden en te vloeken en hem lastig te vallen, en toen ging hij weer weg, zonder dat Mohammed iets terugzei.' Hamza werd woedend, omdat God hem wilde eren; hij rende naar buiten en zonder bij iemand stil te houden ging hij op weg naar Aboe Djahl om hem af te straffen. In moskee gekomen zag hij hem zitten bij de anderen. Hij ging op hem af tot hij vlak voor hem stond; toen zwaaide hij zijn boog omhoog, gaf hem een vreselijke klap op zijn hoofd en zei: `Wou jij hem uitschelden, terwijl ik zijn godsdienst aanhang en zeg wat hij zegt? Geef mij maar eens zo'n klap terug als je kunt!' Er stonden al een paar mannen uit de stam Machzoem op om Aboe Djahl te hulp te komen, maar deze zei: `Laat hem maar, want bij God, ik heb zijn neef wel diep beledigd.' Zo werd Hamza moslim en voortaan volgde hij de Profeet. Toen Hamza moslim werd begrepen de Koeraisjieten dat de positie van de Profeet was versterkt, nu hij zo'n verdediger had gevonden, en ze vielen hem voortaan minder lastig.

Het eerste koranreciet
Top

Jahja ibn Oerwa ibn Zoebair heeft vernomen van zijn vader: De eerste man na de Profeet die de koran openlijk in Mekka reciteerde was Abdallah ibn Mas'oed. De gezellen van de Profeet waren namelijk op zekere dag bijeengekomen en hadden opgemerkt dat de Koeraisjieten nog nooit duidelijk de koran hadden horen reciteren, en wie zou hun die laten horen? Toen Abdallah aanbood het te doen zeiden ze: 'We zijn er niet gerust op als jij het doet; we willen een man met een familie die hem kan beschermen als hij wordt aangevallen.' Maar Abdallah zei: `Laat mij het maar doen, want God zal mij beschermen.'
       De volgende ochtend ging hij naar het heiligdom, terwijl de raad van Koeraisj daar bijeen was; hij ging bij de Makaam [De plek bij het heiligdom van Mekka waar ooit de profeet Ibrahiem had gestaan] staan en reciteerde met stemverheffing: In de naam van God, de barmhartige, de genaderijke. De Barmhartige. Hij heeft de koran onderwezen. [55:1] Toen ging hij staan reciteren met zijn gezicht naar hen toe, zodat ze hem wel moesten opmerken. `Wat zegt die kerel in vredesnaam,' zeiden zij, 'waarachtig, hij draagt iets voor uit die boodschap van Mohammed!' Ze sprongen op hem af en sloegen hem in het gezicht, naar hij las verder, tot zover het God behaagde. Daarop ging hij terug naar zijn metgezellen, met sporen van de mishandeling op zijn gezicht.
       `Dat is juist waar we zo bang voor waren,' zeiden ze.
        'Nog nooit heb ik Gods vijanden zo verachtelijk gevonden als nu; als jullie willen doe ik het morgen weer.'
        'Nee,' antwoordden zij, 'jij hebt genoeg gedaan. je hebt hun laten horen wat ze niet willen horen.'

De vervolging verhevigd
Top

Toen werden de Koeraisjieten vijandig gezind jegens al degenen die moslim waren geworden en de profeet volgden. Alle stammen gingen tekeer tegen de moslims die zij onder hun leden telden, althans tegen de zwakkeren; ze zetten hen gevangen, ranselden hen af, lieten hen honger en dorst lijden en stelden hen bloot aan de brandende hitte van Mekka. Zo probeerden zij hen van hun geloof af lt brengen. Sommigen werden inderdaad afvallig, onder druk van deze beproeving, maar anderen hielden stand door Gods bescherming.

       Bilaal, de vrijgelatene van Aboe Bakr, was geboren als slaaf van iemand uit de stam Djoemah. Zijn vader heette Rabaah en zijn moeder Hamama. Hij was een oprecht moslim en rein van hart. Oemajja ibn Chalaf de Djoemahiet nam hem soms mee naar de open vlakte hij Mekka, op het heetst van de dag; dan gooide hij hem op zijn rug, liet een groot rotsblok op zijn borst leggen en zei tegen hem: `Zo blijf je liggen tot je sterft, tenzij je Mohammed afzweert en Laat en Oezza aanbidt.' Maar tijdens die marteling bleef Bilaal roepen: `Eťn God! Eťn God!'
        Hisjaam ibn Oerwa heeft gehoord van zijn vader: Op een keer, terwijl Bilaal zo gemarteld werd, kwam Waraka ibn Naufal daar langs. 'Ja, Bilaal: zo is het, ťťn God!' zei hij; vervolgens wendde hij zich tot Oemajja en de andere Djoemahieten die hem dat aandeden: `Ik zweer bij God, als jullie hem op deze manier ombrengen zal ik van zijn graf een bedevaartplaats maken.'
       Ook Aboe Bakr kwam op een dag langs de plaats waar ze hem martelden, want zijn huis lag in de wijk van de stam Djoemah. Hij vroeg Oemajja: `Vrees jij God niet, dat je deze stakker zo behandelt? Hoe lang moet dat nog doorgaan?'
       'Je hebt hem toch zelf bedorven?' antwoordde Oemajja, `dus zie nu ook maar dat je hem hieruit helpt.'
       'Dat doe ik!' zei Aboe Bakr, 'ik heb een zwarte slaaf die forser en sterker is dan hij, en die jouw geloof is toegedaan. Die geef ik je, in ruil voor Bilaal.'
        Daarmee ging Oemajja akkoord. Aboe Bakr gaf hem die slaaf en liet Bilaal vrij.

       Het was vooral de boosdoener Aboe Djahl die de mannen van Koeraisj opzette tegen de moslims. Als hij hoorde dat er iemand moslim geworden was die van edele afkomst was en beschermers had, schold hij hem uit, vernederde hem en zei: `Jij bent ontrouw aan de godsdienst van je vader, die beter was dan jij. Wij gaan overal rondvertellen wat een dwaas jij bent en we zullen je goede naam te schande maken.' En als het een koopman was zei hij: 'Wij maken jouw handel kapot tot er niets meer van je kapitaal over is.' En als het een zwakke man was zonder beschermers, dan sloeg hij hem en hitste iedereen tegen hem op.

De emigratie naar EthiopiŽ
Top

Kort na Mohammeds eerste optreden zijn enige van zijn aanhangers naar het christelijke EthiopiŽ getrokken, waarschijnlijk in verschillende groepen. Sommigen keerden terug toen de Profeet nog in Mekka was, anderen pas toen hij al geruime tijd in Medina resideerde en het gevaar van vervolging geen rol meer speelde.
       De tocht naar EthiopiŽ wordt wel: 'de eerste hidzjra in de islam' genoemd. Het woord wordt vooral gebruikt voor de emigratie van Mohammed met een aantal gezellen van Mekka naar Medina in 622.
        Behalve een vroege bekering gold ook het deelnemen aan de emigratie naar Medina in de vroege islam als een grote verdienste. Maar het begrip hidzjra bleek al spoedig rekbaar. Immers, een tocht naar EthiopiŽ kon men ook een emigratie noemen. Zij die uit EthiopiŽ waren teruggekeerd naar Mekka en vandaar weer naar Medina emigreerden, maakten zelfs aanspraak op twee emigrades! En wie later naar het veroverde SyriŽ trok kon zich ook emigrant noemen. Er kwamen dan ook steeds meer 'Emigranten', totdat kalief Oemar hier in 640 een eind aan maakte. Ibn Ishaak geeft twee lijsten met namen van EthiopiŽ-gangers, die hier niet worden afgedrukt.
       Op het eerste gezicht vertelt Ibn Ishaaks verhaal over de lotgevallen van de verdrukte moslims in EthiopiŽ en over een godsdienstgesprek met de negus. Nader beschouwd blijkt het gedeeltelijk te behoren tot het genre 'verdiensten van de gezellen', en voor het overige deelt het iets mee over de verhouding tussen moslims en christenen in de latere veroverde gebieden.
       Het prestige van de vroege bekeerlingen en Emigranten Dja'far ibn abi Talib (een broer van Ali) en Zoebair ibn Awwaam contrasteert met de oneer van de late bekeerlingen Abdallah ibn abi Rabie'a en Amr ibn al-Aas, de afgezanten van Koeraisj, die in dit behaal nog heiden zijn en zich pas op het laatst hebben bekeerd. Het motief van de zwemtocht van Zoebair zal wel geÔnspireerd zijn op de betekenis van het woord awwaam: `hij die blijft drijven', 'zwemmer'.
        Het godsdienstgesprek in het lange verhaal en de list van de negus in het verhaal over de opstand dienen onder andere om een bepaalde geloofsbelijdenis te presenteren. Op blz. .. stemt de negus in met een credo waarin niet de christelijke, maar de koranische opvatting over Iesa wordt gegeven: van diens goddelijkheid wordt niet gerept. Op blz. .. is deze tekst zelfs verrijkt met de belijdenis dat Mohammed Gods gezant is. Dit laatste houdt in, dat de negus moslim zou zijn geworden, wat overeenstemt met de mededeling dat de Profeet bij zijn dood salaats voor hem heeft verricht.
        In de Traditieverzameling van Boechari is dit credo zonder raamvertelling bewaard, in de Traditie: 'Wie belijdt dat er geen god is dan God, dat Mohammed Zijn knecht en Zijn gezant is, en dat Iesa [... enzovoort], die voert God het paradijs binnen.' Deze compromis-belijdenis heeft wellicht in het veroverde Voor-AziŽ een rol gespeeld in godsdienstgesprekken met christenen.
       De 'bekering' van de negus wordt opgevoerd als precedent. Men zal EthiopiŽ als decor hebben gebruikt omdat daar de enige christenen woonden met wie de moslims ten tijde van Mohammed redelijkerwijs contact gehad konden hebben. Met zorg is enige couleur locale in het verhaal aangebracht.
        De moraal van het eerste verhaal zou dan zijn dat een christen zich in geloofszaken niets moet aantrekken van zijn omgeving, maar rustig moslim moet worden. Het tweede verhaal lijkt te willen zeggen dat een heimelijke bekering ook geldig is.
        Wie oog heeft voor intertekstualiteit kan in dit verhaal echter ook een subtiele verwerking van soera 3:199 zien: Onder de mensen van de Schrift is er een die in God gelooft - namelijk de negus - en in wat u is geopenbaard, en in wat hun is geopenhaard [...]: de koran komt uit dezelfde hoek als de boodschap van Iesa; de geloofsbelijdenis van de negus over Iesa komt overeen met wat de koran over hem zegt. Zij verkopen de tekenen Gods (dat wil zeggen: de moslims) niet voor een lage prijs (dat is: voor de geschenken van Koeraisj). [...] God is snel met afrekening, namelijk door de negus de macht in zijn land terug te geven.

       Toen de Profeet zag wat zijn gezellen te verduren hadden en dat hij hen daartegen niet kon beschermen, ofschoon hij er zelf, door zijn positie bij God en bij zijn oom Aboe Talib, niet onder te lijden had, zei hij tegen hen: 'In EthiopiŽ regeert een koning bij wie niemand onrecht wordt aangedaan; het is een voortreffelijk land; als jullie daa eens naar toe gingen en daar bleven, totdat God jullie uit de nood, helpt.' Zo gingen zijn gezellen naar EthiopiŽ, uit vrees van hun geloof te zullen afvallen; zij vluchtten met hun godsdienst tot God. Dit was de eerste hidzjra in de islam.

        Het totaal van de moslims die naar EthiopiŽ trokken, afgezien van de kleine kinderen die ze meenamen of die daar geboren werden, was drieŽntachtig man, als Ammaar ibn Jasir erbij was, maar dat is niet zeker.

       Moehammad ibn Moeslim az-Zoehri heeft vernomen van Aboe Bakr ibn Abd ar-Rahmaan ibn Harith, dat Oemm Salama, de vrouw van de Profeet, daarover als volgt heeft verteld: Toen wij in EthiopiŽ aankwamen werden wij door de negus gastvrij ontvangen. Wij konden veilig onze godsdienst belijden en God dienen zonder dat iemand ons kwaad deed of er iets van zei. Toen de Koeraisjieten in Mekka dat te weten kwamen, smeedden ze het plan twee standvastige mannen naar de negus te sturen en hem als geschenk de allerbeste Mekkaanse waar aan te bieden. Wat daar het meest gewaardeerd werd was lederwerk; ze verzamelden dus een groot aantal huiden voor de negus en maakten ook voor alle generaals een geschenk gereed. Daarmee stuurden ze Abdallah ibn abi Rabie'a en Amr ibn al-Aas op weg, en gaven hun de opdracht eerst alle generaals het geschenk aan te bieden, en daarna pas de negus, en dan moesten ze hem vragen hun de moslims uit te leveren, dus voordat hij met hen zou hebben gesproken.
       Dat deden ze, en ze vertelden aan iedere generaal: `Een paar jonge heethoofden uit ons land hebben toevlucht gezocht in het land van uw koning. Zij hebben met de godsdienst van ons volk gebroken, maar tot uw godsdienst zijn zij ook niet toegetreden; zij brengen een nieuwe godsdienst, die wij niet kennen en u evenmin. Onze edelen hebben ons gezonden om uw koning te bewegen hen terug te sturen. Als wij daarover spreken met de koning, geef hem dan de raad die lui aan ons uit te leveren en niet met hen te praten, want hun eigen mensen kunnen dit beter beoordelen en weten het best waarvan zij hen beschuldigen.' Dat beloofden de generaals.
       Daarop boden de beide mannen de negus hun geschenken aan. Nadat hij die in ontvangst had genomen vertelden zij hem hetzelfde wat ze tegen de generaals hadden gezegd. Abdallah en Amr wilden tot iedere prijs voorkomen dat de negus zou horen wat de moslims te zeggen hadden. De generaals om hem heen zeiden: `Zo is het, majesteit, hun eigen mensen kunnen dit beter beoordelen en weten het best waarvan zij hen beschuldigen. Lever hen dus uit aan deze twee mannen en laat die hen mee terugnemen naar hun eigen land.'
       Maar de negus werd boos en zei: 'Nee, ik lever ze niet uit! Mensen die bescherming hebben gezocht in mijn land en mij hebben verkozen boven iemand anders worden niet verraden; eerst wil ik hen hier laten komen om navraag te doen naar wat deze twee te vertellen hebben. Als het is zoals zij zeggen, dan stuur ik hen terug naar hun volk, maar als het niet zo is bescherm ik hen en krijgen ze een behoorlijke behandeling zolang ze dat willen.'
       Vervolgens stuurde hij iemand om de gezellen van de Profeet te ontbieden. Toen de bode bij hen kwam, beraadslaagden ze wat ze tegen de negus zouden zeggen. Ten slotte zeiden ze: `Wat er ook van komt, we zeggen wat we weten en wat onze Profeet ons opgedragen heeft.' Toen ze voor de negus verschenen zagen ze dat hij ook zijn bisschoppen had laten komen, die hun schrifturen rondom hem hadden uitgespreid. Hij vroeg: 'Wat is dat voor een godsdienst waarom u met uw stam hebt gebroken zonder evenwel toe te treden tot mij godsdienst of tot enig ander geloof?'
       Dja'far ibn abi Talib deed het woord en zei: `Majesteit, wij waren een barbaars volk, wij aanbaden afgodsbeelden, wij aten onrein vlees en bedreven ontucht, wij verbraken de bloedbanden, wij verwaarloosden de gastvriendschap en de sterksten van ons buitten de zwakkeren uit. Zo was het met ons gesteld, tot God een gezant zond uit ons midden, wiens afkomst eerlijkheid, betrouwbaarheid en fatsoen wij kenden. Hij riep ons op de ene God te dienen en de stenen en beelden die onze voorouders hadden aanbeden af te zweren. Hij droeg ons op de waarheid te spreken, onze verplichtingen na te komen, de familiebanden te eerbiedigen, vreemdelingen te beschermen en verre te blijven van misdaden en bloedvergieten. Hij verbood ons ontucht te bedrijven en te liegen, het bezit van de wezen te verteren en deugdzame vrouwen vals te beschuldigen. God alleen moesten wij dienen en anders niets; hij stelde de salaat, de zakaat en de vasten in, en wij beleden dat hij de waarheid sprak, wij geloofden in hem en wij volgden de boodschap van God die hij bracht. Voortaan dienden wij dus God alleen en niets anders; wij hielden voor verboden wat hij verboden noemde en beschouwden als geoorloofd wat hij geoorloofd verklaarde. Onze stamgenoten begonnen ons echter vijandig te bejegenen en ons onder druk te zetten: zij probeerden ons van onze godsdienst af te brengen en ons ertoe over te halen dat wij weer beelden zouden gaan dienen in plaats van God, en onze wandaden van vroeger weer als geoorloofd zouden beschouwen. Toen zij tot geweld overgingen en het ons omnogelijk maakten onze godsdienst uit te oefenen zijn wij in onze nood uitgeweken naar uw land; wij zijn liever bij u dan ergens anders, wij genieten hier uw bescherming en wij hopen, majesteit, dat ons bij u geen onrecht zal overkomen.'
       De negus vroeg hem of hij iets bij zich had van die boodschap van God, en toen dat het geval bleek, droeg de negus hem op dat te reciteren. Dja'far reciteerde een stuk uit soera 'Marjam' en de negus brak in tranen uit, zodat zijn baard nat werd, en ook zijn bisschoppen huilden ervan, tot hun schrifturen doorweekt waren. Toen zei de negus tegen de twee mannen uit Mekka: `Dit komt uit dezelfde hoek als de boodschap van Iesa. Ga weg jullie! Ik lever hen niet uit en zij worden niet verraden.'
       De beide mannen trokken zich terug en Amr zei tegen Abdallah: 'Morgen zal ik hem eens iets vertellen dat ze allemaal van hun stuk brengt!' Abdallah, die meer geneigd was ons te ontzien, zei: 'Doe dat niet, want al hebben ze zich tegen ons gekeerd, het zijn toch onze stamgenoten.' Maar Amr hield vol: `Ik zal hem eens vertellen dat zij beweren dat Iesa de Zoon van Marjam een mens is.'
       De volgende ochtend ging hij naar de negus en vertelde hem dat wij iets vreselijks beweerden over Iesa, en dat hij ons maar moest laten komen om er zelf naar te vragen.
       En zo gebeurde het. Nog nooit was ons zoiets overkomen: onze mensen kwamen weer bij elkaar en overlegden wat ze over lesa zouden zeggen als hun daarnaar werd gevraagd. Ten slotte besloten ze: 'Wij zeggen wat God zelf heeft gezegd en wat de Profeet ons heeft overgebracht, wat er ook van komt.' Toen zij voor de negus verschenen en hun de vraag was gesteld, antwoordde Dja'far: 'Over Iesa zeggen wij wat onze Profeet ons heeft overgebracht, namelijk dat hij de knecht van God is, en Zijn gezant en Zijn Geest en Zijn woord, dat Hij in de maagd Marjam heeft gebracht.' De negus bukte zich voorover, pakte een stukje hout van de grond en zei: 'Iesa de zoon van Marjam is geen splinter meer dan dat!' [dus niet de zoon van God] Terwijl hij dat zei begonnen de generaals om hem heen onrustig tegen elkaar te snuiven en hij voegde eraan toe: `Ook al staan jullie te snuiven.' En tegen ons zei hij: 'U kunt gaan; u bent sjoejoem in mijn land (sjoejoem is Ethiopisch voor 'veilig'). Wie u vervloekt krijgt een boete, wie u vervloekt krijgt een boete, wie u vervloekt krijgt een boete. Nog niet voor een dabr (d.i. berg) goud zou ik willen dat een van u iets overkwam. Geef die twee mannen hun geschenken terug; ik heb ze niet nodig. God heeft van mij ook geen omkoopsom aangenomen toen Hij mij mijn koninkrijk teruggaf; God heeft mij niet aangedaan wat de mensen wilden, dus waarom zou ik Hem aandoen wat zij willen?'
       De beide mannen dropen beschaamd af, met alle geschenken die zij hadden meegebracht, en wij bleven daar wonen, veilig en goed beschermd.
       Terwijl wij daar zo leefden kwam er een EthiopiŽr tegen de negus in opstand die hem zijn heerschappij betwistte. Ik geloof niet dat wij ooit zo treurig zijn geweest als toen, want wij waren bang dat die man; het zou winnen van de negus en dat er dan iemand zou komen die ons recht niet erkende. De negus trok tegen hem op; de Nijl lag tussen de beide partijen. De gezellen van de Profeet zeiden: 'Wie gaat er kijken bij de slag en komt ons dan het nieuws brengen?' Zoebair ibn Awwaam bood zich aan, de jongsten man die wij hadden. Er werd een waterzak opgeblazen, die hij onderbond, en daarop zwom hij naar het punt waar de legers tegenover elkaar stonden. Toen ging hij verder tot hij hij hen was. Intussen baden wij tot God dat Hij de negus zou laten winnen en hem de macht in zijn land zou teruggeven, en terwijl wij zaten af te wachten wat er zou gebeuren, kwam Zoebair aangehold, zwaaiend met zijn kleren, en riep: `Hoera, de negus heeft gewonnen en God heeft zijn vijand verpletterd.' En werkelijk, ik geloof niet dat wij ooit zo blij zijn geweest als toen. De negus keerde terug, nu God zijn vijand had vernietigd en hem in zijn macht had hersteld, en EthiopiŽ bleef in zijn hand verenigd. Wij leefden veilig en wel onder zijn bescherming, tot wij ons weer bij de Profeet voegden, in Mekka.

        Dja'far ibn Moehammad heeft gehoord van zijn vader: Op een keer beraamden de EthiopiŽrs een opstand tegen de negus, omdat hij van het geloof zou zijn afgevallen, en zij brachten een leger op de been. De negus bracht Dja'far Ibn abi Talib en de zijnen op de hoogte en liet schepen voor hen in gereedheid brengen, met de woorden: 'Ga aan boord, maar vertrek nog niet. Als ik word verslagen, ga dan ergens anders heen, en als ik win kunnen jullie hier blijven.' Toen nam hij een stuk papier en schreef: 'Hij belijdt dat er geen god is dan God, dat Mohammed Zijn knecht en Zijn gezant is, en hij belijdt dat Iesa Zijn knecht is en Zijn gezant en Zijn geest en Zijn woord, dat hij in Marjam heeft gebracht." [koran 4:171-172] Dat deed hij in zijn mantel, ter hoogte van zijn rechterschouder, en zo ging hij op de Ethiopiers af, die in slagorde stonden opgesteld.
        'EthiopiŽrs,' zei hij, 'heb ik niet het meeste recht jullie heerser te zijn?'
       'Ja,' riepen zij.
        'En hoe denken jullie over mijn levenswandel?'
       'Die is voortreffelijk.'
        'Wat is dan het probleem?'
       'U bent van het geloof afgevallen, want u beweert dat Iesa een mens is.'
        'Wat zeggen jullie dan over Iesa?'
       'Dat hij de zoon van God is.'
       Toen zei de negus, met zijn hand op zijn mantel, op de plaats van dat papier: 'ik belijd, dat Iesa de zoon van Marjam niets meer is dan dit' - en hij bedoelde dus wat hij had opgeschreven. Daarmee waren zij tevreden en ze vertrokken. Dit kwam de Profeet ter ore, en toen de negus stierf verrichtte hij salaats en bad hij om vergeving voor hem.

Oemar wordt moslim
Top

Toen Amr en Abdallah in Mekka terug kwamen, afgewezen door de negus en zonder de gezellen van de Profeet, en toen Oemar ibn Chattaab tot de islam overging, hadden de gezellen van de Profeet aan hem en aan Hamza zulke sterke beschermers dat ze het wel konden opnemen tegen de rest van Koeraisj. Oemar was een onverzettelijk man, wiens beschermelingen niemand durfde aan te vallen.

        Abdallah ibn Mas'oed placht te zeggen: Voordat Oemar moslim werd konden wij niet de salaat verrichten bij de Kaaba. Toen hij tot de islam overgegaan was bestreed hij Koeraisj zo lang tot hij daar wel de salaat kon verrichten, en wij ook. Oemar werd moslim nadat die gezellen van de Profeet naar EthiopiŽ waren vertrokken.

       Naar ik verneem ging de bekering van Oemar als volgt: Zijn zuster Fatima en haar man, Sa'ied ibn Zaid, waren al moslim geworden, maar zij hielden het stil voor Oemar. Zijn stamgenoot Noe'aim ibn Abdallah was ook moslim geworden en ook hij hield het stil, uit vrees voor zijn familie. Chabbaab ibn Aratt kwam dikwijls hij Fatima om voor haar de koran te reciteren.
        Op een dag deed Oemar zijn zwaard om en ging op weg naar de Profeet; ze hadden hem namelijk verteld dat deze met een aantal gezellen een bijeenkomst hield in een huis bij Safa. Ze waren met ongeveer veertig personen, mannen zowel als vrouwen, onder wie Mohammeds oom Hamza, Aboe Bakr, Ali en nog andere moslims die met de Profeet in Mekka gebleven waren en niet naar EthiopiŽ waren getrokken. Onderweg kwam Oemar Noe'aim ibn Abdallah tegen, die hem vroeg waar hij heen ging.
       `Naar Mohammed; zei hij, 'die SabiŽr, die verdeeldheid zaait onder Koeraisj, hun beste deugden dwaasheid noemt, hun godsdienst belastert en hun goden vervloekt. Ik ga hem doden!`
        'Je bedriegt jezelf, Oemar,' zei Noe'aim toen, `denk je dat de stam Abd Manaaf je hier vrij zal laten rondlopen als je Mohammed hebt gedood? Kun je niet beter eens orde op zaken gaan stellen in je eigen familie?'
       'Wat is er met mijn familie?'
        'Je zwager en neef Sa'ied en je zuster Fatima zijn ook moslim geworden en hangen Mohammeds geloof aan. Doe daar eerst maar iets aan!'
        Oemar keerde om en ging naar zijn zuster en zwager. Op dat ogenblik was Chabbaab ibn Aratt hij hen; hij had een blad bij zich met soera 'Taha' erop, die hij hun reciteerde. Toen ze Oemar hoorden aankomen verstopte Chabbaab zich in een kamertje of ergens in huis, en Fatima nam het blad en ging erop zitten. Maar Oemar had, toen hij het huis naderde, Chabbaab al horen reciteren en vroeg zodra hij binnenkwam: `Wat was dat voor gebrabbel?' vroeg hij.
       'O, dat was niets.'
       'Jazeker wel, en mij is ook verteld dat jullie de godsdienst van Mohammed aanhangen!' Met deze woorden ging hij zij zwager te lijf, en toen Fatima tussenbeide wilde komen gaf hij haar ook een klap op haar hoofd.
       `Ja,' zeiden ze toen, 'wij zijn moslim geworden en wij geloven in God en Zijn gezant. Doe met ons wat je wilt!'
       Toen Oemar zag hoe zijn zuster bloedde kreeg hij spijt, hij deed een stap achteruit en zei tegen zijn zuster: 'Geef mij dat blad eens dat ik jullie zoŽven hoorde voorlezen, dan kan ik eens zien wat Mohammed verkondigt.' Oemar kon namelijk lezen en schrijven. Maar zij wilde het hem niet toevertrouwen. Wees maar niet bang,' zei hij, en hij zwoer bij zijn goden dat hij het haar terug zou geven als hij het gelezen had. Nu begon Fatima te hopen dat hij moslim zou worden, en ze zei: 'Oemar, je bent onrein, ondat je heiden bent, en alleen wie rein is mag het aanraken.' [koran 56:79] Oemar ging zich wassen en toen gaf ze hem het blad met soera `Taha` erop. Nadat hij er een stuk van gelezen had riep hij uit: `Wat een prachtige, nobele woorden!' Toen Chabhaah dat hoorde kwam hij te voorschijn en zei: `Oemar, ik hoop dat God je heeft uitverkoren door de bede van Zijn profeet, want die heb ik gisteren horen bidden: "O God, versterk de islam door de bekering van Aboe Hakam ibn Hisjaam of van Oemar!" Kom tot God, Oemar, kom tot God!' Toen zei Oemar: `Zeg mij waar ik Mohammed kan vinden, Chabbaab, dan word ik moslim.' Chabbaab antwoordde dat hij met een aantal gezellen in een huis bij Safa was. Oemar deed zijn zwaard om en ging op weg. Hij klopte op de deur van het huis waar zij waren. Toen ze hem hoorden liep een van de gezellen naar de deur om door een spleet te kijken wie er was. Angstig ging hij terug naar de Profeet en zei: 'Profeet, het is Oemar, en hij heeft zijn zwaard om.' Maar Hamza ibn Abd al-Moettalib zei: 'Laat hem maar binnen; als hij goede bedoelingen heeft behandelen wij hem goed, en als hij kwaad wil, doden we hem met zijn eigen zwaard.' De Profeet stemde toe en de man ging Oemar opendoen. De Profeet liep op hem af en greep hem stevig hij zijn gordel en trok hem naar zich toe. 'Wat kom je doen, Ibn Chattaab?' zei hij, `want jij gaat geloof ik net zo lang door tot God een ramp over jou neerzendt!' Oemar zei: 'Profeet, ik ben gekomen om te geloven in God en Zijn gezant en Zijn goddelijke boodschap.' `God is groot!' riep de Profeet uit, en zo wisten alle gezellen in het huis dat Oemar moslim was geworden.
       Daarop gingen de gezellen uiteen, vol goede moed, nu zowel Hamza als Oemar moslim waren geworden, omdat ze wisten dat deze beide mannen de Profeet zouden beschermen, en dat ze met hun hulp zichzelf recht zouden kunnen verschaffen bij hun vijand.
       Dit is het verhaal van de overleveraars uit Medina over hoe Oemar moslim werd.

De boycot
Top

Toen de Koeraisjieten bemerkten dat een aantal gezellen van de Profeet in EthiopiŽ een veilige toevlucht hadden gevonden en dat de negus iedereen beschermde die een beroep op hem deed, dat Oemar ook moslim was geworden en dat zowel hij als Hamza nu aan de kant van de Profeet stonden, en dat de islam zich verbreidde onder de stammen, kwamen ze bijeen en smeedden het plan een document te schrijven waarin de volgende maatregelen zouden worden vastgelegd: 'Er mogen geen huwelijken gesloten worden met leden van de stammen Haasjim en Moettalib. Er mag niets aan hen verkocht of van hen gekocht worden.' Toen ze het daarover eens geworden waren schreven ze het op en zwoeren plechtig zich eraan te zullen houden. Het document hingen zij op in de Kaaba, ter bekrachtiging. De schrijver ervan was Mansoer ibn Ikrima. Over deze man riep de Profeet de vloek Gods af, zodat enkele van zijn vingers verlamd werden.
       Nadat Koeraisj dat had gedaan kozen de stammen Haasjim en Moettalib partij voor Aboe Talib en werden zijn bondgenoten. Van de Haasjimieten deed alleen Aboe Lahab niet mee; deze liep over naar de rest van Koeraisj.

De duivelsverzen
Top

Het verhaal van de duivelsverzen is typisch een aanleiding-tot-de-openbaring'-verhaal (sabab al-noezoel).
        Traditioneel beschouwd is er het volgende gebeurd: Mohammed liet zich door de Satan ertoe verleiden zijn heidense en vijandige stamgenoten te paaien door in soera 53 een hun welgevallig korenvers in te lassen, waarin hij hun godinnen erkende. Daarop greep God in en liet het betreffende vers schrappen, zoals Hij dat, volgens 22:52, ook al bij eerdere profeten had gedaan.
       Lezers met gevoel voor intertekstualiteit zullen eerder uitgaan van de omgekeerde volgorde. Eerst was er soera 22:52. Deze tekst riep om invulling en dat heeft inderdaad een verhaal in het leven geroepen over een concrete influistering van de duivel. Soera 'De ster' [53] was heel geschikt om de zogenaamde duivelsverzen in te voegen. Deze soera zegt immers met zoveel woorden dat de Profeet niet uit een bevlieging spreekt. Bovendien worden de drie heidense godinnen er toch al met name in genoemd-een prachtige kapstok om de nieuwe, 'foute' verzen aan op te hangen.
        Het verhaal over de duivelsverzen stuit heel wat traditionele moslims tegen de borst. Ook Ibn Hisjaam heeft het niet in zijn editie van de biografie opgenomen. Misschien heeft men niet een verhaal willen horen waarin de Profeet zo diep valt! Toch heeft de verteller het zonder twijfel vroom bedoeld. Mohammed was immers volgens de koran een gewoon mens, die kon vallen. En wat is mooier dan een val, gevolgd door een wederoprichting door God? Zo kon de bescherming ('isma) van de profeet door God geÔllustreerd en de betrouwbaarheid van de korantekst nog eens bevestigd worden. De oude verhalenvertellers waren bekwame theologen.

       De Profeet hield het welzijn van zijn stam voor ogen en wilde toenadering tot hen op elke mogelijke manier.
       Jazied ibn Ziaad al-Madani levert over van Moehammad ibn Ka'b de Koeraiziet: Toen de Prefeet zag dat zijn stamgenoten zich van hem afwendden en het moeilijk vond om aan te zien hoe zij afstand namen van de boodschap die hij hun van God overbracht, wenste hij dat er van God iets zou komen wat toenadering teweeg zou brengen. Met al zijn liefde en zorg voor zijn stam had het hem plezier gedaan als hij de hardheid die hij van hen ondervond wat had kunnen matigen; daarover dacht hij na en hij wenste het vurig. En toen God openbaarde: Bij de ster als hij ondergaat: uw gezel dwaalt niet en is niet misleid, en hij spreekn niet uit een bevlieging [53:1-3] en hij bij de woorden kwam: Ziet u Laat en Oezza, en Manaat, de derde, de andere? [53:19-20] legde de Satan hem, op grond van zijn eigen gedachten en wens, de volgende woorden in de mond: `Dit zijn de verheven kraanvogels, op hun voorspraak kan worden gehoopt.'
       Toen de Koeraisjieten dit hoorden waren zij blij en het beviel hun zeer dat hun godinnen erin vermeld werden. Zij luisterden naar hem, terwijl de gelovigen, die geloof hechtten aan de boodschap die hun Profeet bracht van hun Heer, hem niet van fouten, waanideeŽn of misstappen verdachten. Toen hij bij de tcraardewerping kwam, aan het eind van de soera, wierp hij zich ter aarde en de moslims deden het hem na, omdat zij geloof hechtten aan de boodschap van hun Profeet en hem volgden. De heidenen uit Koeraisj en anderen die in het bedeoord waren deden dat ook, omdat zij hun godinnen hadden horen noemen. Er bleef niemand in de moskee, gelovige of ongelovige, die zich niet ter aarde wierp, behalve Walied ibn Moeghiera, die zo oud was dat hij het niet meer kon, maar die nam een handvol grind en boog zich daarover. Daarop verlieten de mensen het bedeoord en gingen uiteen. Ook de Koeraisjieten gingen weg, blij dat zij hun godinnen hadden horen noemen, en zeiden: 'Mohammed heeft onze goden op de best mogelijke manier vermeld en hij heeft in zijn reciet gezegd: "Dit zijn de verheven kraanvogels, op hun voorspraak kan worden gehoopt."'
       Het nieuws van deze teraardewerping bereikte de gezellen van de Profeet die in EthiopiŽ waren en er word al gezegd dat Koeraisj tot de islam was overgegaan. Sommigen van hen maakten aanstalten om terug te keren, anderen wilden nog blijven.
       Toen kwam Djibriel hij de Profeet en zei: `Mohammed, wat heb je gedaan? Je hebt de mensen iets gereciteerd wat ik je niet heb over gebracht van God en je hebt iets gezegd wat Hij niet tegen jou heeft gezegd!' Toen werd de Profeet zeer bedroefd en vreesde God zeer, maar God zond een openbaring neer, want hij had erbarmen met hem, om hem te troosten en de zaak te vergemakkelijken. Daarin liet Hij hem weten dat er vůůr hem geen profeet of gezant was geweest die iets wenste of begeerde zonder dat de Satan hem iets naar zijn wens in de mond had gelegd, zoals hij dat nu bij de Profeet had gedaan, en zonder dat God daarna had afgeschaft wat de Satan hem had ingegeven en Zijn verzen had vastgesteld; met andere woorden: dat het hem net zo verging als sommige andere profeten en gezanten, en Hij openbaarde: Wij hebben voor jou geen gezant of Profeet gezonden zonder dat de Satan, als hij iets wenste, hem iets naar zijn wens in de mond legde. Maar God schaft af wat Satan ingeeft; dan stelt God Zijn verzen vast. God is wetend en wijs. [22:52]
        Zo nam God de droefheid van zijn Profeet weg, stelde hem gerust oven wat hij had gevreesd en schafte af wat de Satan hem in de mond had gelegd, namelijk dat van hun godinnen, die verheven kraanvogels op welker voorspraak werd gehoopt. Hij liet nu op Laat en Oezza en Manaat, de derde, de andere de woorden volgen: Hebt u dan de mannelijke en Hij de vrouwelijke [kinderen]? Dat is een onrechtvaardige verdeling! Het zijn slechts namen, die u en uw vaderen gegeven hebt, tot aan: [...] aan wie Hij wil en met wie Hij tevreden is [53:21-26] - dat wil zeggen: hoe kan de voorspraak van jullie godinnen bij Hen dan ergens goed voor zijn?
       Toen de openbaring kwam die de influistering van de Satan aan de Profeet afschafte zei Koeraisj: `Mohammed heeft spijt gekregen van wat hij heeft gezegd over de positie van onze godinnen bij God; hij heeft het veranderd en is met iets anders gekomen.' De twee zinnen die Satan de Profeet in de mond had gelegd waren op ieders lip, en nu werden de heidenen nog kwaadaardiger en gewelddadiger tegen de moslims en volgelingen van de Profeet.
        De gezellen van de Profeet, die EthiopiŽ hadden verlaten op het gerucht dat de Mekkanen tot de islam waren overgegaan door zich samen met de Profeet ter aarde te werpen, waren al dicht bij Mekka toen zij hoorden dat het bericht onjuist was. Geen van hen kwam Mekka binnen dan hetzij met hulp van een beschermer, hetzij heimelijk. Onder degenen die naar Mekka kwamen en daar bleven tot zij emigreerden naar Medina waren uit de stam Abd Sjams: Oethmaan ibn Affaan met zijn vrouw Roekajja, de dochter van de Profeet, Aboe Hoedzaifa ibn Oetba met zijn vrouw Sahla bint Soehail, en een aantal anderen, in totaal drieŽndertig personen.

Twee wonderen
Top

In de koran wordt meermalen gesproken over wonderen van de profeten, die hun boodschap kracht bijzetten. Evenals in de evangeliŽn vraagt het volk 'om een teken'. Wanneer dat inderdaad geschiedt geldt dat als bewijs dat de boodschap van die profeet waar is en zijn zending echt. Wanneer de Koeraisjieten aan Mohammed om een wonder vragen, blijft dat echter volgens de koran achterwege. Als reden daarvoor wordt gegeven dat Mohammed slechts een gewoon mens is, of dat de heidenen zo halsstarrig zijn dat zij zelfs na een wonder nog niet zouden geloven; elders heet het dat een wonder niet nodig is, omdat het geloof niet door wonderen wordt bewerkt, maar door God. Bovendien zijn er de wonderen van de schepping en is er de Schrift zelf, die het grootste wonder is: zelfs de mensen en de djinns tezamen zouden niet zoiets kunnen voortbrengen als de koran [17:88].
        Dit alles neemt niet weg dat er in de koran toch enkele, en daarbuiten zelfs talloze wonderen van Mohammed worden verhaald. Enige `tekenen van het profeetschap' in Mohammeds vroege jeugd zijn reeds ter sprake gekomen. De profetenlegende wemelt verder van de wonderbare spijzigingen, wonderen met bomen, blijken van helderziendheid enzovoort.
       Tot de vaste gemeenplaatsen in een bepaald type wonderverhalen behoort de uitdaging. De Profeet kondigt aan: 'Ik ga dat-en-dat wonder doen,' en impliceert daarmee: 'Doe het me eens na, als je kunt!' De tegenstander kan het niet en het gelijk van de Profeet is bewezen. Door de uitdaging krijgt het wonder een min of meer publiek karakter. Het voltrekt zich als een soort godsoordeel.

       Mijn vader heeft mij verteld: Roekana ibn Abd Jazied, van de stam Abd Manaaf, was de sterkste man van Koeraisj. Op een dag kwam de Profeet hem tegen in een van de rotskloven bij Mekka, alleen.
        'Roekana,' zei hij, 'waarom vrees je God niet en geef je geen gehoor aan mijn oproep?'
       'Als ik wist dat het waar is wat je zegt zon ik je volgen.'
       'Als ik jou op de grond gooi, weet je dan dat het waar is?'
       'Kom maar op,' zei hij en ze begonnen te worstelen. De Profeet kreeg hem in een houdgreep en legde hem neer, zonder dat hij iets kon uitrichten.
       `Doe dat nog eens, Mohammed,' zei hij, en deze gooide hem nog eens op de grond.
       'Dat is vreemd,' zei hij, 'krijg jij mij echt op de grond?'
        'Ik kan je nog iets vreemders laten zien als je wilt, als jij dan God zult vrezen en mij zult volgen.'
        'Wat dan?'
       'Als ik deze boom hier roep komt hij naar mij toe.'
        'O ja? Doe het dan eens!' zei hij. De Profeet riep de boom en deze kwam naar voren tot hij vlak voor hem stond. Toen zei hij: `Ga terug naar je plaats!' en dat deed de boom.
       Roekana ging naar zijn stamgenoten en zei: 'Met die kerel kun je de hele wereld betoveren; ik heb nog nooit iemand gezien met sterkere toverkracht dan hij,' en toen vertelde hij wat hij had meegemaakt.

De nachtreis en de hemelreis
De spotters
Top

Mohammed heeft volgens de legende twee wonderbaarlijke reizen gemaakt: een nachtelijke reis naar de `Verste Moskee', die door velen wordt gelijkgesteld met de tempel van Jeruzalem, en een hemelvaart. Soms lopen de overleveringen aangaande beide reizen door elkaar. Het thema is hetzelfde: een wonderbaarlijke reis, gedurende welke de Profeet kennis opdoet van het bovenzinnelijke. Naarmate de overleveringen daarover aangroeiden, kwamen er steeds meer elkaar uitsluitende gegevens. Traditionele theologen stellen vaak geen prijs op tegenstrijdigheden in de overlevering. Zij trachten dan of te harmoniseren, door te verklaren dat de beide versies toch hetzelfde willen zeggen, ůf zij stellen het zo voor dat de beschreven gebeurtenissen twee of meer maal hebben plaatsgehad. Ibn lshaak harmoniseert niet, maar biedt de twee hoofdstromen in de overlevering keurig gescheiden aan, alsof de beide verzen dadelijk na elkaar hebben plaatsgehad. Het verhaal over de hemelvaart wordt bij hem niet, zoals elders dikwijls het geval is, voorafgegaan door het bericht over `het splijten van de buik', daar hij dat motief reeds in Mohammeds vroege jeugd had geplaatst. Een spoor hiervan is mogelijk nog terug te vinden, waar Mohammeds nicht Oemm Hani' op zijn buik allerlei rimpels ontdekt, die misschien de littekens zijn van de `splijting'.
       In de hier bijeengebrachte fragmenten over de beide reizen en de discussies daarover zijn de volgende hoofdlijnen te ontdekken:
       -De beschrijving van hemel en hel. In de koran wordt de gelovigen het paradijs beloofd en de ongelovigen de hel. Het spreekt vanzelf dat de toegesprokenen wilden weten hoe deze plaatsen eruitzagen en hoe het er toeging. Wie anders had hun met gezag daarover kunnen vertellen dan de Profeet, die er zelf was geweest? Deze verhaalstof, die zich later aanzienlijk heeft uitgebreid, speelde een belangrijke rol in de prediking. Predikers hebben de gelovigen opgewekt het goede te doen met het oog op de beloning. In de beschrijving van het mooie meisje wordt deze wel zeer aanschouwelijk voorgesteld. Hun aansporingen om het kwade na te laten en te treuren over de zondige staat van de mens hebben zij kracht bijgezet met nauwkeurige beschrijvingen van de helse martelingen, die de straf zijn voor het kwaad.
       -Mohammed temidden van de andere profeten. Mohammed gaat Ibrabiem, Moesa en Iesa voor in de salaat. Ibrahiem lijkt het meest op Mohammed; niet Moesa, zoals sommige moslims afleidden uit Deuteronomium 18:15. Ibrahiem bevindt zich in de hoogste hemel; Moesa en Haroen komen direct na hem, Iesa is vrij laag geplaatst, althans in deze versie van het verhaal. Het belangrijkste is dat Mohammed de voornaamste onder hen is, en dat Ibrahiem voornamer is dan de profeten van joden en christenen. Inderdaad grijpt reeds de koran terug op het monotheÔsme van Ibrahiem. Terwijl christenen en joden volgens de koran de ware godsdienst hebben verbasterd, heeft God hem door Zijn openbaring aan Mohammed juist weer in de oorspronkelijke staat gebracht.
       -De Wet ontvangen uit Gods handen. Het bericht over de instelling van de salaat in de hemel herinnert vaag aan het opklimmen van de bijbelse Mozes (in Exodus 19 en 24) tot God om uit Zijn hand de Wet te ontvangen.
       -De hemelreis als wonder: geloof en ongeloof. De teksten die we bij Ibn Ishaak vinden in samenhang met de hemelreis vertonen duidelijk de sporen van discussies over de vraag of Mohammeds reizen echt gebeurd zijn of veeleer een droom of visioen zijn geweest. De overleveringen van anderen worden afgewisseld met beschouwingen van Ibn Ishaak zelf-herkenbaar door het ontbreken van een overleveringsketen - waarin deze zich een bedreven theoloog toont. Nog sterker wordt het wonderkarakter van de reizen benadrukt door het kader waarbinnen Ibn Ishaak zijn stof plaatst: deze wordt voorafgegaan door een kort bericht over 'spotters' die Mohammeds boodschap niet geloofden. Achteraf vernemen wij hoe deze spotters gruwelijk zijn gestraft. Deze stof hangt oorspronkelijk niet samen met de hemelreisverhalen; toch zal Ibn Ishaak wel een reden hebben gehad om ze juist hier te plaatsen. In de koran wordt verhaald hoe de ongelovigen Mohammed vroegen om wondertekenen: Wij zullen pas aan u geloven wanneer u [...] in de hemel opklimt [17:90-93]. Welnu, zelfs toen dit wonder inderdaad geschiedde geloofden zij nog niet, lijkt Ibn Ishaak te willen uitdrukken.

       Ik heb horen zeggen dat de Profeet Walied ibn Moeghiera, Oemajja ibn Chalaf en Aboe Djahl ibn Hisjaam tegenkwam en dat zij hem lastig vielen en de spot met hem dreven. Daarom openbaarde God over hen: Al voor jou is er spot gedreven met gezanten, maar de spotters zijn omsloten door hetgeen waarmee zij spot gedreven hadden. [6:10]

        Toen werd de Profeet op een nacht van de Heilige Moskee gevoerd naar de Verste Moskee, dat is de tempel van Aelia [Jeruzalem]. Dat gebeurde toen de islam al was verbreid in Mekka, onder Koeraisj en alle andere stammen.
       Het verhaal over deze nachtreis is mij overgeleverd van Abdallah ibn Mas'oed, Aboe Sa'ied al-Choedri, A'isja de vrouw van de Profeet, Moe'awia ibn abi Soefjaan, Hasan al-Basri, az-Zoehri, Katada en andere geleerden, en van Oemm Hani' bint abi Talib. Het is samengevat in het volgende verhaal, waarin van iedereen iets is opgenomen over de gebeurtenissen tijdens de nachtreis.
       In het verhaal van de nachtreis en wat daarover is gezegd ligt een beproeving; het is een zaak van Gods grootheid en almacht, een les voor mensen met inzicht, een richtsnoer, een genade en een zekerheid voor hen die geloven.
       Het was zonder twijfel een grote daad Gods. Hij heeft de Profeet de nachtreis laten maken op de manier die Hij wilde, om hem de tekenen te laten zien die Hij wilde, zodat hij met eigen ogen iets heeft aanschouwd van Zijn heerlijkheid en almacht waardoor Hij doet wat Hij wil.

       Naar ik verneem vertelde Abdallah ibn Mas'oed het als volgt: Boeraak, het rijdier waarop de vroegere profeten hadden gereden, en dat met iedere hoefslag zover kwam als zijn oog reikte, werd bij de Profeet gebracht en hij werd erop gezet. Djibriel begeleidde hem en toonde hem de tekenen die tussen hemel en aarde zijn, tot hij bij Jeruzalem kwam. Daar vond hij Ibrahiemn, de vriend Gods, en Moesa en Iesa, temidden van enkele andere profeten die daar bijeengebracht waren voor hem, en hij ging hen voor in de salaat. Toen werden hem drie vaten voorgezet, ťťn met melk, ťťn met wijn en ťťn met water. De Profeet zelf heeft daarover verteld: lk hoorde een stem die sprak: 'Als hij het water neemt zal hij verdrinken en zijn volk evenzo. Als hij de wijn neemt zal hij afdwalen en zijn volk evenzo. Als hij de melk neemt zal hij op de rechte weg geleid worden en zijn volk evenzo.' Dus nam ik het vat met melk en dronk ervan, waarop Djibriel sprak: `Jij bent recht geleid, Mohammed, en je volk even zo!'

        Hasan geeft dit verhaal van de Profeet: Terwijl ik sliep binnen de omheining van het heiligdom kwam Djibriel bij mij en stootte mij aan met zijn voet. Ik ging overeind zitten maar ik zag niets en ging weer liggen. Hij kwam nogmaals hij mij en stootte me aan met zijn voet. Weer ging ik overeind zitten, maar ik zag niets en ging dus weer liggen. Tenslotte kwam hij voor de derde maal en stootte me aan met zijn voet. Toen ik nu overeind ging zitten greep hij mij bij mijn bovenarm. Ik stond op en hij bracht mij naar buiten, naar de deur van de moskee. Daar stond een wit rijdier, iets tussen een muildier en een ezel in, met vleugels aan zijn flanken waarmee het zijn achterpoten aandreef terwijl het zijn voorpoten telkens neerzette tot waar zijn oog reikte. Daar zette hij mij op en hij voerde mij mee en bleef voortdurend dicht bij mij.

        Van Katada zijn mij deze woorden van de Profeet overgeleverd: Toen ik naar het dier toeliep om op te stijgen werd het schichtig. Djibriel legde zijn hand op zijn manen en zei: `Schaam je je niet, Boeraak, je zo te gedragen? Je bent nog nooit door iemand bereden die hoger aangeschreven stond bij God dan Mohammed.' Het dier schaamde zich zo dat het zweet hem uitbrak: toen stond het stil, zodat ik kon opstijgen.

        Hasans versie gaat verder: De Profeet reed samen met Djibriel tot Jeruzalem. Daar vond hij Ibrahiem, Moesa en Iesa temidden van enkele andere profeten. De Profeet trad op als imam en ging hun voor in de salaat. Vervolgens werden hem twee vaten gebracht, het ene met wijn en het andere met melk. De Profeet liet het vat met wijn staan, maar hij nam het vat met melk en dronk eruit. Toen sprak Djibriel: `Jij bent recht geleid tot hetgeen waartoe God je geschapen heeft, en jouw volk evenzo. Wijn is jullie verboden.'
       Toen keerde de Profeet terug naar Mekka, en de volgende ochtend vertelde hij zijn stamgenoten wat hem was overkomen. De meeste mensen zeiden: `Dit is volkomen onzin! Een karavaan doet een maand over de reis van Mekka naar SyriŽ, en ook nog een maand over de terugreis, en Mohammed zou dat heen en terug in ťťn nacht hebben gedaan?' Velen die reeds moslim waren geworden werden toen afvallig. Sommige mensen gingen naar Ahoe Bakr en zeiden: `Wat vind jij nu van je vriend, Aboe Bakr? Hij beweert dat hij vannacht naar Jeruzalem is geweest, daar de salaat heeft verricht en weer terug is gekomen naar Mekka!' Aboe Bakr antwoordde dat ze logen, maar toen zij zeiden dat de Profeet er op datzelfde ogenblik over aan het vertellen was in de moskee, zei hij: 'Als hij het zelf zegt, dan is het waar! En wat is daar zo vreemd aan? Hij vertelt mij immers ook dat er mededelingen tot hem komen van God, van de hemel naar de aarde, in een uur, en dan geloof ik hem toch ook, en dat is vreemder dan dat waar jullie nu zo versteld van staan.' Daarop begaf hij zich naar de Profeet en vroeg hem of het waar was. Toen deze het hem bevestigde zei hij: 'Beschrijf vrij Jeruzalem dan eens, want ik ben er geweest.' (De Profeet zei: `Het werd mij in een gezicht getoond, zodat ik het in de verte zag.') De Profeet begon, en telkens als hij iets beschreef zei Aboe Bakr: 'Dat is waar. lk belijd dat u de gezant van God bent.' Ten slotte zei de Profeet: 'En jij bent Ahoe Bakr al-siddiek (die de waarheid belijdt).' Op die dag kreeg hij de bijnaam al-siddiek.
       Over degenen die naar aanleiding hiervan afvielen van de islam heeft God geopenbaard: Wij hebben het gezicht dat wij je hebben laten zien slechts gemaakt tot een verzoeking voor de mensen, en ook de in de koran vervloekte boom. Wij willen hun angst aanjagen, maar het vergroot slechts hun overmoed. [17:60]
        Dat was Hasans verhaal over de nachtreis van de Profeet, met toevoegingen van Katada.
       Iemand uit Aboe Bakrs familie heeft mij verteld dat A'isja, de vrouw van de Profeet, altijd zei: `Het lichaam van de Profeet is niet weg geweest, maar God heeft zijn geest de nachtreis laten maken.'
       Ja'koeb ibn Oetba verhaalt: Moe'awia ibn abi Soefjaan zei altijd, als hem werd gevraagd naar de nachtreis van de Profeet: `Het was een waarachtig droomgezicht van God.'
        Deze beide laatste opvattingen zijn niet in tegenspraak met wat Hasan zegt, gezien het vers waarin God spreekt: Wij hebben het gezicht dat wij je hebben laten zien slechts gemaakt tot een verzoeking voor de mensen [17:60] noch met het woord Gods in het verhaal over Ibrahiem waarin deze tot zijn zoon zegt: Mijn zoon, ik heb in de droom gezien dat ik je moet slachten [37:102], en dat ook doet. Dus voor zover ik het begrijp komt de openbaring van God tot de profeten zowel wanneer zij waken als wanneer zij slapen.
       Ik heb gehoord dat de Profeet altijd zei: `Mijn ogen slapen terwijl mijn hart waakt.' Alleen God weet hoe het tot hem kwam en hoe hij die dingen heeft gezien, krachtens Gods beschikking. Maar of hij nu waakte of sliep, het is allemaal waar en echt gebeurd.

        Az-Zoehri heeft beweerd, op gezag van Sa'ied ihn Moesajjab, dat de Profeet aan zijn gezellen een beschrijving heeft gegeven van Ibrahiem, Moesa en Iesa, die hij in die nacht gezien heeft: 'Ik heb nog nooit iemand gezien die meer op mij leek dan Ibrahiem. Moesa was een man met een rossig gezicht, lang en mager, met krulhaar en een kromme neus, alsof hij tot de stam Sjanoe'a behoorde. Iesa de zoon van Marjam was een roodachtige man, van middelbare lengte, met glad haar en veel vlekken in zijn gezicht, alsof hij juist uit het badbuis was gekomen; het leek alsof het water van zijn hoofd droop, maar dat was niet zo. Degene van jullie die het meest op hem lijkt is Oerwa ibn Mas'oed, uit de stam Thakief.'

        Uit het verhaal van Oemm Hani' bint abi Talib het volgende. Zij zei altijd: De Profeet heeft alleen een nachtreis gemaakt vanuit mijn huis. Die nacht sliep hij bij mij. Hij had de late avond-salaat verricht en daarna was hij gaan slapen en wij ook. Kort voordat het dag werd maakte hij ons wakker en nadat we samen de ochtend-salaat hadden verricht, zei hij: `Oemm Hani', ik heb de late avond-salaat verricht met jullie, in dit dal, zoals je gezien hebt. Toen ben ik naar Jeruzalem geweest; daar heb ik de salaat verricht en de ochtend-salaat heb ik weer met jullie verricht, zoals je weet.' Toen stond hij op om naar buiten te gaan en ik greep het uiteinde van zijn kleed, zodat zijn buik bloot kwam, en die zag eruit als een geplooid Koptisch kleed. lk zei: 'Profeet, praat hier met niemand over, want ze zullen je voor leugenaar uitmaken en uitschelden.' Maar hij antwoordde: 'En ůf ik het ze ga vertellen!' Toen zei ik tegen een Ethiopisch slavinnetje van mij: 'Vooruit, ga de Profeet achterna en luister wat hij de mensen vertelt en wat zij daarop te zeggen hebben!' De Profeet ging naar buiten en vertelde de mensen wat hem overkomen was. Zij waren heel verbaasd en vroegen: `Wat voor bewijs heb je daarvoor, Mohammed? want zoiets hebben wij nog nooit gehoord!' Hij zei: 'Het bewijs ervoor is dat ik de karavaan van de stam zo-en-zo ben gepasseerd in het dal daar-en-daar; zij schrokken van het geluid van het rijdier zodat een van hun kamelen op hol sloeg en ik heb hun gewezen waar die was. Dat gebeurde toen ik op weg was naar SyriŽ. Ik reisde verder tot ik bij de berg Dadjnaan een karavaan van de mannen van de stam zo-en-zo passeerde, die ik slapende aantrof. Zij hadden een kruik water, die zij ergens mee hadden afgedekt. Ik haalde het deksel eraf en dronk hem leeg; toen deed ik het deksel er weer op. En ten bewijze daarvan zeg ik jullie dat hun karavaan op het ogenblik aan het afdalen is van dc heuvel Baidaa', naar de' Tan'iem-pas, en voorop loopt een asgrijze kameel, beladen met twee grote zakken, waarvan de ene zwart is en de andere tweekleurig.'
       Men haastte zich naar die pas en de eerste kameel die zc tegenkwamen zag eruit zoals hij beschreven had. Ze vroegen de mannen naar die kruik, en dezen vertelden dat zij hem vol water hadden weggezet, met een deksel erop, en dat zij hem de volgende morgen wel met deksel en al hadden aangetroffen, maar dat er geen water meer in zat. Later is er ook navraag gedaan hij de mannen van die andere karavaan, toen die in Mekka waren. Zij zeiden: `Zo is het inderdaad gegaan: in het dal dat hij noemt zijn wij ergens van geschrokken en sloeg er een kameel op hol; toen hoorden wij de stem van een man die ons wees waar hij was, zodat wij hem weer te pakken kregen.'

       Iemand over wie ik geen twijfel koester heeft mij verteld dat hij heeft vernomen van Aboe Sa'ied al-Choedri: Ik heb de Profeet horen zeggen: Nadat mij dit in Jeruzalem was overkomen werd mij een ladder gebracht. lets mooiers dan die heb ik nog nooit gezien. Het was de ladder waarop een stervende zijn oog gericht houdt wanneer de dood nabij is. Djibriel voerde mij daarlangs omhoog tot wij bij een der hemelpoorten kwamen, die de Poort der Wachters heette. Hierover was een engel gesteld genaamd lsma'iel, en onder hem stonden twaalfduizend engelen, die elk weer twaalfduizend engelen onder zich hadden. Hier gekomen met zijn verhaal zei de Profeet: En niemand kent de legerscharen van uw Heer dan Hij alleen. [74:31]
       Toen ik werd binnengeleid vroeg de engel: 'Wie is dit, Djibriel?'
       'Het is Mohammed.'
        `Is hij al gezonden?'
       `Ja.'
       Daarop zegende de engel mij.
        Volgens een geleerde, die het weer van iemand anders had, heeft de Profeet verteld: Alle engelen die ik tegenkwam toen ik de laagste hemel binnenging lachten blij en wensten mij goeds, behalve ťťn, die wel hetzelfde zei als de anderen, maar er niet bij lachte, en bij wie ik geen vreugde zag. Ik vroeg Djibriel waarom niet en hij antwoordde: `Als hij ooit naar iemand had gelachen of dat later ooit nog zou doen, dan zou hij zeker naar je lachen, mmar hij lacht nooit; het is Malik, de hellewachter.' Ik vroeg aan Djibriel - die immers bij God een plaats inneemt zoals beschreven in Gods woord: die daargehoorzaamd en vertrouwd wordt [18:21]: 'Wil je hem niet bevelen mij de hel te tonen?' Hij zei: 'Wel zeker! Malik, toon Mohammed de hel!' Daarop nam deze het deksel eraf en het vuur laaide zo hoog op dat ik dacht dat het al wat ik zag zou verteren. Dus vroeg ik Djibriel hem te bevelen het vuur terug laten gaan en dat deed hij. Dat teruggaan kan ik alleen vergelijken met het vallen van een schaduw. Toen het vuur was teruggegaan naar waar het vandaan was gekomen, plaatste Malik het deksel er weer op.

        Het verhaal van Aboe Sa'ied vervolgt: De Profeet zei: Toen ik de laagste hemel binnenging zag ik daar een man zitten aan wie de geesten der mensen voorbij werden geleid. Bij sommige geesten riep hij: 'Goed zo!' en dan zei hij blij: 'Een goede geest uit een goed lichaam!' maar hij andere riep hij: `Bah!' en dan zei hij fronsend: 'Een slechte geest uit een slecht lichaam!' Toen ik Djibriel vroeg wie dat was zei hij: 'Dit is uw vader Adam, aan wie de geesten van zijn nageslacht voorbijtrekken; met de geest van een gelovige is hij blij, maar van de geest van een ongelovige walgt hij, en dan zegt hij dat.'
       Toen zag ik mannen met hanglippen als kamelen; in hun handen hadden zij stukken vuur als vuistgrote stenen, die zij in hun mond wierpen en die er van achteren weer uitkwamen. Ik vroeg Djibriel wie dat waren, en hij antwoordde, dat het de mensen waren die onrechtmatig het bezit van de wezen hadden verteerd.
       Toen zag ik mannen met buiken zoals ik ze nog nooit had gezien, die werden gestraft op de wijze van het geslacht van Farao, [40:46] terwijl zij aan het vuur werden blootgesteld liepen er wezens over hen heen als dorstige kamelen; ze trapten op hen zonder dat zij van hun plaats konden komen. Djibriel zei mij dat dit de woekeraars waren.
       Toen zag ik mannen die mager, stinkend vlees voor zich hadden staan en vet, smakelijk vlees ernaast, maar alleen van het stinkende vlees konden zij eten. Dit waren degenen die niet de vrouwen namen die Cod hun toestond, maar vrouwen naliepen die God hun verbood.
       Toen zag ik vrouwen die waren opgehangen aan hun borsten. Dit waren de vrouwen die hun man een kind geschonken hadden waarvan hij niet de vader was.
        Toen voerde hij mij omhoog naar de tweede hemel, en daar waren de twee neven: Iesa de zoon van Marjam en Jahja de zoon van Zakaria.
        Toen voerde hij mij omhoog naar de derde hemel, en daar was een man met een gelaat zo schoon als de maan wanneer die vol is. lk vroeg Djibricl wie het was en hij antwoordde: 'Dit is uw broeder Joesoef, de zoon van Ja'koeb.'
       Toen voerde hij mij omhoog naar de vierde hemel, en daar was een man van wie Djibriel zei dat het Idries` was: En Wij hebben hem venheven naar een hoge plaats. [19:57]
        Toen voerde hij mij omhoog naar de vijfde hemel, en daar was een man met wit haar en een lange witte baard; nooit heb ik een man gezien die mooier was dan hij. Djibriel zei: 'Dit is de meest geliefde onder zijn volk: Haroen, de zoon van Imraan.'
        Toen voerde hij mij omhoog naar de zesde hemel, en daar was een donkere, lange man met een kromme neus, die eruitzag als iemand van de stam Sjanoe'a. Djibriel zei: `Dit is uw broeder Moesa, de zoon van Imraan.'
       Toen voerde hij mij omhoog naar de zevende hemel, en daar was een man die op een stoel zat bij de poort van het Eeuwige Verblijf; waardoor iedere dag zeventigduizend engelen naar binnen traden, die daar niet zouden terugkeren voor de dag der Opstanding. Nooit heb ik iemand gezien die zo op in mij leek als hij. Djibriel zei: `Dit is uw vader Ibrahiem.'
       Toen voerde hij mij het paradijs binnen, en daar zag ik een meisje met donkerrode lippen. Ik vroeg haar voor wie zij was, want zij beviel mij zeer, en ze antwoordde: `Voor Zaid ibn Haritha.'
        Dat goede nieuws bracht de Profeet aan Zaid over.

       Aan het bericht van Abdallah ibn Mas'oed ontleen ik het volgende: Telkens als Djibriel hem omhoog voerde naar een volgende hemel werd hem, als hij toestemming vroeg om binnen te treden, gevraagd wie hij bij zich had. Dan zei hij: 'Mohammed,' en als hij dan hun vraag of hij reeds gezonden was bevestigend beantwoordde, zeiden zij: `God schenke hem leven, deze broeder en vriend!' tot hij hem naar de zevende hemel voerde, en ten slotte naar zijn Heer, die hem vijftig saiaats per dag oplegde.
        De Profeet heeft daarover verteld: Op de terugweg kwam ik langs Moesa, en wat een goede vriend was hij voor jullie! Hij vroeg mij: 'Hoeveel salaats zijn je opgelegd?'
       `Vijftig salaats per dag.'
       `De salaat is een zware last, en je volk is zwak. Keer dus terug naar de Heer en vraag Hem, jou en je volk verlichting te schenken.'
        Dat deed ik, en Hij nam er tien af. Toen ik weer langs Moesa kwam zei hij dat weer, en zo ging het door tot er nog maar vijf salaats over waren. Maar toen ik daarop weer bij Moesa kwam en hij mij nogmaals dezelfde raad gaf, antwoordde ik: `lk ben nu zo dikwijls teruggegaan naar mijn Heer om dat te vragen, dat ik mij schaam; nu doe ik het niet meer.'
       Ten slotte zei de Profeet: 'Ieder van jullie die deze vijf salaats verricht in geloof en vertrouwen op de beloning, die zullen er vijftig vergolden worden.'

        De Profeet hield zich aan Gods opdracht, volhardend en vertrouwend op de beloning, en bleef zijn stamgenoten vermanen, ondanks hun spot en hun aantijgingen. De ergste spotters, zo vertelt Jazied ibn Roemaan, die het gehoord heeft van Oerwa ibn Zoebair, waren vijf mannen die in hoog aanzien stonden bij hun stam.
       Toen zij in het kwaad volhardden en de Profeet voortdurend bespotten, openbaarde God: Verkondig wat je bevolen wordt en wend je af van de heidenen. Wij geven je hulp tegen de spotters, die naast God een andere god stellen. Zij zullen het weten! [15:94-96]
       Jazied vernam van Oerwa (of een andere geleerde): Djibriel kwam bij de Profeet toen die spotters juist een ommegang rond het heiligdom maakten; hij ging erbij staan, naast de Profeet. Toen Aswad ibn Moettalib langskwam gooide Djibriel hem een groen blad in zijn gezicht, waarop hij blind werd.
       Daarna kwam Aswad ibn Abd Jagoeth eraan; Djibriel wees naar zijn buik, waarop deze opzwol en hij stierf aan waterzucht. Daarna kwam Walled ibn Moeghiera langs, en bij hem wees Djibriel naar het litteken van een wond onder aan zijn enkel - een schram die hij jaren tevoren had opgelopen, toen hij lange een man van Choezaa'a was gelopen die juist een pijl aan het vederen was; de pijlpunt was blijven haken aan zijn kleed en had zijn voet geschramd. Het was een wond van niets, maar deze wond ging weer open, en hij stierf eraan. Daarna kwam al-Aas ibn Wa'il voorbij. Djihriel wees naar zijn voetzool, en toen hij met zijn ezel op weg was naar Ta'if en het dier even aan een doornige boom vastbond, drong er een doorn in zijn voetzool, waaraan hij stierf. Ten slotte kwam Harith ibn Toelatila voorbij: Djibriel wees naar zijn hoofd, dat zich vulde met etter, zodat hij stierf.

Mohammeds bezoek aan Ta'if
Top

Kort na elkaar overleden Mohammeds vrouw Chadiedja en Aboe Talib, het hoofd van de clan Haasjim, de oom en beschermer van de Profeet. Het leiderschap van Haasjim ging nu over op Aboe Lahab, die echter al spoedig weigerde Mohammed bescherming te bieden. Dit was een zware slag, want nu behoorde de Profeet tot de 'zwakkeren': leden van andere clans konden hem aanvallen zonder vrees voor wraak. Ook werd het nu onwaarschijnlijk dat er nog Mekkanen zouden overgaan tot de islam, die immers een verloren zaak leek. In de koran (soera III) staat dan ook een daverende vloek aan het adres van Aboe Lahab.
       Mohammed moest nu wel steun zoeken buiten Mekka. Hij probeerde het eerst in Ta'if; een oase en handelsplaats ten zuidoosten van Mekka, op de route naar Jemen. Ta'if had een gunstiger klimaat dan Mekka: er was land- en tuinbouw mogelijk. Sommige Mekkanen hadden er grond, zoals Oetba en Sjaiba uit het verhaal hieronder. De hoofdbewoners van Ta'if waren de Thakifieten. Bij deze stam hoopte Mohammed een nieuwe beschermer te vinden, maar tevergeefs. De wanhoop die hiervan het gevolg moet zijn geweest, wordt prachtig verwoorden het verhaal over de djinns.
       De Profeet heeft vervolgens even buiten Mekka met verschillende stamhoofden onderhandeld over zijn bescherming. Ten slotte vond hij Moet'im ibn Adi, het hoofd van de clan Naufal, bereid als zijn beschermer op te treden en kon hij zich weer in Mekka vertonen. Ook heeft hij pogingen gedaan om leden van nomadische stammen voor de islam te winnen, echter zonder succes.

       Omdat Koeraisj na de dood van Mohammeds oom Aboe Talib vijandiger was dan ooit ging de Profeet naar Ta'if om hulp en bescherming te zoeken bij de stam Thakief. Ook hoopte hij dat zij ontvankelijk zouden zijn voor de boodschap van God die hij hun bracht. Hij ging alleen.

       Jazied ibn Ziaad heeft gehoord van Moehammad ibn Ka'b de Koeraziet: Toen de Profeet in Ta'if was aangekomen benaderde hij enkele Thakifieten die toentertijd de leiders en edelen van hun stam waren. Het waren drie broers: Abd Jalail, Mas'oed en Habieb, zonen van Amr ibn Oemair: een van hen was getrouwd met een Koeraisjitische vrouw uit de stam Djoemah. De Profeet ging bij hen zitten, riep hen op zich tot God te bekeren en vroeg hun om steun tegen zijn stamgenoten. Een van hen zwoer: 'Als God jou heeft gezonden, dan ruk ik de kleden van de Kaaba!' De tweede zei: 'Had God niet iemand anders kunnen vinden?' De derde zei: `lk zeg maar helemaal niets, want als je echt een gezant van God bent, zoals je zegt, ben je veel te belangrijk om mijn antwoord aan te horen, en als je liegt tegen God hoef ik zeker niet tegen je te praten.' De Profeet ging weg en gaf de hoop op dat hij bij Thakief iets zou bereiken. Naar verluidt zei hij nog tegen hen: 'Het zij zo, maar houd de zaak wel geheim!' want hij had liever niet dat zijn stamgenoten ervan zouden horen, omdat ze dan nog harder tegen hem zouden optreden. Maar dat deden ze niet en ze hitsten de straatjongens en de slaven op om hem na te roepen en lastig te vallen; het volk liep te hoop en joeg hen op, zodat hij gedwongen was de wijk te nemen in een tuin van Oetba ibn Rabie'a en zijn broer Sjaiba, die daar aan het werk waren. De straatjongens die hem achterna zaten gingen terug en hij ging in de schaduw van een wijnstok zitten, terwijl de beide mannen hem gadesloegen en zagen hoe het gepeupel hem lastig viel. Er is mij verteld dat de Profeet die vrouw uit de stam Djoemah nog heeft ontmoet en tegen haar heeft gezegd: `Wat doet je schoonfamilie ons aan?'
       Toen de Profeet in veiligheid was bad hij, naar verluidt aldus: `O God, tot U klaag ik over mijn zwakheid, mijn uitzichtloosheid en mijn lage staat onder de mensen. O meest barmhartige, U bent de Heer der zwakken, U bent mijn Heer. Aan wie zult U mij overleveren? Aan iemand ver weg, die mij grof behandelt? Of aan een vijand die U macht over mij geeft? Als U niet boos op mij bent deert het mij niet. Maar Uw gunst is ruimer voor mij. lk zoek mijn toevlucht in het licht van Uw aanschijn, waardoor de duisternis wordt verlicht en deze en de komende wereld juist worden geordend, opdat uw torn niet over mij neerdale en Uw gramschap mij niet treffe. U is de genoegdoeting tot het U wel is; er is geen kracht en geen macht buiten U.'
        Toen Oetba en Sjaiba zagen hoe hij eraan toe was kregen zij medelijden. Ze riepen een jonge christenslaaf van hen, die Addaas heette, en zeiden hem dat hij een tros druiven op een schaal moest doen en naar hem toe moest brengen. Hij zette ze voor hem neer en de Profeet zei toen hij ervan wilde nemen: 'In naam van God; voordat hij ervan at.
       Addaas keek hem aan en zei: `Maar dat zeggen de mensen in dit land nooit!'
       `Uit welk land kom jij dan, Addaas, en wat is je godsdienst?'
        'Ik ben christen en kom uit Ninevť.'
       `Uit de stad van de rechtvaardige Joenoes, de zoon van Mattai.'
        `Maar hoe weet u wie Joenoes was?'
       `Hij is mijn broeder; hij was een profeet en ik ben ook een profeet.'
        Daarop boog Addaas zich naar hem over en kuste zijn hoofd, zijn handen en zijn voeten. Toen de twee broers dat zagen zei de een tegen de ander:' Die slaaf van jou heeft hij al bedorven,' en toen Addaas terugkwam zeiden ze tegen hem: `Stommeling, waarom kus je die man zijn hoofd en zijn handen en zijn voeten?
       'Mijn heer, er is op aarde geen beter mens dan hij; hij heeft mij iets verteld dat alleen een profeet kan weten.'
       'Addaas nog aan toe, laat hij je niet van je godsdienst afbrengen, want die is beter dan de zijne.'

       De Profeet wilde teruggaan naar Mekka, omdat hij de hoop had opgegeven bij Thakief iets te bereiken. In Nachla gekomen stond hij midden in de nacht op om de sslaat te verrichten, en daar kwamen enige djinns voorbij, die God genoemd heeft in de Schrift. Het waren, naar mij is verteld, zeven djinns uit Nasibien. Zij luisterden naar hem en toen hij zijn salaat beŽindigd had keerden zij terug naar hun soortgenoten om hen te waarschuwen, want zij geloofden en gaven gehoor aan wat zij hoorden. God heeft over hen verteld in Zijn boek: En toen Wij enige djinns naar jou toezonden om naar de koran te luisteren, tot de woorden: [...] en u beschermen tegen een pijnlijke straf. [46:29-31] En elders: Zeg: 'Mij is geopenbaard dat enige djinns hebben toegeluisterd,' [72:1] tot het einde van het verhaal over hen in die soera.

De 'Helpers' uit Medina
Top

De stad vierhonderd kilometer ten noorden van Mekka die thans bekend staat als Medina, of vollediger: Madinat an-Nabi, 'de stad van de Profeet', heette voor Mohammeds emigratie Jathrib. Het was toen nog geen stad, maar een conglomeraat van oases waarin zich versterkte woontorens verhieven. De oudste bewoners van Jathrib schijnen de joodse stammen Koeraiza, Nadier en Kainoekaa' te zijn geweest. Later zouden de Zuid-Arabische stammen Aus en Chazradj zich eveneens te Jathrib hebben gevestigd. Aanvankelijk waren zij cliŽnten van de joden, later was de verhouding omgekeerd. Op de beperkte landbouwgrond dreigde voortdurend oorlog: sluipmoorden, weerwraak en twist om stukken grond waren aan de orde van de dag, en enkele jaren voor de hidzjra was het zelfs tot een grote uitbarsting gekomen. Een sterke man van buiten, die niet tot een van de stammen behoorde, zou boven de strijdende partijen staan en als scheidsrechter kunnen optreden. De komst van Mohammed voorzag voor de bewoners van Medina dus in een duidelijke behoefte.
       Vanuit Medina konden de Mekkaanse karavanen beheerst worden, niet alleen de met handelswaar beladen karavanen in noordelijke richting, maar ook die in omgekeerde richting, die de voedselvoorziening dienden. Mekka was daarvoor namelijk sterk op import aangewezen. Uit Ta'if en Medina kwamen vooral dadels en vruchten, uit SyriŽ graan. Alleen al het idee dat Mohammed deze levensader zon kunnen doorsnijden, moet de Mekkanen nachtmerries hebben bezorgd. Maar zelfs als Mohammed dat aanvankehjk niet van plan was, dan had hij in Medina zichzelf en zijn Emigranten met handel drijven in leven moeten houden. Ook in dat geval zou hij Koeraisj tegenover zich hebben gevonden. Het ligt dan ook voor de hand dat de Koeraisjieten vijandiger werden zodra zij de lucht kregen van Mohammeds verbond met Medina. Op deze tijd hebben de koranverzen betrekking waarin wordt opgeroepen tot de strijd.
       Het bericht over Abbaas' rol in de onderhandelingen bij Akaba is tendentieus. De latere dynastie der Abbasidische kaliefen heeft deze oom van de Profeet tot haar stamvader uitgeroepen en hem postuum opgesierd met de fraaiste eigenschappen. Ten tijde van de ontmoetingen bij Akaba stond Mohammed echter niet onder bescherming van zijn eigen clan. Abbaas heeft in de slag bij Badr nog tegen de moslims gestreden en heeft zich pas bij de verovering van Mekka tot de islam bekeerd.
        De twaalf 'hoofdmannen' van de Helpers worden door Ibn Ishaak vergeleken met de discipelen van Iesa; elders met de twaalf vorsten of hoofdmannen van de stammen van Isra'iel (bijbel Numeri I:44; koran 5:12). De stammen Aus en Chazradj waren niet onderverdeeld in twaalf, maar in drieendertig clans; het idee van twaalf hoofdmannen is literair.
       Moes'ab ibn Oemair gaat naar Medina om koranonderricht te geven, maar zeker ook om verslag uit te brengen over de situatie aldaar.

       Toen God Zijn godsdienst wijd en zijd bekend wilde maken, Zijn profeet wilde sterken en Zijn belofte aan hem wilde vervullen, geviel het dat de Profeet op de jaarmarkt een aantal helpers vond. lederjaar zette hij tijdens de jaarmarkt zijn zaak uiteen aan de Arabische stammen, en ditmaal ontmoette hij bij Akaha een aantal mannen uit de stam Chazradj, met wie God het beste voor had.
       Asim ibn Oemar heeft gehoord van enkele oude mannen uit zijn stam: Toen de Profeet deze mannen ontmoette, vroeg hij wie zij waren, en vernam dat zij tot de stam Chazradj behoorden, bondgenoten van de joden. Hij nodigde hen uit te gaan zitten en riep hen op zich te bekeren tot God: hij legde hun de islam uit en reciteerde de koran. Nu had God hen al voorbereid op de islam, want in Medina woonden zij tezamen met de joden, die Schriften en kennis bezaten, terwijl zij zelf heidenen waren, die beelden dienden. Zij hadden in hun gebied de overhand op de joden, maar als er vijandigheid oplaaide zeiden de joden: `Weldra zal er een profeet gezonden worden. Zijn tijd is nabij; wij zullen hem volgen en jullie doden met zijn hulp, zoals Aad en Iram zijn gedood.'

        Toen zij dan de Profeet hadden aangehoord zeiden zij onder elkaar: `Dit is vast de profeet waarmee de joden ons hebben gedreigd. Laten wij zorgen dat zij niet het eerst hij hem zijn!' Zij gaven dus gehoor aan zijn oproep, zij geloofden hem en werden moslim en zeiden: `Wij hebben onze stam verlaten, want geen stam is zo door baat en nijd verdeeld als de onze. Misschien zal God door uw toedoen de eenheid herstellen. Wij zullen teruggaan, onze mensen opwekken tot uw zaak en hun deze godsdienst voorleggen. Als God ons in deze godsdienst verenigt, zal niemand zo machtig zijn als u.'
        Hierop verlieten zijde Profeet en keerden als gelovigen naar Medina terug. Daar aangekomen spraken zij met hun stamgenoten over de Profeet en riepen hen op de islam aan te nemen. Weldra breidde die zich uit en werd er in alle huizen van deze 'Helpers' gesproken over de Profeet.

        Het jaar daarop verschenen er twaalf 'Helpers' uit Medina op de jaarmarkt te Mekka en ontmoetten de Profeet bij Akaba. Deze ontmoeting heet 'de eerste Akaba'.
       Jazied ibn abi Habieb heeft vernomen van Aboe Marthad ibn Abdallah, en deze weer van Abd ar-Rahmaan ibn Oesaila as-Sanaboehi, die zich beriep op Oebada ibn Samit, die heeft verteld: Ik ben aanwezig geweest bij de eerste Akaba. Wij waren met ons twaalven en wij zwoeren trouw aan de Profeet op de wijze der vrouwen: dat was voordat het oorlog voeren ons was opgelegd. Wij verplichtten ons slechts de ene God te aanbidden, niet te stelen, geen ontucht te bedrijven, onze kinderen niet te doden, niet met zelf verzonnen laster aan te komen en de Profeet niet ongehoorzaam te zijn in wat redelijk is.' [60:12] `Als jullie je daaraan houden' zei de Profeet, 'valt jullie het paradijs ten deel, maar als jullie een van die dingen begaan is het oordeel aan God: als Hij wil straft Hij, en als Hij wil vergeeft Hij.'
        Toen deze mannen de Profeet verlieten, stuurde hij Moes'ab ibn Oemair met hen mee, met de opdracht voor hen de koran te reciteren, de islam te onderrichten en de godsdienst te onderwijzen. Moes'ab werd in Medina 'de lezer' genoemd. Hij woonde bij As'ad ibn Zoerara.
        Asim ibn Oemar heeft mij verteld dat Moes'ab in Medina ook voorging in de salaat, omdat de stammen Aus en Chazradj het niet konden hebben dat iemand uit de andere stam het zou doen.

De Tweede Akaba
Top

Toen keerde Moes'ab naar Mekka terug. In het volgende jaar trokken de Helpers, tezamen met de pelgrims uit hun stam die nog heiden waren, naar Mekka naar de jaarmarkt. Zij spraken af de Profeet in Akaba te ontmoeten op de middelste van de tasjriek-dagen.
        Ma'bad ibn Ka'b ibn Malik heeft mij verteld dat zijn broer Abdallah, een van de best geÔnformeerde mannen onder de Helpers, hem het volgende verhaal heeft gedaan van hun vader, die aanwezig was geweest in Akaba, bij de eed van trouw aan de Profeet:
        Wij gingen ter bedevaart met onze heidense stamgenoten. Wij verrichtten toen al de salaat en hadden onderwijs in het geloofontvangen. Baraa' ibn Ma'roer, onze leider en oudste, ging met ons mee. Toen wij Medina hadden verlaten en aan de tocht waren begonnen, zei Baraa': 'Ik ben tot een overtuiging gekomen waarvan ik niet weet of jullie het ermee eens zijn. Ik vind, dat ik dat gebouw (hij bedoelde de Kaaba) niet mijn rug moet toekeren tijdens de salaat, maar mij ernaar toe moet wenden.' Wij brachten daartegen in dat de Profeet, voor zover wij wisten, zich altijd naar SyriŽ richtte bij de salaat, en dat wij daarvan niet wilden afwijken. Maar hij hield vol dat hij zich naar de Kaaba zou richten. En voortaan, als het tijd was voor de salaat, richtten wij ons naar SyriŽ, terwijl hij zich inderdaad op de Kaaba oriŽnteerde. Zo ging het tot wij in Mekka aankwamen. Wij hadden er wel bezwaar tegen gemaakt, maar hij was bij zijn standpunt gebleven. In Mekka zei hij tegen mij: 'Beste neef, laten we naar de Profeet gaan en zijn oordeel vragen over wat ik onderweg heb gedaan, want het hindert mij dat jullie het niet met mij eens zijn? Dat deden wij; maar omdat wij Mohammed niet kenden en hem nog nooit hadden gezien, vroegen wij aan een Mekkaan die wij tegenkwamen, waar hij te vinden was. Deze man zei: 'Kennen jullie hem niet? Maar misschien kennen jullie zijn oom Abbaas wel?' Dat was inderdaad zo, want Abbaas kwant altijd bij ons als koopmaa en de man vervolgde: `Als jullie de moskee binnenkomen is het de man die naast Abbaas zit? In de moskee troffen wij inderdaad Abbaas aan en de Profeet zat naast hem. Wij groetten en gingen erbij zitten, en de Profeet vroeg aan zijn oom: `Kent u deze twee mannen?'
        `Ja zeker.' antwoordde hij, 'de ene is Baraa' ibn Ma'roer, de leider van zijn stam, en de andere is Ka'b ibn Malik.'
        Nooit zal ik vergeten hoe de Profeet daarop uitriep: `De dichter?'
        Nu wendde Baraa' zich tot de Profeet en zei: `Profeet Gods, ik heb deze tocht ondernomen toen God mij al tot de islam had geleid, en ik meende dat ik dit gebouw niet mijn rug kon toekeren bij de salaat, maar mij ernaar toe moest wenden. Mijn metgezellen waren het daarmee echter niet eens en dat hindert mij. Wat denkt u ervan?' De Profeet antwoordde: `Als u daarbij bleef had u een gebedsrichting gehad.' Baraa' nam daarop de gebedsrichting van de Profeet weer aan en richtte zich weer naar SyriŽ, net als wij. Weliswaar beweert zijn familie dat hij zich tot zijn dood op de Kaaba bleef orienteren, maar dat is niet zo; wij weten daar meer van dan zij.
       Toen wij de bedevaart volbracht hadden en de avond aanbrak die wij met de Profeet hadden afgesproken, ging Abdallah ibn Amr Aboe Djabir, een van onze edelen en leiders, met ons mee. Hij was aanvankelijk nog geen moslim geweest en wij hadden onze zaak voor onze heidense stamgenoten geheim gehouden, maar hen hadden wij overreed: 'Aboe Djabir, jij bent een van onze leiders en edelen, en wij willen afhelpen van je ongeloof, want anders ben je morgen brandhout voor het hellevuur.' Toen hadden wij hem opgeroepen zich tot de islam te bekeren en hem op de hoogte gebracht van onze afspraak. Hij werd moslim, nam met ons deel aan de Akaba en werd een van de 'Hoofdmannen.'
       Het eerste derde deel van die nacht sliepen wij bij onze stamgenoten en de bagage. Toen slopen wij heimelijk en onhoorbaar als zandhoenders naar onze afspraak met de Profeet, bij het ravijn van Akaba. Wij waren met drieŽnzevenfig man en twee vrouwen. In dat ravijn wachtten wij tot de Profeet eraan kwam, tezamen met zijn oom Abbaas. Die was toen nog heiden, maar hij wilde erbij zijn om erop toe te zien dat zijn neef behoorlijke garanties kreeg. Nadat hij was gaan zitten nam Abbaas als eerste het woord: `Mannen van Chazradj,' - want de Arabieren gebruikten die naam om de beide stammen uit Medina aan te duiden, Aus ťn Chazradj - `jullie weten welke plaats Mohammed bij ons inneemt. Wij hebben hem beschermd tegen onze stamgenoten, die net zo over hem denken als wij. Hij leeft hier in aanzien en goed beschermd bij zijn stam. Maar nu wil hij zich beslist bij u aansluiten. Als u denkt dat u kunt nakomen wat u hem hebt beloofd en hem kunt beschermen tegen zijn tegenstanders, neemt het dan op u. Maar als u denkt dat u hem gaat uitleveren en in de steek laten als hij eenmaal bij u is, laat hem dan liever dadelijk met rust, want hier is hij in aanzien en goed beschermd.' Wij antwoordden: Wij hebben gehoord wat u hebt gezegd. Profeet, spreek nu zelf en kies voor u zelf en voor uw Heer wat u wilt.'
        De Profeet nam het woord, reciteerde de koran, riep de mensen op zich tot God te bekeren en wekte in hen het verlangen naar de islam. Daarop zei hij: `Ik zweer u trouw, op voorwaarde dat u mij beschermt zoals u het uw vrouwen en kinderen zou doen.' Toen nam Baraa' ibn Ma'roer zijn hand en zei: 'Ja, bij Hem die u als profeet heeft gezonden met de waarheid: wij zullen u beschermen als onze vrouwen. Wij zweren u trouw, Profeet, en in een oorlog staan wij onze man: wij hebben wapens die wij van vader op zoon hebben overgeŽrfd.' Terwijl Baraa' nog sprak, viel Aboe Haitham ibn Tajjihaan hem in de rede en zei: 'Profeet, wij hebben banden met die mannen daar' - hij bedoelde de joden in Medina - 'en als wij die breken, dan gaat u misschien, als God u de overwinning heeft gegeven, terug naar uw stam en laat ons achter?' De Profeet glimlachte en zei: `Nee, bloed is bloed, en ongestraft vergoten bloed is ongestraft vergoten bloed. Ik hoor bij u en u hoort bij mij. Ik beoorloog wie u beoorlogen, ik leef in vrede met degenen met wie u in vrede leeft. Brengt mij twaalf hoofdmannen uit uw midden, die de leiding kunnen nemen in uw aangelegenheden.' Dat deden zij; ze kozen negen hoofdmannen uit de stam Chazradj en drie uit de stam Aus.
       Tot deze Hoofdmannen zei de Profeet, volgens de overlevering van Abdallah ibn abi Bakr: 'Jullie staan borg voor jullie stam, evenals de discipelen voor Iesa, de zoon van Marjam. En ik sta borg voor mijn volk,' waarmee hij de moslims bedoelde. Zij stemden toe.

        Asim ibn Oemar heeft mij het volgende verteld: Toen zij dan allen bijeen waren om de Profeet trouw te zweren, zei Abbaas ibn Oebada, een van de Helpers:' Mannen van Chazradj! Beseffen jullie wel waarin jullie deze man trouw zweren? Jullie beloven hem oorlog te voeren tegen de hele wereld! Als jullie denken dat je hem in de steek zult laten als jullie geen bezit meer over hebben en al je edelen zijn gedood, dan kun je het beter nu al doen, want anders lijd je verlies, zowel in deze wereld als in het hiernamaals. Maar als jullie hem bij al die tegenslagen trouw denken te blijven in deze zaak, neem het dan op je, want dat is het beste in zowel deze wereld als het hiernamaals!'
       'Wij nemen het aan,` zeiden zij, 'zelfs in tegenspoed. Maar wat krijgen wij ervoor, Profeet, als wij trouw blijven?'
        'Het paradijs,' zei de Profeet.
       'Strek dan uw hand uit,' en daarop zwoeren zij hem trouw.
        Asim voegde eraan toe: Dat zei Abbaas ibn Oebada alleen om het verbond met de Profeet bindender te maken. Maar Abdallah ibn abi Bakr meent dat hij dat zei om de mensen die nacht wat langer bijeen te houden, want hij hoopte dat Abdallah ibn Oebajj ibn Saloel nog zou komen en wat meer gewicht in de schaal zou leggen. Maar God weet het best wat het geval was.

Voorwaarden van de Tweede Akaba
Het bevel tot de strijd
Top

Toen God de Profeet toestemming gaf om te strijden bevatte de tweede Akaba andere voorwaarden dan de eerste Akaba. De eerste Akaba was een eed van trouw op de wijze der vrouwen, omdat God zijn Profeet toen nog niet had toegestaan oorlog te voeren. Maar nu, bij de laatste Akaba, zwoeren zij hem tegen iedereen oorlog te zullen voeren voor God en Zijn gezant, terwijl hij hun als beloning voor hun trouw het paradijs beloofde.
        Oebada ibn Walled levert over van zijn vader, dat zijn grootvader Oebada ibn Samit, een van de Hoofdmannen, die ook bij de eerste Akaba aanwezig was geweest, heeft verteld: Wij zwoeren de Profeet oorlog te zullen voeren en onvoorwaardelijk te zullen gehoorzamen, in voorspoed en tegenspoed, willens of onwillens, dat wij zijn huis de macht niet zouden betwisten, dat wij altijd en overal de waarheid zouden spreken en dat wij niemands kritiek zouden vrezen.

       Vůůr de eed van trouw in Akaba was het de Profeet niet toegestaan oorlog te voeren en bloed te vergieten. Hij had alleen de opdracht gekregen de mensen op te roepen tot God, beledigingen te verdragen en onwetenden te vergeven. Koeraisj had zijn volgelingen onder druk gezet tot zij van hun geloof afvielen of het land ontvluchtten. Zij hadden voor de keus gestaan: hun geloof op te geven, mishandeld te worden of te vluchten, naar EthiopiŽ, naar Medina of nog ergens anders heen.
        Toen de Koeraisjieten hovaardig werden tegen God, de eer die Hij hun wilde verlenen afwezen, Zijn profeet voor leugenaar verklaarden en mishandelden, en verjoegen wie Hem dienden, Zijn eenheid beleden en Zijn profeet geloofden en aan diens godsdienst vasthielden, toen gaf God Zijn gezant toestemming te strijden en zich te wreken op degenen die hem en de zijnen onrecht deden en hard vielen. Het eerste koranvers dat hierover werd geopenbaard, was volgens Oerwa en andere geleerden: Aan hen die bestreden worden, wordt toestemming gegeven [te strijden], omdat hun onrecht is aangedaan - God heeft de macht, hen ie helpen - hen, die onrechtmatig uit hun woningen verdreven zijn, alleen omdat zij zeggen: 'Onze Heer is God.' Als God de mensen niet elkaar had laten weerhouden zouden kluizenarijen, kerken, synagogen en bedeoorden waarin Gods naam veel genoemd word zijn verwoest. Maar God zal zeker helpen wie Hem helpen - Gods sterk en machtig: diegenen die, als Wij hun macht geven op aarde, de salaat verrichten, de zakaat opbrengen, gebieden wat behoorlijk is en verbieden wat venverpelijk is. God komt de uiteindelijke beslissing toe. [22:39-41]
        Daarna openbaarde God: Bestrijdt hen tot er geen verzoeking meer is en de godsdienst aan God behoort. [2:193]
        Toen God Zijn profeet toestemming had gegeven om te strijden en de Helpers hem trouw hadden gezworen in de islam en hadden beloofd hem, zijn volgelingen en de moslims die toevlucht bij hem zochten te helpen, toen beval de Profeet zijn gezellen uit Mekka, zowel zijn stamgenoten als de anderen, naar Medina te trekken, de hidzjra daarheen te maken en zich aan te sluiten bij de Helpers, hun broeders. Hij zei: 'God heeft jullie broeders geschonken en een woonplaats waar jullie veilig kunnen wonen.' Zij vertrokken in groepen na elkaar. De Profeet bleef nog in Mekka, in afwachting van Gods toestemming om eveneens uit Mekka te vertrekken en de hidzjra naar Medina te ondernemen.

De hidzjra naar Medina
Top

Hidzjra betekent `emigratie', onder verbreking van de bloed- en vriendschapsbanden. In de islam is de hidzjra bij uitstek Mohammeds emigratie van Mekka naar Medina in 622, het jaar dat later het beginpunt van de islamitische jaartelling is geworden.
        Als de 'eerste Emigranten' worden zeventig Mekkaanse moslims beschouwd. Het gold als bijzonder eervol tot die groep te behoren, maar ook de andere Emigranten stonden in de vroege islam hoog aangeschreven. Vandaar dat hun aantal gestaag groeide, tot kalief Oemar in 640 aan dit proces een eind maakte.
       De Koeraisjieten werden pas echt een bedreiging voor Mohammed toen bekend werd dat hij bondgenoten had buiten Mekka. Zij wilden hem al doden toen hij nog in de stad was, maar zaten met het probleem van de bloedwraak. Op de weg tussen Mekka en Medina hadden zij Mohammed ongehinderd kunnen doden, vandaar dat deze met de grootste omzichtigheid moest vertrekken.
        Het verhaal van het overleg en de duivelse list van Koeraisj, alsmede de verijdeling daarvan door God, is een speelse uitwerking van soera 8:30. De drie mogelijke handelwijzen van Koeraisj jegens de Profeet worden daar alle genoemd, evenals Gods tegenzet. Aan het 'dichter' -motief uit 52:30 wordt invulling gegeven door de verwijzing naar het uithongeren van twee voorislamitische dichters, dat overigens uit de literatuurgeschiedenis niet bekend is. Het sleutelwoord dat het koranvers met de vertelling verbindt is `afwachten'.
       De aard van Gods tegenzet, namelijk het tijdelijk blind maken van de Koeraisjieten, wordt vooral verwoord in een van de door de Profeet gereciteerde verzen: Wij hebben hen bedekt, zodat zij niet kunnen zien. [36:9] en ze sloegen alle mannen die bij de ingang van het huis waren, jong en oud, met blindheid, zodat ze tevergeefs probeerden de ingang te vinden. [Genesis 19:11]
       Toen Mohammed zich in Medina had gevestigd, veranderde zjn leven ingrijpend. Van een door zijn stadgenoten als excentriek en schadelijk beschouwd individu werd hij nu de stichter van een staat. Vanuit Medina is Koeraisj onderworpen, Mekka ingelijfd en het gehele Arabische schiereiland aan de nieuwe staat onderhorig gemaakt. Zelfs een groot deel van het Midden Oosten is nog vanuit Medina veroverd. Medina is de hoofdstad van het rijk gebleven tot kalief Moe'awia in 656 Damascus tot residentie nam.
       Na het vertrek van zijn gezellen wachtte de Profeet in Mekka op Gods toestemming om ook zelf te emigreren. Behalve Ali en Aboe Bakr bleef geen van de Emigranten in Mekka achter, met uitzondering van hen die gevangen zaten en degenen die tot geloofsafval waren gedwongen. Aboe Bakr vroeg de Profeet meermalen of hij al mocht emigreren. maar dan kreeg hij ten antwoord: `Haast je niet, misschien zal God je een reisgenoot geven.' Dan hoopte Aboe Bakr dat het de Profeet zelf zou zijn.

        Toen de Koeraisjieten merkten dat de Profeet aanhangers en vrienden buiten hun stam en buiten hun gebied had en dat zijn gezellen daarheen vertrokken waren, begrepen ze dat zij daar een woonplaats en beschermers hadden gevonden. Nu werden ze bang dat ook de Profeet zich bij hen zou voegen, want zij wisten dat hij had besloten oorlog tegen hen te voeren. Daarom kwamen ze bij elkaar in de raadszaal - dat was het huis van Koesajj ibn Kilaab, waar alle belangrijke besluiten van Koeraisj werden genomen - om te beraadslagen wat ze moesten doen met de Profeet, nu ze hem te duchten hadden.

        Een van onze vrienden, een betrouwbare man, heeft ons bericht van Abdallah ibn abi Nadjieh, die zich beriep op Moedjahid, en nog een ander onverdacht persoon die Abdallah ibn Abbaas aanhaalde, heeft eveneens verteld: Toen zij daartoe hadden besloten en hadden afgesproken dat ze in de raadszaal zouden vergaderen over de Profeet, kwam op de ochtend van de vastgestelde dag - die de dag der Menigte genoemd wordt - de duivel bij hen, in de gedaante van een waardige grijsaard, die was gekleed in een ruige mantel. Toen zij hem bij de deur zagen staan vroegen zij wie hij was. Hij antwoordde dat hij uit de Nadjd kwam, dat hij van hun afspraak had gehoord en was gekomen om zijn oor te luisteren te leggen en hun wellicht goede raad te geven. Hij werd binnengelaten en daar trof hij de edelen aan Koeraisj in vergadering bijeen.
        Zij stelden vast dat zij, nu Mohammed aanhangers had buiten hun stam, niet langer veilig waren voor een onverhoedse aanval en dat er dus iets ondernomen noest worden. Tijdens de beraadslaging zei iemand: 'Sla hem in ijzeren boeien, doe de deur op slot en wacht rustig af tot hij dezelfde dood sterft als de dichters Zoehair en Nabigha en anderen van zijn slag.'
       'Nee, dat is geen goed plan,' zei de oude man uit de Nadjd. `Als jullie hem gevangen zetten, dan lekt dat uit: zijn gezellen zullen ervan horen en zullen waarschijnlijk onmiddellijk aanvallen en hem bevrijden; dan zal hun aantal zo toenemen dat zij jullie de baas worden. Nee, dat is geen goed plan; jullie moeten iets anders bedenken.'
       Toen zei iemand: `Laten we hem wegjagen uit ons gebied. Als hij hier eenmaal vandaan is kan het ons niet schelen waar hij heen gaat en waar hij terechtkomt. Als we eerst maar van hem af zijn, dan kunnen wij onze oude eendracht herstellen.'
        `Ook dit is geen goed plan,' zei de oude man, 'zien jullie niet met wat voor mooie verhalen hij komt, hoe goed hij spreekt en hoe hij de mensen in zijn ban houdt met zijn boodschap? Als jullie dat doen zal hij misschien neerstrijken bij een bedoeÔenenstam en hen met mooie woorden overhalen naar zijn kant. Dan trekt hij met hen op en verslaat jullie in je eigen gebied; dan krijgt hij hier macht in handen en zijn jullie aan zijn genade overgeleverd. Nee, bedenk liever een ander plan.'
       Toen zei Aboe Djahl ibn Hisjaam dat hij een idee had waar nog niemand op was gekomen:' We nemen uit iedere stam een aanzienlijke, sterke jonge man en geven hem een scherp zwaard. Die gaan met zijn allen op hem af en doden hem met ťťn klap; dan zijn wij van hem af, want zo wordt de bloedschuld verdeeld over alle stammen; het geslacht Abd Manaaf kan het nooit opnemen tegen hen allen, zodat ze genoegen moeten nemen met een bloedgeld, en dat betalen we dan.'
        'Dat is het!' zei de oude man (de duivel) uit de Nadjd, 'er is geen beter plan dan dit.'
       Met dit besluit gingen ze uiteen.

       Intussen kwam Djibriel bij de Profeet en zei tegen hem, dat hij die nacht niet in zijn eigen bed noest gaan slapen. Nadat er een deel van de nacht verstreken was verzamelden die mannen zich bij de deur van Mohammeds huis om te kijken of hij al sliep; dan zouden ze hem overvallen. Maar de Profeet zag hen en zei tegen Ali: 'Ga jij in mijn bed slapen en hul je in deze groene Hadramitische mantel, want jou zullen ze niets doen.' Dat was de mantel waarin de Profeet gewoonlijk sliep.
       De rest van het verhaal geef ik in de overlevering van Moehammad ibn Ka'b de Koeraiziet, zoals Jazied ibn Ziaad mij die heeft doorgegeven: Toen zij zich allemaal bij de deur hadden verzameld zei Aboe Djahl tegen hen: 'Mohammed beweert dat je, als je hem volgt, koning over Arabieren en Perzen wordt, en dat je na je dood wordt opgewekt en dat je een tuin krijgt zo mooi als de tuinen van de Jordaan, maar dat je afgeslacht wordt als je hem niet volgt en dat je dan na je dood zal branden in het hellevuur.' Hierop kwam de Profeet naar buiten, met in zijn handen wat stof en zei: 'Zo is het, en dat geldt ook voor jou.' God had hun gezichtsvermogen weggenomen, zodat ze hem niet konden zien, en hij begon dat stof uit te strooien over hun hoofden, terwijl hij uit soera `Ja Sien' reciteerde: Ja Sien. Bij de wijze koran. Jij bent werkelijk een van de gezondenen, op een rechte weg. De openbaring van de Geweldige, de Barmhartige [...], tot de woorden: [...] en Wij hebben hen bedekt, zodat zit niet kunnen zien. [36:1-9] Nadat hij deze verzen had gereciteerd, had hij bij iedereen stof op het hoofd gelegd en ging ongehinderd weg. Er kwam iemand langs die niet bij die mannen behoorde; deze vroeg waarop ze stonden te wachten. Toen ze zeiden dat ze Mohammed opwachtten zei hij: `Maar jullie plan is verijdeld! Mohammed is net naar buiten gekomen, heeft stof op jullie hoofd gelegd en is weggegaan. Zien jullie dan niet hoe je eraan toe bent?' Nu grepen ze naar hun hoofd en voelden het stof. Ze gingen op onderzoek uit en zagen Ali op het bed liggen, gehuld in de mantel van de Profeet, en ze zeiden: 'Maar daar ligt Mohammed toch te slapen onder zijn mantel?' Dus bleven ze daar tot de ochtend, en toen het Ali bleek te zijn die uit het bed stapte zeiden ze: `God allemachtig, dan had die man toch gelijk!'
       Over deze dag en over dat besluit van hen heeft God onder andere geopenbaard: En toen degenen die ongelovig zijn een aanslag tegen jou beraamden, om je vast te zetten of te doden of te verdrijven. Zij maakten plannen en God maakte plannen, maar God is de beste plannenmaker. [8:30] en: Of zij zeggen: 'Een dichter; wij zullen afwachten wat het wisselvallige noodlot met hem zal doen.' Zeg: 'Wacht maar af; Ik wacht met u mee.' [52:30]

        Toen gaf God zijn Profeet toestemming tot de hidzjra. Aboe Bakr, die een vermogend man was, had met het oog op de hoopgevende uitlatingen van de Profeet alvast twee rijdieren gekocht, ze op zijn binnenplaats opgesloten en ze goed gevoederd.
       Een man die ik vertrouw heeft van Oerwa ibn Zoebair vernomen dat A'isja heeft gezegd: De Profeet kwam altijd naar het huis van Aboe Bakr in de vroege ochtend of in de avond. Maar op de dag dat hij toestemming kreeg tot de hidzjra uit Mekka, kwam hij 's middags bij ons, op een ongebruikelijk uur. Zodra Aboe Bakr hem zag begreep hij dat er iets aan de hand was. De Profeet kwam binnen en mijn vader bood hem zijn zitplaats aan. Alleen mijn zuster Asmaa' en ik waren erbij, en de Profeet vroeg aan mijn vader ons weg te sturen. `Maar waarom? Dit zijn mijn twee dochters,' zei Aboe Bakr. Toen deelde de Profeet mee dat hij toestemming had gekregen om te vertrekken. Samen?' vroeg Aboe Bakr. `Ja, samen,' antwoordde hij. Ik had nog nooit iemand van vreugde zien huilen, totdat ik mij vader zag huilen op die dag. Hij vertelde over de twee kamelen die hij klaar hield. Zij huurden Abdallah ibn Arkat, die toen nog heiden was, als gids en gaven hem de beide kamelen om ze te verzorgen tot het afgesproken tijdstip.
        Naar verluidt wist niemand van het vertrek van de Profeet, behalve Ali en Aboe Bakr en diens gezin. Ali was door de Profeet op de hoogte gebracht en had opdracht gekregen in Mekka achter te blijven om namens hem de mensen hun waardevolle voorwerpen terug te geven die ze bij hem in bewaring hadden gegeven. Want iedereen in Mekka die iets bezat waarom hij zich zorgen maakte deponeerde dat bij de Profeet, omdat die bekend stond als eerlijk en betrouwbaar.
       Toen de Profeet besloot te vertrekken ging hij naar Aboe Bakr. Door een raampje aan de achterkant van Aboe Bakrs huis verdwenen ze. Zij begaven zich naar een grot in de Thaur, een berg beneden Mekka, waar zij zich verborgen. Aboe Bakr droeg zijn zoon Abdallah op om overdag te gaan afluisteren wat de mensen over hen zeiden en `s avonds het nieuws van die dag te komen melden. Zijn vrijgelaten slaaf Amir ibn Foehaira gaf hij opdracht overdag zijn kudde te hoeden en die 's avonds bij hen in de grot te brengen. Zijn dochter Asmaa' bracht hun 's avonds het nodige voedsel.
       De Profeet bleef drie dagen in de grot, met Aboe Bakr. De mannen van Koeraisj loofden intussen honderd kamelen uit voor degene die hun de Profeet in handen zou spelen. 's Avonds bracht Abdallah verslag uit van wat ze in Mekka bespraken en beraamden, en Amir kwam met het vee van Aboe Bakr, dat hij samen met de herders van de Mekkanen had geweid, naar de grot, waar ze het molken en er een beest van slachtten. Als Abdallah 's morgens naar Mekka ging volgde Amir hem met de kudde om zijn sporen uit te wissen. Toen er zo drie dagen voorbij waren gegaan en de aandacht van Koeraisj verslapte, kwam de man die zij hadden gehuurd met hun kamelen en nog een kameel voor zich zelf, terwijl Asmaa` hun voedsel kwam brengen voor onderweg; zij had echter vergeten een touw mee te brengen, zodat zij de zak niet op kameel kon binden. Toen maakte zij haar gordel los en gebruikte die als touw. Daarom kreeg zij de bijnaam: `zij van de gordel'.
        Aboe Bakr toonde de Profeet de beide dieren en bood hem het beste aan om te berijden. Maar de Profeet weigerde een kameel te berijden die niet van hem was. Toen Aboe Bakr hem het dier wilde schenken weigerde hij dat ook, en vroeg voor hoeveel hij het gekocht had; voor die prijs nam hij het over. Ze gingen op weg, en Aboe Bakr nam zijn vrijgelatene Amir ibn Foehaira achterop, zodat die hen onderweg kon bedienen.

        Hun gids, Abdallah ibn Arkat, leidde hen onder Mekka, langs de kust, onder Oesfaan voorbij. Vervolgens ging het langs Amadj en verder langs Koedaid. Daarna vermeed hij de weg en voerde hen via Charraar en de Marra-pas naar Likf. Vandaar langs de waterput van Likf, omlaag naar die van Mahaadj; toen naar Mardjih Mahaadj, en omlaag naar Mardjih in Dzoe al-Ghadwain, door het dal van Dzoe Kasjr, over Djadadjid, Adjrad, Dzoe Salam in het dal A'da, de waterput van Ta'hin, over Ababied; toen via Faaddja. Toen leidde de gids hen van Ardj naar de Ajir-pas, rechts van Rakoeba tot in het dal van Ri'm, en ten slotte bereikten zij Koebaa`, bij de stam Amr ibn Auf op maandag 12 rabie' al-awwal, precies op het middaguur.

        Moehammad ibn Dja`far ibn Zoebair doet het volgende verhaal van Oerwa ibn Zoebair dat deze heeft vernomen van Abdallah ibn Oewaimir ibn Sa'ida, dat gezellen van de Profeet uit zijn stam hem hebben verteld: Zodra wij hadden gehoord van Mohammeds vertrek uit Mekka verlangden wij vurig naar zijn aankomst. Na de ochtend-salaat gingen wij altijd naar het lavaveld buiten Medina om hem op te wachten; wij bleven daar tot er helemaal geen schaduw meer was en wij wel moesten terugkeren, want het was in het hete jaargetijde. Ook op de dag dat de Profeet aankwam waren wij daar geweest, maar toen hij eraan kwam waren wij al teruggegaan om binnen in de schaduw te gaan zitten. De eerste die hem zag was een jood. Deze had gezien hoe wij dagelijks de komst van de Profeet verwachtten. Hij riep zo hard hij kon: `Mannen van Kaila, jullie geluk is gekomen!' Toen kwamen wij naar buiten en troffen de Profeet aan in de schaduw van een palm, met naast zich Aboe Bakr, die van dezelfde leeftijd was. De meesten van ons hadden de Profeet nog nooit gezien, en toen onze mensen samendromden rondom hen, wisten ze niet wie van de twee het was. Pas toen hij in de volle zon kwam te zitten en Aboe Bakr opstond om hem schaduw te bieden met zijn bovenkleed begrepen wij het.
       Naar verluidt nam de Profeet zijn intrek bij Koelthoem ibn Hidm, een broeder van de stam Amr ibn Auf, iemand uit het geslacht 0ebaid; maar volgens anderen bij Sa'd ibn Haithama. Degenen die menen dat het bij Koelthoem was, zeggen dat de Profeet het huis van Sa'd alleen heeft bezocht, en wel omdat deze ongetrouwd was en geen gezin had en hij de ongehuwde Emigranten herbergde, en dat zo het gerucht is ontstaan dat de Profeet bij Sa'd inwoonde. Diens huis wordt ook wel genoemd: het vrijgezellenhuis. Maar God weet het best hoe het gegaan is.
       Aboe Bakr ging in Soenh wonen, bij Choebaib ibn Isaaf, van het geslacht Harith Chazradj; volgens anderen bij Charidja ibn Zaid.
        Ali was nog drie dagen in Mekka gebleven om namens de Profeet alle in bewaring genomen voorwerpen terug te geven; daarna voegde hij zich bij de Profeet en woonde met hem bij Koelthoem.

       De Profeet bleef bij de stam Amr ibn Auf te Koebaa' van maandag tot donderdag en legde daar de hoeksteen voor een moskee. Op vrijdag liet God hem vandaar vertrekken (al beweren de mensen van Amr dat hij langer bij hen bleef, maar God weet het het beste). De vrijdagssalaat verrichtte hij bij het geslacht Salim ibn Auf. Hij verrichtte hem in de moskee in het diepst van het rivierdal Ranoena. Dat was de eerste vrijdags-salaat die hij in Medina verrichtte.

        Toen hij verder trok kwamen er telkens vertegenwoordigers van de verschillende clans naar hem toe die hem vroegen of hij bij hen wilde blijven en hun bezit en bescherming wilde aanvaarden, maar hij antwoordde: 'Laat mijn kameel gaan, want hij staat onder Gods bevel!' Zo trok de kameel verder, van de ene woonstee naar de andere, tot hij bij het geslacht Malik ibn Naddjaar kwam, waar hij neerknielde bij de poort van de moskee. Destijds was dat een plaats waar dadels gedroogd werden, die toebehoorde aan twee wezen uit de stam Naddjaar, die onder voogdij stonden van Moe'aadz ibn Afraa', namelijk Sahl en Soehail ibn Amr. Daar de Profeet echter niet afsteeg, stond de kameel weer op en liep een eindje verder, waarbij de Profeet de teugel vrij liet en hem niet leidde. Maar de kameel keerde om, ging terug naar diezelfde plek en knielde neer. Hij wilde weer overeind komen, maar kon het niet en bleef liggen met zijn voorlijf op de grond. Toen steeg de Profeet af. Aboe Ajjoeb Chalid ibn Zaid droeg zijn bagage zijn huis binnen en de Profeet nam bij hem zijn intrek. Hij informeerde naar de droogvloer en Moe'aadz vertelde hem dat die toebehoorde aan die twee wezen, maar dat hij hem als moskee in gebruik kon nemen en dat hij de beide jongens schadeloos zou stellen.
        De Profeet gaf opdracht daar een moskee te bouwen en bleef bij Aboe Ajjoeb tot de moskee en zijn woonvertrekken voltooid waren. De Profeet nam zelf ook deel aan de arbeid, om de moslims aan te moedigen. Zowel de Emigranten uit Mekka als de Helpers uit Medina werkten er onvermoeibaar aan.

        De Profeet bleef in Medina van de maand rabie' al-awwal tot de maand safar van het volgende jaar, toen zijn moskee en zijn woonvertrekken voltooid waren. Deze stam der Helpers nam in zijn geheel de islam aan, en er was geen huis waarvan de bewoners zich niet bekeerden. Alleen Chatma, Waqif Wa'il en Oemajja, die samen de Aus Allah vormen, een deel van de stam Aus, volhardden in hun heidendom.

Het document van Medina
Top

De overeenkomst tussen de Emigranten en de stammen van Medina, die ten onrechte wel de `grondwet' van Medina is genoemd, wordt meestal als zeer oud beschouwd. Geen latere verteller zou immers op het idee zijn gekomen joden en andere niet-moslims in te sluiten in de oemma, de `gemeenschap', waartoe zij volgens de latere definitie van dat begrip beslist niet behoorden. De stijl is archaisch, zozeer zelfs, dat het geven van een geheel bevredigende vertaling niet mogelijk is. Het document is kennelijk samengesteld uit heterogeen materiaal, misschien zelfs uit verscheidene andere documenten. Bevreemdend is dat de drie grote joodse stammen van Medina er niet in worden genoemd.

        Betreffende de verhouding tussen de Emigranten en de Helpers stelde de Profeet een document op, waarin hij met de joden een verbond sloot en hen bevestigde in hun godsdienst en hun bezittingen en hun rechten en plichten vastlegde:

       In naam van God, de barmhartige, de genaderijke.
       Dit is een document van de Profeet Mohammed aangaande de betrekkingen tussen de gelovigen en moslims van Koeraisj en Jathrib en degenen die hen volgen, zich bij hen hebben aangesloten en zich tezamen met hen inspannen.
        Zij zijn ťťn gemeenschap, niet uitsluiting van andere mensen.
       De Emigranten uit Koeraisj doen zoals zij gewoon waren: zij brengen onder elkaar het bloedgeld op en kopen hun gevangenen los, naar recht en billijkheid onder de gelovigen.
        De stam Auf doet zoals hij gewoon was: zij betalen gezamenlijk hun vroegere bloedschulden; iedere groep ervan koopt haar gevangenen los, naar recht en billijkheld onder de gelovigen.
       De stam Sa'ida evenzo.
        De stam Harith evenzo.
       De stam Djoesjam evenzo.
       De stam Naddjaar evenzo.
       De stam Amr ibn Auf evenzo.
       De stam Nabit evenzo.
       De stam Aus evenzo.
       De gelovigen laten een moslim zon der verwanten onder hen niet in de steek, maar helpen hem naar billijkheid een loskoopsom of bloedgeld te betalen.
        Een gelovige sluit geen verbond met de cliŽnt van een andere gelovige buiten deze om.
       De godvrezende gelovigen treden op tegen ieder die in overtreding is of die onderdrukking, onrecht, verrraad, vijandschap of verdorvenheid tracht te verspreiden onder de gelovigen.
       Zij treden gezamenlijk tegen hem op, al was het de zoon van een hunner.
        Een gelovige doodt geen gelovige om een ongelovige en helpt geen ongelovige tegen een gelovige.
       De bescherming van God is ťťn: de geringste onder hen kan een vreemde bescherming verlenen.
       De gelovigen zijn elkaars beschermheren en cliŽnten, met uitsluiting van andere mensen.
       De joden die ons volgen genieten dezelfde hulp en ondersteuning als de gelovigen. Hun mag geen onrecht aangedaan worden en [geen vijand] mag tegen hen geholpen worden.
        De vrede van de gelovigen is ťťn. In een strijd voor Gods zaak sluit een gelovige geen vrede buiten een andere gelovige om, tenzij op basis van billijkheid en rechtvaardigheid.
       Bij iedere expeditie die niet ons uittrekt wisselt men elkaar af.
        De gelovigen wreken het bloed van andere gelovigen dat is vergoten voor de zaak Gods.
       De godvrezende gelovigen staan onder de beste en meest juiste leiding.
       Een heiden verleent geen bescherming aan een bezitting of persoon van Koeraisj en neemt geen Koeraisjiet in bescherming tegen een gelovige.
       Als iemand een gelovige onrechtmatig doodt, en dat is bewezen, dan is hij onderworpen aan de bloedwraak, tenzij de bloedwreker genoegen neemt met bloedgeld. De gelovigen staan als ťťn man tegenover hem; zij zijn verplicht tegen hem op te treden.
       Als een gelovige heeft ingestemd met hetgeen in dit geschrift is neergelegd en gelooft in God en aan de jongste dag, is het hem niet geoorloofd iemand die er inbreuk op maakt te helpen of toevlucht te verschaffen. Op wie dat doet rusten de vloek en de toorn God op de dag der opstanding. Geen berouw of zoengave zal van hem worden aangenomen.
       Al hetgeen waarover u onenigheid hebt wordt voor God en voor Mohammed gebracht.
        De joden delen in de uitgaven der gelovigen zolang zij in oorlog zijn.
       De joden van dc stam Auf zijn ŤŤn gemeenschap met de gelovigen. De joden hebben hun godsdienst en de moslims de hunne. Dit geldt zowel voor hun cliŽnten als voor hen zelf, met uitzondering van degene die onrechtvaardig of verraderlijk handelt, want hij brengt slechts verderf over zich en zijn familie.
        De joden van de stam Naddjaar: als die van de stam Auf.
       De joden van de stam Harith: evenzo.
        Dejoden van de stam Sa'ida: evenzo.
       De joden van de stam Djoesjam evenzo.
        Dejoden van de stam Aus: evenzo.
       De joden van de stam Tha'laba: evenzo.
        Djafna, een clan van de stam Tha'laba: als dezen.
       De stam Sjoetaiba: als de joden van de stam Auf.
        Plichtsvervulling beschermt tegen trouwbreuk.
       De cliŽnten van de stam Tha'laba: als dezen zelf.
        De met de joden verbonden sibben: als dezen zelf.
       Niemand treedt uit zonder toestemming van Mohammed.
        Een verwonding wordt niet beperkt tot weerwraak.
       Wie onverhoeds iemand doodt, doodt zich zelf en zijn familie, behalve als het een onrechtdoener is.
       God [staat garant?] voor wie dit trouw vervult.
        De joden en de moslims dragen elk hun eigen uitgaven.
       Zij helpen elkaar tegen ieder die oorlog voert met de partijen van dit geschrift.
       Tussen hen heersen goede wil en oprechte bedoelingen.
        Plichtsvervulling beschermt tegen trouwbreuk.
       Niemand is aansprakelijk voor een misdaad van zijn bondgenoot.
        Wie onrecht wordt aangedaan, krijgt hulp.
       De joden delen in de uitgaven der gelovigen zolang zij in oorlog zijn.
       De kom van Jathrib is gewijde grond voor de partijen van dit document.
        De beschermeling is als zijn beschermer, behalve als hij schade toebrengt of verraderlijk handelt.
       Aan een vrouw wordt slechts bescherming verleend met toestemming van haar familie.
       Wanneer tussen de partijen van dit geschrift iets voorvalt of een twist ontstaat waarvan onheil is te vrezen, dan wordt het voor God en Zijn gezant Mohammed gebracht.
        God [staat garant?] voor de meest godvruchtige en trouwe vervuiler van dit geschrift [?].
       Geen bescherming wordt verleend aan Koeraisj of wie hen helpt.
       De partijen helpen elkaar tegen ieder die in Jathrib een inval doet.
       Wanneer zij tot vrede worden opgeroepen, dan sluiten zij die en houden zich eraan.
        Wanneer zij oproepen tot hetzelfde, dan moeten de gelovigen zich daaraan houden, behalve wanneer zij strijden voor de godsdienst.
        Iedere groep is verantwoordelijk voor hun deel aan de kant die zij voor zich hebben.` (De tekst is onduidelijk. Misschien is de verdedigingsgracht hij Medina bedoeld)
        De joden van de stam Aus, zowel hun cliŽnten als zij zelf, hebben dezelfde rechten en plichten als de partijen van dit document, hij volkomen plichtsvervulling van de kant van de partij en van dit document.
       Plichtsvervulling beschermt tegen trouwbreuk.
        Ieder die zich iets op de hals haalt [?], brengt dat over zichzelf.
       God [staat garant?] voor de meest oprechte en trouwe vervuller van dit geschrift [?].
       Dit document beschermt niet wie onrecht doet of een misdaad begaat.
       Zowel degenen die uittrekken als degenen die thuis blijven zijn veilig in de stad, behalve wie onrecht doet of een misdaad begaat.
       God is de beschermer van degene die zijn plichten vervult en godvrezend is, en Mohammed is de gezant van God.

De oproep tot de salaat
Top

Toen de Profeet eenmaal gevestigd was in Medina, de Emigranten zich om hem vereend hadden en de positie van de Helpers geregeld was, raakte de islam daar hecht geworteld. De salaat werd ingesteld, de zakaat en de vasten opgelegd, de vaste straffen (hadd) werden vastgesteld en er werd vastgelegd wat geoorloofd en wat verboden was. De islam had bij hen zijn tehuis gevonden, en het was deze clan van de `Helpers' die in het Huis [van de islam?] en het geloof al een tehuis gevonden hadden. [59:9]
       Toen de Profeet daar pas was, hadden de gelovigen zich op de gebedstijden altijd bij hem verzameld, zonder dat zij daartoe werden opgeroepen. De Profeet had aanvankelijk overwogen om evenals de joden een trompet te gebruiken om op te roepen tot de salaat, maar bij nader inzien beviel hem dat niet en liet hij een paar kleppers maken, die tegen elkaar geslagen werden als het tijd was voor de salaat.

       In die tijd had Abdallah ibn Zaid ibn Tha'laba een droom. De volgende ochtend ging hij die aan de Profeet vertellen: Vannacht liep er in mijn droom iemand om mij heen met twee groene gewaden aan en kleppers in zijn hand. Ik vroeg hem, die aan mij te verkopen. Hij vroeg mij wat ik ermee wilde doen, en toen ik zei dat wij daarmee tot de salaat opriepen, bood hij aan mij iets beters te laten zien. Ik moest namelijk zeggen: `Allahoe akbar! Allahoe akbar! Allahoe akbar! Allahoe akbar! [God is groot] Ik belijd dat er geen god is dan God! Ik belijd dat er geen god is dan God! lk belijd dat Mohammed de gezant is van God! Ik belijd dat Mohammed de gezant is van God! Komt tot de salaat! Komt tot de salaat! Komt tot het heil! Komt tot het heil! Allahoe akbar! Allahoe akbar! Er is geen god dan God!'

       Nadat de Profeet dit had aangehoord zei hij: 'Dat is een ware droom, zo God wil. Ga naar Bilaal, leer het hem en laat hij dan voortaan oproepen tot de salaat, want zijn stem draagt verder dan de jouwe.'
       Toen Oemar in zijn huis Bilaals oproep had gehoord, ging hij naar de Profeet, zijn gewaad over de grond slepend, en vertelde hem dat hij precies diezelfde droom had gehad. `God zij geprezen,' zei de Profeet.

Vijandschap van de joden en de Halfhartigen
Top

Niet iedereen in Medina was gelukkig met Mohammeds intocht. Hij ondervond tegenstand van twee kanten: van de joden en van degenen die liever de oude toestand gehandhaafd hadden gezien.
       De joden weigerden, op enkelen na, zich te bekeren tot de islam. Mohammed had geloofd dat zijn openbaring identiek was met die van christenen en joden, en dat dezen heen als profeet zouden erkennen. Aanvankelijk schijnt het conflict met de joden in Medina zich vooral te hebben geuit in twistgesprekken, waarvan de neerslag te vinden is in koran en Traditie. Mohammed heeft enige tijd geduld met hen gehad, maar heeft zich ten slotte van hen afgewend. In die tijd werd ook de kibla, de gebedsrichting, veranderd. Hadden de moslims in Medina aanvankelijk naar Jeruzalem gebeden, voortaan richtten zij zich naar Mekka.
        De koran houdt de joden de profeet Ibrahiem voor, die zowel hun stamvader is als die der Arabieren. Ibrahiems godsdienst was de juiste; hij heeft ook het heiligdom in Mekka gesticht. De joden echter hebben zijn godsdienst vervalst: zij hebben Gods woorden een verkeerde uitleg gegeven of weggemoffeld.
        Van de religieuze twistgesprekken geeft deze bloemlezing slechts enkele fragmenten, als proeven van het genre.
        Ook in politiek opzicht waren de joden Mohammed vijandig gezind. Bij de vroegere strijd tussen Aus en Ghazradj waren zij de lachende derden geweest; nu die beide stammen een blok vormden onder Mohammeds leiding, vreesden zij voor hun rijke landerijen. Immers, reeds eerder waren in Medina pogingen gedaan om tot eenheid te komen en hadden zij zich bedreigd gevoeld.
       Het woord `Halfhartigen' (moenafikoen) wordt in de tekst hieronder geheel in religieuze termen verklaard. Het heeft echter ook een politieke dimensie, als verzamelnaam voor diegenen die wel moslim waren geworden, maar op bepaalde politieke of militaire punten met Mohammed van mening verschilden. Aan oorlog met Mekka hadden zij geen boodschap. Bovendien was er al voor Mohammeds komst een tendens geweest tot een verband van stammen in Medina, en personen die daarvan iets te verwachten hadden gehad, zoals Abdallah ibn Oebajj ibn Saloel, toonden een begrijpelijke reserve tegenover de nieuwe orde.

        In die tijd stelden de joodse rabbijnen zich vijandig op jegens de Profeet, uit haat en nijd omdat God Zijn gezant had gekozen uit de Arabieren. Bepaalde mannen uit Aus en Chazradj sloten zich bij hen aan. Dat waren de 'Halfhartigen', die volhardden in hun onwetendheid, vasthielden aan de heidense godsdienst van hun vaderen en de opstanding loochenden. Toen echter de islam de overhand kreeg en hun stamgenoten daar in groten getale toe overgingen, zagen zij zich, om hun leven te redden, gedwongen voor te wenden dat zij ook moslim geworden waren. Maar in het geheim waren zij halfhartig en hun sympathie lag bij de joden, omdat die de Profeet als een leugenaar beschouwden en de islam verloochenden.
        Het waren de rabbijnen der joden die de Profeet in het nauw probeerden te brengen met vragen die verwarring stichtten en de waarheid vervalsten. Over hun vragen werden koranopenbaringen nedergezonden, hoewel enkele vragen aangaande wat geoorloofd en wat verboden was van de moslims zelf kwamen.
        Onder de joodse rabbijnen die halfhartig tot de islam overgingen was ook Zaid ibn Loesait, uit de stam Kainoekaa'. Toen de kameel van de Profeet eens was weggelopen zei hij: 'Mohammed beweert dat er een boodschap uit de hemel tot hem komt, en hij weet niet eens waar zijn kameel is!'
        Toen de Profeet vernam wat deze vijand Gods gezegd had, en nadat God hem had gewezen waar het dier zich bevond, zei hij: 'lk weet alleen wat God mij laat weten. Hij heeft mij gewezen waar het dier is, namelijk in dat-en-dat ravijn, en zijn teugel is vastgeraakt aan een boom.' Dadelijk gingen enige moslims op weg om de kameel te zoeken en zij troffen hem aan op de plaats die de Profeet genoemd had, en zoals hij beschreven had.
        Deze Halfhartigen waren gewoon naar de moskee te gaan en te luisteren naar wat de moslims vertelden, om daarom te lachen en grappen te maken over hun godsdienst. Op een dag, toen er weer een aantal van hen in de moskee was, zag de Profeet hoe zij bij elkaar gekropen waren en zaten te luisteren. Hij gaf opdracht hen te verwijderen en zij werden er met enig geweld uitgezet. Een van hen was Amr ibn Kais, uit de stam Naddjaar, die in de heidentijd de bewaker van hun goden was geweest. Aboe Ajjoeb liep op hem toe, greep hem bij zijn voet en sleepte hem de moskee uit, terwijl Amr riep: 'Gooi jij mij van de droogvloer van het geslacht Tha'laba?' Daarop liep Aboe Ajjoeb naar Rafi' ibn Wadie'a, ook uit Naddjaar, pakte hem bij zijn kleed, sloeg hem in het gezicht en sleepte hem met geweld de moskee uit. `Bah, smerige huichelaar!' riep hij hem na, 'en vertoon nooit meer in de moskee van de Profeet!'
       De Profeet riep de joden op tot de islam, stelde hun die aantrekkelijk voor en waarschuwde hen voor de naijver en de straf Gods. Maar zij wezen hem af en geloofden niet in zijn boodschap. Toen richtten de gezellen Moe'aadz ibn Djabal, Sa'd ibn Oebada en Oekba ibn Wahb het woord tot hen en zeiden: 'Joden, jullie moeten God vrezen! Jullie weten heel goed dat hij de gezant van God is, want jullie hebben ons zelf over hem verteld en hem ons beschreven, nog voordat hij gezonden was.'
       Rafi' ibn Hoeraimila en Wahb ibn Jahoedza antwoordden: 'Dat hebben wij nooit gezegd, en God heeft na Moesa geen Schrift meer geopenbaard en geen boodschapper of waarschuwer meer gezonden.'
       Toen openbaarde God over wat zij gezegd hadden: Mensen van de Schrift! Onze gezant is tot u gekomen om u duidelijkheid te verschaffen na een ouderbreking in de reeks der gezanten, opdat u niet zoudt zeggen: 'Tot ons is geen boodschapper of waarschuwer gekomen.' Maar nu is er een boodschapper en waarshuwer tot u gekomen. God is tot alles in staat. [5:19]
        Enige joden kwamen bij de Profeet en vroegen: 'Mohammed, beweert u niet, dat u de godsdienst van Ibrahiem aanhangt en gelooft in onze tauraat en belijdt dat die de waarheid van God is?'
       `Zeker,' zei hij, `maar jullie hebben erin veranderd en het verbond dat God daarin met jullie gesloten heeft geloochend en ervan verborgen wat je bevolen was de mensen duidelijk te maken, en met jullie nieuwlichterij heb ik niets te maken.'
       'Wij houden ons aan wat wij bezitten,' zeiden zij. `Wij leven volgens het juiste richtsnoer en de waarheid; wij geloven niet in u en volgen u niet.'
       Toen openbaarde God over hen: Zeg: `Mensen van de Schrift! U kunt zich op niets beroepen zolang u zich niet houdt aan de tauraat en de indjiel en wat u is nedergezonden van uw Heer.' Wat jou is nedergezonden van je Heer zal velen van hen nog doen toenemen in overmoed en ongeloof. Treur maar niet om de ongelovige mensen. [5:68]

De expeditie naar Nachla in de gewijde maand
Top

Buiten Medina was Koeraisj de grootste vijand. Mohammed ondernam, naar oud Arabisch gebruik, talloze kleine strooptochten en enige grotere veldtochten, waarmee hij in zijn levensonderhoud voorzag en die alle, direct of indirect, tegen Mekka gericht waren. Vaak trok hij uit tegen stammen die niet Koeraisj verbonden waren, of tegen stammen in de omgeving van Medina die hij in zijn invloedssfeer wilde brengen. Niet bij alle expedities werd bloed vergoten; waar mogelijk paaide de Profeet de stammen met vriendelijkheid en tact en stelde hij zich mild op tegen overwonnenen; soms huwde hij een vrouw uit een van de stammen. Koeraisj werd door dit alles geleidelijk verzwakt en binnen Medina wist de Profeet door zijn successen zijn positie te verstevigen.
       Van de verhalen over de veldtochten worden in deze bloemlezing slechts enkele aangeboden.
       De tocht naar Nachla toont Mohammeds strategie tegen Koeraisj. Het was hem te doen om het onderscheppen van hun karavanen op de terugtocht naar Mekka, wanneer zij waren beladen met onder meer het geÔmporteerde voedsel dat die stad zo nodig had.
       De karavanen uit SyriŽ kwamen dicht langs Medina. Zij waren groot en hadden veel begeleiders. De weg van de tuinbouwstreek van Ta'if naar Mekka was kort en werd geheel beheerst door Koeraisj. De karavanen daar zullen wat kleiner zijn geweest en misschien juist in de gewijde maand, waarin traditioneel niet werd gevochten, minder goed beschermd. Mohammed was in zijn Mekkaanse tijd zelf in de handel werkzaam geweest en zal goed op de hoogte zijn geweest van de reistijden en -routes. Langs een omweg stuurde hij een klein aantal mannen, allen Emigranten, om op een onverwacht tijdstip en een onverwachte plaats een karavaan te overvallen.
        Volgens het verhaal reageerden Mohammeds gezellen heftig op dit gevecht in een 'heilige' maand, dat immers een overtreding was van een heidens taboe. Er was een koranopenbaring nodig om de opwinding tot bedaren te brengen.
       Zij vragen u omtrent het vechten in de heilige maand. Zeg: "Het vechten hierin is een grote overtreding, maar de mensen van de weg van Allah af te houden en Hem ondankbaar te zijn en (de toegang tot) de Heilige Moskee (te verhinderen) en haar mensen er van te verdrijven, is bij Allah een grotere zonde; en vervolging is erger dan doden." En zij zullen niet ophouden, u te bevechten, totdat zij u van uw geloof hebben afgebracht, als zij kunnen. Maar wie onder u zich van zijn geloof afkeert en sterft als een ongelovige - diens werken zullen tevergeefs zijn in deze wereld en in de toekomende. Dezulken zijn de bewoners van het Vuur en zij zullen daarin verblijven.[2:217]
       Het verhaal vertelt dus over de aanleiding tot de openbaring van dat vers.
       Het motief van de brief met instructies die de aanvoerder pas onderweg mocht openen, is veel gebruikt in de verhalen over de veroveringen na Mohammeds dood. Daar moet het de indruk wekken, dat de kalief als een spin midden in een web alles in het Arabische rijk regelde en onder controle had. Hier dient het om achteraf de indruk weg te nemen, dat er op Mohammeds bevel in de gewijde maand was gestreden. Volgens de brief had hij immers slechts bevolen de karavaan te bespioneren.

        In de gewijde maand radjab zond de Profeet Abdallah ibn Djahsj uit met acht Emigranten en zonder ook maar ťťn Helper. Hij gaf hem een brief mee, die hij pas mocht inzien als hij twee dagreizen ver was. De instructies daarin moest hij opvolgen en hij mocht geen van zijn metgezellen onder druk zetten.
       De acht Emigranten waren: Aboe Hoedzaifa, Abdallah ibn Djahsj, de aanvoerder, Oekkaasja ibn Mihsan, Oetba ibn Ghazwaan, Sa'd ibn abi Wakkaas, Amir ibn Rabie'a, Wakid ibn Abdallah, Chalid ibn Boekair en Soehail ibn Baidaa'.
        Na twee dagreizen opende Abdallah de brief, die de volgende inhoud had: `Als je deze brief van mij leest, trek dan verder tot Nachla, tussen Mekka en Ta'if, wacht af tot Koeraisj langskomt en verzamel inlichtingen over hen.' Toen Abdallah de brief gelezen had, zei hij: `Horen is gehoorzamen,' en tegen zijn kameraden zei hij: `De Profeet heeft mij bevolen naar Nachla te gaan om daar Koeraisj te bespieden en inlichtingen over hen te verzamelen. Maar hij heeft mij verboden druk op jullie uit te oefenen. Dus wie verlangt naar het martelaarschap, laat hij mee optrekken, en wie dat niet wil, laat die terugkeren. lk volg in elk geval het bevel van de Profeet op.' Hij trok verder en al zijn kameraden trokken mee; niet ťťn van hen trek zich terug.
       Hij trok verder langs de Hidjaaz. Bij een mijn boven Foeroe', die Bahraan heette, raakten Sa'd en Oetba de kameel kwijt waarop zij om beurten reden, en zij bleven achter om die te zoeken. Abdallah trok met de anderen verder naar Nachla. Daar passeerde hen een karavaan van Koeraisj, beladen met rozijnen, leder en andere koopwaar. De karavaan werd begeleid door Amr ibn Hadrami, Oethmaan ibn Abdallah en zijn broer Naufal, beiden uit de stam Machzoem, en Hakam ibn Kaisaan. Toen de mannen van de karavaan de moslims zagen, werden zij bang, want hun kamp was dichtbij dat van henzelf. Oekkaasja, die zijn hoofd had kaalgeschoren, vertoonde zich aan de karavaan, en toen zij hem zagen waren zij gerustgesteld, want zij dachten: `Het zijn maar pelgrims; van hen hebben wij niets te duchten.'
        De moslims beraadslaagden, want het was een van de laatste dagen van de maand radjab, en zij zeiden: `Als wij hen vannacht laten gaan, bereiken zij het gewijde gebied van Mekka en zijn ze veilig voor ons, en als wij hen nu doden, doen wij dat in de gewijde maand.' De mannen aarzelden en durfden niet tot de aanval over te gaan, maar ten slotte schepten zij moed en besloten zoveel mogelijk begeleiders van de karavaan te doden en buit te maken wat zij konden. Wakid schoot een pijl af op Amr ibn Hadrami en doodde hem. Oethmaan en Hakam gaven zich over. Naufal ontkwam en maakte zich uit de voeten. Abdallah en zijn kameraden namen de karavaan en de beide gevangenen mee terug naar Medina.
        Een familielid van hem heeft verteld dat hij toen tegen zijn kameraden zei: 'Een vijfde deel van wat wij buitgemaakt hebben komt de Profeet toe.' (Dat was nog voordat God het zo had ingesteld.) Dus hij hield een vijfde deel van de karavaan apart voor de Profeet en verdeelde de rest onder zijn kameraden.
       Toen zij bij de Profeet kwamen, zei deze: 'Ik had jullie niet bevolen in de gewijde maand te vechten.' Hij liet de karavaan en de twee gevangenen onaangeroerd en weigerde er iets van te nemen. De mannen schrokken hevig en dachten dat hun laatste uur geslagen had. De andere moslims overlaadden hen met verwijten. De Koeraisjieten zeiden: 'Mohammed en zijn gezellen hebben de gewijde maand geschonden: zij hebben bloed vergoten, geroofd en gevangenen gemaakt!' De moslims in Mekka brachten daartegen in dat het al in de maand sja'baan gebeurd was. De joden zagen er een voorteken in ten nadele van de Profeet, maar God deed het verkeren in een nadeel voor hen zelf.
        Er was veel over deze zaak te doen. God openbaarde toen aan Zijn gezant: Zij stellen u vragen over de gewijde maand, over het strijden daarin. Zeg: `Het strijden daarin is een ernstige zaak, maar afhouden van de weg van God - en ongeloof in Hem - en van het gewijde bedeoord, en de mensen daaruit verdrijven gelden bij God als ernstiger,' [2:217] en wat daar verder volgt.
        Een familielid van Abdallah ibn Djahsj heeft gezegd: God heeft de buit verdeeld toen hij hem geoorloofd maakte. Vier vijfde heeft Hij gegeven aan degenen die Hij hem als buit in handen had doen vallen, en ťťn vijfde aan Zijn gezant. Dus het is gebeurd overeenkomstig de handelwijze van Abdallah met die karavaan.

De slag bij Badr
Top

Tussen Medina en de Rode-Zeekust liggen hemelsbreed ongeveer 140 kilometer. Door dat gebied moest de rijk beladen Mekkaanse karavaan passeren, die onder leiding van Aboe Soefjaan terugkeerde uit Syriť. Bij Badr, vlakbij de kust, kruiste een weg uit Medina de grote karavaanweg. Daar hebben Mohammed en zijn mannen de karavaan onderschept en een beslissende slag van de Koeraisjieten gewonnen.
        De grote vraag voor de Profeet was of ook de Helpers uit Medina met zijn militaire verrichtingen wilden meedoen. Tot dusverre hadden alleen Emigranten aan zijn strooptochten deelgenomen. Kennelijk was Mohammed erin geslaagd een aantal Helpers mee te krijgen voor een overval op de karavaan, die naar verluidt door zeventig Koeraisjieten werd begeleid. Mogelijk zijn deze Helpers betrekkelijk onverwacht, nadat zij met enige tegenzin waren uitgetrokken, geconfronteerd met de sterke Mekkaanse hulptroepen onder Aboe Djahl, en zijn zij als vanzelf bij de slag betrokken geraakt. Het aantal van de moslimstrijders dat genoemd wordt is 314, een Gideonsbende dus. (Vgl. de bijbel, Richteren 7:8) De Koeraisjieten waren 950 in getal.
        Soera 8, 'De buit', wordt in verband gebracht met de slag bij Badr. Volgens de verzen: 9 en 12 Toen gij de hulp van uw Heer afsmeekte en Hij u antwoordde: "Ik zal u met duizend engelen helpen die elkander opvolgen." [8:9] en Toen uw Heer aan de engelen openbaarde: "Ik ben met u; versterkt de gelovigen. Ik boezem ontzag in de harten der ongelovigen. Slaat daarom hun hoofd af en slaat alle toppen van hun vingers af." [8:12] van die soera had Mohammed nog andere helpers in de slag, namelijk door God gezonden engelen. Ook deze komen ter sprake in de teksten hieronder.
        Door de overwinning bij Badr in 624 werd Mohammeds positie in Medina zeer versterkt. Het was de eerste grote triomf van de nieuwe staat. Voor Koeraisj was het een gevoelige slag: alle kooplui en financiers van Mekka hadden een aandeel in de karavaan gehad; waarschijnlijk werd ook de voedselvoorziening in de stad erdoor geschaad.
       De Profeet vernam dat Aboe Soefjaan ibn Harb met een geweldige karavaan van Koeraisj onderweg was uit SyriŽ. Deze karavaan, die hun goederen en handelswaar meevoerde, werd begeleid door dertig of veertig man.
        Az-Zoehri, Asim ibn Oemar, Abdallah ibn abi Bakr en Jazied ibn Roemaan hebben mij van Oerwa en andere geleerden op gezag van Ibn Abbaas elk iets meegedeeld over de slag bij Badr; uit hun berichten heb ik het volgende verhaal samengesteld:
       Zodra de Profeet had vernomen dat Aboe Soefjaan onderweg was uit SyriŽ, riep hij de moslims bijeen en zei: `De karavaan van Koeraisj komt eraan, met al hun goederen en handelswaar. Ga erop af; misschien zal God haar jullie in handen geven!' De mannen voerden zijn bevel uit, sommigen vol ijver, anderen met tegenzin, omdat zij niet hadden gedacht dat de Profeet oorlog zou gaan voeren. Intussen had Aboe Soefjaan, toen hij de Hidjaaz naderde, getracht het laatste nieuws te horen te krijgen en hij had iedere ruiter die hij tegenkwam bezorgd ondervraagd. Ten slotte had iemand hem gewaarschuwd dat Mohammed zijn gezellen had opgeroepen om hem en zijn karavaan te overvallen. Aldus gealarmeerd huurde hij Damdam ibn Amr de Chifariet, die hij naar Mekka stuurde met de boodschap dat de Koeraisjieten hun goederen moesten komen verdedigen, want dat Mohammed en zijn gezellen hem opwachtten. Damdam haastte zich naar Mekka.
       De Koeraisjieten maakten zich dadelijk gereed en zeiden: 'Denkt Mohammed soms dat dit zoiets is als de karavaan van Ibn Hadrami? Hij zal nog eens iets anders meemaken!' Iedereen trok of zelf uit of stuurde iemand in zijn plaats. Geheel Koeraisj deed mee; van hun edelen bleef niemand achter, behalve Aboe Lahab. Deze stuurde al-Aas ibn Hisjaam in zijn plaats, die hem vierduizend dirham schuldig was en ze niet kon betalen. Voor dat bedrag ging hij mee in plaats van Aboe Lahab.
        Toen zij gereed waren en besloten te vertrekken, herinnerden zij zich hun twist met het geslacht Bakr van de stam Kinana; bijna had hen dat van het vertrek afgehouden. Maar de duivel verscheen hun in de gedaante van Soeraka ibn Malik, een van de edelen van Kinana, die zei: 'Ik garandeer, dat Kinana jullie niet in de rug zal aanvallen. Daarop braken ze haastig op.
       De Profeet trok uit een paar dagen na het begin van de maand ramadan. Het vaandel gaf hij aan Moes'ab ibn Oemair. Twee zwarte vlaggen trokken voor hen uit; de ene, die 'de Adelaar' heette, werd gedragen door Ali, de andere door een van de Helpers. De Profeet en de zijnen hadden zeventig kamelen, die zij om beurten bereden. De Profeet deelde een kameel met Ali en Marthad ibn abi Marthad. Hij nam de weg naar Mekka door de bergen en hield halt bij Sadjsadj, dat is de bron Rauhaa'. Vandaar trok hij naar Moensaraf, waar hij de weg naar Mekka verliet en rechtsaf sloeg naar Nazia, in de richting van Badr. Hij stak de rivierbedding Roehkaan over, tussen Nazia en de Safraa'-pas, toen de pas over tot dichtbij Safraa'. Vandaar stuurde hij Basbas ibn Amr en Adi ibn abi Zaghbaa', beiden van de stam Djoehaina, naar Badr om inlichtingen in te winnen over Aboe Soefjaan en zijn karavaan. Zelf trok hij verder naar Safraa', een dorpje dat tussen twee bergen ligt. Hij informeerde naar de naam van die twee bergen en kreeg te horen dat ze Moeslih, `de poeper' en Moechri, `de kakker', heetten. De bewoners ervan bleken twee clans van de stam Ghifaar te zijn, de geslachten Naar en Hoeraak.' `Vuur` en `brand`. De Profeet wilde liever niet tussen deze bergen doortrekken, want hij zag in hun namen en die van hun bewoners een slecht voorteken; daarom trok hij rechtsons langs Safraa' naar een dal dat Dzafiraan heette. Dat stak hij over en toen hield hij halt.
        Toen vernam hij dat de Koeraisjieten onderweg waren om hun karavaan te verdedigen. Hij vertelde het zijn mannen en vroeg hun om raad. Nadat eerst Aboe Bakr en Oemar mooi gesproken hadden nam Mikdaad ibn Amr het woord en zei: 'Profeet, ga waarheen God u wijst, want wij zijn bij u. Wij zeggen niet, zoals de kinderen van Isra'iel tegen Moesa zeiden: "Gaat u met uw heer en strijd! Wj blijven hier!" [5:24] maar wij zeggen: "Gaat u met uw Heer en strijd! Wij strijden met u mee!" Bij God, al zou u ons helemaal naar Bark al-Ghimaad meenemen, wij zouden met u vechten tot u het zou innemen!' De Profeet dankte hem voor deze woorden en zegende hem.
       Vervolgens vroeg hij ook de Helpers uit Medina om raad, want zij vormden de meerderheid, en bij de eed van trouw in Akaba hadden zij gezegd dat zij hem pas in Medina zouden beschermen en dat zij hem als hun eigen kinderen en vrouwen zouden verdedigen zodra hij bij hen was. Daarom was de Profeet bang dat zij zich alleen verplicht zouden voelen hem te helpen bij een aanval op Medina en het niet als hun taak beschouwden met hem op te trekken tegen een vijand buiten hun gebied. Maar toen de Profeet daarover begon zei Sa'd ibn Moe'aadz: 'Bij God, u bedoelt ons toch niet? Wij geloven in u en belijden dat uw boodschap waar is. Wij hebben een verbond met u en wij hebben beloofd u te gehoorzamen, dus ga waarheen u wilt, Profeet. Wij gaan mee en zelfs als u zich in zee zou storten en ons zou vragen hetzelfde te doen, zouden wij u volgen en er zou niemand van ons achterblijven. Wij zien er niet tegen op morgen onze vijand te ontmoeten; wij zijn gehard in het gevecht en betrouwbaar in de strijd. Misschien zal God u van ons iets laten zien wat u goed doet; dus laat ons met Gods zegen mee optrekken!' Sa'ds woorden beurden de Profeet op en hij zei: `Trek dan op en heb goede moed, want God heeft mij beloofd, dat wij ťťn van de twee groepen [8:7], de karavaan of het leger, zullen overwinnen; ja, het is alsof ik de vijand al verslagen voor mij zie liggen!'
       Ze braken op uit Dzafiraan, staken de Asafir-passen over, daalden af naar de plaats Dabba en lieten Hannaan rechts liggen. Dat was een geweldige zandheuvel, zo hoog als een berg. Ten slotte sloegen ze hun kamp op dichtbij Badr.
       In de avond stuurde de Profeet Ali, Zoebair ibn Awwaam en Sa'd ibn abi Wakkaas met nog een paar man naar de bron bij Badr, om inlichtingen in te winnen. Zij troffen daar twee slaven van Koeraisj die met kantelen water haalden. Die namen ze mee terug en ondervroegen hen, terwijl de Profeet de salaat stond te verrichten. De twee zeiden dat ze water aan het halen waren voor het leger van Koeraisj. Maar dat antwoord beviel de mensen niet; zij hadden gehoopt dat ze bij de karavaan van Aboe Soefjaan hoorden. Ze tuigden hen daarom flink af, en ten slotte zeiden ze dat ze bij Aboe Soefjaan hoorden. Pas toen werden ze met rust gelaten. Maar de Profeet zei, nadat hij alle buigingen en teraardewerpingen had verricht en zijn salaat had afgesloten: `Toen zij de waarheid spraken hebben jullie hen geslagen, en nu ze liegen laten jullie hen met rust. Zij hebben inderdaad de waarheid gesproken: zij horen bij het leger van Koeraisj.' Toen vroeg hij hun zelf waar dat leger zich bevond. `Achter dat duin daar in de verte,' zeiden ze. (Dat was de heuvel Akankal.) De Profeet vroeg met hoevelen zij waren. `Met veel,' zeiden ze, maar een nauwkeurig aantal wisten ze niet te noemen. Dus vroeg hij hun hoeveel dieren er iedere dag geslacht werden. `Soms negen, soms tien,' antwoordden ze, en nu wist de Profeet dat het ongeveer negenhonderd of duizend man waren. Ook vroeg hij welke edelen er bij het leger waren. Nadat zij hen allemaal hadden opgesomd wendde de Profeet zich tot zijn mannen en zei: `Mekka heeft zijn kopstukken op jullie afgestuurd.'
       Tevoren waren Baskas en Adi al hij Badr aangekomen en hadden halt gemaakt op een heuveltje dichtbij de bron. Met een oude waterzak waren ze water gaan halen bij de bron, waar zij een zekere Madjdi ibn Amr uit Djoehaina aantroffen. Zij vingen daar een gesprek op tussen twee meisjes die daar woonden en die ruzie hadden over een schuld. Het ene meisje zei tegen het andere: `Morgen of overmorgen komt de karavaan; ik zal voor ze werken en dan betaal ik je wat je nog tegoed hebt.' Toen bevestigde Madjdi, dat de karavaan in aantocht was en kalmeerde de meisjes. Basbas en Adi, de beide verspieders, sprongen op hun kamelen en gingen de Profeet verslag uitbrengen van wat zij hadden gehoord.
       Intussen was Aboe Soefjaan uit voorzorg de karavaan vooruit gereden. Hij kwam ook bij de bron en vroeg Madjdi of hij iemand opgemerkt had.
       `Niemand om ongerust over te zijn,' antwoordde hij, 'alleen twee ruiters die halt hielden op dat heuveltje, hun oude waterzak vulden en weer vertrokken.'
        Maar Aboe Soefjaan ging naar de plaats waar hun kamelen geknield hadden en wreef wat van de mest fijn tussen zijn vingers. Toen hij daarin dadelpitten aantrof dacht hij bij zichzelf: dit is het veevoer van Medina! Haastig keerde hij terug naar zijn mannen en liet de karavaan van de weg afgaan in de richting van de kust. Hij liet Badr links liggen en trok zo snel mogelijk verder.
       Het leger van Koeraisj naderde en toen er halt gemaakt werd in Djoehfa kreeg Djoehaim ibn Salt een visioen. Hij heeft daarover verteld: Ik had een soort droom, terwijl ik half sliep en half wakker was. Ik zag een man aankomen op een paard, en hij had ook een kameel bij zich. Toen stond hij stil en zei: `Oetba en Sjaiba zijn gedood, en Aboe Hakam en Oemajja' - en daarop somde hij een aantal edelen van Koeraisj op die bij Badr zijn gesneuveld. Toen gaf hij zijn kameel een houw op de keel en liet hem los in het kamp, en alle tenten kwamen onder bloedspatten te zitten. Toen Aboe Djahl hiervan hoorde zei hij: 'Alweer zo'n profeet uit het geslacht Moettalib! Morgen, in de slag, zal hij nog eens zien wie er gedood wordt!'
        Toen Aboe Soefjaan zag dat zijn karavaan in veiligheid was stuurde hij een bode naar Koeraisj met de boodschap: `Jullie zijn uitgerukt om de karavaan, de mannen en de goederen te verdedigen. God heeft hen gered; ga maar weer terug.' Maar Aboe Djahl ibn Hisjaam zei: `Wij gaan niet terug voordat wij in Badr geweest zijn.' (Badr was een marktplaats van de Arabieren, waar ieder jaar een markt werd gehouden.) `Wij willen er drie dagen blijven, kamelen slachten, feest vieren en wijn drinken, en de slavinnen moeten voor ons optreden. De bedoeienen zullen horen dat wij hier bijeengekomen zijn en zullen voortaan altijd ontzag voor ons hebben. Voorwaarts, mars!'
       Het leger van Koeraisj trok verder tot de uiterste rand van het rivierdal, achter de zandheuvel Akankal; daar hield het halt. De Jaljal, de eigenlijke rivierbedding, lag tussen Badr en de Akankal, en de bronnen van Badr lagen aan de kant van het dal die het dichtst bij Medina was. Toen zond God een regenbui, die voor de Profeet en zijn gezellen de grond stevig maakte en hun het voortgaan niet belette, maar Koeraisj was op een plek waar het nauwelijks vooruit kon komen. De Profeet joeg zijn mannen haastig voort tot de eerste bron van Badr; daar hield hij halt.
        Mij is verteld dat mannen van de stam Salima hebben bericht dat Hoebaab ibn Moendzir toen aan de Profeet vroeg: `Deze plaats, waar we niet voor- of achteruit kunnen, heeft God u die gewezen of is het uw eigen inzicht en strategie?' Toen de Profeet antwoordde dat het laatste het geval was, zei Hoebaab: `Dit is geen goede plaats; we moeten verder gaan naar de bron die het dichtstbij de vijand ligt, daar halt houden en de bronnen daarachter verstoppen; dan leggen wij een reservoir aan dat wij met water vullen. Als we dan slaags raken hebben wij te drinken en zij niet' 'Dat is een uitstekend plan: zei de Profeet en hij voerde het dadelijk uit: de bronnen werden verstopt en er werd een reservoir aangelegd bij de bron waar zij zelf waren; daaruit vulden de manschappen hun vaten.

       Abdallah ibn abi Bakr bericht dat volgens zijn informatie Sa'd ibn Moe'aadz toen heeft gezegd: `Profeet, laten wij een hut van palmtakken voor u bouwen, waarin u kunt gaan zitten en waarnaast uw rijdieren klaarstaan. Als God ons dan de overwinning schenkt in de slag hebben wij ons doel bereikt, maar als het anders afloopt, kunt u op uw rijdier gaan zitten en u bij onze mensen voegen die achtergebleven zijn, want zij zijn u net zo toegedaan als wij. Als zij geweten hadden dat het tot een gevecht zou komen waren zij zeker niet achtergebleven. God zal u door hen beschermen en zij zullen u met raad en daad terzijde staan.' De Profeet dankte hem en zegende hem. Daarop werd er een hut gebouwd waarin de Profeet verbleef.
        In de ochtend zetten de Koeraisjieten zich in beweging. Toen de Profeet hen zag afdalen van de Akankal riep hij: `O God, hier komt Koeraisj in al zijn ijdelheid en hovaardij, om tegen U te strijden en om Uw gezant voor leugenaar uit te maken. O God, help mij, zoals U hebt beloofd. Vernietig hen deze ochtend!'
       Mijn vader en andere geleerden hebben mij het volgende bericht van enige oude mannen van de Helpers doorgegeven: Toen de vijand zijn kamp gereed had, stuurden zij Oemair ibn Wahb de Djoemahiet uit met de opdracht het aantal gezellen van Mohammed te schatten. Hij reed te paard om het kamp heen en bij zijn terugkomst meldde hij: `Driehonderd man ongeveer. Maar wacht even: ik wil nog kijken of zij geen hulptroepen hebben of mensen in een hinderlaag hebben liggen.' Hij trok een heel eind het rivierdal in, maar kon niets ontdekken. Teruggekomen zei hij: `Ik heb niets gevonden, maar, Koeraisjieten, ik heb dieren gezien met de dood als berijder: de kamelen van Jathrib met een wisse dood op hun rug. Deze mannen hebben geen bescherming of toeverlaat dan hun eigen zwaarden. Bij God, ik denk niet dat er een van hen gedood kan worden zonder dat hij er eerst een van ons doodt, en als zij dan zoveel man hebben gedood als zij zelf tellen, wat heeft het leven daarna nog voor zin? Laten we er nog eens goed over nadenken wat we doen.'
       Toen Hakiem ibn Hizaam dit hoorde ging hij naar Oetba ibn Rabie'a.
       'U bent de heer en leider van Koeraisj, die ze gehoorzamen.' zei hij. `Wilt u dat uw naam met ere vermeld wordt tot het einde der tijden? Breng dan de mensen terug naar huis en neem zelf de bloedschuld op u van uw bondgenoot Amr ibn Hadrami, die wij op Mohammed te vorderen hebben!'
        'Dat wil ik wel doen,' antwoordde Oetba, jij bent mijn getuige! Amr was mijn bondgenoot, ik betaal zijn familie het bloedgeld en de verloren goederen. Maar bespreek het wel met Aboe Djahl, want ik ben bang dat alleen hij ertegen is.'
       Daarop hield Oetba een toespraak: `Koeraisjieten, bij God, van een gevecht met Mohammed en zijn gezellen hebben wij geen enkel voordeel. Zelfs als wij winnen zullen wij elkaar niet meer in de ogen kunnen zien, omdat wij elkaars neven of andere verwanten hebben gedood. Laten wij dus teruggaan en Mohammed overlaten aan de andere Arabieren. Als zij hem doden, kunnen wij tevreden zijn, en zo niet, dan zal hij ons niets kwalijk kunnen nemen omdat wij hem uiteindelijk niets gedaan hebben.'
       Hakiem was intussen bij Aboe Djahl aangekomen, die juist een pantser uit de hoes had gehaald en dat oliede. Hakiem vertelde hem dat hij door Oetba was gestuurd en wat deze had gezegd. Aboe Djahl zei: `De adem is hem in de keel geschoten van angst toen hij Mohammed en zijn gezellen zag. Nee, wij gaan in geen geval terug voordat God heeft beslist tussen ons en Mohammed. Oetba gelooft toch zelf niet wat hij zegt! Hij weet best dat Mohammed en zijn gezellen maar een handjevol mensen zijn. Maar zijn zoon is bij hen; hij is natuurlijk bang dat jullie zijn zoon iets zullen doen.' Toen ontbood hij Amir, de broer van de gedode Amr ibn Hadrami, en zei tegen hem: `Deze bondgenoot van jou wil teruggaan met zijn mannen op het ogenblik dat jij wraak kunt nemen. Kom, herinner hen aan hun plicht en aan de moord op je broer!' Amir stond op, trok zijn zwaard en riep: `Wraak voor Amr, wraak voor Amr!' Daarop ontbrandde de strijd. Alles was mislukt: de Koeraisjieten volhardden in het kwaad en Oetba's raad was in de wind geslagen. Toen Oetba hoorde wat Aboe Djahl had gezegd, riep hij: `Dat schijthuis zal eens zien wie er hier bang is: ik of hij!'
       Aswad al-Machzoemi, een twistziek man met een onaangenaam karakter, kwam naar voren en riep: 'Ik zweer dat ik uit hun waterbekken zal drinken of het zal vernielen, of zal sterven voor ik er ben.' Maar Hamza ibn Abd al-Moettalib nam het tegen hem op en gaf hem nog voordat hij bij het bekken was zo'n geweldige slag dat zijn voet en zijn halve been eraf vlogen. Hij viel op zijn rug en het bloed gulpte uit zijn been in de richting van zijn kameraden. Toch kroop hij nog naar het bekken en stortte zich erin, om zijn eed gestand te doen, maar Hamza kwam achter hem aan en sloeg hem dood in het reservoir.
       Toen traden Oetba en zijn broer Sjaiha en zijn zoon Walied naar voren uit de rijen en daagden de moslims uit tot een gevecht van man tegen man. Drie jongemannen van de Helpers traden aan. `Wie zijn jullie?' vroegen de Koeraisjieten. `Wij behoren tot de Helpers van de Profeet,' antwoordden zij. `Met jullie hebben wij niets te maken,' zeiden de Koeraisjieten en ze lieten hun heraut roepen: `Mohammed! Stuur ons mannen die tegen ons opgewassen zijn, uit onze eigen stam!' De Profeet beval Oebaida ibn Harith en Hamza en Ali te gaan. Weer vroegen de Koeraisjieten wie zij waren, en toen ze hun namen hoorden zeiden ze: `Ja, deze kerels kunnen ons partij bieden.? Oebaida, de oudste, vocht tegen Oetba; Hamza tegen Sjaiba en Ali tegen Walied. Het duurde niet lang of Hamza en Ali hadden hun tegenstanders gedood. Oebaida en Oetba wisselden twee slagen en brachten elkaar een zware verwonding toe. Dadelijk stortten Hamza en Ali zich op Oetba en maakten hem af met hun zwaard. Oebaida tilden ze op en droegen hem naar zijn kameraden.
        Toen marcheerden de beide legers op elkaar af. De Profeet had zijn gezellen gezegd niet aan te vallen voordat hij daartoe bevel gaf. `Als de vijanden jullie omsingelen,' had bij gezegd, `schiet dan een regen van pijlen op hen af!' Zelf bleef de Profeet in de hut, samen met Aboe Bakr.
        Habbaan ibn Wasi' heeft gehoord van enkele oude mannen uit zijn stam, dat de Profeet op de dag van Badr zijn gezellen recht in het gelid zette, met een pijlschacht die hij in zijn hand had. Toen hij langs Sawaad ibn Ghaziea kwam, stond deze te ver naar voren; de Profeet porde hem in zijn buik met die pijlschacht en zei: 'In het gelid, Sawaad!' Maar hij zei: `U hebt mij pijn gedaan, Profeet, en God heeft u gezonden met waarheid en gerechtigheid, dus laat mij wraak nemen!' Daarop ontblootte de Profeet zijn buik en zei: `Neem maar wraak!' Sawaad omhelsde hem en kuste zijn buik. `Waarom doe je dat, Sawaad?' vroeg de Profeet. Hij antwoordde: `Profeet, misschien kom ik om, en nu ik voor het laatst bij u ben, wilde ik met mijn huid de uwe aanraken.' Toen zegende de Profeet hem.
       Nadat de Profeet de manschappen in het gelid had gezet, keerde hij terug naar de hut, waar alleen Aboe Bakr bij hem was en niemand anders. Daar begon de Profeet zijn Heer te bidden om de hulp die Hij hem had beloofd. Hij zei onder andere: `O God, als deze schare vandaag verloren gaat, wordt U niet meer aanbeden!' Aboe Bakr zei: 'Profeet, val uw Heer toch niet lastig met uw gebed! God komt echt wel na wat Hij heeft beloofd.' Daarop sliep de Profeet even in en toen hij wakker werd zei hij: `Houd goede tnoed, Aboe Bakr! Gods hulp is gekomen. Hier is Djibriel en hij voert een paard mee aan de teugel, dat stof op zijn voortanden heeft.'
       De eerste moslim die sneuvelde was Mihdja', een vrijgelatene van Oemar. Een volgende pijl trof Haritha ibn Soeraka terwijl hij uit het reservoir aan het drinken was. Hij werd dodelijk in de hals geraakt.
        De Profeet verliet de hut en spoorde zijn mannen aan met de woorden: 'Bij Hem in wiens hand mijn leven is, ieder die vandaag standvastig vecht en rekent op zijn toekomstig loon, die voorwaarts gaat en niet terugdeinst en dan sneuvelt, die laat God het paradijs binnengaan' Oemair ibn Hoemaam, die juist een paar dadels in zijn hand had die hij wilde opeten, riep uit: `Prachtig! Dus sneuvelen door hun hand is het enige dat mij scheidt van het paradijs?' Dadelijk gooide hij de dadels weg, greep zijn zwaard en vocht tot hij viel.
       Toen nam de Profeet een handvol kiezelstenen, keerde zich naar Koeraisj en riep: `Laat die gezichten afzichtelijk worden!' Met die woorden gooide hij de stenen in hun richting en gaf zijn gezellen bevel op hen af te stormen. De vijand werd op de vlucht gedreven en God doodde menige aanvoerder van Koeraisj en maakte vele krijgsgevangenen onder hun edelen.
       Intussen was de Profeet weer de hut in gegaan en Sa'd ibn Moe'aadz stond bij de ingang, met zijn zwaard nog om, samen met een aantal andere Helpers die de Profeet bewaakten, voor het geval de vijand terug zou komen. Terwijl de mannen de krijgsgevangenen in bewaring stelden, zag de Profeet, naar verluidt, aan Sa'ds gezicht dat deze het daar niet mee eens was. De Profeet zei: `Je schijnt het niet prettig te vinden wat daar gedaan wordt' 'Nee, bij God,' zei Sa'd, `dit is de eerste nederlaag die God de heidenen heeft toegebracht en ik had liever gezien dat ze doodgeslagen werden.'

        Abdallah ibn abi Bakr heeft vernomen van iemand uit het geslacht Sa'ida, dat Aboe Oesaid Malik ibn Rabie'a, die de slag bij Badr heeft meegemaakt, hem gezegd heeft, toen hij al blind was: `Als ik nu in Badr was en als ik mijn ogen nog had, kon ik jullie het ravijn laten zien waar de engelen vandaan kwamen; daar twijfel ik volstrekt niet aan.'
       Mijn vader heeft mij het verhaal gedaan van enkele mannen uit het geslacht Mazin ibn Naddjaar, dat Aboe Dawoed uit datzelfde geslacht, die de slag bij Badr had meegemaakt, verteld heeft: 'Ik zat bij Badr achter een heiden aan en wilde hem een klap geven, toen ineens zijn hoofd eraf viel, nog voordat mijn zwaard hem had geraakt. Toen begreep ik dat iemand anders hem had gedood?
       Een onverdachte zegsman meldt mij, via Miksam, het bericht van Abdallah ibn Abbaas: De engelen bij Badr waren te herkennen aan hun witte tulbanden, die zij achter zich aan lieten wapperen. In de slag van Hoenain waren het rode.

       Toen de Profeet had afgerekend met de vijand gaf hij bevel het lichaam van Aboe Djahl te gaan zoeken onder de gesneuvelde Koeraisjieten.
       Volgens een overlevering van Thaur ibn Jazied, van Ikrima, van Ibn Abbaas, die mij ook verteld is door Abdallah ibn abi Bakr, was de eerste die hem zag liggen Moe'aadz ibn Amr, een broeder van de stam Salama. Deze heeft verteld: Aboe Djahl lag in een soort bosje en de mensen zeiden dat je daar niet bij kon komen. Maar ik besloot er toch op af te gaan. Dichtbij het lichaam gekomen gaf ik er een klap op, zodat zijn voet en zijn halve been eraf vlogen. Ik kan dat alleen maar vergelijken met een dadelpit die wegschiet van onder de stamper. Zijn zoon Ikrima gaf mij een slag op mijn schouder en sloeg mijn arm af, die echter aan de huid bleef hangen. Het verloop van het gevecht voerde mij daar vandaan. Ik vocht de hele dag door, met mijn arm achter mij aanslepend. Toen ik er last van kreeg zette ik mijn voet erop en rukte hem af. (Deze man heeft nog geleefd tot onder de regering van Oethmaan.)
       Jazied ibn Roemaan bericht mij van Oerwa ibn Zoebair dat A'isja heeft verteld: Op bevel van de Profeet werden alle gesneuvelden van Koeraisj in de put gegooid, behalve Oemajja ibn Chalaf, wiens lichaam helemaal was opgezwollen in zijn pantser; toen ze hem wilden verslepen, viel het uit elkaar. Dus dat hebben ze laten liggen en ze hebben het bedekt met een hoop aarde en stenen. Toen de lichamen in de put lagen kwam de Profeet erbij staan en zei: 'Jullie daar in de put, heb je nu gezien dat de bedreigingen van je Heer waarheid zijn geworden? Ik zelf heb ondervonden dat de beloften van mijn Heer in vervulling zijn gegaan.' Zijn gezellen vroegen: `Spreekt u tegen doden, Profeet?' en hij antwoordde: 'Zij weten wel dat de bedreigingen van hun Heer waarheid zijn geworden.' A'isja voegde er nog aan toe: Volgens sommigen zei hij: 'zij horen wel,' maar dat is niet zo; hij zei: `zij weten wel.'
       Abd ar-Rahmaan ibn Harith en een andere vriend hebben gehoord van Soelaimaan ibn Moesa, van Makhoel, dat Aboe Oemama al-Bahili heeft verteld: Ik heb Oebada ibn Samit gevraagd naar soera `De buit' [8]. Hij zei: Die werd geopenbaard over ons, de strijders van Badr, toen wij twistten over de buit en ons van onze slechtste kant lieten zien. Daarom nam God ons de buit af en gaf hem aan Zijn profeet, en die verdeelde hem in gelijke delen onder de mensen.
        De Profeet stuurde enige mensen met het nieuws van de overwinning naar Medina: Abdallah ibn Rawaha naar de bovenstad en Zaid ibn Haritha naar de benedenstad. Diens zoon Oesama heeft later verteld: Het nieuws bereikte ons toen wij juist Roekajja hadden begraven, de dochter van de Profeet, de vrouw van Oethmaan. De Profeet had Oethmaan en mij achtergelaten om haar te beschermen. Op dat ogenblik kwam mijn vader; ik trof hem aan op de gebedsplaats, omstuwd door mensen, terwijl hij zei: `De edelen van Koeraisj, Oetba, Sjaiba, Aboe Djahl, Zam'a, Aboe al-Bachtari, Oemajja, Noebaih en Moenabbih zijn gedood!' 'Is dat echt waar, vader?' vroeg ik, en hij antwoordde: `Ja jongen, het is echt waar!'
        Het totale aantal moslims, Emigranten en Helpers, dat deelnam aan de slag bij Badr en een aandeel in de buit kreeg toegewezen, was driehonderdveertien (314) man: drieŽntachtig (83) Emigranten, eenenzestig (61) uit de stam Aus en honderdzeventig (170) uit de stam Chazradj.
        Van de Emigranten sneuvelden er zes (6), van de Helpers acht (8).
       Het totale aantal Koeraisjieten dat sneuvelde bij Badr was vijftig (50), het totale aantal krijgsgevangenen was drieŽnveertig (43).

De zaak met de stam Kainoekaa'
Top

In de latere geschiedschrijving komt de `zaak' met de joodse stam Kainoekaa', die in Medina woonde, neer op een verdrijving van deze stam uit de stad. Na Badr zou Mohammed nogmaals een vergeefs beroep hebben gedaan op de joden. Het bleef onduldbaar dat zij tegen hem ageerden; politiek waren zij een onzekere factor binnen Medina. Kort na de slag bij Badr zou hij dan hebben besloten met hen af te rekenen. De Kainoekaa' hebben zich bij de joodse gemeenschap in de Wadi al-Koera gevoegd en zijn vandaar naar SyriŽ vertrokken.
       De Kainoekaa' hadden nooit grond bezeten in Medina. Zij werkten als ambachtslieden, onder andere als goudsmeden. Volgens latere geschiedschrijvers waren zij goed bewapend en lieten ze bij hun vertrek hun wapens en werktuigen achter, een buit die de moslims zeer welkom was.
        Bij Ibn Ishaak is van dit alles nog weinig te merken. Van een verdrijving is geen sprake; het hele conflict blijft rijkelijk vaag en loopt met een sisser af. Zijn verhaal lijkt te zijn ontstaan op basis van soera 5:51-56. De datering van het incident kort na de slag bij Badr gaat terug op enkele woorden uit de volgens hem over Kainoekaa' geopenbaarde tekst: Voorzeker was er voor u een teken in de twee legers die elkander ontmoetten, het ene leger vechtend voor de zaak van Allah en het andere ongelovig, dezen zagen de anderen voor hun eigen ogen dubbel zo talrijk als zijzelf. En Allah versterkt met Zijn hulp, wie Hij wil. Daarin is zeker een les voor hen, die ogen hebben,[3:13] die met de slag bij Badr in verband worden gebracht.

       Intussen, terwijl de Profeet allerlei strooptochten liet uitvoeren, was er ook de zaak met de stam Kainoekaa'. Het verhaal luidt aldus: De Profeet liet deze stam op hun markt bijeenkomen en sprak hen aldus toe: `Joden, pas op dat God u niet afstraft zoals Koeraisj. Wordt moslim! U weet dat ik een profeet ben die gezonden is - u vindt dat in uw Schrift en in Gods verbond met u.' Maar hun antwoord luidde: `Mohammed, u denkt dat wij uw volk zijn. Laat u niet misleiden doordat u slag hebt geleverd met een vijand die geen verstand heeft van oorlog en die u alleen hij toeval hebt verslagen. Maar wij, bij God, als wij de strijd met u aanbinden zult u weten dat wij mannen van een ander slag zijn!'
       Asim ibn Oemar ibn Katada heeft verteld, dat de Kainoekaa' de eerste joden waren die hun verbond met de Profeet verbraken. Zij voerden strijd tussen de slag bij Badr en die bij Oehoed. De Profeet belegerde hen en zij gaven zich onvoorwaardelijk over.
       Toen God hen in zijn macht had gegeven, kwam Abdallah ibn Oebajj hem om genade vragen voor zijn cliŽnten, want Kainoekaa' was een bondgenoot van Chazradj. Maar de Profeet scheepte hem af. Abdallah herhaalde zijn verzoek en toen de Profeet zich wilde afwenden, stak hij zijn hand in de kraag van zijn pantser. `Laat me los!' zei de Profeet, en hij werd zo woedend dat zijn gezicht donker aanliep. `Nee, bij God,' zei Abdallah, 'ik laat u niet los voordat u mijn cliŽnten genade hebt betoond. Vierhonderd man zonder pantser en driehonderd gepantserd; zij hebben mij tegen al mijn vijanden beschermd en u wilt ze in ťťn ochtend onthoofden? Bij God, ik vrees een ommekeer.' Daarop zei de Profeet: 'Ze zijn voor u.'
       En gij zult degenen in wier hart een ziekte is, zich tot hen zien haasten, zeggende: "Wij vrezen, dat ons rampspoed zal overkomen." Het is echter waarschijnlijk dat Allah een overwinning of iets anders tot stand zal brengen. Dan zullen zij berouw hebben over hetgeen zij in hun innerlijk verborgen.
[5:52]
        Mijn vader vertelt mij het volgende verhaal van Oebada ibn Walied: Toen de stam Kainoekaa' de strijd aanbond met de Profeet kwam Abdallah ibn Oebajj voor hen op en verdedigde hen. Maar mijn grootvader Oebada ibn Samit, die behoorde tot de stam Auf, die evenals Abdallah een verbond met hen had, ging naar de Profeet, liet hen over aan God en Zijn gezant en verklaarde zich ontslagen van zijn verbond niet hen. 'Profeet,' zei hij, 'ik sluit mij aan bij God, Zijn gezant en de gelovigen en ik zeg mijn bondgenootschap en vriendschap met deze ongelovigen op.' Over hem en over Abdallah werd deze passage uit soera 'De tafel' geopenbaard: U die gelooft, neemt de joden en de christenen niet tot vrienden. Zij zijn elkaars vrienden. Wie zich bij hen aansluit is een van hen. (... ] U ziet dat degenen die in hun harten een ziekte hebben zich onder hen druk maken; zij zeggen: Wij vrezen dat een ommekeer ons zal treffen, en wat daar verder volgt, tot de woorden: Wie zich aansluiten bij God, Zijn gezant en degenen die geloven - Gods party - dat zijn de overwinnaars. [5:51-56]

De slag bij Oehoed
Top

Na de nederlaag bij Badr moesten de Koeraisjieten wel spoedig opnieuw uitrukken tegen Mohammed, ter wille van hun eigen moreel en hun prestige onder de nomadenstammen, en om de karavaanweg naar SyriŽ voor de toekomst open te houden. Er was al een Mekkaanse karavaan oostelijk langs Medina getrokken, maar deze was onderschept door honderd moslims. Een poging om Mohammed in Medina te vermoorden was mislukt.
        In maart 625 verscheen er een groot leger van Koeraisj bij Oehoed, vlak ten noorden van Medina. Koeraisj had ook paarden, in die tijd een geducht wapen, maar ook kwetsbaar, want paarden verlangen meer water en verfijnder voer dan kamelen. Wellicht heeft Koeraisj zich ter wille van de paarden in de landerijen bij Medina gelegerd, wat strategisch niet de beste plaats was.
       Abdallah ibn Oebajj, de leider der Halfhartigen, was niet erg strijdlustig. Misschien wilde hij door neutraal te blijvende mogelijkheid openhouden later de zijde van Koeraisj te kiezen. Mohammed nam hem handig de wind uit de zeilen door zelf een defensieve tactiek voor te stellen en niet gretig op de vijand af te stormen.
       De moslims hadden de beste positie, met een heuvel in de rug. Maar de paarden van de vijand waren hun te sterk. De boogschutters van de moslims schijnen zich ongedisciplineerd gedragen te hebben en voortijdig aan het plunderen te zijn geslagen, al weidt de overlevering daar om begrijpelijke redenen niet over uit. Het gerucht van Mohammeds dood, vreemd genoeg afkomstig van een moslimse boogschutter, droeg tot de verwarring bij. De algemene indruk is dat de tactiek van de Mekkanen superieur was. Hun generaal Chalid ibn Walied was uiterst bekwaam; hij is als moslim later zeer beroemd geworden. De moslims hebben zich zelf na hun succes bij Badr waarschijnlijk overschat.
       De nederlaag hij Oehoed was een gevoelige slag voor de moslims, niet in de laatste plaats omdat er nu twijfel rees aan Gods hulp, die hij Badr zo duidelijk werkzaam was geweest. De Halfhartigen zullen niet hebben nagelaten die twijfel te versterken. Dat er volgens de naamlijsten van Ibn Ishaak slechts vier Emigranten waren gesneuveld tegen eenenzestig Helpers moet hen hebben verbitterd.
       De overwinning van de Mekkanen was echter niet zo groot als dezen hadden gehoopt. Zij hadden Mohammed niet kunnen vernietigen; na Badr en Oehoed waren beide partijen ongeveer even sterk. De onbetwiste suprematie van Mekka was voorbij. De volgende stap zou zijn het opstoken van de nomadenstammen tegen Mohammed.

       Mijn verhaal over de slag bij Oehoed heb ik samengesteld uit berichten van az-Zoehri, Moehammad ibn Jahja, Asim, Hoesain ibn Abd ar-Rahmaan en andere geleerden.
        Na de nederlaag van de ongelovige Koeraisjieten bij Badr, en nadat zowel hun uiteengeslagen leger als Aboe Soefjaan met zijn karavaan waren teruggekeerd in Mekka, kwamen Abdallah ibn abi Rabie'a, Ikrima ibn abi Djahl, Safwaan ibn Oemajja met nog een aantal Koeraisjieten die hun vader, zoons of broers bij Badr hadden verloren, bij Aboe Soefjaan en zijn partners in die karavaan en zeiden: `Koeraisjieten! Mohammed heeft ons een gevoelige slag toegebracht en onze beste manmen gedood. Stel ons daarom jullie winst ter beschikking om oorlog tegen hem te voeren. Misschien kunnen wij wraak nemen voor onze doden.' En zo gebeurde het.
       Volgens sommige geleerden werd aangaande hen het koranvers geopenbaard: Zij die ongelovig zijn geven hun vermogen uit om mensen van de weg Gods af te houden. Zij zullen het uitgeven, maar daarna zullen zij er spijt van krijgen. Dan zullen zij overwonnen worden en zij die ongelovig zijn zullen samengedreven worden naar de hel. [8:36]
        Nadat deze Koeraisjieten zich hadden verzekerd van de steun van Aboe Soefjaan en de andere deelnemers aan de karavaan, verzamelden zij zich met hun Ahabiesj en de hun onderhorige stammen uit Kinana en het laagland.
       Djoebair ibn Moet'im riep zijn Ethiopische slaaf Wahsji, die de lans wierp zoals alle EthiopiŽrs dat doen en zelden zijn doel miste, en zei tegen hem: 'Ga jij ook mee! Als je mijn oom Toe'aima wreekt door Mohammeds oom Hamza te doden, dan laat ik je vrij.'
       Koeraisj trok uit met alle mankracht en wapens die zij hadden, en hun Ahabiesj en de hun onderhorige stammen uit Kinana en het laagland. Ook de vrouwen trokken mee, in hun kameelzadels, om de vechtlust van hun mannen aan te wakkeren en te voorkomen dat zij zouden vluchten. Zo had Aboe Soefjaan, de aanvoerder, Hind bint Oetba bij zich. Telkens wanneer Hind tijdens de tocht Wahsji in het nog kreeg, riep zij: `Zwartkop, zet hem op! Onze wraak is ook jouw zaak!'
       Ten slotte hielden ze halt bij Ainain, een heuveltje in het zoutmoeras bij Kanaat, aan de rand van het rivierdal, tegenover Medina. Zodra de Profeet en de moslims dat vernamen zei de Profeet: `Bij God, ik heb een goede droom gehad, over koeien en over een schaarde in het scherp van mijn zwaard. Ook droomde ik dat ik mijn hand in een sterk pantser stak, en ik denk dat dat pantser Medina betekent. Het lijkt mij dus het beste dat wij in Medina blijven en de Koeraisjieten laten waar zij zijn. Als zij daar blijven, zitten ze op een heel slecht punt, en als ze de stad proberen binnen te komen, dan slaan we ze hier af.' Abdallah ibn Oebajj ibn Saloel was het eens met het voorstel van de Profeet. Andere moslims daarentegen, die bij Oehoed de marteldood zouden sterven, en anderen die de slag bij Badr hadden gemist, drongen aan: `Profeet, trek met ons uit, dat de vijand niet denkt dat wij laf en zwak zijn.' Maar Abdallah ibn Oebajj zei: `Profeet, blijf in Medina en ga niet naar buiten! In het verleden hebben wij altijd zware verliezen geleden als wij buiten de stad een vijand bevochten, terwijl wij hun altijd slagen konden toebrengen zodra zij de stad binnendrongen. Laat hen daar, Profeet; ze zitten op een heel slecht punt, en als ze hierheen komen, vechten onze mannen hun tegemoet, terwijl de vrouwen en kinderen vanaf de daken met stenen gooien. Als ze zich dan terugtrekken, zijn ze nog even ver van huis als toen ze kwamen.'
       Maar degenen die op de vijand af wilden drongen zo lang aan tot de Profeet naar huis ging om zijn pantser aan te trekken. Dat was op een vrijdag, na de salaat. Die dag was er een van de Helpers gestorven, uit de stam Naddjaar; de Profeet had salaats voor hem verricht en wilde daarna uitrukken. Intussen hadden die mannen echter spijt gekregen en zeiden: 'Profeet, wij hebben u overgehaald, terwijl u het niet wilde, en dat hadden wij niet mogen doen. Dus als u wilt, blijf dan hier.' Maar nu zei de Profeet: `Als een profeet zijn pantser eenmaal heeft aangetrokken, past het hem niet het weer uit te trekken voordat hij heeft gestreden.'
        Met duizend gezellen trok hij uit. Bij Sjaut, tussen Medina en 0ehoed, trok Abdallah ibn Oebajj zich terug, met een derde van de manschappen. 'Naar hen heeft hij geluisterd en mijn raad heeft hij in de wind geslagen,' zei hij, 'ik zie niet in, mannen, waarom wij ons hier zouden laten afmaken.' En hij maakte rechtsomkeert, met de Halfhartigen en weifelaars die hem volgden. Abdallah ibn Amr reed hem achterna en riep: 'Hť mannen, laat jullie kameraden en je Profeet niet in de steek, nu de vijand in de buurt is!' Zij riepen terug: 'Als wij wisten dat jullie echt zouden vechten, lieten we jullie niet gaan. Maar wij geloven helemaal niet dat het tot een gevecht komt.'
       Zij bleven hij hun standpunt en vertrokken. Abdallah ibn Amr riep hun nog na: 'God vervloeke jullie, vijanden van God! Hij zal de Profeet ook zonder jullie later overwinnen!'
       De Profeet trok voort en hield ten slotte halt in het ravijn van 0ehoed, op de hoge zijde van het rivierdal, aan de kant van de berg. Hij richtte zijn kamelen en zijn leger naar Oehoed en gaf order dat er niet gestreden mocht worden voordat hij het beval. Nu hadden de Koeraisjieten hun kamelen en paarden vrij laten weiden op de akkers van Samgha, in het dal Kanaat, die aan de moslims toebehoorden. Toen de Profeet verbood dadelijk de strijd aan te binden, riep een van de Helpers: 'Moeten wij de velden van Kaila zonder slag of stoot laten afgrazen?'
       De Profeet maakte zich klaar voor de strijd, met zevenhonderd man. Over de boogschutters, vijftig in getal, stelde hij Abdallah ibn Djoebair, een broeder van het geslacht Amr ibn Auf, die op die dag te herkennen was aan zijn witte kleren. Hij droeg hun op: `Houdt de ruiterij van de vijand met pijlen op een afstand, zodat ze ons in geen geval van achteren aanvallen, of de slag nu gunstig verloopt of niet. Houdt stand, zodat wij van die kant niets te vrezen hebben.' Daarop trok hij twee pantsers over elkaar aan en gaf het vaandel aan Moes'ab ibn Oemair, een broeder van de stam Abd ad-Daar.
       Ook Koeraisj maakte zich gereed. Drieduizend man sterk waren zij en ze hadden tweehonderd paarden, die zij aan de teugel apart hadden meegenomen, naast hun eigen rijkamelen. Het bevel over de rechtervleugel van de ruiterij had Chalid ibn Walied, en over de linkervleugel Ikrima ibn abi Djahl.
        De Profeet greep zijn zwaard en zei: 'Wie gaat dit zwaard gebruiken zoals het dat waard is?' Verscheidene mannen stonden op, maar die kregen het niet. Ten slotte stond Aboe Doedjana op, een broeder van de stam Sa'ida, en zei: 'En hoe is dat, Profeet?'
       'Dat je zo lang op de vijand inslaat tot het verbogen is.'
       'Ik neem het, Profeet, en zal het gebruiken zoals het moet.' Hij kreeg het zwaard mee. Deze Aboe Doedjana was een dappere man op het slagveld, maar wel een pocher. Je kon het altijd zien als hij ging vechten, want dan deed hij een rode tulband om. Toen hij het zwaard had gekregen van de Profeet haalde hij die tulband te voorschijn, deed hem om en begon uitdagend heen en weer te lopen tussen de linies.
       Asim vertelt: Aboe Amir Abd Amr ibn Saifi, uit het geslacht Doebai'a, had zich met vijftig man uit de stam Aus (volgens anderen slechts vijftien) afgescheiden van de Prefeet en was naar Mekka overgelopen. Daar had hij Koeraisj beloofd dat er, als het tot een treffen zou komen, geen twee man het tegen hem zouden opnemen. Toen dan de beide partijen elkaar bij Oehoed troffen, was Aboe Amir de eerste die naar voren stormde, met de Ahabiesj en de slaven van Mekka.
        `Mannen van Aus,' riep hij, `ik ben Aboe Amid!'
       'God sla je met blindheid, goddeloze!'
        'Jullie zijn er ook niet vriendelijker op geworden sinds ik hier weg ben!'
       Toen begon hij als een razende te vechten en hen met stenen te bombarderen.
       Aboe Soefjaan had zijn vaandeldragers uit de stain Abd ad-Daar als volgt aangespoord tot de strijd: 'Mannen van Abd ad-Daar! In de slag bij Badr hebben jullie ook ons vaandel gedragen, en jullie weten hoe het toen is afgelopen. Het lot dat de vlag treft, treft ook de manschappen: gaat die verloren, dan zijn zij ook verloren. Dus jullie moeten of ons vaandel behoorlijk verdedigen, of het aan ons geven; dan beschermen wij het.' Deze woorden trokken zij zich zeer aan en zij zeiden dreigend: `Wij ons vaandel teruggeven? Nooit! Morgen in de slag zul je ons eens zien!' Dat was natuurlijk precies wat Aboe Soefjaan wilde.
        Toen de legers op elkaar afkwamen, stonden de vrouwen van Koeraisj op tamboerijnen te slaan achter hun mannen om hen op te hitsen. Hind bint Oetba riep:

       'Kom op, Abd ad-Daar, laat zien wat je kan,
        Vecht voor je vrouwen hier achteran!'

       en ook:

       'Vecht je, dan verleid ik je.
       Op zachte kussens wacht ik je.
       Wijk je, dan vermijd ik je.
       Levenslang veracht ik je!'

       Gaandeweg werd de strijd feller. Aboe Doedjana drong diep in de rijen der vijanden door en doodde iedereen die hij tegenkwam. Ook onder de heidenen was iemand die het niet bij verwondingen liet, maar iedereen afmaakte. Deze beide mannen vochten zich een weg naar elkaar toe en ik bad tot God dat ze elkaar zouden ontmoeten. Dat gebeurde en ze wisselden enkele slagen. De heiden sloeg in op Aboe Doedjana, maar deze pareerde hem met zijn schild en het zwaard van zijn tegenstander bleef daarin vastzitten. Toen kon Aboe Doedjana hem een fatale slag geven. Daarna zag ik hoe hij het zwaard hief boven het hoofd van Hind, maar het vervolgens weer liet zakken.
       Aboe Doedjana heeft daarover zelf het volgende verteld: `Ik zag iemand die de vijand fel ophitste tot de strijd. Ik ging erop af, maar zodra ik mijn zwaard had geheven, zag ik ineens dat het een vrouw was en ik had te veel eerbied voor het zwaard van de Profeet om er een vrouw mee te doden.'
       Hamza, de oom van de Profeet, vocht tot hij Artaat ibn Abd Sjoerahbiel gedood had, een van de vaandeldragers van Koeraisj. Daarna kwam Siba' ibn Abd al-Oezza hem voor de voeten en Hamza riep: `Kom op, zoon van een besnijdster!' Zij stormden op elkaar in en Hamza doodde hem.
        Wahsji, de slaaf van Djoebair ibn Moet'im, heeft later verteld: Ik zag hoe Hamza de mannen neermaaide met zijn zwaard, zonder iemand te ontzien; als een grote grijze kameel stak hij boven het gewoel uit. Siba' was eerder bij hem dan ik en Hamza riep hem toe: `Kom op, zoon van een besnijdster!' en gaf hem een doodsklap, zo snel dat het leek alsof hij zijn hoofd niet eens had geraakt. Toen zwaaide ik mijn lans, richtte nauwkeurig en wierp hem op hem af. De lans trof hem in het onderlijf en kwam er tussen zijn benen weer uit. Hij probeerde nog op mij toe te lopen, maar hij viel en zakte in elkaar. Ik liet hem met rust tot hij dood was; toen ging ik mijn lans terughalen. Daarna ging ik naar het kamp, want behalve hij interesseerde mij geen enkele tegenstander.
       Toen zond God Zijn hulp neer over de moslims en vervulde Zijn belofte. Zij sloegen op de vijanden in tot dezen van hun kamp waren afgesneden en een wisse nederlaag tegemoet zagen.
        Jahja ibn Abbaad ibn Abdallah ibn Zoekair, vermeldt een bericht uit zijn familiekring, dat teruggaat op zijn overgrootvader Zoebair, die heeft verteld: Ik zag hoe de dienaressen en begeleidsters van Hind bint Oetba hun gewaden optrokken en op de vlucht sloegen. Niets verhinderde ons meer hen te grijpen. Maar ineens richtten onze boogschutters zich naar het vijandelijke kamp, waarvan wij hen hadden afgesneden. Zo viel onze dekking in de rug weg en de ruiterij van de vijand viel ons van achteren aan. Wij hoorden iemand roepen: 'Mohammed is dood!' en trokken ons dadelijk terug. De vijanden keerden weer om, nadat zij aanvankelijk niet eens meer bij hun vaandel hadden kunnen komen, omdat wij hun vaandeldragers al hadden gedood.
        Een geleerde bericht: Het vijandelijke vaandel, dat op de grond lag, werd opgeraapt door Amra bint Alkama; zij hief het omhoog en Koeraisj verzamelde zich bij haar.
       Nu de moslims geen rugdekking meer hadden, bracht de vijand hun grote verliezen toe. Het was een dag van beproeving en loutering, waarop God vele moslims het martelaarschap verleende. Ten slotte drong de vijand door tot bij de Profeet. Deze werd door een steen getroffen, zodat hij opzij viel. Daarbij verloor hij een snijtand en liep verwondingen op aan zijn gezicht en aan zijn lip. De man die hem geraakt had was Oetba ibn abi Wakkaas.
       Volgens het bericht van Mahmoed ibn Amr, overgeleverd door Hoesain ibn Abd ar-Rahmaan, riep de Prefeet toen de vijanden hem hadden omsingeld: 'Wie offert zich voor ons op?' Toen stonden Ziaad ibn Sakan en nog vijf Helpers op en vochten ter verdediging van de Profeet. Zij vielen man voor man, tot alleen Ziaad nog over was. Ten slotte werd ook hij dodelijk gewond. Er kwam echter een groep moslims terug, die de vijanden verjoeg. De Profeet liet Ziaad bij zich brengen en legde hem tegen zijn voet. Zo stierf hij, met zijn gezicht op de voet van de Profeet.
       Volgens het bericht van az-Zoehri was Ka'b ibn Malik de eerste die de Profeet herkende na de nederlaag en na het gerucht over zijn dood. 'Ik herkende hem,' zo vertelde Ka'b, 'aan zijn ogen, die oplichtten onder zijn helm, en ik riep zo hard ik kon: "Moslims, houdt moed! Hier is de Profeet!" Maar hij wenkte dat ik stil moest zijn.'
        Nadat de moslims hadden gezien dat de Profeet nog leefde, namen ze hem mee naar boven, naar het ravijn. Bij hem waren Aboe Bakr, Oemar, Ali, Talha en Zoebair, Harith ibn Simma en nog anderen.
       Bij het begin van het ravijn gekomen ging Ali zijn schild vullen met water uit een vergaarbekken. De Profeet wilde er echter niet van drinken, omdat het niet fris rook en het hem tegenstond. Hij waste alleen het bloed van zijn gezicht en terwijl hij het over zijn hoofd goot zei hij: 'Hevig is Gods toorn tegen degene die het gezicht van Zijn Profeet heeft laten bloeden!'
       Terwijl de Profeet met die gezellen in het ravijn was, ging er plotseling een groep Koeraisjieten de berg op en de Profeet waarschuwde: '0 God, zij mogen niet hoger komen dan wij!' Dadelijk bonden 0emar en enkele Emigranten de strijd met hen aan en joegen hen van de berg af.
       De Profeet probeerde zelf op een rots te klimmen, maar omdat hij niet meer zo jong was en bovendien twee pantsers over elkaar droeg, lukte hem dat niet. Dus hurkte Talha ibn Oebaidallah onder hem neer en tilde hem op, zodat hij op die rots kon komen. Volgens een overlevering uit de familie Zoebair heeft de Profeet toen gezegd: `Daarmee heeft Talha het paradijs verdiend.'
       Volgens het bericht van Salih ibn Kaisaan begonnen Hind bint Oetba en de vrouwen die bij haar waren de gesneuvelde gezellen van de Profeet te verminken door hun oren en neuzen af te snijden. Daarvan maakte Hind armbanden, kettingen en oorhangers, die zij aan Wahsji gaf, de slaaf van Djoebair ibn Moet'im. Zij sneed de lever van Hamza uit zijn lichaam en kauwde erop, maar ze slaagde er niet in hem in te slikken en spoog hem weer uit. Daarna klom zij op een hoge rots en riep zo hard zij kon:

        'De vrucht van de wraak is in Oehoed geplukt,
       'k Heb Hamza's lever uit zijn buik gerukt!
        Dat heeft mijn schrijnende wond verzacht,
       Genezen de vlammende pijn in mijn hart.
        De krijg, die als ijskoude regen over je stort,
       Slaat toe als een leeuw: krachtig en kort.'

        Toen Aboe Soefjaan wilde vertrekken klom hij op de berg en riep zo hard hij kon: `Goed gedaan! De krijgskans wisselt bij iedere slag. Deze dag als wraak voor Badr! Toon uw grootheid, Hoebal!' De Profeet gaf Oemar opdracht hem te gaan antwoorden met de woorden: 'God is groter dan jullie afgod Hoebal, en ook wij zijn niet gelijk: onze doden zijn in het paradijs, die van jullie in de hel.'
        Aboe Soefjaan vroeg Oemar bij hem te komen en de Profeet gaf hem opdracht te gaan kijken wat hij wilde. Toen hij bij hem was vroeg Aboe Soefjaan: `Hebben wij Mohammed gedood?'
       `Nee, welnee; hij kan nu horen wat jij zegt!'
        'Ik geloof jou meer dan Ibn Kami'a.'
       Ibn Kami'a had namelijk beweerd dat hij Mohammed had gedood.
        Aboe Soefjaan riep de moslims nog toe: `Sommige van jullie gevallenen zijn verminkt. Bij God, ik ben daar niet blij mee, en ook niet boos om. Ik heb het niet verboden, maar heb er ook geen bevel toe gegeven.'
       Toen Aboe Soefjaan en de zijnen vertrokken riep hij nog: `Volgend jaar weer bij Badr!' `Ja, dat is afgesproken,' liet de Profeet een van zijn gezellen terugroepen.
        De Profeet stuurde Ali achter de Mekkanen aan met de opdracht: `Ga eens kijken wat zij doen en wat ze van plan zijn. Als ze op de kamelen rijden en de paarden aan de teugel meevoeren, gaan ze naar Mekka. Maar als zij op de paarden rijden en de kamelen meevoeren, dan willen ze naar Medina. Bij Hem in wiens hand mijn leven is, als ze dat van plan zijn ga ik erop af en bind ik daar de strijd met hen aan.' Ali heeft gezegd: `Ik ging hen achterna om te kijken wat zij in hun schild voerden. Zij bleken hun paarden aan de teugel mee te voeren en hun kamelen te berijden; zij gingen dus richting Mekka.'
        Naar verluidt ging de Profeet op zoek naar het lichaam van Hamza. Hij vond het onder in het dal, met de lever eruit gereten en verminkt, zonder neus en oren.
       Moehammad ibn Dja'far ibn Zoebair heeft mij verteld: Bij die aanblik zei de Profeet: `Als zijn zuster Safia er geen verdriet van zou hebben en het na mijn dood niet tot gebruik (soenna) zou worden, zou ik hem zo laten liggen als voedsel voor de wilde dieren en de vogels. Als God mij ooit de overwinning over Koeraisj verleent, dan vermink ik dertig van hun mannen!'
        Toen de moslims het verdriet van hun Profeet zagen en merkten hoe woedend hij was op degenen die dat met zijn oom gedaan hadden, zeiden ook zij: `Bij God, als wij ooit overwinnen zullen wij hen verminken zoals nog nooit een Arabier het heeft gedaan!
        Boeraida ibn Soefjaan heeft mij een verhaal gedaan van Moehammad ibn Ka'b de Koeraiziet, en een andere betrouwbare zegsman heeft mij hetzelfde van Ibn Abbaas bericht: Naar aanleiding van deze woorden van de Profeet en zijn gezellen heeft God geopenbaard: Als u straft, straft dan zoals u gestraft bent! Maar als u geduld oefent is dat beter voor degenen die geduld oefenen. Wees dus geduldig. Slechts door God kun je geduldig zijn. Wees niet bedroefd over hen en laat je niet bedrukken door wat zij heramen. [16:126-127] Toen vergaf de Profeet het hun en oefende geduld, en hij verbood verminkingen.
        Nu hadden sommige moslims hun gevallenen naar Medina gebracht en hen daar begraven. Maar dat verbood de Profeet; hij gaf opdracht hen te begraven waar zij gesneuveld waren.
       Az-Zoehri heeft gehoord van Abdallah ibn Tha'laba, een bondgenoot van de stam Zoehra: Toen de Profeet het slagveld bij Oehoed overzag zei hij: `Ik getuig dat al deze mensen die voor Gods zaak gewond zijn op de dag der opstanding zullen worden opgewekt met bloedende wonden, met de kleur van bloed en de geur van muskus. Ga na wie van hen het meest van de koran had geleerd en leg die tegenover zijn kameraden in het graf.' Ze begroeven de gevallenen niet twee of drie tegelijk in ťťn graf.
        De slag bij Oehoed vond plaats op de zaterdag in het midden van de maand sjawwaal in het jaar drie.
        Het aantal gesneuvelde moslims was vijfenzestig, zowel Emigranten als Helpers.
       Het aantal heidenen dat God heeft gedood in de slag bij Oehoed was tweeŽntwintig.

De verdrijving van de stam Nadier
Top

Er bestaan verscheidene verhalen over een verijdelde moordaanslag van joodse zijde op Mohammed, die soms in verbinding worden gebracht met soera 5:11 U die gelooft, denkt aan Gods genade jegens u, toen zekere lieden erover dachten ken handen naar u uit te strekken en Hij hun handen van u afhield. Elders is het veeleer de schending van een verdrag die voor Mohammed aanleiding wordt tot acties tegen de joden (soera 5:13).
        Volgens Ibn Ishaak speelden de Nadier de hoofdrol onder de joodse stammen van Medina. Zij hielpen de Koeraisjitische tegenstanders energiek en haalden de stam Koeraiza ertoe over, hun verdrag met de Profeet te schenden. Het bericht over de verdrijving van Nadier is maar kort. Hun landerijen werden verdeeld onder de Emigranten, die nu in hun eigen levensbehoeften konden voorzien en daarvoor niet langer een beroep hoefden te doen op de Helpers. De Halfhartigen worden aanmerkelijk zwakker afgeschilderd dan in het geval van de stam Kainoekaa': zij onthouden Nadier de beloofde hulp en doen niets.
       Ibn Ishaak wijst op het verband met soera 'De samendrijving' [59]. Inderdaad volgt zijn verhaal die soera op de voet: de verdrijving van de ongelovige mensen van de Schrift uit hun woningen, die zij deels eigenhandig afbraken; de verbanning; het omstreden, maar door God toegestane afhakken van de palmen; de rijke buit.

       Volgens het bericht van Jazied ibn Roemaan begaf de Profeet zich naar de stam Nadier om hun te vragen mee te betalen aan het bloedgeld voor de twee mannen van de stam Amir, die Amr ibn Oemajja ad-Damri had gedood. De Profeet moest dat namelijk betalen, omdat zij onder zijn bescherming stonden. Verder waren de stammen Amir en Nadier door een bondgenootschap verbonden. Toen de Profeet hen dan verzocht mee te betalen aan het bloedgeld, zeiden ze dat ze dat graag zouden doen, zoals hij dat wenste. Maar intussen overlegden zij in bet geheim met elkaar en zeiden: 'Zo'n kans krijgen we nooit meer; wie klimt er op het dak van dat huis en gooit een steen op hem? Dan zijn wij van hem af.' De Profeet zat namelijk tegen de muur van een van hun huizen. Amr ibn Djahhaasj verklaarde zich bereid; hij klom naar boven om een steen op hem te gooien. De Profeet zat daar met enige gezellen, onder wie Aboe Bakr en Oemar en Ali. Toen kwam er een boodschap uit de hemel tot hem, waarin hij werd gewaarschuwd voor wat de mensen van plan waren. Hij stond op en keerde dadelijk terug naar Medina, zonder het zijn gezellen te laten weten. Dezen bleven daar op de Profeet wachten en toen het hun te lang duurde gingen zij hem zoeken. Een man die juist aankwam uit Medina vertelde hun ten slotte, dat hij de Profeet de stad had zien binnenkomen. De gezellen gingen hem achterna en toen ze hem aantroffen, vertelde hij hun over het verraad dat de joden tegen hem beraamd hadden. Vervolgens beval hij voorbereidingen te treffen tot de strijd en trok uit tegen Nadier.
       De joden hadden zich verschanst in hun forten. De Profeet gaf bevel hun palmbomen om te hakken en te verbranden. Zij riepen hem toe: `Mohammed, zulke vernielingen waren toch verboden? Het was toch zo erg als mensen dat deden? Waarom worden dan nu onze palmbonnen omgehakt en in brand gestoken?'
       Nu waren er enkele mannen uit de stam Auf ibn Chazradj, onder wie Abdallah ibn Oebajj ibn Saloel en Wadie'a en Malik ibn abi Kawkal en Soewaid en Da'is, die iemand naar Nadier hadden gestuurd met de boodschap: 'Houd stand en verdedig je, want wij laten jullie niet in de steek. Als jullie worden aangevallen, vechten wij aan jullie kant, en als jullie worden uitgedreven, gaan wij mee!' Zij wachtten dus op hulp, maar toen die niet kwam opdagen, werd het hun bang te moede. Zij vroegen de Profeet hen te verbannen, hun leven te sparen en hun toe te staan zoveel mee te nemen als hun kamelen konden dragen, behalve hun maliŽnkolders. Dat stond hij toe. Zij belaadden hun kamelen met alles wat zij konden dragen; sommigen braken zelfs hun huis tot de drempel toe af, legden het op de rug van hun kameel en namen het mee. Zij vertrokken naar Chaibar, sommigen echter naar SyriŽ. Onder hun edelen die naar Chaibar gingen waren Sallaam ibn abi Hoekaik, Kinana ibn Rabie' ibn abi Hoekaik en Hoejajj ibn Achtab. Toen zij daar aankwamen, onderwierpen de bewoners zich aan hen.
       Abdallah ibn abi Bakr vertelde mij dat hem was bericht: Met hun vrouwen en kinderen en al hun bezittingen vergokken zij, met tamboerijnen en blaasmuziek, terwijl er zangeresjes spelend achter hen aan kwamen. Ja, hun uittocht ging met zoveel pracht en praal gepaard als nog nooit bij enige stam was vertoond.
       Hun overige bezittingen lieten zij aan de Profeet; het werd zijn persoonlijk eigendom, waarover hij kon beschikken zoals hij het wilde. Hij verdeelde het onder de eerste Emigranten. Van de Helpers kregen alleen Sahl ibn Hoenaif en Aboe Doedjana Simaak ibn Charasja iets, omdat zij over armoede klaagden. Slechts twee mannen van de stam Nadier werden moslim, maar alleen om hun bezittingen te mogen houden.
       Aangaande de stam Nadier werd de soera `De samendrijving' geopenbaard, in zijn geheel, waarin staat hoe God wraak nam op hen en hoe Hij Zijn gezant macht over hen gaf en wat Hij met hen deed.

De laatste tocht naar Badr
Top

In de maand sja'baan van het jaar vier trok de Profeet uit naar Badr om daar opnieuw Aboe Soefjaan te ontmoeten, zoals was afgesproken. Hij wachtte daar acht dagen. Aboe Soefjaan was met de Mekkanen echter niet verder gekomen dan Madjanna, de kant van Zahraan op, en volgens anderen tot Oesfaan, toen hij besloot terug te keren. Hij sprak zijn mannen als volgt toe: 'Koeraisjieten! Alleen een vruchtbaar jaar is voor ons geschikt, wanneer wij ons vee de struiken kunnen laten afgrazen en wij de melk ervan kunnen drinken, en dit is een droog jaar. Ik keer dus terug, en gaan jullie ook terug!' Dat deden ze. De Mekkanen noemden dat leger het `papleger', want, zeiden ze, 'zij zijn alleen maar uitgerukt om pap te eten'.

De belegering van Medina
Top

In de slag bij Oehoed hadden de Koeraisjieten het grootst mogelijke leger in het veld gebracht. Toch was hun overwinning niet definitief geweest. Het enige wat zij nu nog konden doen was proberen de nomadenstammen ten oosten en noorden van Medina aan hun zijde te krijgen, door propaganda, beloften en betalingen. Een aantal jaren heeft Mohammed inderdaad hinder gehad van deze stammen. Over het algemeen wist hij zich echter goed te handhaven en zijn invloedssfeer zelfs nog uit te breiden, vooral in het gebied tussen Medina en de kust. De grote nomadenstammen waren voor geen enkele partij erg betrouwbare bondgenoten.
       Ten slotte achtte Koeraisj de tijd gekomen voor een grootscheepse aanval op Medina. De joden van Nadier, die nu in Chaibar woonden, hoopten met behulp van Koeraisj hun land in Medina te heroveren. Volgens de verhalen van Ibn Ishaak zouden de joden zelfs het initiatief hebben genomen tot deze actie. Ook de grote stammen Ghatafaan en Soelaim steunden Koeraisj. Het leger sloeg weer zijn kamp op in de buurt van Oehoed, maar nu op een betere plek.
       Mohammed had voldoende tijd om voorzorgsmaatregelen te nemen. Door de velden bij Oehoed alvast te laten oogsten beroofde hij de vijand van paardenvoer. De gracht die hij liet graven vormde een tot dusverre in ArabiŽ ongekend obstakel voor de cavalerie. De Koeraisjieten zagen zich gedwongen over te gaan tot een belegering, waarmee zij geen ervaring hadden en die weinig uitzicht bood op succes.
       Intussen slaagde Mohammed erin, door middel van omkoopsommen en geheime agenten, de wankele eensgezindheid tussen Koeraisj en zijn bondgenoten te verstoren. God hielp de moslims ditmaal door een storm en hevige koude te zenden, die de tegenstanders de genadeslag gaven. Met Mekka's handelsroute naar SyriŽ was het gedaan.

       De slag bij de gracht vond plaats in de maand sjawwaal van het jaar 5 [627].
        Jazied ibn Roemaan, voorts iemand over wie ik geen twijfels koester en die het had van Abdallah ibn Ka'b ibn Malik, en Moehammad ibn Ka'b de Koeraiziet, verder az-Zoehri, Asim en Abdallah ibn abi Bakr en nog andere geleerden hebben mij van het volgende verhaal elk een gedeelte verteld:
        Een aantal joden, onder wie Sallaam, Hoejajj en Kinana uit de stam Nadier, Ha'oedza ibn Kais en Aboe Ammaar uit Wa'il met nog een aantal mannen uit die stammen, brachten gecombineerde troepen tezamen tegen de Profeet. Zij gingen naar Koeraisj in Mekka en riepen hen op gezamenlijk een oorlog tegen hem te beginnen, om voorgoed van hem af te komen. De Koeraisjieten zeiden: `Jullie joden zijn de eerste mensen van de Schrift en jullie weten waarover wij met Mohammed van mening verschillen. Is onze godsdienst beter of de zijne?' Zij antwoordden: `Jullie godsdienst is beter; het gelijk is aan jullie kant.'
       (Dit zijn de mensen over wie God heeft geopenbaard: Heb je niet gekeken naar degenen aan wie een deel van de Schrift is gegeven? Hoe zij in de Djibt en Taghoet geloven en over hen die ongelovig zijn zeggen: `Dezen zijn eerder op de goede weg dan zij die geloven.' Dat zijn degenen die God vervloekt heeft, en als God iemand vervloekt vind je voor hem geen helper, tot de woorden: Of benijden zij soms de mensen om wat God hun van Zijn genade heeft gegeven? - namelijk het profeetschap. Wij hebben toch aan lhrahiems geslacht de Schrift en de wijsheid gegeven, en wij hebben hun toch geweldige macht gegeven? Nu geloven sommigen van hen daarin, terwijl anderen zich ervan afwenden; maar het hellevuur zal hard genoeg branden. [4:51-55])
       Dat antwoord deed Koeraisj genoegen en ze gingen gretig in op de uitnodiging om deel te nemen aan een oorlog tegen de Profeet. Er werd een vergadering belegd en ze maakten afspraken.
       Vervolgens wendde die groep joden zich tot Ghatafaan, van Kais Ailaan, en zij riepen ook hen op oorlog te voeren tegen de Profeet. Ze zeiden dat zij hen zouden helpen en dat Koeraisj reeds achter hen stond. Ook met hen kwamen ze tot overeenstemming.
       Koeraisj rukte uit onder leiding van Aboe Soefjaan.
        Toen de Profeet hoorde wat zij in de zin hadden, liet hij voor Medina een gracht graven. Hij werkte er zelf ook aan, om de moslims begerig te maken naar het loon in het paradijs, en iedereen deed hard zijn best. De Profeet en de gelovigen werden enigszins gehinderd in het werk door enkele Halfhartigen, die deden alsof ze doodmoe waren en heimelijk wegslopen naar huis, buiten weten van de Profeet en zonder dat hij verlof gegeven had. Want als iemand noodzakelijk even weg moest, vroeg hij daarvoor verlof aan de Profeet, en dat kreeg hij. Als hij dan gedaan had wat hij te doen had ging hij weer aan het werk, omdat hij verlangde naar het toekomstige heil en daarop rekende.
       Over die gelovigen openbaarde God: De gelovigen zijn zij, die in God en Zijn gezant geloven. Als zij tezamen met hem aan iets werken gaan zij niet weg zonder hem om verlof te vragen. Zij die jou om verlof vragen, die zijn het die in God en Zijn gezant geloven. En als zij je om verlof vragen voor een of andere aangelegenheid, geef het dan aan wie jij wilt en vraag God voor hen om vergeving. God is vergevend en barmhartig! [24:62] Dit vers werd geopenbaard over die moslims die rekenden op het heil en daarnaar verlangden, in gehoorzaamheid aan God en zijn Profeet.
       Voorts sprak God, doelend op de Halfhartigen die wegslopen van het werk zonder verlof van de Profeet: Behandelt een oproep van de gezant onder u niet als een oproep van ťťn van u. God kent hen wel, die wegsluipen en de wijk nemen. Laten degenen die hem tegenwerken zich ervoor hoeden dat zij niet getroffen worden door een verzoeking of een pijnlijke straf! Zeker, van God is wat in de hemelen en op aarde is. Hij weer wel hoe het met u gesteld is. - Dat wil zeggen: wie de waarheid spreekt en wie liegt. - En op de dag dat zij bij Hem teruggebracht worden zal Hij hun laten weten wat zij hebben gedaan, want God weet alles. [24:63-64]
       De moslims werkten aan de gracht tot hij sterk genoeg was, en ze zongen daarbij een liedje op een moslim die Djoe'ail heette, maar door de Profeet Amr was genoemd:

       `t Was eerst Djoe'ail, maar hij noemde hem Amr.
       Een steun voor de arme was hij die dag.'

        en als ze bij het woord 'Amr' kwamen zong de Profeet hen na: 'Amr' en als ze bij 'dag' kwamen zong hij dat na.

        In de verhalen over het graven van de gracht die mij hebben bereikt ligt een les van God besloten: Hij bevestigt daarin Zijn gezant en laat zien dat zijn profeetschap echt is; deze dingen hebben de moslims met eigen ogen gezien.
       In een van de verhalen heet het dat Djabir ibn Abdallah heeft verteld: Ergens in de gracht kregen ze te kampen met een hard stuk rots, en daarover klaagden ze bij de Profeet. Deze liet een vat met water komen, spuwde daarin en zei een gebed dat God hem ingaf. Toen goot hij het water uit over dat rotsblok, en degenen die erbij geweest zijn, zweren dat het rotsblok ineens verpulverde tot een hoop zand; een schoffel of een schop ging er zo doorheen!
        Sa'ied ibn Mina vernam van iemand die van een dochter van Basjier ibn Sa'd, de zuster van Noe'maan ibn Basjier, had gehoord: Mijn moeder deed een handjevol dadels in mijn kleed en zei: 'Kind, ga je vader en je oom Abdallah hun eten eens brengen!' Terwijl ik naar hen liep te zoeken kwam ik langs de Profeet en die zei: 'Kom eens hier, meisje, wat heb je daar?' 'Profeet,' zei ik, 'dit zijn dadels die mijn moeder me laat brengen naar mijn vader en mijn oom Abdallah.' 'Geef eens hier,' zei hij. Ik deed ze over in de handen van de Profeet en die waren er niet eens mee gevuld. Toen liet hij een kleed neerleggen, waarover hij de dadels verspreidde, en hij liet bij de gracht omroepen dat het etenstijd was. De werkers gingen eromheen zitten en begonnen van de dadels te eten, en het werden er steeds meer, en toen ze genoeg hadden gehad waren er nog zoveel over, dat ze over de rand van het kleed heen vielen.
       Sa'ied ibn Mina heeft gehoord van Djabir ibn Abdallah: In de tijd dat we met de Profeet aan de gracht werkten had ik een schaapje, niet erg vet, en ik dacht: als we dat eens klaarmaakten voor de Profeet. Ik zei dus tegen mijn vrouw dat ze wat gerst moest malen en daar een brood van moest bakken, terwijl ik zelf het schaap slachtte, dat wij daarna roosterden voor de Profeet. Toen deze 's avonds terugkwam van de gracht - want overdag werkten we daar en 's avonds gingen we naar huis - zei ik: 'Profeet, ik heb voor u een schaapje klaargemaakt dat wij hadden, en daarbij hebben we wat gerstebrood. Ik zou graag willen dat u mee naar mijn huis kwam.' Nu was het mijn bedoeling geweest dat alleen de Profeet mee zou komen, maar toen ik hem gevraagd had liet hij iemand omroepen: 'Kom mee met de Profeet naar het huis van Djabir ibn Abdallah!' Ik wist niet hoe ik het had! Welnu, de Profeet kwam en al die mensen kwamen mee. Toen hij zat brachten we hem het schaapje. Hij sprak de zegen uit en at ervan, en alle anderen aten er ook van, achter elkaar door: zodra er mensen klaar waren kwamen er weer anderen, tot ze allemaal gegeten hadden!
       Van de Pers Salmaan is vernomen: Bij het hakken in de gracht stuitte ik op een hard rotsblok. De Profeet stond dichtbij me en toen hij zag hoeveel moeite ik ermee had kwam hij naar beneden, nam de houweel van mij over en gaf er zo'n harde klap mee dat de bliksem ervan af schoot. Bij de tweede klap schoot er weer een bliksem af, en bij de derde ook. Ik zei: 'U bent geweldig, Profeet, wat zag ik daar voor lichtflitsen toen u sloeg?' Hij antwoordde: `Heb je dat gezien, Salmaan? Met de eerste bliksemflits legde God Jemen voor mij open, met de tweede SyriŽ en het Westen, en met de derde het Oosten.'

        Toen de Profeet de gracht had voltooid verschenen de Koeraisjieten en legerden zich waar de beekbeddingen van Roema samenkomen, tussen Djoerf en Zaghaba, met tienduizend van hun Ahabiesj en hun aanhang uit de stam Kinana en het laagland, en Ghatafaan en hun aanhang uit de Nadjd; dezen legerden zich in Dzanb Nakma, aan de kant van Oehoed. De Profeet en de moslims kozen positie met de berg Sal' in de rug, drieduizend man. Daar sloeg Mohammed zijn kamp op, met de gracht tussen hem en de vijand in. De kinderen en vrouwen bracht hij in de burchttorens onder.

        De vijand Gods Hoejajj ibn Achtab, uit de joodse stam Nadier, begaf zich naar Ka'b ibn Asad, de man die namens de joodse stam Koeraiza een bondgenootschap met de Profeet had gesloten. Toen Ka'b vernam van de komst van Hoejajj sloot hij de poort van zijn burcht en hij weigerde hem binnen te laten. Hoejajj riep hem toe: `Hť, Ka'b, doe open!'
       `Nee Hoejajj! Ongelukkige, ik heb een verdrag gesloten met Mohammed en dat schend ik niet, want hij is tegen mij altijd loyaal en oprecht geweest.'
       `Doe dan toch open, dat ik tenminste met je kan praten!' 'Nee, dat doe ik niet!'
       `God allemachtig, je hebt de poort alleen maar dichtgedaan omdat je bang bent dat ik mee zal eten van je griesmeelpap!'
       Dat maakte Ka'b zo boos dat hij opendeed. Eenmaal binnen zei Hoejajj: 'Hoor eens hier, Ka'b, ik breng jou eeuwige roem en een geweldig leger, ik breng je Koeraisj met hun aanvoerders en hoofden, die ik gelegerd heb waarde beekbeddingen van Roema samenkomen, en ook nog Ghatafaan met aanvoerders en hoofden; die heb ik gelegerd in Dzanb Nakma, aan de kant van Oehoed. Ze hebben een hecht verbond met mij gesloten, dat inhoudt dat we net zo lang doorgaan tot we Mohammed en zijn mannen hebben uitgeroeid.' Ka'b antwoordde: `Hoe kom je erbij? Je brengt mij eeuwige schande: een loze wolk die zijn regen al heeft afgestaan; hij dondert en bliksemt, maar er komt niets uit. Nee Hoejajj, laat mij maar met rust, want Mohammed is altijd loyaal en oprecht tegen mij geweest.'
       Maar Hoejajj drong aan en paaide hem zo dat hij ten slotte zwichtte, op voorwaarde dat Hoejajj zich ertoe zou verbinden om zich, in geval Koeraisj en Ghatafaan zouden terugtrekken zonder Mohammed te hebben vernietigd, met hem te verschansen in zijn burcht om het zelfde lot te ondergaan als hij. Zo schond Ka'b ibn Asad het verdrag met de Profeet en ontdeed hij zich van zijn eerdere afspraken.
       Toen de Profeet daarvan hoorde stuurde hij Sa'd ibn Moe'aadz, destijds de hoofdman van Aus, en Sa'd ibn Oebada, de hoofdman van Chazradj, samen met Abdallah ibn Rawaha en Chawwaat ibn Djoebair uit met de opdracht: `Ga eens kijken of het waar is wat we over die lui hebben gehoord. Als het waar is, laat me dat dan weten door een toespeling die ik kan begrijpen, zodat onze mensen de moed niet verliezen, maar als ze wel loyaal zijn, dan kun je het openlijk rondvertellen.'
        Zij gingen dus naar de mannen van Koeraiza en bevonden dat het inderdaad zo erg was als ze hadden gehoord en dat de zaak van de Profeet er zeer door geschaad werd. Ze kregen zelfs te horen: 'De gezant van God, wie is dat? Wij hebben helemaal geen verdrag met Mohammed: Sa'd ibn Moe'aadz begon hen dadelijk uit te schelden en zij scholden terug; hij was een lichtgeraakt man. Maar Sa'd ibn Oebada zei tegen hem: `Laat dat toch, dat schelden! Daar is deze zaak te ernstig voor.' Toen de beide Sa'ds en de anderen terugkwamen hij de Profeet groetten ze hem en zeiden: `Adal en Kara' (dat wil zeggen: het is als het verraad van Adal en Kara jegens de mannen van Radjie'). `God is groot!' riep de Profeet, `houd goede moed, moslims!'
        Intussen werden de gelovigen zwaar beproefd en de angst was hevig. De vijand belaagde hen van boven en beneden, zodat zij het ergste begonnen te vrezen' en de halfhartigheid van sommigen aan het licht kwam. Zo zei Moe'attib ibn Koesjair bijvoorbeeld: `Mohammed had ons beloofd dat wij de schatkamers van Kisra en Caesar leeg mochten eten, maar vandaag de dag ben je je leven niet eens zeker als je gaat poepen,' en Aus ibn Kaizi uit het geslacht Haritha zei: `Profeet, onze huizen liggen onbeschermd [33:13] voor de vijand,' - hij sprak namens een groot aantal mannen van zijn stam - `sta ons dus toe terug te gaan naar onze woonplaats, want die ligt buiten Medina.'
       Meer dan twintig dagen verstreken, bijna een maand, zonder dat er enige gevechtshandeling plaatsvond, afgezien van wat heen en weer geschiet met pijlen, en de belegering zelf. Toen de toestand nijpend was geworden stuurde de Profeet - zoals mij is verteld door Asim ibn Oemar en nog een onverdacht persoon, op gezag van az-Zoehri - iemand naar Oejaina ibn Hisn en naar Harith ibn Auf, de aanvoerders van Ghatafaan, en bood hun een derde deel van de dadeloogst van Medina, als zij zich met hun leger zouden terugtrekken. Er kwam een vredesverdrag tot stand, dat zelfs op schrift werd gesteld, maar bekrachtigd werd het niet en er werd nog niet echt vrede gesloten; er werd alleen over onderhandeld. Toen de Profeet er ernst mee wilde maken liet hij Sa'd ibn Moe'aadz en Sa'd ibn Oebada komen en vroeg hun raad. Zij vroegen: `Profeet, is dit iets dat u wilt dat wij doen, of iets dat God u heeft opgedragen en dat wij dus wel moeten uitvoeren, of is het iets dat u voor ons wilt doen?' Hij antwoordde: `Het is iets dat ik doe voor jullie, en ik zou het echt niet doen als ik niet had gezien hoe de bedoeÔenen een regen van pijlen op jullie afschieten en jullie aan alle kanten in het nauw brengen; daarom wilde ik hun aanvalskracht enigszins breken.' Sa'd ibn Moe'aadz bracht daartegen in: `Profeet, ook wij zijn heidenen en beeldendienaars geweest, die God niet dienden of zelfs kenden, net als zij; in die tijd durfden zij niet te hopen op ook maar een van onze dadels, behalve als gastmaal of door ze te kopen. Zouden wij dan nu, nu God ons de islam heeft geschonken en ons in aanzien heeft gebracht door u en de islam, hun onze eigendommen gťven? Geen sprake van; nee, wij geven hun alleen het zwaard, totdat God een oordeel zal vellen' 'Je krijgt je zin,' zei de Profeet. Sa'd ibn Moe'aadz pakte het document en kraste uit wat erop stond, toen riep hij: `Laat ze maar opkomen!'
        De belegering duurde voort, zonder dat het tot een treffen kwam. Alleen een paar Koeraisjitische ruiters, onder wie Amr ibn Abd Woedd en nog anderen, gordden zich aan tot de strijd; ze stegen in het zadel en toen ze de posten van hun bondgenoten uit Kinana passeerden riepen zij die toe: `Maak je klaar voor de strijd, mannen van Kinana! Vandaag zullen jullie eens zien wat echte ruiters zijn!' Ze reden voort in galop en kwamen pas voor de gracht tot stilstand. Bij de aanblik daarvan riepen ze uit: `God almachtig, dit is een list zoals de Arabieren nog nooit hebben bedacht!' Toen reden ze af op een plek waar de gracht smal was en sloegen hun paarden, zodat die eroverheen sprongen en hen het zoutmoeras tussen de gracht en de berg Sal' in voerden. Ali rukte uit met een aantal moslims om hun de terugtocht langs die doorgang af te snijden, terwijl de ruiters van Koeraisj op hen toesnelden.
       Deze Amr ibn Abd Woedd had meegevochten bij Badr, tot een verwonding hem buiten gevecht had gesteld; daarom had hij Oehoed niet meegemaakt. Bij de slag bij de gracht rukte hij uit met een onderscheidingsteken waaraan zijn rang te zien was. Toen hij met zijn ruiters halt had gemaakt riep hij: `Wie wil er tegen mij vechten?' Ali nam de uitdaging aan en zei: 'Amr, je hebt ooit gezworen dat als een Koeraisjiet je twee mogelijkheden voorhoudt je er een van accepteert.'
       `Zo is het'
        Dan roep ik je op je te bekeren tot God en Zijn gezant, en tot de Islam.'
       'Geen sprake van!'
        `Dan daag ik je uit tot een tweegevecht!'
       `Waarom, beste neef? Ik zou je niet graag doden.'
        `Nee, maar ik wil jou wťl doden!'
       Toen werd Amr zo razend dat hij van zijn paard sprong, het de pezen doorsneed en het een klap op het hoofd gaf; daarna kwam hij op Ali af. Ze raakten in gevecht en wervelden om elkaar heen. Ali doodde hem en hun paarden sloegen op de vlucht en stortten zich in de gracht.
       Met Amr werden nog twee mannen gedood: Moenabhih ibn Oethmaan, die werd getroffen door een pijl waaraan hij stierf in Mekka, en Naufal ibn Abdallah uit de stam Machzoem, die over de gracht wilde springen maar erin tuimelde. Toen hij daar met stenen werd bekogeld riep hij uit: 'Ach Arabieren, sneuvelen is beter dan dit!' Ali ging op hem af en doodde hem. De moslims maakten zich meester van zijn lichaam en vroegen de Profeet of ze zijn uitrusting mochten verkopen. Deze antwoordde: `Zijn uitrusting hebben we niet nodig en de prijs die hij zou opbrengen evenmin; doe ermee wat je wilt,' en hij liet hen hun gang gaan.
        Ikrima ibn abi Djahl gooide zijn lans weg, terwijl hij wegvluchtte van Amr. Over hem heeft Hassaan ibn Thabit gedicht:

        `Wel, wel, jij wierp een lans; nog nooit vertoond! Hij vloog!
       Maar vlugger nog sloeg jij, als een pijl uit eigen boog,
       panisch op de vlucht, rennend als een struis.
       Je keek niet op of om; regelrecht naar huis!
       Was dat een mensenrug, die je ons liet zien?
       't Leek een hyenarug, pijlsnel, maar laf voor tien!'

       Aboe Laila Abdallah ibn Sahl, een broeder van de stam Haritha, heeft mij verteld dat A'isja, de moeder der gelovigen, zich die dag in het fort van Haritha bevond, een van de meest ongenaakbare forten van Medina. De moeder van Sa'd ibn Moe'aadz was bij haar. A'isja vertelde: Het was voordat ons de afzondering was voorgeschreven. Sa'd kwam langs met een kuras aan dat zo kort was dat heel zijn onderarm eruit stak. Hij rende voorbij met zijn speer in zijn hand, en zei:

        'Wacht even! Laat Djamal zijn waar de strijd is!
       Wat geeft het te sterven als het je tijd is.'

        Zijn moeder zei: `Schiet op jongen, want je bent er laat bij!' en ik zei nog tegen haar: 'Ik wou dat het kuras van Sa'd wat langer was.' want ik was bang dat hij juist daar getroffen zou worden. Sa'd werd namelijk getroffen door een pijl die zijn middelste armader doorsneed. Naar ik verneem van Asim ibn Oemar werd die afgeschoten door Hibbaan ihn Kais ibn Arika, uit de stam Amir ibn Loe'ajj, en toen deze hem raakte riep hij: `Pak aan; die is van mij, van lbn Arika!' en Sa'd zei: `Ik hoop dat God je zal laten zweten in het hellevuur! 0 God, als U de oorlog met Koeraisj nog laat voortduren, laat mij dan zolang in leven, want er is geen vijand waartegen ik liever vecht dan tegen een volk dat Uw Profeet heeft lastig gevallen, voor leugenaar uitgemaakt en weggejaagd. Maar als U, O God, de oorlog tussen ons beŽindigt, verleen mij dan het martelaarschap en laat mij niet sterven voordat ik mij heb kunnen verheugen over Koeraiza!'

       Jahja ibn Abbaad heeft van zijn vader gehoord: Safia bint Abd al-Moettalib was in Fari', het fort van Hassaan ibn Thabit. Zij heeft daarover verteld: Hassaan was zelf ook in het fort, bij de vrouwen en de kinderen, toen er een jood voorbijkwam die om het fort heen begon te lopen. De stam Koeraiza had met de Profeet gebroken en hem de oorlog verklaard en er was niemand die ons kon verdedigen, want de Profeet en zijn gezellen zaten de vijand op de nek, zodat hij ons niet te hulp kon komen als we aangevallen zouden worden. Ik zei: 'Hassaan, je ziet, deze jood loopt om het fort heen, en ik ben bang dat hij de joden die achter ons liggen onze zwakke plek gaat wijzen, terwijl de Profeet en zijn mannen aan handen en voeten gebonden zijn; je moet dus op hem af gaan en hem doden!' Hij antwoordde: `God vergeve het je, je weet wel dat ik zoiets niet kan doen.' Toen hij dat gezegd had en het duidelijk was dat er van hem niets te verwachten was, bond ik mijn kleed op, ging naar beneden met een tentstok en sloeg hen daarmee dood. Toen ik dat gedaan had ging ik terug naar het fort en zei: 'Hassaan, ga jij nu naar hem toe om hem zijn wapenrusting af te nemen, want het is een man, ik kan het niet doen.' Hij zei: 'Daar heb ik geen behoefte aan, Safia'
       Zoals God heeft beschreven bleven de Profeet en zijn mannen in een hachelijke positie verkeren, want de vijanden vormden een hecht front en bedreigden hen van alle kanten [33:10]. Toen kwam Noe'aim ibn Mas'oed ibn Amir naar de Profeet en zei: `Profeet, ik ben moslim geworden, maar zonder dat mijn familie het weet. U kunt me dus bevelen wat u wilt.' De Profeet zei: `Jij bent maar ťťn man, dus als je kunt, ga dan verdeeldheid zaaien onder de vijand, zodat ze zich terugtrekken, want oorlog is nu eenmaal bedrog.'
       Noe'aim begaf zich eerst naar de stam Koeraiza, met wie hij in de heidentijd op vertrouwelijke voet had gestaan, en zei: `Mannen van Koeraiza, jullie weten hoe ik op je gesteld ben en wat een bijzondere band ik met jullie heb: `Zo is het,' zeiden ze, 'jou wantrouwen we niet.' Daarop vervolgde hij: `Koeraisj en Ghatafaan zijn niet in dezelfde positie als jullie. Dit land is van jullie: jullie bezittingen en zonen en vrouwen zijn hier; jullie kunnen nergens anders heen. Nu zijn Koeraisj en Ghatafaan gekomen om oorlog te voeren tegen Mohammed en zijn gezellen en jullie helpen hen daarbij. Maar hun land, hun bezittingen en hun vrouwen bevinden zich niet hier; zij zijn dus in een heel andere positie, want als zij de kans schoon zien grijpen ze diť aan, maar zo niet, dan gaan ze terug naar hun eigen land en laten jullie met die vent zitten, in je eigen land, en alleen kunnen jullie hem niet aan. Daarom moet je niet meevechten zonder eerst een paar van hun edelen als gijzelaar te nemen; die houd je in handen als garantie dat je gezamenlijk tegen Mohammed zult vechten tot je met hem hebt afgerekend.' Dat vonden ze een uitstekend idee.
       Toen ging hij naar Koeraisj en zei tegen Aboe Soefjaan en zijn mannen: 'Jullie weten wel hoe ik op je gesteld ben en dat ik bij Mohammed weg ben. Nu heb ik iets gehoord, en ik beschouw het als mijn plicht dat jullie te vertellen, bij wijze van goede raad; maar zeg niet dat het van mij komt.' Dat beloofden ze, en hij vervolgde: 'Jullie moeten weten dat de joden er spijt van hebben dat ze met Mohammed hebben gebroken. Dat hebben ze hem laten weten en ze hebben hem het volgende voorstel gedaan: "Hoe zou u het vinden als wij u een paar edelen van Koeraisj en Ghatafaan bezorgden, zodat u die kunt onthoofden? Dan zullen wij u helpen met het uitroeien van de rest" Daar is hij op ingegaan. Dus als de joden nu iemand sturen om een paar man als gijzelaar te vragen moet je volstrekt niemand sturen!'
        Daarop ging hij naar de stam Ghatafaan en zei: `Ghatafaan, mijn vlees en bloed, is mij het meest dierbaar van alle stammen. Ik denk niet dat jullie mij wantrouwen:
       `Nee, dat doen we zeker niet.'
       `Ik zal jullie wat vertellen, maar zeg niet dat je het van mij hebt.'
       Toen gaf hij hun dezelfde waarschuwing als Koeraisj.
        Op een sabbatavond in de maand sjawwaal van het jaar 5 geviel het, door Gods toedoen ten gunste van zijn gezant, dat Aboe Soefjaan en de hoofden van Ghatafaan ikrima ibn abi Djahl met een paar man naar de stam Koeraiza stuurden met de boodschap: `Wij hebben hier slechts een tijdelijk kamp; onze kamelen en paarden gaan eraan; laten we dus morgen vroeg uitrukken om af te rekenen met Mohammed, zodat we voorgoed van hem verlost zijn!' Maar zij antwoordden: `Het is sabbat, een dag waarop wij niets doen, en het is bekend hoe het degenen vergaat die de sabbat schenden. (Vgl. koran 2:65 en 7:163-166) Bovendien vechten we niet mee tegen Mohammed voordat jullie ons gijzelaars geven die wij in handen houden als garantie, tot we inderdaad met Mohammed hebben afgerekend. Want wij zijn bang dat als de oorlog tegenzit en het gevecht te hevig wordt, datjullie dan ijlings naar je land vertrekken en ons hier achterlaten met die vent op ons gebied, en allťťn kunnen we hem niet aan.'
       Toen de boden hun dat antwoord brachten zeiden de mannen van Koeraisj en Ghatafaan: `Wat Noe'aim ibn Mas'oed heeft verteld is dus waar,' en ze lieten Koeraiza weten: `Nee, we sturen niemand en als jullie nog willen vechten, kom dan nu!' Toen de boden hun dit bericht brachten zeiden de mannen van Koeraiza: Wat Noe'aim heeft gemeld is dus waar! Die lui zijn alleen uit op vechten; als ze de kans schoon zien grijpen ze die aan, en zo niet, dan gaan ze gauw terug naar hun land en laten ons hier zitten met die vent. Laten we hun dus zeggen dat we niet meevechten voordat ze ons gijzelaars hebben gegeven.' Dat werd geweigerd. Zo zaaide God tweedracht onder hen; voorts liet Hij in de koude winternachten een ijzige wind opsteken, waardoor hun kookpotten omvielen en hun tenten omver geblazen werden.
       Toen de Profeet merkte dat God tweedracht had gezaaid in de gelederen van de vijand ontbood hij Hoedzaifa ibn Jamaan en stuurde hem uit om te gaan kijken wat hun troepen 's nachts deden.
        Jazied ibn Ziaad vernam van Moehammad ibn Ka'b de Koeraiziet: Iemand uit Koefa vroeg aan Hoedzaifa ibn Jamaan: `Hebben jullie echt de Profeet nog meegemaakt en waren jullie zijn gezellen? En wat deden jullie in die tijd?'
       'Wel, jongen, wij hadden een hard leven.'
       'Als wij in zijn tijd hadden geleefd, dan hadden we hem niet op de grond laten lopen, maar hadden we hem op onze schouders gedragen.
       'Wel, jongen, ik zie ons nog met de Profeet bij de gracht, toen hij een deel van de nacht salaats had verricht en hoe hij zich toen tot ons richtte en vroeg: "Welke man gaat er voor ons kijken wat hun troepen uitvoeren en komt dan terug" - hij zei er uitdrukkelijk bij dat hij ook terug moest komen - "dan zal ik God vragen hem mijn metgezel in het paradijs te maken." Maar er meldde zich niemand, zo bang waren we, en zo hongerig en koud. Toen er helemaal niemand opstond riep de Profeet mij, zodat ik dus wel moest, en hij zei: "Hoedzaifa, ga jij maar; begeef je onder hun troepen en kijk wat ze aan het doen zijn, en niets anders dan dat; daarna kom je bij ons terug." Ik begaf me dus onder hun troepen, terwijl de wind en Gods legerscharen onder hen huishielden, zodat er geen pot of vuur of tent meer overeind bleef. Ik hoorde Aboe Soefjaan zeggen: "Mannen van Koeraisj, laat iedereen goed kijken wie er naast hem zit." Ik pakte dus de man die naast mij zat bij de hand en vroeg hem wie hij was en hij zei: die en die. Daarop zei Aboe Soefjaan: "Mannen van Koeraisj, wij hebben hier slechts een tijdelijk kamp. Paarden en kamelen zijn omgekomen. Die lui van Koeraiza hebben hun woord gebroken; wij horen kwalijke berichten over hen. Bovendien hebben we te kampen met een krachtige wind, die, zoals jullie zien, geen pot en geen vuur en geen tent meer overeind heeft gelaten. Breek dus maar op; ik doe het ook."
       Toen ging hij naar zijn kameel, waarvan de voorpoot nog gekluisterd was; hij steeg op en sloeg het beest zo dat het op drie poten ging staan; het touw werd pas losgemaakt toen het al stond. En als de Profeet mij niet had opgedragen niets uit eigen beweging te doen voordat ik bij hem terug was, had ik hem met gemak kunnen doden met een pijl. Toen ik terugkwam bij de Profeet was deze de salaat aan het verrichten in een bonte omslagdoek van een van zijn vrouwen. Hij liet mij dadelijk binnen, bood mij plaats aan zijn voeten en bedekte mij met een stuk van die doek. Daarop deed hij de buigingen en de teraardewerpingen, en zodra hij klaar was vertelde ik hem het nieuws. En toen Ghatafaan hoorde wat de Koeraisjieten hadden gedaan braken zij ook op en keerden terug naar hun gebied.
        De ochtend daarop verlieten de Profeet en de moslims de gracht, gingen terug naar Medina en legden hun wapens af.
       

De uitroeiing van de joodse stam Koeraiza
Top

Er was een gegronde reden voor de uitroeiing van de laatste grote joodse stam die nog in Medina verbleef. Voor en tijdens de belegering van de stad hadden zij met de vijand geheuld en hun verdrag met de Profeet geschonden.
       Na de uitroeiing werden de landerijen van Koeraiza verdeeld onder de moslims, met uitsluiting van de Halfhartigen.
       Sa'd ibn Moe'aadz was de leider van de stam Aus. Evenals Abdallah ibn Oebajj was hij reeds voor Mohammeds komst een vooraanstaand man in Medina geweest, maar hij was jegens de islam altijd loyaal geweest. Stervend aan zijn verwonding van de slag bij de gracht heeft Sa'd Mohammed nog een dienst bewezen door Koeraiza te vonnissen. Had Mohammed het zelf gedaan, dan had hij misschien de Helpers uit de stam Aus tegen zich gekregen, want die bleken nog te hechten aan hun pact met Koeraiza. Aangezien de Halfhartige Abdallah ibn Oebajj eertijds met succes was opgekomen voor zijn bondgenoten de Kainoekaa', had Mohammed het verzoek van de loyale Aus moeilijk kunnen afwijzen.
       Opvallend is dat uit de teksten enige reserve blijkt tegenover de slachtpartij. Niet Mohammed, maar Djibriel neemt het initiatief tot de afstraffing. De overlevering, elders toch nooit sentimenteel over afgeslachte vijanden, lijkt bijna begaan te zijn met het lot van Koeraiza.

        Volgens wat az-Zoehri mij heeft verhaald kwam omstreeks de namiddag-salaat Djibriel bij de Profeet, het hoofd bedekt met een tulband van zijdebrokaat en rijdend op een muilezel waarvan het zadel bedekt was met een stuk brokaat. Hij vroeg de Profeet of hij de wapens had neergelegd, en toen deze dat bevestigde zei Djibriel: `De engelen hebben hun wapens nog niet neergelegd; zelf kom ik juist terug van het achtervolgen van de vijand. God beveelt je tegen de stam Koeraiza op te rukken, Mohammed! Ik ga naar hen toe om hen door elkaar te schudden.'
       De Profeet liet afkondigen dat niemand de namiddag-salaat diende te verrichten voordat hij bij Koeraiza was. Vervolgens zond hij Ali vooruit met zijn vlag, en de mannen snelden erop af. Toen Ali dichtbij de forten gekomen was hoorde hij daar beledigende taal aan het adres van Mohammed. Hij keerde terug, de Profeet tegemoet, en zei dat hij niet dichter bij die schurken hoefde te komen. `En waarom niet?' vroeg de Profeet, `ik denk dat je ze hebt horen kwaadspreken over mij,' en hij voegde eraan toe: `Als ze mij zagen zouden ze zulke dingen niet zeggen.' Toen de Profeet dicht bij hun forten gekomen was riep hij: `Stelletje apen; heeft God jullie voor gek gezet en Zijn wraak over jullie geopenbaard?' Zij zeiden: `Aboe Kasim, jij bent geen dwaas!'
       Op zijn weg naar de stam Koeraiza passeerde de Profeet een aantal van zijn gezellen in Saurain, die hij vroeg of daar iemand langs was gekomen. `Ja,' zeiden ze, Dihja ibn Chaliefa, op een wit muildier waarvan het zadel bedekt was met een stuk brokaat.' De Profeet zei: `Nee, dat was Djibriel, die op weg was naar Koeraiza om hun forten door elkaar te schudden en schrik onder hen te zaaien.'
       Toen de Profeet bij de stam Koeraiza was aangekomen, hield hij halt bij een van hun bronnen dichtbij hun grondgebied, die Ana heette. De mannen voegden zich bij hem. Sommigen kwamen daar pas aan na de late avond-salaat en hadden de namiddag-salaat niet verricht, omdat de Profeet had gezegd dat ze dat niet moesten doen voordat ze hij Koeraiza waren. Ze waren druk bezig geweest met de nodige oorlogsvoorbereidingen en hadden de salaat pas bij Koeraiza willen verrichten, volgens de instructies van de Profeet, en dat deden ze nu, na de late avond-salaat. God heeft hun dat niet aangewreven in Zijn Boek en de Profeet is hun daarover niet hard gevallen. Dit is mij verteld door mijn vader, die het had van Ma'bad ibn Ka'b.
       De Profeet belegerde hen vijfentwintig dagen, tot het beleg hun zwaar begon te vallen, en God zaaide schrik onder hen.
       Hoejajj ibn Achtab was met de stam Koeraiza mee in hun fort gegaan, nadat Koeraisj en Ghatafaan zich hadden teruggetrokken, om zijn verdrag met Ka'b ibn Asad na te komen. Toen zij zeker wisten dat de Profeet niet weg zou gaan voordat hij met hen afgerekend had, zei Ka'b tegen zijn stamgenoten: 'Joden, jullie zien hoe jullie ervoor staan. Ik leg jullie drie mogelijkheden voor, kies welke je wilt. De eerste is: wij volgen deze man en geloven hem, want het is nu wel duidelijk dat hij een gezonden profeet is, en dat hij degene is die genoemd wordt in onze Schrift. Dan zullen tenminste ons leven, ons bezit en onze kinderen en vrouwen gespaard blijven.' `Nee,' zeiden ze, 'de wet van de tauraat zullen wij nooit verzaken en nooit verruilen voor een andere.' Toen zei hij: 'Als jullie dat niet willen, dan iets anders. Laten we onze kinderen en vrouwen doden en vervolgens ongehinderd uitrukken tegen Mohammed en zijn gezellen, als mannen, met getrokken zwaard, tot God een oordeel velt tussen ons en hem. As wij omkomen dan komen we om en laten we geen nakomelingen na om ons zorgen over te maken, en als we winnen, dan nemen we ardere vrouwen en kinderen.' Maar zij antwoordden: `Zouden wij deze arme schepsels moeten doden? Waar is het leven nog goed voor als zij er niet meer zijn?' Toen zei hij: `Als jullie dat ook niet willen, dat dit: het is vandaag sabbatavond, misschien dat Mohammed en zijn gezellen zich veilig voor ons wanen. Laten we dus een uitval doen, misschien dat we dan Mohammed en zijn gezellen bij verrassing een slag kunnen toebrengen.' Zij antwoordden echter: `Zouden wij dan onze sabbat ontwijden en hetzelfde doen als je weet wel wie vroeger hebben gedaan, die toen in apen zijn veranderd?' (Volgens koran 2:65 en 7:163-166 waren er vroeger joden die de sabbat niet hielden in apen veranderd.) Ka'b verzuchtte: `Niemand heeft hier ooit van zijn levensdagen een besluit kunnen nemen!'
       Toen lieten ze de Profeet vragen Aboe Loebaba ibn Abd Moendzir te sturen, een broeder van de clan Amr ibn Auf (dat waren bondgenoten van de stam Aus), om diens raad in te winnen. Dat deed de Profeet. Zodra zij hem zagen gingen de mennen naar hem toe en wierpen de vrouwen en kinderen zich huilend voor hem neer, zodat hij medelijden kreeg. Ze vroegen hem: `Aboe Loebaba, vind je dat we ons moeten overgeven aan Mohammed?' Ja,' zei hij, en hij gebaarde met zijn hand naar zijn keel, duidend op een slachtpartij.
       Aboe Loebaba heeft daarover zelf nog gezegd: `Ik had nog geen stap verzet of ik begreep dat ik God en Zijn Profeet had verraden.' Daarna ging hij niet naar de Profeet terug, maar bond zich vast aan een van de pilaren in de moskee en zei dat hij die plaats niet zou verlaten voordat God hem zou vergeven wat hij had gedaan, en hij zwoer dat hij zich nooit meer zou vertonen in het gebied van de stam Koeraiza, waar hij God en Zijn Profeet had verraden.
        Toen de Profeet dit na lang wachten vernam zei hij: `Als hij bij mij gekomen was had ik vergeving voor hem gevraagd, maar nu hij dit gedaan heeft zal ik hem niet losmaken voordat God hem vergeeft.'
       Jazied ibn Abdallah ibn Koesait vermeldt dat de vergeving voor Aboe Loebaba aan de Profeet werd geopenbaard in de vroege ochtend, in het huis van Oemm Salama. Deze laatste heeft daarover verteld: In de vroege ochtend hoorde ik de Profeet lachen en ik zei: `Waarom lach je? Moge God je vreugde schenken.'
        `Aan Aboe Loebaba is vergeving geschonken.'
       `O,' zei ik, `zal ik hem het goede nieuws gaan vertellen, Profeet?' `Goed, zoals je wilt.'
       Ik ging bij de deur van mijn kamer staan - het was voordat de afzondering aan de vrouwen was voorgeschreven - en riep: `Aboe Loebaba, goed nieuws, God heeft het je vergeven!' De mensen snelden toe om hem los te maken, maar hij zei: `Nee, nee, alleen als de Profeet mij eigenhandig losmaakt.' En zo werd hij pas losgemaakt toen de Profeet langs kwam op weg naar de ochtend-salaat.
       Die nacht kwam Amr ibn Soe'da, een man uit Koeraiza, naar buiten en passeerde de wacht van de Profeet, die onder bevel stond van Moehanmad ibn Maslama. Toen die hem zag riep hij: Wie daar?' Hij zei: 'Amr ibn Soe'da.' Deze Amr had altijd geweigerd de stam Koeraiza te volgen in hun verraad jegens de Profeet. Moehammad ibn Maslama zei toen hij hem herkende: `O God, vergun me de misstappen der edelen goed te maken!' en liet hem lopen. Hij liep ongehinderd door tot bij de deur van de moskee van de Profeet in Medina, in diezelfde nacht; daarna verdween hij en het is tot op heden niet bekend waar hij gebleven is. Toen het geval de Profeet gemeld werd zei hij: `Deze man is door God verlost om zijn trouw.' Sommige mensen beweren dat hij was vastgebonden met een versleten touw, tezamen met de andere gevangenen van Koeraiza, toen die zich hadden overgegeven, en dat de volgende ochtend alleen het touw gevonden werd, zonder dat iemand wist waar hij gebleven was, en dat de Profeet toen die woorden sprak. Maar God weet het best hoe het gebeurd is.
       In de ochtend gaf de stam Koeraiza zich onvoorwaardelijk over aan de Profeet. De mannen van Aus sprongen op en zeiden: Profeet, dit zijn onze cliŽnten en niet die van Chazradj, en u weet hoe u onlangs de cliŽnten van onze broeders hebt behandeld.' De Kainoekaa' waren namelijk cliŽnten van Chazradj geweest, en toen die zich na een belegering hadden overgegeven had Abdallah ibn Oebajj gevraagd of hij ze kreeg, en hij had ze gekregen. En nu Aus hetzelfde vroeg zei de Profeet: 'Willen jullie graag dat iemand van jullie hen vonnist? Dat is dan iets voor Sa'd ibn Moe'aadz.'
        Sa'd was door de Profeet ondergebracht in een tent van een vrouw uit Aslam, die Roefaida heette, op het terrein van zijn moskee; zij verpleegde de gewonden en verzekerde zich van haar toekomstig loon door te zorgen voor de moslims die iets mankeerden. Toen Sa'd in de gracht door een pijl was getroffen had de Profeet tegen de familie gezegd: `Leg hem maar in de tent van Roefaida; ik zal hem binnenkort bezoeken.' Nu de Profeet hem als rechter wilde aanstellen over Koeraiza zette zijn familie hem op een ezel, waarop zij een zacht leren kussen hadden gelegd, want Sa'd was een dikke man. Terwijl ze hem naar de Profeet brachten zeiden ze tegen hem: 'Behandel onze cliŽnten mild, want met het oog daarop wil de Profeet jou dit toevertrouwen.' Toen ze dat meermalen gezegd hadden zei hij: `Voor Sa'd is de tijd gekomen om zich in de zaak Gods van niemands kritiek meer iets aan te trekken.' Sommigen van degenen die bij hem waren gingen terug naar het kwartier van de stam Abd Asjhal en kondigden de dood van de mannen van de stam Koeraiza aan, nog voordat Sa'd er was, omdat ze hem dat hadden horen zeggen. Toen Sa'd ten slotte was aangekomen zei de Profeet tegen de gelovigen dat ze moesten opstaan voor hun leider. De Emigranten uit Koeraisj dachten dat hij alleen de Helpers bedoelde, maar die dachten dat hij hen allemaal bedoelde. Ze stonden dus op en zeiden: `Aboe Amr, de Profeet heeft het jou toevertrouwd vonnis te vellen over je cliŽnten.' Sa'd zei: `Zweren jullie bij God mijn oordeel als bindend te aanvaarden, wat het ook is?' `Ja,' zeiden ze. `Ook degene die hier is?' vervolgde hij in de richting van de Profeet, zonder hem daarbij aan te kijken, uit eerbied. `Ja,' zei ook de Profeet. Toen zei Sa'd: `Dan is mijn vonnis dat de mannen gedood worden, de eigendommen verdeeld worden en de kinderen en vrouwen als krijgsgevangenen worden beschouwd.'
       Volgens Alkama ibn Wakkaas al-Laithi heeft de Profeet toen gezegd: `Je hebt het oordeel Gods geveld, van boven de zeven hemelen.'
        Na de overgave van Koeraiza zette de Profeet hen gevangen in het kwartier van Bint Harith, een vrouw uit de stam Naddjaar. Vervolgens begaf hij zich naar de markt van Medina - waar nu nog steeds de markt is - en groef er greppels. Daar liet hij telkens een groepje naar toe brengen, en dan liet hij hen onthoofden in die greppels. Onder hen waren ook de vijand Gods Hoejajj ibn Achtab en Ka'b ibn Asad, de hoofdman van de stam. In totaal waren het zes- of zevenhonderd man, of volgens sommigen acht- of negenhonderd. Toen ze in groepjes naar de Profeet gebracht werden vroegen ze aan hun hoofdman: 'Ka'b, wat denk je dat ze met ons gaan doen?' Hij antwoordde: `Zullen jullie het dan nooit begrijpen? Zien jullie niet dat er telkens anderen worden opgeroepen en dat degenen die zijn weggehaald niet meer terugkomen? Wee, wee, dit is de dood!' Zo ging het door, tot de Profeet hen allemaal had gehad.
       Hoejajj ibn Achtab, de vijand Gods, droeg toen hij werd weggehaald een kleurig gewaad waarin hij overal gaten had gemaakt ter grootte van een vingertop, om te zorgen dat het geen waarde zou hebben als roofgoed. Zijn handen waren met een touw aan zijn nek gebonden. Zodra hij de Profeet zag zei hij: `Bij God, dat ik jou heb bestreden verwijt ik mij zelf niet, maar wie God in de steek laat, die wordt zelf in de steek gelaten.' Toen richtte hij zich tot de omstanders en zei: 'Gods raad is juist: een Boek, een Besluit en een slachtpartij, dat is door God beschikt tegen de kinderen van Isra'iel!' Toen ging hij zitten en werd hij onthoofd.
        Moehammad ibn Dja'far ibn Zoebair heeft gehoord van Oerwa, die het had van A'isja: Van hun vrouwen werd er maar ťťn gedood. Ze was juist bij mij; we praatten wat en zij zat te schudden van het lachen, terwijl de Profeet bezig was de mannen van haar stam te doden op de markt. Ineens werd haar naam afgeroepen.
       `Lieve hemel!' riep ik, 'wat is dat?'
       `Ik moet ook gedood worden.'
       'Maar waarom?
       'Om iets dat ik gedaan heb.'
       Toen werd ze weggehaald en onthoofd. A'isja zei daarover nog: 'Nee werkelijk, ik zal nooit vergeten hoe vreemd ik het vond dat ze zo vrolijk was en zo hard lachte, hoewel ze al die tijd wist dat ze gedood zou worden.'
        Az-Zoehri heeft mij verteld: Thabit ibn Kais was naar Aboe Abd ar-Rahmaan Zabier ibn Bata toegelopen, een man uit Koeraiza die ooit zijn leven had gespaard. Een van Zabiers zonen heeft mij verteld dat het op de dag van Boe'aath was geweest, toen hij hem gevangen had genomen, maar hem weer had laten lopen, na alleen zijn voorhoofdslok te hebben afgesneden. Thabit, die nu een heel oude man was, was naar hem toe gekomen en had gezegd: 'Aboe Abd ar-Rahmaan, ken je me nog?'
       `Zou een man als ik een man als jij niet meer kennen?'
        'Ik wil je belonen voor wat je voor me gedaan hebt.'
       `Een nobel man vergeldt zijn gelijke.'
        Thabit ging naar de Profeet en vertelde hem dat Zabier eens zijn leven had gespaard en dat hij hem daarvoor nu wilde belonen. De Profeet zei hem dat zijn leven gespaard zou worden. Toen hij dat aan Zabier kwam zeggen zei deze: `Een oude man zonder familie en kinderen, wat heeft die aan zijn leven?' Thabit ging weer naar de Profeet, die hem beloofde ook zijn vrouw en zijn zoon in leven te laten. Toen vroeg Zabier: 'Hoe kan een gezin in de Hidjaaz leven zonder bezit?' Thabit ging weer naar de Profeet en kreeg de toezegging dat hij zijn bezit mocht houden. Toen vroeg Zabier: `Thabit, war is er gebeurd met Ka'b ibn Asad, wiens gezicht was als een Chinese spiegel waarin de maagden van de stam zich konden zien?'
        `Dood.'
       `En met Hoejajj ibn Achtab, de heer van boeren en nomaden?
       'Ook dood.'
        'En met Azzaal ibn Samau'al, onze voorhoede als wij aanvielen en onze achterhoede als wij vluchtten?'
       'Dood.'
        'En met de "twee vergaderingen"?' (Hij bedoelde de clans Ka'b ibn Koeraiza en Amr ibn Koeraiz.)
       `Weggehaald en dood.'
       `Dan vraag ik je, Thabit, omwille van de dienst die ik je heb bewezen, dat je mij verenigt met mijn stam, want ach, het leven heeft niets meer te bieden nu zij zijn heengegaan, en ik kan geen ogenblik meer wachten om mijn dierbaren te ontmoeten.' Daarop liep Thabit op hem toe en sloeg zijn hoofd af.
       Toen Aboe Bakr vernam dat hij gezegd had: 'om mijn dierbaren te ontmoeten,' zei hij: `Ja, in de hel zal hij ze ontmoeten, voor altijd en eeuwig.'
       Sjoe'ba ibn Haddjaadj brengt mij via Abd al-Malik de woorden over van Atia de Koeraiziet: De Profeet had bevolen dat alle volwassenen van Koeraiza ter dood gebracht moesten worden. Ik was een jonge jongen; ze vonden dat ik nog niet volwassen was en daarom lieten ze mij lopen.
        Ajjoeb ibn Abd ar-Rahmaan vertelt dat Salma bint Kais (zij was een tante van moederskant van de Profeet en had met hem de salaat verrich naar allebei de gebedsrichtingen en de Vrouweneed afgelegd) hem vroeg om het leven te sparen van Rifa'a ibn Samau'al de Koeraiziet, die een volwassen man was en toevlucht bij haar had gezocht omdat hij hen daarvoor al kende. Ze zei: `Mijn beste Profeet, geef mij Rifa'a, want hij beweert dat hij voortaan de salaat zal verrichten en kamelenvlees zal eten.' De Profeet stemde toe en zo spaarde zij zijn leven.

        Die dag verdeelde de Profeet de eigendommen, de vrouwen en de zonen van de stam Koeraiza onder de moslims, en hij maakte de verdeling bekend van de paarden en de mannen en hield een vijfde deel achter. Een ruiter kreeg drie delen, twee voor het paard en ťťn voor de berijder, en een man zonder paard kreeg ťťn deel. Op de dag van Koeraiza waren er zesendertig paarden. Het was de eerste buit waarom het lot werd geworpen en waarvan een vijfde deel werd achtergehouden. Zoals de Profeet het verdeeld had, zo ging het voortaan altijd; het werd het gebruik bij veldtochten.
        Sa'd ibn Zaid al-Ansari werd door de Profeet met krijgsgevangenen van Koeraiza naar de Nadjd gestuurd om ze te verkopen voor paarden en wapens.
        Voor zichzelf had de Profeet een van hun vrouwen uitgezocht, Raihana bint Amr ibn Choenafa, een vrouw uit de clan Amr ibn Koeraiza. Zij is altijd slavin gebleven, tot de dood van de Profeet. Deze had namelijk voorgesteld te trouwen en haar de afzondering op te leggen, maar zij had gezegd: `Nee Profeet, laat mij maar slavin blijven, dat is makkelijker voor ons allebei,' en daar was het bij gebleven. Toen hij haar gevangennam, had zij zich verzet tegen de islam en wilde zij beslist joods blijven. Daarom schonk de Profeet haar geen aandacht meer, maar dat ging hem wel aan het hart. Kort daarna was hij eens bij zijn vrienden en ineens hoorde hij voetstappen achter zich. Toen zei hij: `Dat is Tha'laba ibn Sa'ja, die komt vertellen dat Raihana de islam heeft aangenomen.' Zo was het inderdaad, en hij was daar heel blij om.

        Toen de kwestie van de staat Koeraiza was afgedaan ging de wond van Sa'd ibn Moe'aadz weer open en hij stierf daaraan als martelaar.
        Moe'aadz ibn Rifa'a az-Zoeraki heeft mij verteld: Een willekeurig persoon uit mijn stam deelt mee dat de Profeet op het ogenblik dat Sa'd werd weggenomen, in het holst van de nacht, werd bezocht door Djibriel, die een tulband van zijdebrokaat droeg en sprak: 'Mohammed, wie is deze dode, voor wie de poorten des hemels geopend zijn, en voor wie de Troon in beroering is?' De Profeet stond ijlings op om naar Sa'd te gaan; zijn kleed sleepte achter hem aan, maar hij bevond dat hij reeds was gestorven.
       Een onverdacht persoon vertelde mij op gezag van Hasan al-Basri: Sa'd was een gezette man geweest, maar toen de mensen hem ten grave droegen vonden ze hem licht. Enkele Halfhartigen zeiden: `Het was zo'n dikke man, en toch hebben we nog nooit zo'n lichte begrafenis gehad.' Toen de Profeet dat hoorde zei hij: 'Maar hij had nog andere dragers dan jullie! Bij Hem die Mohammeds leven in Zijn hand heeft: de engelen hebben zich verheugd om de ziel van Sa 'd en de Troon is om hem in beroering geweest.'
       Moe'aadz ibn Rifa'a heeft gehoord van Mahmoed ibn Abd ar-Rahmaan, en deze van Djabir ibn Abdallah: Toen Sa'd ibn Moe'aadz werd begraven zei de Profeet in ons bijzijn: 'God zij geprezen!' en iedereen zei hem dat na. Toen zei hij: `God is groot!' en ook dat zei iedereen hem na. Op hun vraag waarom hij dat gezegd had, antwoordde hij: `Het graf heeft deze goede mens omkneld, tot God hem ervan verlost heeft.'

       Naar verluidt heeft de Profeet, toen zijn mannen de gracht verlieten, gezegd: `Na dit jaar zal Koeraisj jullie niet neer aanvallen, maar zullen jullie hen aanvallen.' En zo is het ook gebeurd; het was de Profeet die hen aanviel, tot God Mekka in zijn macht gaf.

De expeditie tegen Moestalik
Top

Deze strooptocht was een van de vele kleine expedities tegen de stammen die langs de Mekkaanse karavaanroutes woonden. Deze stammen trachtte Mohammed uit de invloedssfeer van Mekka over te halen naar zijn eigen kamp. De plaats Muraysie', waar de clan Moestalik werd verslagen, ligt bij de Rode-Zeekust, dichtbij Mekka. Dat Mohammed daar de aanval waagde op deze bondgenoot van Koeraisj wijst erop dat zijn macht reeds aanzienlijk was gegroeid.
       In de teksten zijn twee hoofdmotieven te onderkennen:
        - De ontevredenheid van de Halfhartigen en hun leider Abdallah ibn Oebajj. Deze man, die voor Mohammeds komst de sterke man was in Medina, zag met lede ogen aan hoe de Koeraisjitische Emigranten succes na succes boekten. Volgens Ibn Ishaak dreigde na een kleine ruzie om een drinkplaats de rivaliteit tussen Emigranten en Helpers hoog op te laaien; en dat terwijl de sfeer al gespannen was doordat de pas bekeerde Hisjaam ibn Soebaba, die afkomstig was uit de omgeving van Mekka, per ongeluk door een Helper was gedood. Mohammed wist een uitbarsting te voorkomen door de mannen uit te putten op mars en door tactvol optreden jegens de oppositieleider.
       - Het huwelijk van de Profeet met Djoewairia, de dochter van het overwonnen stamhoofd, is een voorbeeld van een politieke verbintenis zoals hij er meer heeft gesloten. In plaats van de verslagenen uit te roeien of in de armen van de vijand te drijven, kon hij hen door het aangaan van bloedbanden voor zijn staat in Medina winnen.
       Interessant is, dat het bericht over dit huwelijk in de mond is gelegd van Mohammeds lievelingsvrouw A'isja. Dit bericht suggereert dat het huwelijk met Djoewairia pas na terugkeer in Medina is gesloten; elders lezen we dat het reeds te Moeraisie' was voltrokken. A'isja wordt door deze haar vijandige overlevering neergezet als een jaloerse vrouw, die bovendien aan deuren luistert. De hetze tegenhaar mocht echter niet te ver gaan en het gif wordt dan ook geneutraliseerd met een honingzoete slotzin. Deze haremgeschiedenis fungeert door zijn plaatsing vlak voor het verhaal `De grote leugen' als een subtiele inleiding daarop.

       In de maand sja'baan van het jaar 6 [627] ondernam de Profeet een expeditie tegen de clan Moestalik, die tot Choezaa'a behoort.
        Asim ibn Oemar, Abdallah ibn abi Bakr en Moehammad ibn Jahja hebben mij elk een deel van het volgende verhaal verteld: De Profeet vernam dat de clan Moestalik zich tegen hem verenigde, onder aanvoering van Harith ibn abi Diraar (de vader van Djoewairia, die later zijn vrouw werd). De Profeet rukte uit en trof hen aan bij Moeraisie', een van hun waterplaatsen, de kant van Koedaid op, bij de kust. Ze raakten slaags en God dreef Moestalik op de vlucht, doodde een aantal van hun mannen en gaf de Profeet hun zonen, vrouwen en eigendommen als buit in handen. Er werd een moslim gedood, iemand uit het geslacht Kalb ibn Auf; hij heette Hisjaam ibn Soebaba en hij werd getroffen door een Helper uit de groep van Oebada ibn Samit; deze dacht namelijk dat het een vijand was en doodde hem bij vergissing.
       Terwijl de Profeet daar bij die bron was, kwam er een aantal van zijn mannen drinken. Oemar had een betaalde knecht uit de stam Ghifaar, die Djahdjaah ibn Mas'oed heette. Toen deze Djahdjaah zijn paard naar het water leidde werd hij dwarsgezeten door Sinaan ibn Wabar, van Djoehaina, een bondgenoot van de stam Auf ibn Chazradj. Ze raakten in gevecht en de man van Djoehaina riep uit: 'Helpers, hierheen!' terwijl Djahdjaah riep: `Emigranten, te hulp!'
        Abdallah ibn Oebajj, de voorman van de Halfhartigen, was razend. Hij was in gezelschap van een paar stamgenoten, onder wie Zaid ibn Arkam, een jonge jongen, en hij zei: `Hebben ze dat echt gedaan? Zij nemen ons het leiderschap af en overvleugelen ons in ons eigen land! Ja, op die zwervers van Koeraisj is het spreekwoord wel van toepassing: Mest je hond vet en hij vreet je op! Bij God, als we terug zijn in Medina zullen we eens zien wie er de baas is; dan gaat de zwakste eruit!' Toen wendde hij zich tot zijn stamgenoten: `Het is jullie eigen schuld: jullie hebben hen je land laten bezetten en je eigendom met hen gedeeld. Bij God, als jullie je bezit voor jezelf hadden gehouden, dan waren ze ergens anders neergestreken!'
        Zaid ibn Arkam had dit alles aangehoord en hij meldde het aan de Profeet, toen deze met de vijand had afgerekend. Oemar zei dat hij iemand opdracht moest geven Abdallah te doden. Maar de Profeet zei: `En als de mensen dan zeggen dat Mohammed zijn gezellen doodt? Nee, geef liever het sein om op te breken.' Dat was op een uur waarop de Profeet gewoonlijk niet reisde, maar de mannen braken op zoals hun bevolen werd.
        Zodra Abdallah ibn Oebajj vernam dat Zaid zijn woorden had overgebriefd ging hij naar de Profeet en zwoer dat hij dat niet gezegd had. Hij stond zeer in aanzien bij zijn stam; daarom zeiden de Helpers die bij de Profeet waren: 'Misschien heeft de jongen zich vergist en niet goed onthouden wat hij gezegd heeft.' Zo namen ze Ibn Oebajj in bescherming, want ze waren erg op hem gesteld.
       Toen de Profeet op weg was gegaan kwam Oesaid ibn Hoedair naar hem toe, groette hem eerbiedig en zei: `Profeet Gods, u bent vertrokken op een ongunstig tijdstip; zoiets hebt u nog nooit gedaan? De Profeet antwoordde: `Heb je niet gehoord wat je vriend Abdallah heeft gezegd? Hij heeft beweerd dat, als hij in Medina terug is, de sterkste de zwakste eruit zal zetten.' Toen zei Oesaid: `Maar u zult hťm eruit zetten, als u wilt, want hij is de zwakste en u bent de sterkste!' en hij voegde eraan toe: `Maar wees toch vriendelijk voor hem, want God heeft u bij ons gebracht op een ogenblik dat zijn stam hem een kroon op het hoofd wilde zetten; in zijn ogen hebt u hem van een koninkrijk beroofd:
        Die dag joeg de Profeet zijn mannen voort, en ook de avond en de nacht daarop en de volgende dag, tot ze last kregen van de zon. Toen hield hij halt; zodra ze grond onder zich voelden vielen ze als een blok in slaap. Hij had hen zo opgejaagd om hun aandacht af te leiden van wat Abdallah ibn Oebajj de vorige dag had gezegd.
       De tocht werd voortgezet door de Hidjaaz en er werd halt gehouden bij een water genaamd Bak'aa', even boven Nakie'. Tijdens het volgende nachttraject stak er een harde wind op die de mannen hinderde en angst aanjoeg. De Profeet zei dat ze niet bang hoefden te zijn, want dat die wind de dood aankondigde van een van de grootste ongelovigen. In Medina aangekomen vernamen ze dat Rifa'a ibn Zaid die dag was gestorven, een aanzienlijke jood uit de stam Kainoekaa', die een toevlucht voor de Halfhartigen was geweest.
       De soera waarin God de Halfhartigen heeft vermeld [63], is geopenbaard naar aanleiding van Ibn Oebajj en zijn aanhangers. Toen deze was geopenbaard nam de Profeet Zaid ibn Arkam bij zijn oor en zei: 'Dit is de man die God trouw geweest is met zijn oren.'
       Ook Abdallah, de zoon van Abdallah ibn Oebajj, vernam wat zijn vader had gedaan. Asim ibn Oemar heeft mij verteld dat deze Abdallah bij de Profeet kwam en zei: `Profeet, ik heb gehoord dat u mijn vader wilt doden om zijn uitlatingen. Als het beslist moet, laat mij het dan doen en ik breng u zijn hoofd, want Chazradj weet dat niemand zoveel respect heeft voor zijn vader als ik, en ik hen bang dat ik, als u iemand anders opdraagt hem te doden, niet zal kunnen aanzien hoe de moordenaar hier levend rondloopt; dan zou ik die man dus doden, maar dan heb ik een gelovige gedood voor een ongelovige en kom ik in de hel.' De Profeet antwoordde echter: `Nee, we zullen hem vriendelijk bejegenen en tactvol met hem omgaan zolang hij nog onder ons is'
       Als er daarna iets voorviel was het zelfs zo dat Abdallah ibn Oebajj door zijn eigen mensen werd terechtgewezen. Toen de Profeet dat hoorde zei hij tegen Oemar: 'Wel Oemar, wat zeg je ervan? Als ik hem had laten doden toen jij dat zei, zouden ze razend geweest zijn. En nu zou ik zijn eigen mensen kunnen bevelen hem te doden en ze zouden het doen!' Oemar zei: `Ja, nu weet ik dat het bevel van de Profeet meer gezegend is dan het mijne.'
        Van Moestalik sneuvelden er in die slag een paar man. Ali doodde er twee: Malik en zijn zoon. Abd ar-Rahmaan ibn Auf doodde een ruiter, die Ahmar of Oehaimir heette. Er waren talrijke krijgsgevangenen, die onder de moslims werden verdeeld; onder hen was ook Djoewairia bint Harith, die de vrouw van de Profeet werd.
       Moehammad ibn Dja'far ibn Zoebair, van Oerwa, van A'isja: Bij de verdeling van de krijgsgevangenen uit de clan Moestalik viel Djoewairia toe aan Thabit ibn Kais, of een neef van hem, maar zij wilde zich van hem vrijkopen. Zij was een bijzonder aantrekkelijke vrouw, die een diepe indruk maakte op iedere man die haar te zien kreeg. Zij kwam de Profeet om hulp vragen over het contract. Zodra ik haar aan mijn deur zag staan had ik een hekel aan haar, want ik begreep dat hij haar zou zien zoals ik haar zag. Ze ging naar binnen en zei: `Ik ben Djoewairia, de dochter van Harith ibn abi Diraar, de hoofdman van de stam. U weet welk ellendig lot mij heeft getroffen. Ik ben toegevallen aan Thabit ibn Kais (of: zijn neef) en ik wil mij vrijkopen; nu kom ik u om hulp vragen over het contract.'
        'Voel je niet voor iets beters?' vroeg hij.
       `Wat dan?'
       `Ik betaal je losgeld en trouw met je.'
       Dat accepteerde ze. Zodra het nieuws dat de Profeet met haar getrouwd was bekend werd, lieten de moslims hun gevangenen uit Moestalik vrij, nu die familie van de Profeet geworden waren. Doordat hij met haar trouwde, werden er honderd gezinnen vrijgelaten. Ik ken geen vrouw die een grotere zegen voor haar stam is geweest dan zij.

De grote leugen over A'isja
Top

Nadat Mohammeds eerste vrouw Chadiedja gestorven was, is de Profeet nog meermalen in het huwelijk getreden. Zijn meest geliefde echtgenote was A'isja. Zij was de dochter van Aboe Bakr, een van de belangrijkste vroege bekeerlingen, die Mohammed tot grote steun is geweest. De relaties tussen de beide mannen werden door dit huwelijk nauwer aangehaald.
       A'isja was zes jaar oud toen zij aan Mohammed ten huwelijk werd gegeven. Het huwelijk is voltrokken toen zij negen of tien jaar oud was, enige maanden na de hidzjra naar Medina. De overlevering wil dat de bruid op de grote dag juist op de schommel zat: haar moeder kwam haar halen, fatsoeneerde haar gezicht nog een beetje en bracht haar naar haar man. De poppen gingen mee. A'isja was achttien jaar toen Mohammed stierf; als vrouw van de Profeet mocht zij niet hertrouwen. Kinderen had zij niet. Pas laat in haar leven werd zij politiek actief; zij speelde een belangrijke rol in het verzet tegen Oethmaan, de derde kalief (644-656). Met het kalifaat van Ali (656-660) kon zij zich echter ook niet verenigen; met Talha en Zoebair trok zij tegen hem te velde, maar werd verslagen in de zogenaamde `Slag van de Kameel'. A'isja leefde teruggetrokken in Medina tot zij in 678 stierf.
        In de tijd van de `grote leugen' moet A'isja ongeveer vijftien jaar geweest zijn. Volgens het verhaal is er het volgende voorgevallen: op de terugtocht van de expeditie tegen Moestalik was de karavaan door een misverstand van een halteplaats verder getrokken zonder A'isja. Safwaan ibn Moe'attal vond haar en bracht haar in alle eer en deugd terug bij de karavaan, die zij echter pas de volgende ochtend bereikten. Over de tussenliggende nacht staken dadelijk boosaardige geruchten de kop op. De genegenheid van de Profeet jegens A'isja verkoelde aanzienlijk. Een onderzoek leverde echter niets in haar nadeel op. Wel uitte Ali zich daarbij in voor haar ongunstige zin. Ten slotte openbaarde God enige koranverzen waarin de lasteraars het zwijgen wordt opgelegd en A'isja's onschuld wordt vastgesteld.
       Wil het verhaal A'isja's reputatie schoonwassen of juist niet? De jongemeisjestoon is iets te lief; de aangevoerde verklaringen en excuses zijn al te nadrukkelijk; het is wel erg toevallig dat A'isja na het incident juist ziek werd en er helemaal niets over hoorde; en waarom moeten wij ten slotte nog vernemen dat Safwaan impotent was? Wat er ook is voorgevallen, de episode kon niet in de doofpot verdwijnen, omdat zij telkens weer ter sprake kwam bij de uitleg van de met het incident verbonden koranverzen. Misschien heeft men daarbij, in een al te grote ijver om A'isja's onschuld te bewijzen, welhaast het omgekeerde effect bereikt.
       Opvallend is dat de eerste helft van het verhaal vrij is van toespelingen op de koran, de tweede daarentegen daarvan geheel doortrokken. Soera `Het licht' [24] is de soera die bij dit verhaal hoort. De verzen 11-15 en 22 worden uitdrukkelijk uitgewerkt, maar op de achtergrond speelt ook vers 5 mee, over de betichting van overspel.
        Een neventhema in dit verhaal is de interne onenigheid onder de bewoners van Medina: de Halfhartigen grijpen hun kans onrust te stoken; Aus en Chazradj raken bijna slaags. Dit sluit aan bij het bericht over de expeditie tegen Moestalik.

       Az-Zoehri heeft het volgende verhaal van A'isja samengesteld uit overleveringen van Alkama ibn Wakkaas, van Sa'ied ibn Djoebair en van Oebaidallah ibn Abdallah. Zij hebben hem allemaal een deel van het verhaal verteld; de een had er meer van onthouden dan de ander, en az-Zoehri heeft samengevat wat zij hebben meegedeeld.
       Ook Jahja ibn Abbaad en Abdallah ibn abi Bakr vertellen dit, op gezag van A'isja zelf, de eerste via zijn vader, de laatste via Amra bint Abd ar-Rahmaan. Het verhaal in zijn geheel is dus afkomstig van al deze personen, en allemaal zijn het betrouwbare zegslieden van hetgeen zij uit A'isja's eigen mond hebben gehoord.
       Haar verhaal luidt dan als volgt: Als de Profeet een tocht wilde ondernemen lootte hij altijd onder zijn vrouwen welke hij mee zou nemen. Dat deed hij ook bij de expeditie tegen Moestalik. Het lot viel op mij, dus de Profeet nam mij mee. Bij zulke gelegenheden aten de vrouwen maar net genoeg om in leven te blijven en propten zich niet vol met vlees, want dan zouden ze te zwaar worden. Als mijn kameel werd gezadeld zat ik meestal al in mijn draagstoel; dan kwamen de mannen die hem moesten zadelen: ze pakten de draagstoel van onderen vast en tilden hem op, ze zetten hem op de rug van de kameel en bonden hem vast met de touwen. Dan namen ze de kameel bij de teugel en gingen op weg. Welnu, na deze tocht hield de Profeet op de terugweg ergens halt, al vrij dicht bij Medina, waar wij een deel van de nacht doorbrachten. Daarna liet hij het sein tot vertrek geven en de reis werd voortgezet. Ik was juist even uitgestapt om mijn behoefte te doen. Om mijn hals had ik een ketting van onyx uit Zafar, en toen ik klaar was, was deze van mijn hals gegleden zonder dat ik er erg in had; teruggekomen bij het kamp voelde ik ernaar, maar hij was er niet meer. Intussen was de troep al aan het opbreken. Ik ging terug naar de plaats waar ik was geweest om die ketting te zoeken, en daar vond ik hem inderdaad. Maar de mannen die mijn kameel moesten zadelen hadden dat al gedaan; ze hadden de draagstoel gepakt in de veronderstelling dat ik erin zat, als altijd; ze hadden hem opgetild en op de kameel gebonden omdat ze er niet aan twijfelden dat ik erin zat, en vervolgens waren ze vertrokken. Toen ik terugkwam bij het kamp was er geen levende ziel meer te bekennen: iedereen was al weg.
       lk hulde mij dus maar in mijn gewaad en ging liggen op diezelfde plaats, want ik begreep dat ze wel terug zouden komen zodra ik gemist werd. Nauwelijks lag ik daar of Safwaan ibn Moe'attal uit de stam Soelaim kwam voorbij; hij was achtergebleven voor het een of ander en had niet in het kamp overnacht. Hij zag mijn gestalte, kwam dichterbij en bleef vlakbij mij staan. Nu had hij mij vroeger wel gezien, in de tijd dat we ons nog niet hoefden te sluieren, dus toen hij mij daar aantrof riep hij in opperste verbazing: 'De vrouw van de Profeet!' hoewel ik helemaal in mijn gewaad gehuld lag. Hij vroeg waarom ik was achtergebleven, maar ik sprak niet tegen hem. Daarop haalde hij zijn kameel en zei dat ik daar op moest gaan zitten. Terwijl ik opsteeg hield hij zich op een afstand; hij nam de kameel bij de teugel en ging snel de troep achterna, maar we haalden hen pas 's ochtends in en niemand had mij nog gemist. De mannen hadden halt gehouden en terwijl ze aan het rusten waren zagen ze de man verschijnen die mij terugbracht. Toen begonnen de leugenaars al meteen die praatjes te verspreiden, zodat het kamp in rep en roer geraakte, maar daar wist ik volstrekt niets van. Dadelijk na onze terugkeer in Medina werd ik namelijk ernstig ziek, zodat ik niets over de zaak hoorde. Het gerucht was wel tot de Profeet en mijn ouders doorgedrongen, maar zij repten er tegen mij met geen woord over. Alleen was de Profeet niet zo aardig tegen me; want als ik ziek was had hij altijd zo met mij te doen en was hij heel aardig tegen me, maar deze keer was hij dat niet en dat vond ik wel erg. Als hij op bezoek kwam, vroeg hij alleen maar aan mijn moeder, die mij verzorgde: `Hoe is het met haar?' Dat was alles, en daar tobde ik over. Omdat hij zo bars tegen me deed, vroeg ik of het goed was dat ik naar mijn moeder overgebracht werd, zodat die me kon verplegen. `Je doet maar,' zei hij. Ik werd dus naar mijn moeder overgebracht, en nog steeds wist ik volstrekt niet wat er aan de hand was, tot ik weer beter was, ruim drie weken later. Nu waren wij Arabische mensen en we hadden niet zulke privaten in onze huizen als buitenlanders hebben; daar hadden wij een grote hekel aan. Wij gingen altijd naar de open plaatsen van Medina; elke avond gingen de vrouwen daar hun behoefte doen. Op een avond ging ik met Oemm Mistah uit het geslacht Abd Manaaf; die een tante van mijn vader was. Terwijl ze met mij opliep struikelde ze over haar gewaad en riep uit: 'Laat Mistah doodvallen!' Ik zei: `Dat is wel lelijk gezegd over een man uit de Emigranten die bij Badr heeft gevochten!' Ze zei: `Heb je het nieuws dan nog niet gehoord?' en toen ik zei van niet, vertelde ze me welke praatjes de leugenaars rondstrooiden. 'Dat was het dus!' riep ik, en ze zei: 'Ja waarachtig, zo is het.' Toen kon ik mijn behoefte niet meer doen; ik ging terug en o, wat heb ik gehuild! Ik dacht dat mijn lever zou barsten. Tegen mijn moeder zei ik: `God vergeve het u, de mensen roddelen over mij en u vertelt me dat niet eens!' Zij troostte mij:`Kindje, trek het je niet zo aan! Want heus, als een vrouw mooi is en haar man houdt van haar, dan hebben zijn andere vrouwen altijd van alles over haar te vertellen, en de andere mensen net zo goed.'
        Intussen had de Profeet de mensen toegesproken, buiten mij weten, en hij had gezegd, na God te hebben geprezen: `Waarom vallen sommige mensen mij lastig over mijn gezin en verspreiden praatjes die niet waar zijn? lk weet werkelijk niets dan goeds van hen, en van de man over wie ze dat zeggen net zo: als hij in een van mijn huizen komt doet hij dat alleen in mijn gezelschap.'
       De grootste boosdoeners waren Abdallah ibn Oebajj, uit Chazradj, en Mistah en Hamna bint Djahsj; deze laatste omdat haar zuster Zainab niet de Profeet getrouwd was en de enige van zijn vrouwen was die een echte mededingster voor mij was. Zainab zelf werd door God beschermd, door haar geloof, zij sprak geen onvertogen woord, maar Hamna strooide allerlei praatjes rond en werkte mij tegen met het oog op haar zuster, en daar had ik veel van te lijden.
        Nadat de Profeet zo gesproken had zei Oesaid ibn Hoedair: `Profeet, als het mannen van Aus zijn, laten wij u dan van hen afhelpen, en als ze tot onze broeders uit Chazradj behoren, hoeft u ons maar te bevelen, want zij moeten zeker onthoofd worden.' Toen stond Sa'd ibn Oebada op, die daarvoor altijd was beschouwd als een fatsoenlijk man, en zei: `God almachtig, je liegt! We onthoofden ze niet! Jij zou dat heus niet gezegd hebben als je niet wist dat het Chazradjieten waren; als ze tot jouw stam hadden behoord had je het niet gezegd!' `Je liegt zelf!' zei Oesaid, 'want jij bent een huichelaar die het opneemt voor de Halfhartigen!' De mannen namen al een dreigende houding aan en het had niet veel gescheeld of die twee stammen, Aus en Chazradj, waren elkaar aangevlogen.
       Daarop kwam de Profeet bij mij op bezoek. Hij ontbood Ali en Oesama ibn Zaid en vroeg hen om raad. Oesama sprak waarderende woorden over mij en zei verder: `Profeet, het gaat om uw familie en wij weten niets dan goeds van hen. Dit is onzinnige leugenpraat.' Maar Ali zei: `Profeet, er zijn zoveel vrouwen, u kunt gemakkelijk een andere nemen. Vraag het maar eens aan de slavin, die zal de waarheid wel vertellen.' De Profeet riep dus Bariera om haar te ondervragen. Ali gaf haar een paar harde klappen en zei: `Vertel de Profeet de waarheid!' `Ik heb over A'isja niets kwaads te zeggen,' zei ze, `behalve dat ze, als ik deeg heb gekneed en haar zeg dat ze er even op moet letten, soms in slaap valt; dan komt het schaap en eet het op.'
        Daarop kwam de Profeet mijn kamer binnen, waar mijn ouders ook waren en nog een vrouw van de Helpers die met mij zat te huilen. Hij ging zitten en zei, na God te hebben geprezen: `A'isja, je weet wat de mensen van je zeggen. Vrees God, en als je een misstap hebt begaan, zoals de mensen zeggen, toon God dan berouw, want Hij neemt van de mens berouw aan.' Zodra hij dat zei voelde ik geen tranen meer. Ik verwachtte dat mijn ouders de Profeet antwoord zouden geven, maar zij zeiden niets. Bij God, ik vond mijzelf zo onbelangrijk dat ik er niet eens aan dacht dat God koranverzen over mij zou openbaren, die in de moskeeŽn gelezen zouden worden en gezegd bij de salaat, maar ik hoopte wel dat de Profeet in zijn droom iets zou zien, of dat God hem iets zou laten weten dat mij van de blaam zou zuiveren, want Hij wist dat ik onschuldig was; maar een koranvers, nee, daarvoor vond ik mijzelf te min. Ik merkte dat mijn ouders niets zeiden en vroeg waarom ze de Profeet geen antwoord wilden geven. Zij zeiden dat ze werkelijk niet wisten wat ze moesten antwoorden. Bij God, ik ken geen huisgezin dat zoveel heeft doorgemaakt als dat van Aboe Bakr in die tijd. Toen ze maar zaten te zwijgen voelde ik mijn tranen weer opkomen en zei: `Nooit zal ik God hierover berouw tonen. Ik weet, als ik beken wat de mensen van mij zeggen - terwijl God weet dat ik onschuldig ben - dat ik dan iets zeg dat niet waar is, en als ik het ontken geloven jullie me niet.' Ik probeerde mij de naam van Ja'koeb te herinneren, maar ik kon er niet op komen; daarom zei ik maar: `Ik zal antwoorden zoals de vader van Joesoef: Dus mooi geduld oefenen, en God is het wiens hulp wordt ingeroepen tegen jullie gepraat.' [12:18]
        De Profeet was nog niet opgestaan of er kwam een openbaring, op de gewone wijze. Hij werd in zijn gewaad gehuld en onder zijn hoofd werd een leren kussen gelegd. Ik was niet bang en maakte mij helemaal geen zorgen, want ik wist dat ik onschuldig was en dat God mij niet onrechtvaardig zou behandelen, maar mijn ouders, nee werkelijk, zodra de Profeet weer tot zichzelf kwam dacht ik dat ze ter plaatse dood zouden blijven, zo bang waren ze dat God die leugen zou bevestigen. De Profeet ging overeind zitten; het zweet parelde van zijn gezicht, als regendruppels op een winterdag. Terwijl hij zijn voorhoofd afwiste zei hij: `Goed nieuws, A'isja! God heeft je onschuld geopenbaard!' `God zij dank,' zei ik.
        Toen ging hij naar buiten om de mensen toe te spreken en de koranverzen te reciteren die God geopenbaard had, en Mistah ibn Oethatha, Hassaan ibn Thabit en Hamna bint Djahsj, die het meest schaamteloos de leugen hadden verbreid, liet hij het voorgeschreven aantal geselslagen geven.
        In de koranpassage over de lasteraars die de leugenaars naspraken spreekt God: Zij die de leugen hebben verbreid zijn slechts een kleine groep onder u. Beschouwt het niet als iets slechts voor u, neen, het is juist iets goeds. Ieder van hen wordt de zonde die hij begaan heeft aangerekend, maar de grootste boosdoener wacht een ontzaglijke straf. [24:11] Daarmee bedoelde God Hassaan ibn Thabit en zijn vrienden die die praatjes verkondigden. Voorts sprak Hij: Hadden de gelovige mannen en vrouwen, toen jullie het hoorden, maar iets goeds bij zich zelf, gedacht. [...] Toen jullie elkaar napraatten en oppervlakkig spraken over iets waarover jullie niets wisten, en dat jullie onbelangrijk vonden, terwijl het toch bij God zwaar weegt. [24:12-15]
       Toen dit werd geopenbaard over A'isja en de lasteraars zei Aboe Bakr, die Mistah altijd een toelage gaf, omdat hij een arme verwant van hem was: `Nooit zal ik die Mistah meer iets geven, en nooit zal ik hem meer ergens mee helpen, na alles wat hij over A'isja heeft gezegd en wat hij ons heeft aangedaan.' Daarover heeft God geopenbaard: Zij die het goed en ruim hebben mogen niet zweren dat zij hun verwanten, de armen en de emigranten op de weg Gods, niets meer zullen geven. Zij moeten juist vergeven en door de vingers zien. Wilt u ook niet dat God u vergeeft? God is vergevend en genaderijk. [24:22]
        Daarop zei Aboe Bakr: 'Ja, ik wil dat God snij vergeeft.' Dus gaf hij Mistah voortaan weer zijn toelage als tevoren en beloofde hem nooit meer te zullen intrekken.
       A'isja heeft ook nog gezegd: Er werden vragen gesteld over Ibn Moe'attal en men ontdekte dat het een impotente man was, die nooit een vrouw aanraakte. Later vond hij de dood als martelaar.

Marjam Egyptische slavenmeisje, Mohammed nam haar als concubine
Top

Dat jaar kende evenwel ťťn grote persoonlijk vreugde voor Mohammed. Er wordt gezegd dat de moekaukis van Egypte Mohammed een prachtig Egyptisch slavenmeisje met krullend haar had gezonden, een Koptische christin met de naam Marjam, en Mohammed nam haar als concubine. Hij bezocht haar dagelijks en bracht steeds meer tijd met haar door, waarschijnlijk omdat het hem opluchtte dat hij zo de jaloerse atmosfeer van de harem kon ontsnappen. Niemand zal dit vreemd hebben gevonden. De thora had voorzieningen getroffen voor het concubinaat toen de IsraŽlieten in een vergelijkbaar stadium van overgang van het nomadische naar het sedentaire leven verkeerden. Abraham zelf had Hagar als zijn concubine genomen en Isma'iel, de vader van de Arabieren, was het kind uit deze relatie geweest. Daarom moet het een teken van genade hebben geleken toen Marjam zwanger werd, en toen het jaar daarop zijn zoon werd geboren, noemde Mohammed hem Ibrahiem.
       Maar zoals te verwachten viel waren zijn vrouwen uiterst jaloers op de kleine niemand die het kind van de Profeet droeg. Aisja en Hafsa brachten de harem in rep en roer. Het is moeilijk dit vreemde incident te begrijpen, dat een grote crisis veroorzaakte en waar wellicht meer achter zat. In zijn overgeleverde vorm is het verhaal afkomstig van Oemar, die militante opvattingen over vrouwen koesterde; hij geloofde dat je ze moest zien en niet horen en vond dat de vrouwen van de Emigranten de slechte gewoonten van de vrouwen van Medina overnamen. Mohammed was evenwel veel zachtaardiger en toegeeflijker tegenover zijn vrouwen. Op een dag was Oemar geschokt door het heidense lawaai dat hij uit de vertrekken van de Profeet hoorde komen. De vrouwen kibbelden over een of ander voorwerp dat als oorlogsbuit was verworven en stonden erop dat Mohammed een groter deel aan zijn eigen gezin zou geven dan aan de rest van de oemma. Oemar riep Mohammed en vroeg zijn toestemming binnen te komen. Onmiddellijk viel er een stilte. Toen hij binnenkwam, trof hij de Profeet hulpeloos lachend aan: zodra ze Oemars stem hadden gehoord, hadden de vrouwen zich doodsbenauwd verscholen achter de hidjaab. Oemar merkte streng op dat het beter zou zijn als de vrouwen net zoveel respect zouden tonen voor de Profeet en schreeuwde naar de vrouwen die achter het gordijn in elkaar gedoken zaten: Jullie, vijanden van jezelf, zijn jullie bang voor mij en niet voor de Gezant van God?' Absoluut,' antwoordde een van de vrouwen, `want jij bent ruwer en hardvochtiger dan de Gezant van God.'
       Oemar was al bezorgd geweest dat zijn dochter Hafsa niet meer in de hand te houden was en hij zei haar dat ze haar jaloezie moest intomen en bijvoorbeeld moest accepteren dat ze niet zo aantrekkelijk was als A'isja. Maar Hafsa was zo razend geworden over Marjam dat Mohammed op zeker moment had beloofd dat hij haar niet meer zou zien, maar vervolgens merkte ze dat er niets veranderde. Opgestookt door Aisja en Hafsa sneerden de vrouwen triomfantelijk naar Marjam en bleven ze onderling kibbelen en ruziŽn. Uiteindelijk werd de atmosfeer zo onaangenaam dat Mohammed zich een maandlang terugtrok van zijn vrouwen.
        Maar zoals bij de meeste van deze haremverhalen lijkt het erop dat deze ruzie een probleem in de rest van de oemma weerspiegelde. Na de overwinning van Chaibar genoten de moslims een nieuwe welvaart. Aisja zei dat ze vůůr Chaibar niet had geweten wat het was om naar hartelust dadels te eten. Maar de nieuwe rijkdom creŽerde ook problemen. Sommige boeren deden maar al te graag wat rustiger aan om het ervan te nemen, anderen begonnen te konkelen om een groter deel van de buit te krijgen die binnenkwam van de veldtochten. En het schijnt dat Mohammeds eigen gezin bijzondere geschenken begon te vragen die naar de armen hadden moeten gaan. Mohammed maakte zich grote zorgen over de moreel verzwakkende effecten van de welvaart, vooral in de harem. Deze zaak komt naar voren in Oemars versie van het verhaal van Mohammeds scheiding van zijn vrouwen. Alle moslims waren onthutst over het bericht dat Mohammed zich uit de harem had teruggetrokken. Niemand kon ergens anders over praten en buiten de moskee verzamelde zich een menigte die zenuwachtig naar het kleine dakkamertje keek waar Mohammed alleen verbleef. Oemar herinnert zich dat iemand met het nieuws naar zijn huis was komen rennen en zo hard op de deur had gebonsd dat hij had gedacht dat de noordelijke stammen ten langen leste de stad waren komen belegeren. Het was nog erger dan dat, schreeuwde de bezoeker: Mohammed heeft al zijn vrouwen weggedaan!
       Dit was meer dan een huiselijke crisis. De huwelijken van Mohammed waren politieke allianties die zorgvuldig waren gepland. Zijn relatie met Aboe Bakr en Oemar had averij kunnen oplopen als hij van hun dochters zou scheiden. Nu kwam alles in gevaar vanwege de kibbelarijen van een paar vrouwen. De agitatie kan ook zijn veroorzaakt door interne conflicten in Medina die de vrouwen van Mohammed raaten, maar waarover we niets weten. Oemar stormde meteen naar de moskee om te zien wat hij kon doen, maar aanvankelijk weigerde Mohammed hem te woord te staan. Oemar herinnerde zich hoe hij, toen hij eindelijk werd binnengelaten, rondkeek in het armzalige kleine kamertje dat slechts een drietal ongelooide huiden bevatte. Mohammed lag somber op een mat, zonder ook maar een deken, en het patroon van de biezen was op zijn wang te zien. Zeer tot zijn opluchting vernam Oemar dat Mohammed niet van zijn vrouwen zou scheiden en geleidelijk wist hij een glimlach op het gelaat van de Profeet te toveren door hem enkele verhalen te vertellen over zijn eigen moeilijkheden met de vrouwen sinds ze allemaal naar Medina waren geŽmigreerd, waar de mannen niet in staat leken hun vrouwen onder de duim te houden. Toen de Profeet zich eindelijk ontspande, ging Oemar naast hem op de grond zitten en vroeg waarom in 's hemelsnaam Allah zijn gezant niet enig huiselijk comfort kon bieden. Tenslotte leefden de keizers van Byzantium en PerziŽ in extreme weelde. Maar Mohammed berispte hem: ze hadden hun geluk in deze wereld gehad.
       Het is voor ons vandaag de dag een moeilijk verhaal. Het heeft zoveel elementen van onaanvaardbaar chauvinisme. Het gaat wellicht meer over het groeiende materialisme in de oemma dan over seksuele jaloezie. Mohammed bleef een maand lang bij zijn vrouwen weg en stelde ze voor de keus: ze konden ofwel zijn voorwaarden accepteren en een fatsoenlijk islamitisch leven leiden ofwel hij zou op gunstige voorwaarden van hen scheiden. Het is vermeldenswaard dat er in de Verzen van de Keuze, zoals ze worden genoemd, niets wordt gezegd over Marjam of over de jaloersheid van de vrouwen; in plaats daarvan ligt de nadruk op de houding tegenover luxe en materiŽle goederen:

       O profeet, zeg tot jouw echtgenotes:
        Als jullie het tegenwoordige leven en zijn praal zouden wensen,
       komt dan, dan zal ik jullie gebruiksgoederen geven
        en jullie op een vriendelijke manier wegzenden.
       Maar als jullie God, Zijn gezant en de laatste woning wensen,
       dan heeft God voor haar onder jullie die goed doen
        een geweldig loon klaargemaakt.' [33:28-29]

       De vrouwen stemden met deze voorwaarden in en vanaf dat moment werden de vrouwen van de Profeet zelfs nog belangrijker voor de oemma. De koran gaf hun de titel `de Moeders van de Gelovigen' en beval dat ze na Mohammeds dood niet opnieuw zouden trouwen, niet omdat hij jaloers was op toekomstige echtgenoten, maar omdat dergelijke huwelijken dynastieŽn en intriges konden voortbrengen die de oemma zouden opsplitsen.
       Inderdaad geeft de koran onmiddellijk na de Verzen van de Keuze een veel positiever beeld van de verhoudingen tussen de seksen in de oemma, door te laten zien hoe mannen en vrouwen de rechten en plichten van de islam delen, zij aan zij in een egalitaire samenleving:

       De mannen en vrouwen die zich (aan God) hebben overgegeven,
       de gelovige mannen en vrouwen,
        de onderdanige mannen en vrouwen,
       de oprechte mannen en vrouwen,
        de geduldig volhardende mannen en vrouwen,
       de deemoedige mannen en vrouwen,
        de mannen en vrouwen die aalmoezen geven,
       de mannen en vrouwen die vasten,
        de mannen en vrouwen die hun schaamstreek kuis bedekt houden,
       de mannen en vrouwen die God veel gedenken,
        voor hen heeft God vergeving en een geweldig loon klaargemaakt. [33:35]

       Later zijn de moslims misschien soms afgeweken van deze koranische visie op gelijkheid, maar westerse feministen die tegen de islam uitvaren om zijn vrouwenhaat, moeten zich realiseren dat ook de christelijke traditie uiterst negatief tegenover vrouwen is geweest. Het Nieuwe Testament geeft vrouwen in het algemeen een positieve boodschap, maar door de eeuwen heen is het evangelie allesbehalve goed nieuws geweest voor `de tweede sekse'. De christelijke vrouwenhaat was vreemd neurotisch, omdat hij was gebaseerd op een verwerping van de seksualiteit, iets wat uniek is onder de wereldreligies en zeker vreemd aan het jodendom of de islam. Het is niet fair Mohammed en de islam af te keuren om hun vrouwenhaat. Dat moslimvrouwen vandaag enkele vrijheden afwijzen die wij hun menen te hebben aangeboden, heeft niets te maken met verdorvenheid maar met de verwarde westerse visie op vrouwen en de relaties tussen de seksen. We prediken gelijkheid en bevrijding, maar tegelijkertijd worden vrouwen uitgebuit en neergehaald in advertenties, pornografie en veel populair vertier op een wijze die moslims vreemd en beledigend vinden.
       Onvermijdelijk horen we meer over de spanningen en kliekvorming onder de vrouwen van Mohammed dan over het dagelijks leven in de harem, maar het zou onjuist zijn te veronderstellen dat liefde of geluk daar niet voorkwamen. Toen Mohammed de Verzen van de Keuze aan A'isja reciteerde, had hij haar gezegd dat ze goed moest nadenken voor ze haar beslissing nam; hij adviseerde haar haar ouders om hun mening te vragen. Maar A'isja wuifde deze suggestie weg. Ze hoefde niet eens te denken: ze koos voor Allah en zijn Gezant. Ze was uiterst jaloers en bespioneerde Mohammed soms om zich ervan te vergewissen dat hij niet met andere vrouwen omging. De zwangerschap van Marjam moet bijzonder pijnlijk voor haar zijn geweest: alle andere vrouwen hadden van hun vorige echtgenoten kinderen gehad, maar A'isja was kinderloos. Er is een aandoenlijk verhaal waarin zij Mohammed vraagt haar een koenja te geven, zoals de anderen. Hij gaf haar de koenja Oemm Abdallah, omdat ze een bijzondere relatie had met haar neefje dat zo heette. Maar het zou verkeerd zijn te veronderstellen dat haar leven ondraaglijk ongelukkig was. Mohammed was een inschikkelijk echtgenoot: hij was veel aardiger voor haar dan haar vader was geweest: van Aboe Bakr is bekend dat hij zijn dochter sloeg. Hij stond er weliswaar op dat zijn vrouwen sober leefden, maar A'isja vertelt ons dat Mohammed hen altijd hielp met huishoudelijke karweitjes en alles zelf deed: hij repareerde zijn kleren, lapte zijn eigen schoenen en zorgde voor de geiten. Hij probeerde zijn moslims op te voeden tot een meer respectvolle houding tegenover vrouwen en het feit dat deze tradities zijn bewaard in een tijd dat de meeste mensen in de meeste religies het schokkend moeten hebben gevonden dat een groot profeet zich met de huishouding bezighield, toont aan dat zijn boodschap overkwam, ook al vonden moslims als Aboe Bakr en Oemar het onmogelijk hun gewoontes te veranderen.

Het verdrag van Hoedaibia
Top

Hoedaibia ligt op de grens van het gewijde gebied van Mekka, op een dagreis afstand van de stad. Binnen dat gewijde gebied heerste in bepaalde maanden godsvrede. Koeraisj had Mohammed daar niet mogen aanvallen en zag zich dus genoodzaakt met een leger de stad uit te trekken en de haar getrouwe nomaden te mobiliseren. Mohammed wilde gebruik maken van het recht van iedere Arabier om een ritueel bezoek aan het heiligdom van Mekka te brengen. Hoopte hij daarbij de stad te veroveren? Sommige gezellen waren wel teleurgesteld toen het daar niet van kwam. Wellicht wilde de Profeet alleen de mogelijkheden peilen, of Koeraisj irriteren met wat vlagvertoon in haar eigen stad; misschien ook was het zijn vooropgezette doel een gunstig verdrag te sluiten. Hij heeft gekozen voor een klein ritueel bezoek aan het heiligdom (oemra) en niet voor een grote bedevaart (hadj), gedurende welke de stad vol was met bezoekers uit alle windstreken. Had Mohammed tijdens de grote bedevaart acte de prťsence gegeven, dan was Koeraisj al te diep vernederd en hadden de onderhandelingen nog minder kans van slagen gehad.
       Gedurende de maanden ramadan en sjawwaal van het jaar 6 [628] bleef de Profeet in Medina. In dzoe al-ka'da ging hij op weg om het heiligdom van Mekka met een bezoek te eren, zonder oorlogszuchtige bedoelingen. De nomaden uit de omgeving spoorde hij aan om mee te gaan, omdat hij bang was dat Koeraisj hem met wapengeweld tegemoet zou treden of hem de toegang tot het heiligdom zou weigeren, wat zij inderdaad deden. Vele nomaden aarzelden echter, en de Profeet vertrok met de Emigranten, de Helpers en de paar bedoeÔenen die zich bij hem hadden aangesloten. Hij nam offerdieren mee en nam de gewijde staat aan voor het bezoek aan het heiligdom, zodat iedereen kon zien dat hij vredelievende bedoelingen had en alleen was gekomen om het heiligdom met een bezoek te eren.
       Az-Zoehri heeft gehoord van Oerwa, die zich beriep op Miswar ibn Machrama en Marwaan ibn Hakam: In het jaar van Hoedaibia trok de Profeet uit om het heiligdom te bezoeken en niet om te vechten. Hij nam zeventig kamelen mee als offerdieren. Omdat er zevenhonderd mannen meegingen was er dus een kameel op tien man. (Djabir ibn Abdallah zou hebben gezegd: Wij, de mannen van Hoedaibia, waren met veertienhonderd.) Onderweg in Oesfaan kwam Bisjr ibn Soefjaan uit de stam Ka'b naar hem toe en zei: `Profeet, de Koeraisjieten hebben gehoord dat u eraan komt; in luipaardvellen gekleed zijn zij uitgerukt, met vrouwen en kinderen en al, en ze hebben kamp opgeslagen in Dzoe Toewa. Zij hebben gezworen dat u nooit tegen hun wil Mekka zult binnenkomen. Chalid ibn Walied voert hun ruiterij aan, die ze vooruit hebben gestuurd naar Koeraa' al-Ghamiem.' Hierop zei de Profeet: 'Ach Koeraisj! Zij worden door oorlogsgedachten verteerd. Waarom hebben ze mij niet aan de andere Arabieren overgelaten? Als die mij hadden verpletterd, hadden ze tevreden kunnen zijn, en als God mij had laten winnen zouden ze in drommen overgaan tot de islam, maar nu ze dat niet doen vechten ze tot hun laatste krachten. Wat halen die Koeraisjieten in hun hoofd? Ik vecht net zo lang voor Gods zaak tot Hij mij de overwinning geeft of het mij de kop kost.' Verder zei hij: 'Wie weet er een andere weg, zodat we hen niet tegenkomen?' Er meldde zich een man uit Aslam, die hen langs een rotsachtig, moeilijk begaanbaar pad door de ravijnen leidde.
        De Profeet zei dat ze naar rechts moesten, door de zoutgronden, over de weg die hen over de Moeraar-pas zou voeren naar de laagte van Hoedaibia, onder Mekka. Dat deden ze, en toen de ruiterij van Koeraisj aan de stofwolken zag dat het leger van de gewone weg afweek, reden ze in galop terug.
        Bij de Moeraar-pas knielde de kameel van de Profeet. 'Hij wil niet. verder,' zeiden de mensen. 'Nee,' zei de Profeet, 'dat is het niet, zoiets ligt niet in zijn aard, maar het dier wordt tegengehouden door Hem die de olifant heeft weggehouden van Mekka. Als Koeraisj mij vandaag voorstelt de bloedbanden te respecteren, zal ik daarin toestemmen.' Daarop zei hij tegen zijn mannen dat zij moesten afstijgen.
        Toen zij opmerkten dat er geen water was in dat dal, haalde hij een pijl uit zijn koker en gaf hem aan een van zijn gezellen. Deze liep ermee naar een uitgedroogd watergat en stiet hem in de bodem daarvan. Het water borrelde op en nadat de mannen en de kamelen ruimschoots gedronken hadden, rustten ze daar.
        Toen de Profeet had gerust kwam Boedail ibn Warkaa' de Choeza'iet met enkele stamgenoten bij hem om te praten en te vragen waarvoor hij kwam. De Profeet vertelde hem dat hij niet met oorlogszuchtige bedoelingen kwam, maar alleen om het heiligdom te bezoeken en de gewijde grond eer te bewijzen. Verder zei hij tegen hen wat hij ook tegen Bisjr ibn Soefjaan had gezegd. Zij gingen dus terug naar Koeraisj, brachten de boodschap over en zeiden dat zij wel wat overhaast te werk gingen. Maar de Koeraisjieten vertrouwden hen niet en zeiden argwanend: 'Al is hij niet gekomen om te vechten, tegen onze zin komt hij er niet in; dat zullen de bedoeienen nooit van ons kunnen zeggen.' (De mannen van Choezaa'a, zowel de moslims als de heidenen, waren vertrouwensmannen van de Profeet; zij hielden hem op de hoogte van al wat er in Mekka gebeurde.)
        Vervolgens stuurden de Koeraisjieten Mikraz ibn Hafs. Toen de Profeet hem zag aankomen zei hij: `Dit is een verrader.' Hij gaf hem hetzelfde antwoord als Boedail en zijn mannen. Mikraz keerde terug en vertelde Koeraisj wat de Profeet gezegd had.
        Daarop stuurden de Koeraisjieten Hoelais ibn Alkama. Deze behoorde tot het geslacht Harith ibn Abd Manaat, van Kinana, en stond destijds aan het hoofd van de Ahabiesj. Toen de Profeet hem zag aankomen zei hij: 'Dit is een godvruchtig man; laat de offerdieren hem tegemoet lopen, zodat hij ze kan zien.' Toen hij de offerdieren zag aandrommen uit de rivierbedding, met offerbanden om hun nek en hun vellen al kaalgesleten, omdat het zo lang duurde voordat ze gevoerd werden, ging hij uit eerbied voor deze aanblik niet eens verder, maar keerde dadelijk terug naar de Koeraisjieten om hun dat te melden. Maar die zeiden: 'Hou je mond! Jij bent maar een domme bedoežen!'
       Volgens de versie van Abdallah ibn abi Bakr antwoordde Hoelais toen kwaad: `Koeraisjieten! Dat hadden we niet afgesproken; op die manier kunnen we geen bondgenoten zijn! Willen jullie iemand tegenhouden die gekomen is om Gods heiligdom te eren? Bij Hem die mijn leven in zijn hand heeft, als jullie Mohammed niet laten doen waarvoor hij gekomen is, dan trek ik mij terug met de Ahabiesj, tot de laatste man.' Zij antwoordden: `Doe dat gerust, Hoelais, dan zien wij zelf ons doel wel te bereiken.'
       Az-Zoehri's bericht vervolgt: Daarop wilden ze Oerwa ibn Mas'oed de Thakifiet sturen. Maar deze zei: `Koeraisjieten, ik heb gezien hoe grof en kwaadwillend jullie je afgezanten naar Mohammed hebben behandeld. Welnu, jullie weten dat ik een van jullie eigen zonen ben' (Oerwa had namelijk een Koeraisjitische moeder); `zodra ik had gehoord wat er aan de hand was heb ik mijn stamgenoten die mij gehoorzamen verzameld en ben ik gekomen om jullie te steunen.' De Koeraisjieten zeiden: `Je hebt gelijk; jou vertrouwen wij wel.'
       Oerwa ging dus naar de Profeet, ging bij hem zitten en zei: 'Mohammed, jij hebt allerlei loslopend volk verzameld om daarmee je eigen stam aan te vallen. Koeraisj is uitgetrokken, met vrouwen en kinderen en al, gekleed in luipaardvellen, en ze hebben gezworen dat jij nooit tegen hun wil Mekka binnen zult komen. Ik weet zeker, die lui van jou gaan er morgen al vandoor!'
       `Wij ervandoor gaan?' riep Aboe Bakr, die achter de Profeet zat, 'ga je godin aflikken!'
       'Wie is die vent, Mohammed?' vroeg Oerwa.
       `Dat is Aboe Bakr.'
       'God allemachtig, als je van mij niet nog iets te goed had zou ik het je betaald zetten, maar nu zijn we quitte.' Al pratend had hij de baard van de Profeet vastgepakt, maar Moeghiera ibn Sjoe'ba, die in zijn wapenrusting naast hem stond, begon op zijn hand te tikken en dreigde: `Haal je hand weg van het gezicht van de Profeet, voordat je hem kwijt bent!
        `Onbeschofte vlegel!' riep Oerwa, en vroeg wie dat was. De Profeet moest lachen.
       'Het is je neefje, Moeghiera ibn Sjoe'ba.'
       'Ellendeling,' beet hij hem toe, 'nog pas gisteren heb ik jouw achterste gewassen!'
       Verder zei de Profeet hetzelfde tegen hem als hij tegen de andere afgezanten had gezegd en maakte nogmaals duidelijk dat hij geen oorlog in de zin had. Tijdens zijn verblijf in het kamp der moslims zag Oerwa ook hoe de gezellen de Profeet behandelden: telkens als hij de wassing deed snelden zij toe om zijn waswater op te vangen, ook als hij spuwde snelden ze toe en zelfs iedere haar die van zijn hoofd viel raapten zij op. Toen hij eenmaal terug was bij Koeraisj zei Oerwa dan ook: `Ik ben bij Kisra geweest in PerziŽ en bij Caesar in zijn rijk en bij de negus, maar nog nooit heb ik een koning gezien die zo in ere gehouden werd als Mohammed door zijn gezellen. De mannen die ik gezien heb zullen hem nooit in de steek laten, dus jullie moeten zelf weten wat je doet!'
        Een geleerde heeft mij verteld dat de Profeet Chiraasj ibn Oemajja uit de stam Choezaa'a bij zich riep om hem naar de Koeraisjieten in Mekka te sturen. Hij zette hem op een kameel van hem zelf, die Tha'lab heette, om hun edelen te gaan vertellen waarom hij gekomen was. Maar de mannen van Koeraisj sneden de kameel van de Profeet zijn pezen door en wilden Chiraasj doden. De Ahabiesj beschermden hem echter en lieten hem gaan.
        Uit onverdachte hoek heb ik een overlevering ontvangen van Ikrima, die hem had overgenomen van zijn meester Ibn Abbaas: De Koeraisjieten hadden veertig of vijftig man gestuurd die het kamp van de Profeet moesten omsingelen en een van zijn gezellen te pakken moesten krijgen. Maar zij werden gegrepen en naar de Profeet gebracht; deze schonk hun vergiffenis en liet hen gaan, hoewel zij het kamp van de Profeet met stenen en pijlen hadden bestookt.
       Daarop riep hij Oemar bij zich om hem als afgezant naar Mekka te sturen, maar Oemar zei dat hij voor zijn leven vreesde, omdat er in Mekka niemand van zijn stamgenoten was om hem te beschermen, en omdat de Koeraisjieten wel wisten hoe vijandig en hard hij altijd tegen hen optrad. Hij ried de Profeet aan een man te sturen die daar beter aangeschreven stond, namelijk Oethmaan ibn Affaan. Daarom stuurde de Profeet Oethmaan naar Aboe Soefjaan en de andere Koeraisjitische edelen om hun te vertellen dat hij niet gekomen was om oorlog te voeren, maar alleen het heiligdom met een bezoek wilde eren. Zodra Oethmaan in Mekka aankwam, of misschien al daarvoor, ontmoette hij Abaan ibn Sa'ied ibn al-Aas, die hem voor zich uit droeg en hem bescherming gaf tot hij zijn boodschap zou hebben overgebracht. Toen Aboe Soefjaan en de anderen hem hadden gehoord zeiden ze: `Als je een ommegang om het heiligdom wilt maken, ga je gang!' maar Oethmaan zei: `Nee, dat kan ik pas doen als de Profeet het eerst heeft gedaan.' Koeraisj hield hem gevangen, maar liet de Profeet en de moslims weten dat hij ter dood was gebracht.
        Abdallah ibn abi Bakr heeft mij verteld: Toen de Profeet hoorde dat Oethmaan was gedood zei hij: `Nu kunnen we niet weggaan zonder te vechten.' en hij riep hen op hem trouw te zweren. Dit was de eed van het welgevallen, de eed onder de boom [48:18]. Men zegt dat het een eed was tot in de dood. Maar Djabir ibn Abdallah heeft gezegd: Het was geen eed tot in de dood; hij heeft ons laten zweren dat wij niet zouden vluchten.
        Daarop vernam de Profeet dat het bericht over Oethmaans dood niet juist was.
       Az-Zoehri's verhaal vervolgt: Vervolgens stuurden de Koeraisjieten Soehail ibn Amr, een broeder van de stam Amir ibn Loe'ajj, naar de Profeet met de opdracht een vredesverdrag met hem te sluiten, dat slechts inhield dat hij zich voor dat jaar zou terugtrekken, zodat de bedoeÔenen nooit zouden kunnen zeggen dat de Profeet de stad tegen de wil van Koeraisj was binnengekomen.
       De Profeet zag hem aankomen en dacht: ze willen vrede, anders zouden ze deze man niet sturen. Na langdurige onderhandelingen kwam de zaak rond; het moest alleen nog op schrift worden gesteld. Maar toen sprong Oemar op, liep naar Aboe Bakr en zei: `Hij is toch de Profeet? Wij zijn toch moslims en zij zijn maar heidenen, of niet soms? Waarom moeten wij onze godsdienst dan zo laten vernederen?' `Ja,' zei Aboe Bakr, `maar houd je nu maar aan wat hij zegt. lk belijd dat hij de gezant van God is.' 'Ik ook, zei Oemar, maar toch zinde het hem niet en hij stelde de Profeet dezelfde vraag. Deze gaf hem ten antwoord: `Ik ben de knecht en de gezant van God. lk verzet mij niet tegen Zijn bevel en Hij zal mij niet in de steek laten.' Later heeft 0emar hierover gezegd: `Om wat ik die dag heb gedaan, heb ik niet opgehouden aalmoezen te geven, te vasten, te bidden en slaven vrij te laten; ik was namelijk bang dat God mij zou straffen omdat ik gedacht had dat mijn mening beter was.'
       Toen riep de Profeet Ali en zei hem dat hij op moest schrijven: `In naam van Allah, de barmhartige, de genaderijke'. Maar Soehail zei: `Die ken ik niet; schrijf alleen: "In uw naam, o God".' De Profeet vond het goed en liet het Ali zo opschrijven. Verder wilde hij hem laten schrijven: `Dit is hetgeen Mohammed, de gezant van God, is overeengekomen met Soehail ibn Amr.' `Nee,' zei Soehail, `als ik beleed dat u de gezant van God was, had ik u niet bestreden. Schrijf alleen uw eigen naam en die van uw vader.' `Goed,' zei de Profeet, `schrijfdan: "Dit is hetgeen Mohammed ibn Abdallah is overeengekomen met Soehail ibn Amr. Zij zijn overeengekomen tien jaar geen oorlog te voeren, gedurende welke beide partijen in veiligheid zullen leven en afzien van vijandelijkheden, op voorwaarde dat iedere Koeraisjiet die zich zonder toestemming van zijn beschermheer naar Mohammed begeeft, aan Koeraisj wordt uitgeleverd, terwijl Koeraisj harerzijds niet verplicht is overlopers van Mohammed uit te leveren. Er zullen tussen ons geen heimelijk voorbehoud, geen diefstal en geen kwade trouw zijn. Het staat een ieder vrij een verbond te sluiten met Mohammed of met Koeraisj.'"
        Toen sloot de stam Choezaa'a zich aan bij Mohammed. De mannen van Bakr sloten zich aan bij Koeraisj en zeiden tegen de Profeet: 'U moet zich voor dit jaar terugtrekken en Mekka niet binnengaan tegen onze wil. Volgend jaar geven wij u vrije doortocht, dan kunt u net uw gezellen de stad binnengaan en er drie dagen blijven. U mag gewapend zijn als een ruiter, met het zwaard in de schede. Verder mag u niets meebrengen.'
        Terwijl de Profeet en Soehail nog doende waren het document op schrift te stellen, kwam Soehails eigen zoon, Aboe Djandal, eraan, nog in boeien gekluisterd. Hij was aan Koeraisj ontsnapt en naar de Profeet gevlucht.
       Nu waren de gezellen van de Profeet uitgetrokken in de stellige overtuiging Mekka te zullen veroveren, vanwege een droom die Mohammed had gehad. Toen zij echter merkten dat er vrede gesloten was, dat ze zich zouden terugtrekken en dat de Profeet zich nog tot andere dingen had verplicht, werden zij mismoedig, bijna ten dode toe.
       Toen Soehail daar zijn eigen zoon zag aankomen stond hij op, gaf hem een klap in zijn gezicht, greep hem bij zijn kraag en riep: 'Mohammed, onze overeenkomst was al gesloten voordat deze lummel hier kwam.' Dat moest de Profeet wel toegeven, waarop Soehail zijn zoon aan zijn kraag begon te rukken en te trekken om hem mee terug te nemen naar Koeraisj. Maar Aboe Djandal schreeuwde zo hard hij kon: `Moslims, moet ik terug naar die heidenen, die mij van het geloof willen atbrengen?' Daardoor raakten de moslims nog dieper in de put, maar de Profeet zei: `Houd vol, Aboe Djandal, en reken op Gods beloning, want God brengt uitkomst voor jou en de andere "zwakkeren". Wij hebben een vredesverdrag met hen gesloten en bij God gezworen ons daaraan te houden; we kunnen nu dus geen ontrouw plegen.'
        Oemar sprong op, liep een eindje mee met Aboe Djandal en zei tegen hem: `Houd vol, Aboe Djandal, het zijn maar heidenen; het bloed van ťťn van hen is niet meer waard dan liet bloed van een hond!' En hij hield het heft van zijn zwaard vlakbij hem, in de hoop dat hij het zwaard zou grijpen en er zijn vader een klap mee zou geven, maar de jongen ontzag zijn vader, en daarmee was de zaak ten einde.
        De Profeet had zijn kamp opgeslagen op ongewijd grondgebied, maar hij verrichtte de salaat op gewijde grond. Toen het vredesverdrag gesloten was, slachtte hij zijn offerdieren en liet zijn hoofdhaar afscheren. Naar verluidt zou hij die dag geschoren zijn door Chiraasj ibn Oemajja. Zodra de mensen dat zagen sprongen zij op en deden zij het hem dadelijk na.
       Op de terugweg werd halverwege tussen Mekka en Medina de soera `De overwinning' [48] aan de Profeet geopenbaard: Wij hebben jou een duidelijke overwinning laten behalen, opdat God jou je vroegere en latere zonde vergeeft, Zijn weldaad aan jou voltooit en je op een rechte weg leidt. [48:1-2] Dan gaat het verhaal over hem en zijn gezellen verder, tot het bij de eed van trouw komt, en God zegt: Degenen die jou trouw zweren, zweren trouw aan God. De hand Gods ligt op hun handen. Wie [die eed] breekt, breekt hem tot zijn eigen nadeel. Maar wie nakomt waartoe hij zich jegens God verplicht heeft, die zal Hij een geweldig loon geven. [48:10]
       Az-Zoehri zegt: Geen overwinning in de islam is groter geweest dan deze. Hiervoor was er voortdurend gevochten, maar toen de wapenstilstand een feit was en de oorlog afgezworen, toen de mensen in veiligheid konden leven en elkaar ontmoeten en hun twisten met woorden konden afdoen, kon geen verstandig mens meer over de islam praten zonder zich er ook toe te bekeren. In de daaropvolgende twee jaren werden net zo veel mensen moslim als er daarvoor waren, of zelfs meer.

De veldtocht tegen Chaibar
Top

Chaibar is een vruchtbare oase, honderdvijftig kilometer ten noorden van Medina. Ten tijde van Mohammed had het een geheel joodse bevolking, die nog was aangevuld met verdreven leden van de stam Nadier. Chaibar kon door zijn ligging een rol spelen als concurrerende handelsplaats. Een andere mogelijke aanleiding voor Mohammeds aanval op deze oase is dat haar inwoners de omwonende stammen tegen hem opzetten. De grote stam Ghatafaan hadden zij reeds voor zich gewonnen. Mohammed had echter ook behoefte aan materiŽle goederen: Hoedaibia had niets tastbaars opgeleverd en zijn manschappen verlangden buit. Chaibar was rijk: nog afgezien van de landbouwgrond en de legendarische schat van Nadier, lag het vol met handelswaar en niet in de laatste plaats met wapens, waaronder zeer geavanceerde. De moslims bezaten nog geen belegeringswerktuigen; zij konden niet anders doen dan fort na fort uithongeren.
       De Chaibarieten mochten hun land blijven bewerken; hun rechtstoestand werd echter niet duidelijk geregeld.
       Na Mohammeds succes in Chaibar sloten verscheidene stammen zich bij hem aan, waaronder Ghatafaan.

       Na zijn terugkeer uit Hoedaibia bleef de Profeet in Medina gedurende de maand dzoe al-hiddja en een deel van de maand moeharram, daar de bedevaart immers nog door de heidenen werd geleid. Daarna trok hij uit tegen Chaihar, in moeharram van het jaar 7 [628].
       Hij koos de weg langs de berg Isr - waar een moskee voor hem is gebouwd - en langs Sahbaa'. Vervolgens voerde hij zijn leger naar een rivierdal genaamd Radji'. Daar sloeg hij zijn kamp op, tussen Chaibar en het woongebied van de stam Ghatafaan, om te verhinderen dat deze stam, die de Chaibarieten steunde, hun te hulp zou komen.
        Zodra de mannen van Ghatafaan hoorden dat de Profeet zich in de streek van Chaibar bevond, verzamelden zij zich, naar ik heb vernomen om de joden te hulp te komen. Maar na een dagreis bereikte hen het gerucht dat hun gezinnen en hun kudden iets was overkomen. Zij meenden dat de vijand in hun afwezigheid een overval had gedaan; zij maakten rechtsomkeert en bleven in hun gebied, zodat de weg naar Chaibar voor de Profeet open lag.
        De Profeet trok geleidelijk verder; hij maakte zich meester van de kudden die hij tegenkwam en veroverde fort na fort. Het eerste fort dat werd veroverd was Na'im. Daarbij sneuvelde Mahmoed ibn Maslama, die een maalsteen naar zich toegegooid kreeg. Daarna viel Kamoes, het fort van de clan Aboe al-Hoekaik. Daar maakte de Profeet enige gevangenen, onder wie Safia bint Hoejajj ibn Achtah, die getrouwd was met Kinana ibn Rabie', en twee nichten van haar. Safia werd door de Profeet uitgekozen voor hem zelf. Dihja de Kalbiet had gevraagd of hij Safia mocht hebben, maar toen de Profeet haar voor zichzelf uitkoos, gaf hij Dihja de twee nichten. Alle andere gevangenen uit Chaibar werden onder de moslims verdeeld.
        De moslims aten het vlees van de tamme ezels die zij buit hadden gemaakt. Dat verbood de Profeet hun, met nog enkele andere zaken.
        Abdallah ibn abi Nadjieh heeft vernomen van Makhoel dat de Profeet hun die dag vier dingen heeft verboden: geslachtsverkeer met zwangere krijgsgevangen vrouwen, het eten van tamme ezels, het eten van roofdieren en het verkopen van nog niet verdeelde buit.
        Toen de profeet een aantal forten had veroverd en een deel van de kudden in bezit had genomen, kwam hij ten slotte bij de forten Watieh en Soelalim. Dat waren de laatste forten van Chaibar; zij werden na een belegering van ongeveer tien dagen ingenomen.
        Boeraida ibn Soefjaan heeft het volgende gehoord van zijn vader, die het had van Salama ibn Amr: De Profeet stuurde Aboe Bakr met zijn vlag naar een van de forten van Chaibar. Deze spande zich in tot het uiterste, maar slaagde er niet in het in te nemen. De volgende dag stuurde hij Oemar, met even weinig succes. Toen zei de Profeet: 'Morgen geef ik de vlag aan een man die God en Zijn gezant liefheeft, door wiens hand God de overwinning zal schenken en die niet op de vlucht slaat.' En hij riep Ali, die op dat ogenblik aan oogontsteking leed; hij spuwde in zijn oog en zei: `Neen deze vlag en ga door tot God je de overwinning schenkt!' Ali rukte uit met grote vaart, zwaar ademend, en wij achter hem aan. Ten slotte plantte hij de vlag in een hoop stenen onder het fort. Een jood die ernaar stond te kijken op het fort vroeg wie hij was, en toen hij het antwoord vernam zei hij: 'Jullie hebben gewonnen, bij hetgeen aan Moesa is geopenbaard!' of woorden van die strekking. Ali keerde niet terug voordat God door zijn hand de overwinning had geschonken.
       Abdallah ibn Hasan heeft mij het bericht doorgegeven van een stamgenoot, die zich beriep op Aboe Rafi', de vrijgelatene van de Profeet: Toen de Profeet Ali uitstuurde met zijn vlag trokken wij met hem uit. Zodra hij het fort was genaderd, kwamen hun strijders naar buiten en dadelijk ontbrandde het gevecht. Een jood gaf hem zo'n harde klap, dat het schild uit zijn hand viel. Maar Ali greep een poort van het fort, die hij als schild gebruikte, en hield hem in zijn hand tot God hem de overwinning had geschonken; pas toen gooide hij hem weg. Ik zie nog voor me hoe ik met zeven anderen probeerde die poort om te draaien, maar wij konden het niet.
        Kinana ibn Rabie', die de schat van de stam Nadier bewaakte, werd bij de Profeet gebracht. Deze vroeg waar die schat was, maar hij beweerde het niet te weten. Een jood wist te vertellen dat hij Kinana iedere ochtend bij een bepaalde ruÔne zag rondscharrelen. 'Weet je dat ik je ter dood laat brengen als wij de schat bij jou vinden?' zei de Profeet, maar Kinana gaf geen krimp. De Profeet liet graven bij de ruine en een deel van de schat kwam inderdaad te voorschijn. Maar over de rest weigerde Kinana iets te zeggen en dus gaf de Profeet Zoebair ibn Awwaam opdracht hem te folteren tot hij het eruit kreeg. Zoebair stookte een vuurtje op zijn borst, tot hij op sterven na dood was; daarna gaf de Profeet hem over aan Moehammad ibn Maslama, die hem zijn hoofd afsloeg om zijn broer Mahmoed te wreken.
       De Profeet belegerde de Chaibarieten in hun forten Watieh en Soelalim, tot het hun duidelijk was dat hun zaak verloren was en zij hem vroegen of hij hun leven wilde sparen. Dat willigde hij in. De Profeet had dus alle bezittingen ingenomen: Sjakk, Nataa, Katieba en alle forten, behalve die twee. Toen de bevolking van Fadak vernam hoe het in Chaibar was afgelopen, stuurden zij gezanten om de Profeet te vragen ook hun leven te sparen als zij hem hun bezittingen zouden laten. Ook dat willigde hij in. Nadat de Chaibarieten zich op deze voorwaarde hadden overgegeven, vroegen zij de Profeet hen te werk te stellen op hun landerijen en hun de helft van de opbrengst te laten, met het argument dat zij het land beter kenden en wisten te bebouwen dan de moslims. De Profeet ging daarmee akkoord, maar voegde eraan toe: `Als wij jullie alsnog willen verdrijven, dan doen we dat.' Eenzelfde overeenkomst maakte hij met de bevolking van Fadak. Maar terwijl Chaibar als krijgsbuit onder de moslims werd verdeeld, werd Fadak het persoonlijk bezit van de Profeet, omdat de moslims geen paarden of andere rijdieren [59:6] hadden ingezet om het te veroveren.
        Enige tijd later, toen de Profeet zich veilig voelde, bood Zainab bint Harith, een van de gevangen vrouwen, hem een geroosterd schaap aan. Tevoren had zij geÔnformeerd welk stuk van het schaap de Profeet het lekkerste vond en ze hadden haar gezegd dat het de schouder was. Bij het klaarmaken deed zij vergif in het gehele schaap en in de schouder extra veel. Toen bracht ze het hem en diende het voor hem op. Hij nam het schouderstuk en beet er een hap uit, maar hij slikte het niet door. Bisjr ibn Baraa', die met hem mee at, had er ook van genomen, maar hij had het wel doorgeslikt. De Profeet spoog het uit en zei: `Dit bot vertelt mij dat het vergiftigd is!' Hij liet de vrouw halen, die dadelijk alles bekende. Op zijn vraag hoe zij daartoe gekomen was antwoordde zij: `U weet wel wat u mijn stam hebt aangedaan. lk dacht bij mij zelf: als het een koning is, ben ik hiermee van hem af, en als het een profeet is, dan wordt hij wel gewaarschuwd voor wat ik heb gedaan.' De Profeet strafte haar niet. Maar Bisjr stierf aan wat hij gegeten had.
       Toen de verovering van Chaibar een feit was ging de Profeet naar Wadi al-Koera en belegerde het enige dagen. Daarop keerde hij naar Medina terug.

Het bezoek aan het heiligdom ten uitvoer gebracht
Top

Precies een jaar na het verdrag van Hoedaibia volbrachten de Profeet en zijn gezellen het hun toegestane driedaagse bezoek aan het heiligdom in Mekka. Een poging om het verblijf te rekken (tot in de eigenlijke bedevaartmaand?) mislukte. De beschrijving van de ceremoniŽn bij het bezoek aan het heiligdom heeft voor moslims kracht van wet gekregen.
       Maimoena was een schoonzuster van Mohammeds oom Abbaas, die nog als heiden in Mekka leefde. Zij woonde bij hem in huis. Mohammeds huwelijk met haar duidt op een poging de verhouding tot de Mekkanen te verbeteren en de band met zijn oom te verstevigen.
       Van de maand rabie' al-awwal tot sjawwaal in het jaar 7 [628/629] bleef de Profeet in Medina en liet vandaaruit verscheidene strooptochten en expedities uitvoeren. In dzoe al-ka'da, de maand waarin de heidenen hem een jaar tevoren het bezoek aan het heiligdom hadden belet, bracht hij dit alsnog ten uitvoer, in plaats van het bezoek dat hem onmogelijk was gemaakt. Dezelfde moslims die het jaar tevoren mee waren gegaan, vergezelden hem ook nu. Zodra de Mekkanen ervan hoorden gaven zij hem vrije doortocht. De Koeraisjieten zeiden onder elkaar: `Mohammed en zijn gezellen zijn verarmd en in moeilijkheden geraakt'
        Het volgende bericht van Ibn Abbaas heb ik via een zegsman die ik betrouwbaar acht: Ze stonden in rijen bij de raadszaal naar de Profeet en zijn gezellen te kijken. Toen deze de moskee betrad, bedekte hij zijn linkerschouder met zijn bovenkleed maar zijn rechter bovenarm liet hij zichtbaar. Hij zei: `God zij de man genadig die hun vandaag zijn kracht laat zien.' Toen kuste hij de zwarte steen en zette met zijn gezellen een looppas in. Het heiligdom onttrok hem aan hun blikken en hij kuste de zuidelijke hoeksteen; daarop liep hij in gewone pas en kuste andermaal de zwarte steen. Zo liep hij nog zesmaal om de Kaaba: driemaal in looppas en driemaal in gewone pas. De moslims dachten eerst dat zij dat niet hoefden te doen en dat de Profeet het alleen voor Koeraisj deed, met het oog op de dingen die hij over hen had gehoord. Maar later, bij de afscheidsbedevaart, deed hij het weer zo, zodat het een gebruik werd.
       Abaan ibn Salih en Abdallah ibn abi Nadjieh hebben mij via Ataa' en Moedjahid de volgende overlevering van Ibn Abbaas doorgegeven: Tijdens deze reis trouwde de Profeet met Maimoena bint Harith, terwijl hij in de gewijde staat was. Zij werd hem tot vrouw gegeven door zijn oom Abbaas.
       De Profeet bleef drie dagen in Mekka. Op de laatste dag kwam Hoewaitib ibn Abd al-Oezza met nog een paar Koeraisjieten naar hem toe; zij hadden de opdracht gekregen te zorgen dat hij uit Mekka verdween.
       `Je tijd is om: zeiden ze, `dus je moet weg!'
        'En als jullie me nu eens hier lieten: opperde de Profeet, `dan vier ik mijn bruiloftsfeest hierbij jullie, dan geven we een feestmaal en dan komen jullie ook!'
       `Wij hebben jouw eten niet nodig, maak dat je wegkomt!' was het antwoord. De Profeet verliet de stad en vertrouwde Maimoena toe aan de zorgen van zijn vrijgelaten slaaf Aboe Rafi', die haar bij hem bracht in Sarif, waar hij het huwelijk voltrok. In de maand dzoe al-hiddja keerde hij naar Medina terug.

De slag bij Moe'ta
Top

Over de expeditie naar het zeer noordelijk gelegen Moe'ta is vrijwel niets met zekerheid bekend. Stellig heeft de Romeinse keizer Heraklios niet de moeite genomen met een leger van tweehonderdduizend man tegen drieduizend Arabieren te komen vechten. Op zijn hoogst is er ooit een schermutseling geweest met het Romeinse grensleger. Er zouden slechts negen moslims zijn gesneuveld, onder wie drie aanvoerders. De grote overmacht van de vijand moet wel dienen om de smadelijke terugtocht aannemelijk te maken.
       Het verhaal over deze expeditie spoort aan tot godsvrucht - het voeren van oorlog voor Gods zaak is immers een vrome daad - maar draait vooral om het thema `verdiensten der gezellen'. In dit geval is waarschijnlijk beoogd de voorzichtige handelwijze van Chalid ibn Walied, die later een belangrijk, zij het veel verguisd veldheer is geworden, ongunstig te doen afsteken tegen het gedrag van illustere personen als Mohammeds aangenomen zoon Zaid en zijn neef Dja'far, een broer van Ali.

       Moehammad ibn Dja'far heeft gehoord van Oerwa ibn Zoebair: In de maand djoemada al-oela van het jaar 8 [6291 stuurde de Profeet een leger naar Moe'ta, onder commando van Zaid ibn Haritha. Als Zaid zou sneuvelen kwam liet bevel aan Dja'far ibn abi Talib; als ook deze zou vallen, zou Abdallah ibn Rawaha de leiding overnemen.
       De moslims rustten zich uit, drieduizend man, en toen het ogenblik van vertrek was aangebroken namen de veldheren van de Profeet afscheid van hen die achterbleven in Medina. Abdallah ibn Rawaha brak daarbij in tranen uit en toen hem werd gevraagd waarom, zei hij: `Het is niet omdat ik aan deze wereld gehecht ben of jullie zo liefheb, maar omdat ik de Profeet een koranvers heb horen reciteren over het hellevuur: Er is niemand onder u die daarin niet afdaalt; dat is een vaststaand besluit bij uw Heer, [19:71] en ik weet niet hoe ik kan terugkomen als ik eenmaal daarin ben afgedaald.' De moslims zeiden: 'Ga met God; moge Hij jullie beschermen en veilig terugbrengen.' Toen zei Abdallah:

        "k Vraag God vergiffenis, en een trefzeker zwaard,
       dat brede wonden slaat, waar schuimend bloed uit spuit,
        of van mijn lans een rake stoot, die boort met vaart
       door ingewand en lever, en door de rug eruit!
        Dat bidden zal wie later langs mijn graf mocht gaan:
       "God, breng uw strijder thuis; hij heeft het goed gedaan!"'

       Het leger brak op en de Profeet trok een eindje mee, om afscheid te nemen. Toen hij terugkeerde naar Medina zei Abdallah:

       `Gegroet, geleider die ik achterlaat
        bij deze palmen, vriend en toeverlaat!'

       Zij trokken voort tot Ma'aan, in SyriŽ. Daar vernamen zij dat Heraklios naar Moab was gekomen, in de landstreek Balkaa', met honderdduizend Romeinen, bij wie zich nog eens honderdduizend man uit de stammen Lahm, Djoedzaam, Kain, Bahraa' en Balie hadden aangesloten; dezen werden aangevoerd door een Baliet uit Irasja, die Malik ibn Zafila heette. Bij het horen van dat nieuws bleven de moslims twee dagen in Ma'aan om zich te beraden over wat hun te doen stond. Sommigen wilden aan de Profeet schrijven hoe groot de overmacht van de vijand was: dan kon hij hun versterkingen sturen of anders zouden ze zijn bevel afwachten. Maar Abdallah ibn Rawaha sprak hun moed in: `Mannen, waar jullie nu voor terugdeinzen, dat is toch juist hetgeen waarvoor wij zijn uitgetrokken: de marteldood! Wij strijden niet met ons aantal manschappen of onze gevechtssterkte, maar met deze godsdienst waarmee God ons heeft geŽerd. Laten we dus verder trekken: van twee mooie zaken wacht ons er ťťn: de overwinning of de marteldood!' Toen zeiden de mannen: `Bij God, hij heeft gelijk,' en ze trokken verder.
       Bij de grens van de Balkaa', bij het dorp Masjarif, stuitten zij op de troepen van de Romeinen en de bedoeÔenen. Op de nadering van de vijand trokken de moslims zich terug op het dorpje Moe'ta, en daar kwam het tot een treffen. Zaid ibn Haritha vocht met de vlag van de Profeet in zijn hand, tot hij onder de lansen van de vijand bezweek aan bloedverlies. De vlag werd overgenomen door Dja'far, die zich ermee in de strijd stortte. Toen hij aan alle kanten was ingesloten sprong hij van zijn goudvos, sneed hem de pezen door en vocht tot hij werd gedood. Dja'far was de eerste moslim die zijn paard de pezen doorsneed.
       Jahja ibn Abbaad ibn Abdallah ibn Zoebair heeft gehoord van zijn vader dat hij zijn pleegvader, die erbij was geweest in Moe'ta, had horen zeggen: Ik zie het nog voor me, hoe Dja'far van zijn goudvos sprong, het dier de pezen doorsneed, vocht tot hij werd gedood en hoe hij toen nog zei:

        `Ja Edens lusthof is nabij,
       de drank der zaal'gen wacht op mij!
        De Griek krijgt zijn gerechte straf.
       Die heidenen, dat lage ras -
        Als ik zo'n kop zie sla 'k hem af!'

       Nadat Dja'far was gevallen nam Abdallah ibn Rawaha de vlag over en stormde voorwaarts op zijn paard. Hij talmde echter een ogenblik en sprak zich moed in met de woorden:

        'Ik zweer, mijn ziel, je moet nu gaan!
       Vecht, of 't is met je gedaan!
        Laat de vijand schreeuwen, razen,
       wat zou je 't paradijs versmaden?
        Wil jij, een held're druppel, leven
       door een versleten zak omgeven?'

        Daarna steeg hij af. Een neef van hem kwam hem een kluif met vlees brengen en zei: `Hier, doe wat kracht op, want jij hebt het dezer dagen zwaar te verduren!' Abdallah pakte hem aan en beet er wat van af. Maar bij het horen van het strijdgewoel dacht hij: `Je bent nog in dťze wereld!' Hij gooide de kluif weg, greep zijn zwaard en ging erop af. Toen vocht hij tot hij werd gedood. Thabit ibn Akram, een broeder van de stam Adjlaan, kreeg de vlag te pakken en riep: `Moslims! Wie moet nu de leiding nemen?' `Jij!' schreeuwden ze terug, maar hij weigerde, en daarop werden ze het eens over Chalid ibn Walied. Deze nam de vlag en probeerde de vijand af te houden en een verder treffen te voorkomen. De partijen gingen uiteen en Chalid leidde het leger terug naar Medina.
       Oerwa's overlevering vervolgt: Toen het leger dichtbij Medina was gekomen, kwam de Profeet het tegemoet gereden met de achtergebleven moslims. De kinderen renden ernaast. 'Neem die jongens voorop,' riep de Profeet, 'en geef mij de zoon van Dja'far!' Ze brachten hem Abdallah ibn Dja'far en hij zette de knaap voor zich op zijn rijdier. De mensen begonnen aarde te gooien naar het leger en riepen: 'Lafaards! Op de weg van God zijn jullie hard weggelopen!' De Profeet kwam tussenbeide met de woorden: 'Als God het wil zijn het geen weglopers, maar hebben zij zich teruggetrokken om opnieuw in de aanval te gaan.'

De inneming van Mekka
Top

Een schending van het verdrag van Hoedaibia door Koeraisj was voor Mohammed de aanleiding tot de inneming van Mekka, in het jaar 8 [630]. Strijd was nauwelijks nodig: Mekka's levensader, de karavaanweg naar het noorden, was door Mohammed zo lang afgeknepen dat dc stad zich wel můest overgeven. Na Aboe Soefjaans bezoek aan Medina en zijn bekering wist Mohammed reeds dat er van een belangrijke groep Mekkanen geen verzet meer te verwachten was. De inlijving van Mekka bij de staat van Medina zou beide partijen tot voordeel strekken. Koeraisj kreeg nu gelegenheid te herademen, terwijl Mohammed maar al te graag van de politieke en commerciŽle capaciteiten van zijn stamgenoten gebruik wilde maken.
        Mohammed is jegens de overwonnenen uiterst tactvol opgetreden. Er is niet geplunderd, er is bijna niemand ter dood gebracht en geen Mekkaan is gedwongen tot de islam over te gaan.
       De Kaaba, waarnaar men zich reeds te Medina richtte tijdens de salaat, behield zijn functie als religieus oriŽntatiepunt. Medina bleef echter de hoofdstad van de islamitische staat; in Mekka was de Profeet slechts `op reis', zoals de Helpers, zonder twijfel tot hun opluchting, konden afleiden uit zijn verkorting van de salaat. De belangrijkste Mekkanen verhuisden weldra naar Medina.

       Toen de Profeet zijn leger naar Moe'ta had gestuurd bleef hij zelf in Medina gedurende de maanden djoemada al-achira en radjab. In die tijd deed het geslacht Bakr ibn Abd Manaat, van de stam Kinana, een overval op de Choeza'ieten bij een bron van hen die Watier heette, beneden Mekka. De aanleiding hiertoe was dat iemand uit een met Kinana verbonden stam - hij was gelieerd niet Aswad ibn Razn, uit het geslacht Diel - op handelsreis was gegaan en midden in het gebied van de Choeza'ieten door hen was overvallen, gedood en beroofd. De mannen van Bakr hadden toen een Choeza'iet aangevallen en gedood, waarop Choezaa'a drie zonen van Aswad ibn Razn, het puik van de stam Kinana, had aangevallen en gedood. Dat was gebeurd in Arafa, bij de grensstenen van het gewijde gebied, kort voor de komst van de islam.
       Zo was het met de stammen Bakr en Choezaa'a gesteld toen de islam tussenbeide kwam en de gedachten afleidde. Een van de bepalingen in het vredesverdrag van Hoedaibia tussen de Profeet en Koeraisj was, dat het een ieder vrijstond met de Profeet of met Koeraisj een verbond te sluiten. Daarop had het geslacht Bakr zich aangesloten bij Koeraisj, terwijl de stam Choezaa'a zich had verbonden met de Profeet.
       Toen de wapenstilstand eenmaal een feit was, maakte de groep Diel van het geslacht Bakr daarvan gebruik om zich te wreken op de Choeza'ieten, die de zonen van Aswad hadden gedood. Naufal, destijds de leider van Diel, trok uit met zijn stamgenoten - hoewel ze hem niet allemaal volgden - en overviel Choezaa'a in de nacht, bij hun bron Watier, en doodde een van hun mannen. Beide partijen trokken zich terug, maar raakten opnieuw in gevecht. Koeraisj hielp de mannen van Bakr met wapens en enkele Koeraisjieten vochten zelfs met hen mee, onder dekking van de nacht. Ten slotte dreven ze de Choeza'ieten het gewijde gebied in.
        Toen zij Mekka binnenkwamen, zochten ze hun toevlucht in het huis van Boedail ibn Warkaa' en in het huis van Rafi', een vrijgelaten slaaf van hen.
        Boedail begaf zich met een aantal Choeza'ieten naar de Profeet in Medina. Zij vertelden hem wat hun was overkomen en hoe Koeraisj de stam Bakr had geholpen. Daarop keerden zij terug naar Mekka. De Profeet had al tegen zijn mensen gezegd: `Je zult het zien, nu komt Aboe Soefjaan om het verdrag te bevestigen en om verlenging te vragen!' Inderdaad ontmoetten Boedail en zijn mannen op de terugweg Aboe Soefjaan in Oesfaan. Koeraisj had hem naar de Profeet gestuurd om het verdrag te bevestigen en om verlenging te vragen, want ze waren bang dat hun handelwijze gevolgen zou hebben. Aboe Soefjaan vroeg aan Boedail waar hij vandaan kwam, want hij vermoedde wel dat hij bij de Profeet was geweest. Maar Boedail antwoordde dat hij met de Choeza'ieten langs de kust en door dit dal was getrokken en helemaal niet bij Mohammed was geweest. Boedail trok verder naar Mekka, maar Aboe Soefjaan dacht bij zich zelf: als hij in Medina geweest is, dan hebben zijn kamelen daar vast dadels te vreten gekregen. Hij liep dus naar de plaats waarde dieren hadden gerust, hij wreef wat mest fijn tussen zijn vingers en zag dadelpitten. Zo, dacht hij, Boedail is dus toch bij Mohammed geweest.
        In Medina aangekomen ging Aboe Soefjaan naar zijn dochter Oemm Habieba, die met de Profeet getrouwd was. Toen hij op het tapijt van de Profeet wilde gaan zitten, haalde zij het gauw weg en vouwde het op.
       `Lieve kind,' zei hij, `vind je vrij te goed voor dat kleed of het kleed te goed voor mij?'
       `Het is het tapijt van de Profeet en u bent een onreine heiden. lk wil niet dat u op het kleed van de Profeet zit.'
       `Wel, wel, meisje,' zei hij, `sinds je bij mij weg bent, ben je er niet op vooruitgegaan.'
       Daarop ging hij naar de Profeet, maar die wilde niet met hem praten; toen ging hij naar Aboe Bakr om te vragen of die een goed woordje voor hem wilde doen, maar deze weigerde, en zo ook 0emar, die zei: `Dacht je dat ik voor jullie ging bemiddelen bij de Profeet? Bij God, al had ik niet meer dan een mier, dan zou ik jullie daarmee nog bevechten!'
       Toen ging hij naar Ali, die hij aantrof met zijn vrouw Fatima, de dochter van de Profeet, terwijl zijn zoontje Hasan over de vloer kroop. 'Ali,' zei hij, `van alle mensen hier ben jij het meest met mij verwant; bemiddel jij dan voor mij bij de Profeet en laat mij niet onverrichter zake terug hoeven te gaan.' Maar Ali antwoordde: 'Nee, Aboe Soefjaan, als de Profeet eenmaal iets besloten heeft is er niet meer over te praten, ook voor ons niet.' Nu wendde hij zich tot Fatima, de dochter van de Profeet, en zei: `Wil jij je zoontje niet opdragen als beschermer op te treden tussen de mensen, zodat hij de heer der Arabieren zal worden voor altijd?' Zij antwoordde: `Nee, daarvoor is hij nog niet oud genoeg, en bovendien kan niemand bescherming verlenen tegen de Profeet.' Daarop wendde hij zich weer tot Ali en vroeg hem om advies in zijn netelige positie. Ali zei: 'Ik weet werkelijk niets dat je zou kunnen helpen. Maar jij bent toch het hoofd van de stam Kinana? Herstel dan de goede nabuurschap tussen die twee stammen en ga terug naar huis!' `Geloof je dat dat iets helpt?' vroeg Aboe Soefjaan. `Nee, ik denk het niet,' antwoordde Ali, 'maar iets anders kan ik ook niet bedenken.' Dus ging Aboe Soefjaan in de moskee staan en kondigde het herstel van de goede betrekkingen af; daarna besteeg hij zijn kameel en vertrok. Bij Koeraisj teruggekomen bracht hij verslag uit en zei: 'Ik heb tegen Mohammed gesproken, maar hij wilde niet antwoorden; vervolgens ben ik bij Aboe Bakr geweest, maar zonder resultaat, en Oemar bleek de ergste vijand te zijn. Ali was nog het meest inschikkelijk; zijn raad heb ik opgevolgd, hoewel ik niet weet of het ergens goed voor is; ik heb namelijk het herstel van de goede nabuurschap afgekondigd tussen Kinana en Choezaa'a' Maar toen zij vroegen of Mohammed dat goedgekeurd had, moest hij toegeven van niet. 'Stommeling,' zeiden de Koeraisjieten, 'nu heeft die vent ook nog een spelletje met je gespeeld. Dit is nergens goed voor!' Aboe Soefjaan verweerde zich: `Nee, maar iets anders kon ik ook niet bedenken.'
       Intussen droeg de Profeet zijn mensen op zich klaar te maken. Aboe Bakr kwam bij zijn dochter A'isja toen zij juist in de weer was met de uitrusting van de Profeet. Hij vroeg of de Profeet haar gezegd had dat zij die dingen klaar moest leggen. `Ja,' zei ze, `en u moet zich ook uitrusten.' `Waar denk je dat hij heen wil?' vroeg hij nog, maar daarop moest zij het antwoord schuldig blijven. Later deelde de Profeet zelf de mensen mee dat hij naar Mekka ging, en hij droeg hun op zich grondig voor te bereiden. '0 God,' bad hij, `geef dat de Koeraisjieten er niets van zien of horen, zodat U hen verrast in hun eigen land.'
       Az-Zoehri doet het verhaal van Oebaidallah ibn Abdallah ibn Oetba, die zich beriep op Abdallah ibn Abbaas: Op de tiende ramadan trok de Profeet uit. Hij en het leger vastten tot in Koedaid, tussen Oesfaan en Amadj. Met tienduizend moslims trok hij verder, tot Marr Zahraan. Van de stam Soelaim waren er zevenhonderd man, of volgens anderen duizend; van de stam Moezaina waren er duizend man. Van alle stammen waren er grote aantallen, en velen waren reeds moslim. De Emigranten en de Helpers waren allemaal meegegaan; er was niemand achtergebleven.
       Toen de Profeet zijn kamp opsloeg in Marr Zahraan wist Koeraisj nog steeds niet wat de Profeet van plan was; geen enkel bericht had hen bereikt. In die nachten verlieten Aboe Soefjaan, Hakiem ibn Hizaam en Boedail ibn Warkaa' de stad om te zien of zij iets te weten konden komen. Maar daarvoor had Abbaas de Profeet al ontmoet en zich bij hem aangesloten.
       In Marr Zahraan had Abbaas, de oom van de Profeet - naar hij later zelf heeft verteld - zich afgevraagd wat er van de Koeraisjieten worden zou; want als de Profeet Mekka met geweld zou binnentrekken, voordat zij naar hem toegekomen waren en om bescherming gevraagd hadden, dan zou dat voorgoed het einde zijn. 'Ik besteeg dus het witte muildier van de Profeet,' zo luidt Abbaas' verhaal, `en reed daarop naar de arak-bomen, in de verwachting dat ik daar wel een houtsprokkelaar of een melker aan zou treffen, of iemand anders die naar Mekka zou gaan en die de Mekkanen zou kunnen vertellen waar de Profeet zich bevond, zodat ze naar hem toe konden komen om zijn bescherming te vragen voordat hij met geweld de stad zou binnentrekken. Terwijl ik daar met die bedoeling zo voortreed hoorde ik ineens de stemmen van Aboe Soefjaan en Boedail, die met elkaar in gesprek waren. Aboe Soefjaan merkte op dat hij nog nooit zo'n groot leger kamp en zoveel vuren had gezien als die nacht. Boedail probeerde hem te doen geloven dat het de vuren van Choezaa'a waren, aangewakkerd door de oorlog. Maar Aboe Soefjaan bracht daartegen in dat Choezaa'a veel te klein en te zwak was voor zo'n groot kamp en al die vuren. Ik herkende de stem van Aboe Soefjaan en riep zijn naam, en hij herkende mijn stem ook. Toen vertelde ik hem dat het de Profeet was en dat het er slecht uitzag voor Koeraisj. `Wat kunnen we doen?' verzuchtte Aboe Soefjaan. lk zei tegen hem: 'Als je hem in handen valt, slaat hij je dood; dus ga bij mij achterop zitten op dit muildier, rijd met mij mee naar de Profeet en vraag hem om bescherming.' Zijn beide metgezellen gingen terug en hij ging bij mij achterop zitten. Telkens als wij langs een vuur van de moslims kwamen werd er gevraagd wie dat was, maar dan merkten ze dat ik het was op het muildier van de Profeet. Ten slotte kwamen we langs het vuur van Oemar en toen deze zag wie er bij mij achterop zat, riep hij: `Aboe Soefjaan, de vijand Gods! Geloofd zij God, die hen aan ons overgeleverd heeft, zonder enige verdragsverplichting!' Daarop haastte hij zich naar de Profeet. Ik bracht mijn muildier in galop en kwam net iets eerder aan, want zelfs een langzaam dier loopt toch altijd vlugger dan een man. Bij de Profeet sprong ik van het beest af en ging naar binnen. Oervar kwam even later en zei: `Dit is Aboe Soefjaan, zonder verdrag! Laat mij hem zijn kop afslaan!' Ik zei echter dat hij onder mijn bescherming stond. Ik ging naast de Profeet zitten, pakte hem bij zijn hoofd en zwoer: `Vannacht zal niemand onder vier ogen met hem praten zonder dat ik erbij ben! Toen Oemar aanhield zei de Profeet: `Kalm aan, Oemar! Als het iemand van jouw eigen stam was geweest had je dit niet gezegd! Maar je weet dat hij tot Abd Manaaf behoort.' Oemar antwoordde: `Abbaas, bij God, toen u moslim werd was mij dat liever dan wanneer mijn vader moslim was geworden, en de Profeet denkt er net zo over.' De Profeet zei dat ik Aboe Soefjaan maar in mee moest nemen naar mijn slaapplaats en hem de volgende ochtend bij hem moest brengen. Dat deed ik. Aboe Soefjaan bracht de nacht bij mij door en de volgende ochtend vroeg bracht ik hem naar de Profeet. Deze zei tegen hem, zodra hij hem zag: `Wordt het geen tijd, Aboe Soefjaan, om te erkennen dat er geen god is dan God?' Hij antwoordde: 'U bent mij dierbaarder dan mijn vader en moeder. Wat bent u mild en edelmoedig! Als er een andere god was geweest, dan zou ik denken dat hij mij wel beter had geholpen!' De Profeet vervolgde: 'En wordt het ook geen tijd dat je erkent dat ik de gezant van God ben?' Hij antwoordde: 'U bent mij dierbaarder dan mijn vader en moeder; u bent heel mild en edelmoedig, maar daar heb ik toch mijn twijfels over.' Nu zei ik tegen hem: `Word moslim en belijd dat er geen god is dan God, en dat Mohammed de gezant van God is, voordat ze je het hoofd afslaan.' Toen sprak hij de geloofsbelijdenis uit en werd moslim. Ik vroeg de Profeet iets voor hem te doen, omdat hij graag iets had om trots op te zijn, en daarop zei de Profeet: `Wie het huis van Aboe Soefjaan binnengaat is veilig, wie zich insluit in zijn eigen huis is veilig en wie de moskee binnengaat is veilig.' Toen Aboe Soefjaan daarop wilde vertrekken, gaf de Profeet mij opdracht hem tegen te houden in het smalle gedeelte van het dal, waar de berg naar voren springt, zodat hij Gods legerscharen aan zich voorbij zou zien trekken. Ik deed het zoals de Profeet mij opgedragen had.
       De stammen trokken voorbij met hun vlaggen en telkens vroeg Aboe Soefjaan naar de naam van de stam. Toen ik zei: `Soelaim,' zei hij: `Wat heb ik met Soelaim te maken?'; toen ik zei: 'Moezaina,' zei hij: `Wat heb ik met Moezaina te maken?' en zo ging het met alle stammen. Ten slotte trok de Profeet voorbij met zijn Groene Regiment, waarin de Emigranten en de Helpers voortmarcheerden, van wie men alleen de ogen zag oplichten in de wapenrustingen. 'Wie zijn dat?' vroeg Aboe Soefjaan, en toen ik het hem vertelde, riep hij uit: 'Tegen hen kan niemand iets uitrichten! Bij God, Abbaas, jouw neef is geweldig sterk geworden!' `Dat komt omdat hij de Profeet is,' zei ik, en dat moest hij beamen.
       Ik zei hem dat hij nu snel terug moest gaan naar zijn stam. Daar aangekomen schreeuwde hij zo hard hij kon: `Koeraisjieten, Mohammed komt eraan met een leger waartegen niemand iets kan uitrichten. Wie het huis van Aboe Soefjaan binnengaat is veilig!' Toen sprong Hind bint Oetba op hem af, greep hem bij zijn snor en riep: `Sla die vette dikzak dood! Dat noemt zich een aanvoerder!' Maar hij zei: `Laat deze vrouw jullie niet misleiden, want wat daar aankomt, daar kan niemand iets tegen beginnen. Wie in mijn huis komt is veilig.' 'Val dood!' antwoordden ze, `wat hebben wij aan jouw huis?' `Ook wie in zijn eigen huis blijft is veilig, of wie in de moskee binnengaat,' voegde hij eraan toe. Daarop gingen de mensen uiteen, naar hun eigen huis of naar de moskee.
        Abdallah ibn abi Bakr heeft mij verteld dat de Profeet in Dzoe Toewa op zijn rijdier even stilhield. Hij droeg een rode tulband uit een stuk rode Jernenitische stof, en toen hij zag welk een overwinning God geschonken had, boog hij in deemoed zijn hoofd voor Hem, zodat zijn baard bijna het midden van zijn zadel raakte.
       Abdallah ibn abi Nadjieh heeft mij bericht dat de Profeet in Dzoe Toewa zijn leger verdeeld heeft. Zoebair ibn Awwaam gaf hij bevel met een deel van het leger, namelijk de linkervleugel, vanuit Koeda de stad binnen te trekken, terwijl Sa'd ibn Oebada zou oprukken vanaf de Kadaa'-pas. (Sommige geleerden zeggen dat Sa'd bij zijn opmars zei: `Het is vandaag een dag van strijd; het gewijde land wordt nu ontwijd!' Een Emigrant had dat gehoord en uitte tegen de Profeet zijn bezorgdheid dat Sa'd misschien een bloedbad zou gaan aanrichten onder de Koeraisj. Toen gaf de Profeet Ali opdracht hem achterna te gaan, de vlag van hem over te nemen en hem zelf de stad binnen te voeren.) Chalid ibn Walied gaf hij bevel binnen te trekken vanuit Liet, het lagere deel van Mekka, met de rechtervleugel, die bestond uit Aslam, Soelaim, Ghifaar, Moezaina, Djoehaina en nog andere stammen. Aboe Oebaida ibn Djarraah rukte Mekka binnen met de overige troepen, voor de Profeet uit. De Profeet trok binnen vanaf de Adzachir-pas en sloeg zijn tent op in de bovenstad.
        Intussen hadden Safwaan ibn Oemajja, Ikrima ibn Abi Djahl en Soehail ibn Amr in Chandama een paar man verzameld om verzet te bieden. Ook Himaas ibn Kais, een broeder van het geslacht Bakr, scherpte zijn zwaard voordat de Profeet Mekka binnentrok. Zijn vrouw vroeg waarom hij dat deed. Toen hij zei dat het voor Mohammed en zijn gezellen was, meende zij dat hij daarmee niets zou kunnen uitrichten. Maar hij antwoordde dat hij haar een van de moslims als slaaf hoopte te geven en sprak:

       `Ze rukken op: ik ken geen wijken meer.
        Mijn wapen is een gave, lange speer.
       Mijn flitsend zwaard maait alles neer!'

        Hij voegde zich bij Safwaan, Soehail en Ikrima in Chandama, waar een schermutseling plaatsvond met de troepen van Chalid. Nadat er drie moslims en twaalf of dertien heidenen gesneuveld waren, sloegen de ongelovigen op de vlucht. Ook Himaas vluchtte naar huis en liet zijn vrouw de deur op slot doen. 'Waar blijf je nu met je mooie praatjes?' vroeg zij, en hij sprak:

       `Als je het bloedbad had gezien:
       hoe Ikrima vluchtte, en Safwaan,
       hoe Aboe Jazied stokstijf bleef staan,
       de moslims hun vlammende zwaarden hieven
        om hoofden en armen te doorklieven,
       als je het gillen had gehoord,
        en achter ons hun rauwe kreten,
       dan had je mij dit niet verweten!'

        De Profeet had met zijn aanvoerders afgesproken dat zij bij hun intocht in Mekka alleen zouden vechten tegen mensen die verzet boden. Alleen een aantal met name genoemde personen zouden ze doden, zelfs als ze hen aantroffen onder de voorhangsels van de Kaaba.
        Tot hen behoorde Abdallah ibn Sa'd, een broeder van het geslacht Amir ibn Loe'ajj. Hij was namelijk tot de islam overgegaan en had voor de Profeet openbaringen opgeschreven; daarna was hij evenwel weer afgevallen en had zich aangesloten bij Koeraisj. Nu was hij gevlucht naar Oethmaan ibn Affaan, die zijn zoogbroeder was; deze verborg hem en nadat de rust in Mekka was weergekeerd bracht hij hem hij de Profeet en vroeg hem zijn leven te sparen. Naar verluidt heeft de Profeet toen lang gezwegen, voordat hij ten slotte toestemde. Toen Oethmaan was weggegaan zei hij tegen zijn gezellen om hem heen: `Ik heb gezwegen in de hoop dat een van jullie zou opstaan en hem zijn hoofd af zou slaan.' Een Helper vroeg: `Maar waarom hebt u mij geen wenk gegeven, Profeet?' Hij antwoordde: 'De Profeet doodt niet met een teken.'
       Toen hen behoorde ook Abdallah ibn Chatal, uit het geslacht Taim ibn Ghalib. Ook hij was moslim geweest. De Profeet had hem uitgezonden als belastinggaarder, tezamen met een Helper en een vrijgelaten slaaf, die ook moslim was, om hem te bedienen. Op een keer, toen ze hun kamp hadden opgeslagen, gaf hij deze knecht opdracht een geitje voor hem te slachten en klaar te maken. Zelf ging hij slapen. Toen hij wakker werd en de knecht nog niets klaar had, stortte hij zich op hem en doodde hem. Daarna viel hij van het geloof af. Deze Ibn Chatal had twee zangeressen, Fartana en haar vriendin, die spotliedjes hadden gezongen op de Profeet. Ook hen beval de Profeet te doden.
       Tot hen behoorde ook Hoewairith ibn Noekaidz, die de Profeet in Mekka had beledigd.
       Tot hen behoorde ook Mikjas ibn Soebaba. Hij had een Helper gedood, die zonder opzet zijn broer had gedood, en was als heiden teruggegaan naar Koeraisj. Verder Sara, een vrijgelaten slavin, die de Profeet in Mekka had beledigd, en Ikrima ibn abi Djahl. Ikrima vluchtte maar Jemen. Zijn vrouw was wel tot de islam overgegaan en zij vroeg of zijn leven gespaard mocht worden. De Profeet stemde toe en zij vertrok naar Jennen om haar man te zoeken. Zij bracht hem bij de Profeet, waarop ook hij moslim werd. Ibn Chatal en Mikjas werden echter gedood. Van de beide zangeressen van lbn Chatal werd er ťťn gedood; de andere vluchtte en de Profeet schonk haar het leven toen iemand daarom vroeg. Ook Sara werd gespaard; zij kwam later, in de tijd van Oemar, om het leven toen een soldaat haar vertrapte met zijn paard, in de laagte van Mekka. Hoewairith werd gedood door Ali.
       Moehammad ibn Dja'far vernam van Oebaidallah ibn abi Thaur dat Safia bint Sjaiba hem heeft verteld dat de Profeet na zijn intocht in Mekka, toen de rust was weergekeerd, zich naar het heiligdom begaf en er zevenmaal omheen reed, waarbij hij de zwarte steen aanraakte met een staf. Daarna liet hij Oethmaan ibn Talha komen en nam de sleutel van de Kaaba van hem over. De deur werd opengemaakt en hij ging naar binnen. Daar trof hij een duif aan, gemaakt van palmhout; deze brak hij eigenhandig kapot en gooide hem weg. Bij de deur van de Kaaba bleef hij staan, terwijl de mensen samendromden in de moskee.
       Volgens een geleerde heeft hij toen als volgt gesproken:
       `Er is geen god dan God alleen. Hij heeft geen ander naast zich. Hij heeft Zijn belofte gehouden en Zijn knecht de overwinning geschonken. Hij alleen heeft de gecombineerde troepen op de vlucht gejaagd. Alle privileges, bloedschulden en schulden waarop aanspraak wordt gemaakt zijn afgeschaft, behalve het ambt van tempelwachter en drenker van de pelgrims. Op zonder opzet, maar toch half opzettelijk doden met een zweep of een stok staat een zwaar bloedgeld: honderd kamelen, waarvan veertig drachtig. Koeraisjieten, God heeft de verwatenheid van de heidentijd en de trots op uw voorouders van u afgenomen. Alle mensen stammen van Adam, en Adam werd geschapen uit stof.' Toen droeg hij het koranvers voor: Mensen! Wij hebben u geschapen uit een man en een vrouw en wij hebben u tot volkeren en stammen gemaakt opdat u elkaar zoudt kennen. Als aanzienlijkste onder u geldt bij God de godvvruchtigste, tot het eind van het vers. [49:13] En hij vervolgde: `Koeraisjieten! Wat denken jullie dat ik met je ga doen?' Zij riepen: `lets goeds, nobele broeder en zoon van een nobele broeder!' Daarop zei hij: `Gaat heen! Jullie zijn de vrijgelatenen!'
        Toen ging de Profeet in de moskee zitten. Ali ibn abi Talib kwam naar hem toe met de sleutel van de Kaaba in zijn hand en zei: `Profeet, verleen onze familie zowel het ambt van tempelwachter als dat van drenker van de pelgrims!' Maar de Profeet zei: `Waar is Oethmaan ibn Talha?' Hij werd gehaald en tegen hem zei de Profeet: `Hier is je sleutel, Oethmaan; vandaag is het een dag van gehoorzaamheid en trouw.'
        Sa'ied ibn abi Sandar al-Aslami deelt mij mee op gezag van een stamgenoot: Wij hadden een dapper man onder ons, die Ahmar Ba'san heette. In zijn slaap snurkte hij zo vreselijk, dat iedereen dadelijk wist waar hij was. Als hij de nacht hij zijn clan doorbracht, sliep hij apart. Als de clan 's nachts werd overvallen hoefden ze zijn naam maar te roepen of hij sprong op als een leeuw en niets kon hem dan meer tegenhouden. Nu was er een bende plunderaars uit Hoedzail op de boeren van onze stam afgekomen. Toen ze genaderd waren zei de Hoedzailiet Ibn Athwa' dat ze even moesten wachten tot hij had rondgekeken, want met Ahmar in de buurt hadden ze geen schijn van kans. Omdat Ahmar zo hard snurkte kon hij hem vinden op zijn gehoor; hij stak zijn zwaard in zijn borst en drukte hem dood. Toen stortten zijn mannen zich op de boeren. Iedereen riep: 'Ahmar!', maar ze hadden geen Ahmar meer.
        Op de dag na de verovering van Mekka kwam ibn Athwa' naar Mekka om de zaak eens aan te kijken en te informeren hoe het ervoor stond; hij was nog heiden. De mannen van Choezaa'a herkenden hem toen hij langs een muur in Mekka liep; ze omsingelden hem en vroegen dreigend: `Ben jij de man die Ahmar heeft gedood?' `Ja,' zei hij, `en wat dan nog?' Toen kwam Chiraasj ibn Oemajja naar voren, met getrokken zwaard en riep: 'Opzij!' Wij dachten dat hij alleen de mensen bij hem vandaan wilde hebben, maar toen ze opzij gingen stortte hij zich op hem en stiet zijn zwaard in zijn buik. Bij God, ik zie de man nog voor me, met de ingewanden uit zijn buik gulpend en zijn ogen al half dichtgevallen, terwijl hij nog zei: 'Zijn jullie nu tevreden, Choeza'ieten?' Ten slotte zakte hij in elkaar en viel.
       De Profeet zei: 'Houdt op met dat moorden, Choeza'ieten; er is al te veel gemoord, ook al was het ergens goed voor. Maar nu deze man al dood is, zal ik het bloedgeld voor hem betalen.'

        Moehammad ibn Dja'far heeft vernomen van Oerwa: Safwaan ibn Oemajja was naar Djedda vertrokken om daar scheep te gaan naar Jemen. Oemair ibn Wahb vertelde de Profeet dat Safwaan, die een hoofdman van zijn stam was, voor hem gevlucht was om zich in zee te werpen, en vroeg om gratie voor hem. De Profeet stemde daarin toe, en toen Oemair hem een teken vroeg als bewijs, gaf hij hem de tulband mee die hij op had gehad toen hij Mekka binnentrok. Oemair haalde Safwaan in toen deze juist aan boord wilde gaan; hij bezwoer hem zichzelf niet te doden en toonde hem het bewijs dat de Profeet hem gratie had verleend.
       'Ga weg en praat niet tegen me,' zei Safwaan, maar Oemair antwoordde: `Zo waar ik hier sta! Hij is de voortreffelijkste, de meest milde en oprechte man ter wereld, die neef van jou. Zijn glorie is jouw glorie, zijn eer is jouw eer, zijn bezit is jouw bezit.'
       `Ik vrees voor mijn leven.'
       'Maar hij is te mild en te edelmoedig om je te doden!'
       Toen ging Safwaan mee terug naar de Profeet en zei: `Deze man beweert dat u mij gratie wilt geven.' `Dat is zo,' zei de Profeet. Safwaan vroeg twee maanden bedenktijd en hij kreeg er vier.

        Az-Zoehri hoorde van Oebaidallah ibn Abdallah: De Profeet bleef na de verovering vijftien dagen in Mekka, gedurende welke hij de salaats verkortte (zoals hij op reis gewoon was te doen).
       De verovering van Mekka vond plaats op 20 ramadan in het jaar 8 [630].

De slag in de wadi Hoenain
Top

De stammen Hawazin en Thakief waren van oudsher vijanden van Koeraisj. Ta'if, de stad van de Thakifieten, had lang onder Mekkaanse controle gestaan, maar nu Koeraisj zo verzwakt was, was het machtsevenwicht veranderd ten gunste van Thakief. De beide stammen zagen hun kans schoon zolang zowel Mohammed als de Koeraisjieten uitgeput waren van hun lange onderlinge strijd en de toestand in het veroverde Mekka nog niet geconsolideerd was. In het jaar 8 [630] brachten zij een geweldigleger bijeen. Mohammed deed hetzelfde. De Mekkanen waren niet erg geneigd hem te steunen; nog maar enkelen waren moslim geworden. Geen van hen werd echter tot deelneming aan de veldtocht gedwongen.
        De beide legers troffen elkaar op een plek in de diepe, onoverzichtelijke canyon Hoenain. Mohammed won de slag en de rijke buit was hem zeer welkom. Omdat er bij de inneming van Mekka niet geplunderd was, hadden de Helpers daar geen materieel voordeel bij gehad. Zij konden nu tevredengesteld worden, terwijl een relatief groot deel van de buit werd verdeeld onder de Mekkaanse edelen, om 'hun harten te verzachten' en hun overgang tot de islam te bespoedigen. Als gewoonlijk behield Mohammed een vijfde deel van de buit voor de staatskas.
        Hawazin erkende het gezag van de Profeet en ging over tot de islam. Ta'if kon door belegering niet worden ingenomen. Enige maanden later zagen de Thakifieten echter in dat zij geheel geÔsoleerd waren geraakt en namen zij alsnog de islam aan.

       Toen de stam Hawazin hoorde hoe de Profeet Mekka had veroverd, bracht Malik ibn Auf an-Nasri alle clans bijeen. Behalve Hawazin kwamen ook heel Thakief, Nasr, Djoesjam en Sa'd ibn Bakr. Verder verschenen er wat mannen van Hilaal, maar niet veel; van Kais Ailaan waren zij de enigen die kwamen. Van Hawazin ontbraken Ka'b en Kilaab; niemand van enig belang uit die dans was aanwezig. Van Djoesjam was ook Doeraid ibn Simma meegekomen, een zeer oud stamhoofd, aan wie men niets meer had, maar die gewaardeerd werd om zijn mening en strategisch inzicht; hij was een leider met grote ervaring. De mannen van Thakief hadden twee aanvoerders: de 'Bondgenoten' werden aangevoerd door Karib ibn Aswad, en de clan Malik ibn Auf door Dzoe al-Chimaar ibn al-Harith, tezamen niet zijn broer Ahmar. Het opperbevel over alle troepen lag hij Malik ibn Auf. Toen deze had besloten tegen de Profeet te velde te trekken, liet hij de kudden, vrouwen en kinderen meenemen. Hij sloeg zijn kamp op in Autaas, waar de troepen zich verzamelden. De oude Doeraid, die in een kameeldraagstoel werd vervoerd, kwam daar ook heen en vroeg naar de naam van het dal. `Wat een uitstekende plaats voor de ruiterij,' zei hij, toen hij het hoorde, `geen rotsachtig heuvelland en ook geen zanderige vlakte. Maar wat hoor ik daar voor kamelen loeien en ezels balken, en waarom huilen er kinderen en blaten er schapen?' Ze vertelden hem dat Malik de kudden en vrouwen en kinderen had laten meekomen. Toen liet hij Malik bij zich komen en zei: `Malik, jij bent de leider van de stam geworden. Dit wordt een beslissende dag. Waarom heb je dat gedaan?' Malik antwoordde: `Ik wil achter iedere man zijn gezin en zijn kudde plaatsen, zodat hij daarvoor vecht.'
       Doeraid klakte met zijn tong en zei: `Schaapherder dat je bent! Iemand die op de vlucht slaat is toch door niets tegen te houden? Als alles goed gaat heb je alleen iets aan een man met een zwaard en een lans, en als het tegenzit sta je voor gek met je gezin en je kudde en al! En hoe is het met Ka'b en Kilaab?'
        `Niemand van hen is op komen dagen.'
       `Moed en kracht ontbreken hier dus. Als dit een dag van grootse daden zou worden, dan hadden Ka'b en Kilaab niet ontbroken. Ik wou dat jullie zelf ook waren weggebleven! Wie zijn er dan wel van jullie?'
        'Amr ibn Amir en Auf ibn Amir'
       `Die twee sprietjes van Amir leggen geen gewicht in de schaal. Malik, je hebt er verkeerd aan gedaan de hoofdmacht van Hawazin pal tegenover hun ruiterij op te stellen. Stuur die liever naar het ontoegankelijke hoge land en ga die renegaten te paard tegemoet. Als alles goed gaat, kan de achterhoede zich weer bij je voegen, en als het tegenzit, dan zijn in elk geval je familie en je kudden in veiligheid.'
       `Nee, dat doe ik niet. Jij bent een kindse oude man. Jullie moeten mij gehoorzamen, Hawazin, en zo niet, dan ga ik op mijn zwaard staan leunen tot het er door mijn rug weer uitkomt.'
        Malik kon het niet hebben dat Doeraid in deze zaken iets te zeggen had. Toen de mannen van Hawazin hun gehoorzaamheid aan Malik betuigden, zei Doeraid: 'Dit is een dag waar ik buiten blijf, maar waar ik toch midden in zit!' Toen droeg hij voor:

       'Ach, kon ik als een jongen strijden,
       dan zou ik moedig voorwaarts rijden,
        mijn ros met lange manen leiden
       snel als een hinde, slank van zijden'

        Malik beval zijn mannen: 'Zodra jullie de vijand te zien krijgen, ruk dan de schede van je zwaard en stort je als ťťn man op hen!'
        Oemajja ibn Abdallah vertelt dat Malik spionnen uitstuurde, die bij hem terugkwamen met hun gewrichten uit de kom `Wat is jullie overkomen,' vroeg hij, en zij antwoordden: 'Wij hebben witte mannen gezien op gevlekte paarden, en dadelijk daarop is ons toen dit overkomen!' En bij God, zelfs dat heeft Malik niet tot andere gedachten gebracht.
       Toen de Profeet van Hawazins verrichtingen hoorde, stuurde hij Abdallah ibn abi Hadrad op hen af met de opdracht zich in het vijandelijk kamp te begeven en er zo lang te blijven tot hij op de hoogte zou zijn van hun plannen. Dat deed Ibn abi Hadrad en hij vernam alles over hun besluit te vechten en over Maliks strategie. Bij de Profeet teruggekomen berichtte hij hem alles.
       Toen deze daarop besloot tegen Hawazin op te trekken, vernam hij dat Safwaan ibn Oemajja, die nog altijd heiden was, pantsers en wapens bezat. Hij liet hem halen en zei: 'Leen ons jouw wapens, Safwaan, om morgen op te trekken tegen onze vijand.' Safwaan vroeg: `Wil je die wapens met geweld nemen, Mohammed?' 'Nee, nee,' zei de Profeet, 'te leen en met garantie van teruggave. Wij geven ze weer terug!' Daar had Safwaan geen bezwaar tegen en hij gaf de Profeet honderd pantsers en voldoende bijbehorende wapens. Naar verluidt vroeg de ProfŤet hem ook het transport ervan op zich te nemen en dat deed hij.
       Zo werd het een gebruik, dat met garantie van teruggave geleende goederen teruggegeven moesten worden.
       De Profeet trok uit tegen Hawazin met tweeduizend Mekkanen en tienduizend gezellen met wie hij Mekka had veroverd, tezamen dus twaalfduizend man.
        Asim ibn Oemar heeft mij het bericht van Djabir ibn Abdallah overgebracht, via diens zoon Abd ar-Rahmaan: Toen wij de wadi Hoenain genaderd waren, daalden wij geleidelijk af door een breed, aflopend dal aan de kant van het laagland. Het was in de ochtendschemering. De vijand was al eerder in het dal aangekomen en had zich verborgen in de spleten, de zijdalen en nauwe doorgangen. Zij waren vastbesloten en goed uitgerust, en God, wat waren wij bang toen wij tijdens de afdaling plotseling overvallen werden door hun eenheden, die zich als ťťn man op ons stortten. Onze mannen maakten halsoverkop rechtsomkeert, zonder dat iemand rekening hield met een ander. De Profeet week uit naar rechts en riep: `Waar gaan jullie heen, mannen? Hierheen! Ik ben de gezant van God; ik ben Mohammed ibn Abdallah!' Maar tevergeefs; de kamelen vielen over elkaar en de mannen renden weg. Bij de Profeet bleven alleen een paar Emigranten en Helpers achter, en wat familieleden van hem.
       Een man van Hawazin reed op een rode kameel voor zijn stam uit. Aan de punt van zijn lange lans had hij een zwarte vlag hangen. Zodra hij een van onze mannen te pakken kreeg, haalde hij uit met die lans, en als er iemand ontsnapte, hief hij zijn lans omhoog, als teken voor degenen die achter hem reden en dan zetten zij de achtervolging in.
       Toen de onbehouwen Mekkanen die bij de Profeet waren zagen hoe de onzen op de vlucht sloegen, gaven sommigen van hen vrijelijk lucht aan de vijandigheid die zij nog koesterden. Aboe Soefjaan ibn Harb, die de lotspijlen nog in zijn koker had, zei: 'Alleen de zee zal een einde maken aan hun vlucht,' en Djabala ibn Hanbal riep: 'Vandaag helpt die toverij niet!' Maar zijn broer Safwaan ibn Oemajja, die nog heiden was en bedenktijd had gekregen, zei: 'Houd je mond of laat God hem anders dichtslaan! ik heb liever dat een man uit Koeraisj de baas over mij speelt dan iemand uit Hawazin!'
       Sjaiba ibn Oethmaan, een broeder van de stam Abd ad-Daar, wiens vader was gesneuveld in Oehoed, heeft gezegd: Die dag riep ik: 'Vandaag neem ik wraak op Mohammed, vandaag ga ik hem doden!' Ik draaide om hem heen om het ogenblik te kiezen, maar er verscheen iets dat mij tegenhield, zodat ik het niet kon. Toen begreep ik dat hij tegen mij beschermd werd.
       Een Mekkaan heeft mij verteld: Toen de Profeet uit Mekka vertrok naar Hoenain en zag hoe groot het getal van Gods heerscharen was dat hem begeleidde, zei hij: `Bij gebrek aan manschappen zullen we vandaag niet verslagen worden!'
       Az-Zoehri verhaalde mij een ooggetuigenverslag van Abbaas ibn Abd al-Moettalib, via diens zoon Kathier: Ik stond bij de Profeet met mijn hand aan het bit van zijn witte muildier, dat ik tussen zijn kaken had geschoven. Destijds was ik een grote kerel met een geweldige stem. Toen de Profeet zag hoe zijn mannen op de vlucht sloegen riep hij: `Waar gaan jullie heen, mannen?' maar zij trokken zich er niets van aan. Daarop gaf hij mij opdracht te roepen: `Hť Helpers, makkers van de gomboom!' [Vgl. koran 48:18] en dadelijk riepen ze terug: 'Hier zijn wij!' En als iemand zijn kameel er niet toe kon bewegen om te keren, gooide hij hem zijn pantser op zijn nek, sprong eraf, liet het dier lopen en kwam alleen met zwaard en schild op mijn stem af tot hij bij de Profeet was. Ten slotte waren er honderd man verzameld; zij trokken voorwaarts en bonden de strijd aan. Eerst was hun strijdkreet: `Voorwaarts Helpers!' en later werd het: `Voorwaarts Chazradj!' Zij waren standvastig in de strijd. De Profeet bezag het strijdgewoel staande in de stijgbeugels en zei: 'Nu is de oven heet!'
        Het bericht van Djabir vervolgt: Terwijl die man uit Hawazin met de zwarte vlag tekeerging op zijn kameel, kwam Ali met een van de Helpers op hem af. Ali naderde hem van achteren en gaf een slag op de pezen van het beest, zodat het achterover viel. De Helper stortte zich op de man en gaf hem zo'n harde zwaardslag dat zijn voet en zijn halve been eraf vlogen, waarop hij uit het zadel viel. De mannen vochten als razenden, en toen degenen die op de vlucht waren geslagen bij de Profeet terugkwamen, troffen ze daar alleen gevangenen aan, de handen op de rug gebonden.
        Van Abdallah ibn abi Bakr en nog een andere betrouwbare autoriteit kreeg ik het volgende relaas van Aboe Katada: In de slag bij Hoenain zag ik twee mannen in gevecht gewikkeld: een moslim en een heiden. Ineens zag ik een andere heiden naderen, die zijn kameraad te hulp wilde komen. Ik ging op hem af en sloeg hem een arm af. Maar met zijn andere arm nam hij mij in een wurggreep en bij God, hij liet me niet los, tot ik de geur van bloed al rook. Het scheelde niet veel of hij had me gedood, en als het bloedverlies hem niet had verzwakt was het met mij gedaan geweest. Maar ten slotte viel hij en ik maakte hem af. Met gevecht eiste echter dadelijk weer mijn aandacht op en een passerende Mekkaan heeft hem van zijn wapenrusting beroofd. Toen de strijd geluwd was en wij met de vijand hadden afgerekend, zei de Profeet dat iedereen die iemand had gedood zijn wapens en kleren mocht hebben. Ik zei: `Profeet, ik heb wel iemand gedood die de moeite van het beroven waard was, maar in de hitte van het gevecht ben ik daar niet aan toegekomen en ik weet niet wie hem uitgeplunderd heeft.' Toen kwam er een Mekkaan die zei: 'Hij heeft gelijk, Profeet; die buit heb ik. Geef hem dus namens mij een gedeelte als genoegdoening.' Maar Aboe Bakr was daartegen: 'Nee, geen sprake van zo'n genoegdoening! Wil jij de buit delen met een van de leeuwen Gods, die voor Zijn godsdienst heeft gevochten? Geef hem zijn hele buit terug!' De Profeet stemde daarmee in. De buit was dus voor mij; later heb ik die verkocht en van de opbrengst heb ik een palmentuintje aangeschaft. Dat was het eerste bezit dat ik verwierf.
        Mijn vader heeft mij het volgende verhaal van Djoebair ibn Moet'im verteld: Nog voordat de vijand op de vlucht sloeg, zag ik gedurende het gevecht iets als een zwart kleed uit de hemel komen en tussen ons en de vijand neervallen. Toen ik eens goed keek bleken het zwarte mieren te zijn, die het hele dal vulden. ik twijfelde er niet aan dat het de engelen waren, en dadelijk daarop sloeg de vijand op de vlucht.
        Sommigen van de op de vlucht gedreven heidenen namen de wijk naar Ta'if. Onder hen was ook Malik ibn Auf. Een deel van hen sloeg zijn kamp op in Autaas en anderen begaven zich naar Nachla, maar dat was alleen de clan Ghiara van Thakief. De ruiterij van de Profeet achtervolgde degenen die de weg naar Nachla namen, maar niet degenen die over de passen gingen.
       De gevangenen van de slag bij Hoenain werden met hun bezit verzameld bij de Profeet, die hen naar Dji'rana liet overbrengen en daar liet vasthouden.

De belegering van Ta'if
Top

Toen de vluchtelingen van de stam Thakief hun stad Ta'if hadden bereikt, sloten zij de poorten en bereidden zich voorop de strijd.
        Oerwa ibn Mas'oed en Ghailaan ibn Salama waren niet aanwezig hij de slag bij Hoenain en bij de belegering van Ta'if; zij waren juist in Djoerasj om het gebruik van schilddaken, katapulten en andere belegeringswerktuigen te bestuderen.
       Na de slag bij Hoenain trok de Profeet uit tegen Ta'if. Hij reisde langs Nachla al-Jamania, Karn, Moelaih en Boehrat ar-Roeghaa', bij Lia. Daar werd een moskee gebouwd, waarin hij salaats heeft verricht.
       Hij sloeg zijn kamp op dichtbij de stad. Enkele gezellen werden door pijlen gedood, omdat het kamp te dicht bij de muur van Ta'if lag, binnen het bereik van de boogschutters. Het gelukte de moslims niet de gesloten stadspoorten in te rammen, en nadat die paar gezellen door pijlen getroffen waren, verplaatste de Profeet het kamp naar de plek waar tegenwoordig de moskee van Ta'if staat. Ruim twintig dagen werd de stad belegerd.
       Het gevecht was hevig; de pijlen vlogen heen en weer. Toen, op de dag van de bestorming, kroop een aantal gezellen hij de muur onder een schilddak om een bres in de muur te slaan. Maar de Thakifieten schoten stukken gloeiend ijzer op hen af, zodat ze onder het schilddak vandaan moesten; toen regende het pijlen en enkele mannen vonden de dood. Daarop beval de Profeet de wijnstokken van Thakief neer te halen. De mannen stortten zich er dadelijk op en hakten ze om.
        Ik heb horen verluiden dat de Profeet tijdens de belegering van Ta'if tegen Ahoe Bakr zei: 'Ik zag in een droom dat mij een nap vol boter gegeven werd; toen kwam er een haan die eraan pikte en de inhoud vermorste.' Aboe Bakr zei: `Ik denk niet dat u hen vandaag tot overgave zult dwingen.' `Dat geloof ik ook niet,' zei de Profeet.
       Toen kwam Choewaila bint Hakiem, de vrouw van Oethmaan, de Profeet vragen of hij haar na de verovering van de stad de sieraden van Badia bint Ghailaan of van Fari'a bint Akiel wilde geven, want dat waren bij Thakief de vrouwen met de mooiste juwelen. De Profeet zou haar hebben geantwoord: `En als het mij niet is vergund Thakief te verslaan?' Choewaila ging weg en vertelde het aan Oemar; deze haastte zich naar de Profeet en vroeg: `Wat Choewaila daar vertelt, hebt u dat werkelijk gezegd?'
        `Ja, dat heb ik gezegd.'
       'Is het u dan niet vergund hen te verslaan?'
        `Nee.'
       `Zal ik dan het sein tot de aftocht geven?'
       De Profeet stemde toe en Oemar gaf het sein tot de aftocht.
       In totaal stierven twaalf gezellen de marteldood bij Ta'if: zeven Koeraisjieten, vier Helpers en een man uit de stam Laith.

De buitverdeling
Geschenken `om de harten te winnen'
Top

Van Ta'if trok de Profeet met de moslims en vele gevangenen uit de stam Hawazin via Dahna naar Dji'rana. Bij het vertrek uit Ta'if vroeg een van zijn gezellen of hij de Thakifieten wilde vervloeken, maar de Profeet bad: `O God, leid Thakief en breng hen tot de islam!'
        In Dji'rana kwam er een gezantschap van Hawazin bij hem, omdat hij zesduizend kinderen en vrouwen gevangenhield en ontelbare van hun schapen en kamelen.
       Amr ibn Sjoe'aib heeft mij verteld wat zijn vader van zijn grootvader Abdallah ibn Amr had gehoord: De afgezanten van Hawazin kwamen bij de Profeet nadat zij moslim waren geworden en zeiden: 'Profeet, wij zijn toch ťťn familie? Nu heeft ons deze ramp getroffen, wees ons nu genadig zoals God u genadig is geweest!' En een zekere Zoehair aboe Soerad, uit de clan Sa'd ibn Bakr, nam het woord en zei: `Profeet, binnen die omheiningen zitten uw tantes en uw voedsters, die u verzorgd hebben. Als Harith ibn abi Sjimr of Noe'maan ibn Moendzir bij onze stam gezoogd was en als ons dan dit was overkomen, dan hadden wij op hun mededogen en gunst mogen hopen; hoeveel te meer dan nu, want u bent de beste die enige stam ooit heeft grootgebracht.'
       De Profeet antwoordde: `Wat is jullie liever: je vrouwen en kinderen of je bezittingen?' Zij zeiden: `Laat u ons kiezen tussen ons bezit en onze eer? Geeft u ons dan onze vrouwen en kinderen terug; die zijn het dierbaarste dat wij hebben.' Hij zei: `Wat ik en de stam Abd al-Moettalib hebben, dat krijgen jullie. En als ik straks de middag-salaat heb verricht met de mensen, dan moeten jullie opstaan en zeggen: "Wij vragen de voorspraak van de Profeet bij de moslims, en de voorspraak van de moslims bij de Profeet, voor onze kinderen en vrouwen." Dan zal ik jullie mijn gevangenen geven en voor jullie mijn best doen bij mijn gezellen.' Zo gebeurde liet; zij kregen de gevangenen van de Profeet en van Abd al-Moettalib, en daarop stelden ook de Emigranten en de Helpers hun gevangenen aan de Profeet ter beschikking. Maar Akra' ibn Habis zei: `Ik en de stam Tamiem, wij doen niet mee,' en ook Oejaina ibn Hisn weigerde, voor zichzelf en namens zijn stam Fazara. Ook Abbaas ibn Mirdaas weigerde, voor zichzelf en namens de stam Soelaim, maar de leden van zijn stam vielen hem af en zeiden: `Nee, wat wij hebben staat de Profeet ter beschikking.' 'Jullie zetten mij voor gek,' zei Abbaas. De Profeet zei: `Ieder die staat op zijn recht op deze gevangenen krijgt per man zes kamelen uit de eerste buit die ik binnen krijg. Geef hun dus hun kinderen en vrouwen terug!'
       De Profeet informeerde bij de afgezanten van Hawazin naar hun leider Malik ibn Auf, en zij vertelden hem dat hij in Ta'if was, bij de Thakifieten. Toen vroeg hij hun aan Malik te zeggen: `Als hij als moslim hierheen komt, geef ik hem zijn familie en zijn vee terug en doe ik er nog honderd kamelen hij.' Zodra hij hiervan hoorde wilde Malik de stad verlaten, maar omdat hij bang was dat de Thakifieten hem tegen zouden houden als ze wisten dat hij met de Profeet in contact stond, liet hij een paard naar Ta'if brengen en zorgde hij dat zijn kameel ergens buiten de stad klaarstond. 's Nachts verliet hij de stad te paard en reed in galop naar de plaats waar hij zijn kameel had laten vastbinden. Daarop reisde hij de Profeet achterna, die hij inhaalde in Dji'rana, of misschien pas in Mekka, en deze gaf hem zijn familie en zijn kudde terug, met nog honderd kamelen erbij. Malik ging over tot de islam en werd een goede moslim. De Profeet gaf hem het bevel over zijn stamgenoten die moslim waren geworden; dat waren de clans Thoemala, Salima en Fahm. Met hen begon hij nu de Thakifieten te bestrijden: iedere kudde die zij uit weiden stuurden overviel hij, zodat zij deerlijk in het nauw geraakten.
        Nadat de Profeet alle gevangenen van Hoenain aan de hunnen had teruggegeven, reed hij weg, maar zijn mannen kwamen hem achterna en drongen erop aan dat hij de buitgemaakte kamelen en schapen onder hen zou verdelen. Ze waren zo opdringerig dat hij steun moest zoeken tegen een boom, waar zelfs zijn kleed van hem werd afgerukt. `Hier met mijn kleed!' riep hij, `bij God, mannen, al had ik zoveel schapen als er bomen in het laagland staan, ik zou ze onder jullie verdelen! Gierig, laf of leugenachtig hebben jullie mij nooit meegemaakt!' Toen ging hij op een kameel af, plukte een haar uit zijn bult en hield die omhoog, met de woorden: `Mannen! Van jullie buit neem ik een vijfde deel en geen haar meer! En dat vijfde komt jullie ook ten goede. Dus breng mij alles, zelfs de draad en de naald, want bedrog is een schande; op de dag der opstanding wachten bedriegers vuur en smaad.' Toen kwam een van de Helpers aanzetten met een kluwen kameelhaar en zei: `Profeet, dit heb ik weggenomen om bij een kameel van mij onder het zadel te leggen, omdat hij een zwerend vel heeft.' De Profeet zei: `Wat mijn aandeel daarin betreft, dat mag je houden.' `Als het zo gaat, dan hoef ik het niet meer,' zei hij en hij gooide de kluwen weg.
       De Profeet gaf een aantal mannen geschenken, vooral de aanzienlijkste leiders, om hun harten te verzachten en door middel van hen ook hun stamgenoten voor zich in te nemen. Sommigen gaf hij honderd kamelen, anderen minder dan honderd en nog anderen vijftig.
       Asim ibn Oemar heeft mij het relaas gedaan van Mahmoed ibn Labied, die Aboe Sa'ied al-Choedri als autoriteit aanvoerde: Toen de Profeet die geschenken uitdeelde onder de Koeraisjieten, en de nomadenstammen en de Helpers niets kregen, voelden deze laatsten zich gekwetst. Zij spraken er uitvoerig over en iemand zei zelfs dat het wel te merken was dat de Profeet zijn eigen stam weer had ontmoet. Sa'd ibn Oebada ging naar de Profeet en vertelde hem dat. `En wat vind jij er zelf van, Sa'd?' vroeg de Profeet. 'Ik sta natuurlijk aan de kant van mijn stam,' antwoordde hij. Daarop gaf de Profeet hem opdracht de Helpers bijeen te roepen in die omheining, en dat deed hij. Er kwamen ook een paar Emigranten mee; die liet hij binnen, maar anderen stuurde hij weg. Toen zij daar allemaal verzameld waren ging de Profeet voor hen staan. Hij prees God naar behoren en zei: `Helpers! Wat hoor ik voor gemopper en waarom zijn jullie wrokkig tegen mij? Ben ik niet bij jullie in Medina gekomen toen jullie dwaalden en heeft God jullie niet de weg gewezen? Waren jullie niet arm en heeft God je niet rijk gemaakt, werden jullie niet door vijandschap verscheurd en heeft God jullie harten niet verzacht?'
        `Ja,' riepen zij, `God en Zijn gezant zijn genadig en edelmoedig.'
       `Waarom antwoorden jullie niet op mijn vraag, Helpers?' vervolgde de Profeet.
       `Hoe moeten wij u antwoorden? Genadig en goed zijn God en Zijn gezant.'
       `Jullie hadden best kunnen zeggen wat je op je hart had - en dan hadden jullie volkomen gelijk gehad: "Toen je bij ons kwam, werd je door iedereen voor een leugenaar gehouden en wij hebben je geloofd; je was in de steek gelaten en wij hebben je geholpen; je was op de vlucht en wij hebben je opgenomen; je was arm en wij hebben met je gedeeld." Zijn jullie nu verbitterd om die aardse goederen waarmee ik mensen wil winnen voor de islam, terwijl ik jullie aan je eigen islam toevertrouw? Zijn jullie er niet mee tevreden, Helpers, dat deze mensen hier met schapen en kamelen vandaan gaan, terwijl jullie naar huis teruggaan met de gezant van God? Bij Hem, in Wiens hand mijn leven is, als de hidzjra er niet geweest was en er geen Emigranten waren meegekomen, dan was ik zelf een van jullie geweest. Als alle mensen ťťn weg insloegen en jullie een andere, dan zou ik met jullie meegaan. 0 God, wees de Helpers genadig, en hun kinderen en kleinkinderen!'
        Toen begonnen zij te huilen tot de tranen uit hun baard liepen, en zij zeiden: 'Wij zijn tevreden met de Profeet als ons aandeel.' De Profeet ging weg en zij verspreidden zich.
       Vanuit Dji'rana begaf de Profeet zich naar Mekka voor een bezoek aan de Kaba. Daarna keerde hij terug naar Medina. Als zijn plaatsvervanger in Mekka benoemde hij Attaab ibn Asied en hij liet Moe'aadz ibn Djabal bij hem, om de mensen in de godsdienst te onderwijzen en de koran te leren.
       De mensen deden de bedevaart dat jaar zoals de Arabieren dat altijd hadden gedaan.

De expeditie naar Taboek
Top

Taboek, ook gespeld Tabuk, is een belangrijke plaats in het noorden van het Arabische schiereiland. Onder de 'Romeinen' die hier worden genoemd, moet worden verstaan de Arabische vazallen van het Oost-Romeinse Rijk, die de zuidgrens daarvan bewaakten. Aila (het moderne Akaba) en Doema (het huidige Djof of Jawf) werden ingelijfd, maar wat er in Taboek zelf is gebeurd wordt niet verteld. Een slag heeft er blijkbaar niet plaatsgehad. De expeditie wordt afgeschilderd als reusachtig en moeizaam, al wordt dat laatste misschien benadrukt in verband met de kennelijke oorlogsmoeheid van de moslims. Voor het laatst is hier sprake van `Halfhartigen'. Elders wordt verhaald dat Mohammed hun laksheid stevig heeft bestraft en weldra behoorde dit probleem, dat de nieuwe gemeenschap zo lang heeft geteisterd, tot het verleden.

       Van dzoe al-hiddja in het jaar 8 tot radjab in hetjaar 9 [630] bleef de Profeet in Medina; toen gaf hij opdracht voorbereidingen te treffen voor een expeditie tegen de Romeinen. Ons bericht over de expeditie naar Taboek is gebaseerd op hetgeen az-Zoehri, Jazied ibn Roemaan, Abdallah ibn abi Bakr, Asim ibn Oemar en nog andere geleerden ons hebben meegedeeld; hun berichten vullen elkaar aan.
       Toen de Profeet zijn gezellen opdroeg zich voor te bereiden op een expeditie tegen de Romeinen, was het een moeilijke tijd: de hitte was verlammend en er heerste droogte in het land. Het fruit was rijp en de mensen wilden liever in de schaduw van hun tuinen blijven dan in dat jaargetijde een tocht te maken. Vroeger had de Profeet het doel van zijn tochten bijna altijd slechts bij benadering aangegeven en duidde hij een andere richting aan dan waarheen hij werkelijk wilde. Maar bij de expeditie naar Taboek deed hij dat niet; hij noemde het doel uitdrukkelijk, omdat de weg lang en moeilijk was, het weer drukkend en de vijand groot in getal, zodat de mensen zich behoorlijk konden voorbereiden. Hij droeg hun op zich gereed te maken en deelde hun mee dat hij tegen de Romeinen wilde uittrekken.
       Op een dag, terwijl hij bezig was met zijn voorbereidingen, vroeg hij aan Djadd ibn Kais uit de stam Salima: `Heb je zin om dit jaar tegen de geelhuiden te gaan vechten, Djadd?' Deze antwoordde echter: 'Ach, Profeet, geef mij verlof en breng mij niet in verzoeking, want het is bekend dat niemand zo gek is op vrouwen als ik, en ik ben bang dat ik me niet kan inhouden als ik de vrouwen van de geelhuiden zie.' De Profeet zei dat het goed was en wendde zich van hem af. Het was over Djadd ibn Kais dat dit koranvers werd geopenbaard: En onder hen zijn er die zeggen: `Geef mij verlof en breng mij niet in verzoeking.' Maar zij zijn al voor de verzoeking gevallen! De hel zal de ongelovigen omsluiten. [9:49] dat wil zeggen: het was niet zozeer de verleiding van de vrouwen der geelhuiden die hij te duchten had; nee, de verleiding waarvoor hij viel was groter, namelijk dat hij achterbleef en niet meeging met de Profeet, en dat hij, in plaats van te doen wat deze wilde, liever deed waar hij zelf zin in had. God zegt: Achter hem is de hel! [14:16]
        Enige Halfhartigen zeiden tegen elkaar dat zij niet wilden uitrukken in die hitte; zij wilden zich onttrekken aan de oorlogsinspanning, zij twijfelden aan de waarheid en verspreidden valse geruchten over de Profeet. Over hen openbaarde God: Zij zeggen: `Rukt niet uit in de hitte!' Zeg: `Het vuur van de hel is nog heter', als ze dat eens begrepen! Laten zij dan weinig lachen en veel huilen, als hun verdiende loon!' [9:8]
        De Profeet spande zich zeer in voor de tocht droeg de mensen op zich met spoed gereed te maken. De rijken spoorde hij aan goederen en rijdieren ter beschikking te stellen voor de zaak Gods. Enige rijken leverden rijdieren en verwierven zich loon in het paradijs. Oethmaan ibn Affaan droeg het meest bij van iedereen.
       Toen er echter zeven arme moslims, die bekend zijn geworden als de Huilers, de Profeet om een rijdier kwamen vragen, had hij er geen voor hen. Zij gingen weg met tranen in hun ogen; zo erg vonden zij het dat ze de tocht niet konden bekostigen.
       Ik heb gehoord dat Ibn Jamien bij die gelegenheid twee van deze Huilers tegenkwam en vroeg waarom zij huilden. Zij zeiden dat zij de Profeet om een rijdier hadden gevraagd, maar dat hij er geen had en dat zij dus de hoop hadden opgegeven aan de tocht te kunnen deelnemen. Toen gaf hij hun een kameel die gewoonlijk water droeg; die konden zij als rijdier gebruiken. Verder gaf hij hun wat dadels voor onderweg en zo konden zij toch nog mee.
       Toen de Profeet op weg was gegaan sloeg hij zijn kamp op bij Thaniejjat al-Wadaa'. Abdallah ibn Oebajj sloeg een apart kamp op, iets lager dan hij, de kant van Dhoebaab op. Naar men zegt was dit niet het kleinste kamp. Toen de Profeet verder trok bleef Abdallah achter met de onwillige Halfhartigen en twijfelaars.
        De Profeet had Ali achtergelaten in Medina, om bij zijn familie te blijven en daarvoor te zorgen. De Halfhartigen verspreidden nu valse geruchten over hem en zeiden dat de Profeet hem thuis had gelaten omdat hij hem als een last beschouwde en van hem af wilde zijn. Toen Ali dat hoorde, greep hij zijn wapenen en reisde de Profeet na, die juist halt hield in Djoerf, en vertelde hem wat de Halfhartigen beweerden. De Profeet antwoordde: `Ze liegen! Ik heb je daar gelaten met het oog op de achterblijvers; je moet weer teruggaan en mijn plaats innemen in mijn familie en in de jouwe. Ben je niet tevreden, Ali, met een positie als die van Haroen bij Moesa, behalve dan dat er na mij geen Profeet meer komt?' Ali ging dus terug naar Medina en de Profeet vervolgde zijn weg.
       Aboe Chaithama kwam op een warme dag bij zijn gezin in Medina, toen de Profeet al was vertrokken. Twee van zijn vrouwen trof hij aan in loofhutten in zijn tuin. Allebei hadden zij hun hut nat gehouden en koel water en eten voor hem klaargezet. Toen hij thuiskwam bleef hij staan bij de ingang van de hut; hij keek naar zijn vrouwen en naar wat zij hadden klaargemaakt en zei: `De Profeet is buiten in de zon en de wind en de hitte; zou Aboe Chaithama dan in de koele schaduw zitten op zijn land, met een mooie vrouw, terwijl het eten klaarstaat? Dat is niet zoals het hoort. Nee, ik zal geen voet in jullie hutten zetten, maar mij aansluiten bij de Profeet; maak dus eten klaar voor onderweg!' Dat deden ze; toen zadelde hij zijn waterkameel en trok de Profeet achterna; pas bij Taboek haalde hij hem in. Onderweg werd Aboe Chaithama ingehaald door Oemair ibn Wahb, uit Djoemah, die ook op zoek was naar de Profeet, en ze reisden samen verder. Dichtbij Taboek gekomen zei Aboe Chaithama tegen Oemair. 'Ik heb iets goed te maken; het is beter dat jij achterblijft tot ik bij de Profeet ben geweest.' Toen hij dicht bij Taboek gekomen was, waar de Profeet halt hield, zeiden de mensen: 'Daar komt iemand aangereden over de weg.' `Laat het Aboe Chaithama zijn!' zei de Profeet, en inderdaad, hij was het. Nadat hij was afgestegen en de Profeet had gegroet, sprak deze hem bars toe, maar toen hij had verteld hoe het gegaan was, prees de Profeet hem en zegende hem.
       Toen de Profeet door het gebied van Hidjr kwam hield hij daar halt en de mannen putten water uit de bron. Maar 's avonds zei de Profeet: 'Drink niets van dat water en gebruik het ook niet bij de wassing voor de salaat. Als jullie er iets van hebben gebruikt om deeg te maken, voer dat dan aan de kamelen en eet er zelf niets van. Laat niemand van jullie vanavond alleen weggaan, maar ga met zijn tweeŽn.' Daaraan hielden de mensen zich, behalve twee mannen van de stam Sa'ida. De ene ging zijn behoefte doen, de andere ging een kameel zoeken. De eerste kreeg het aan zijn keel en de andere werd weggerukt door de wind en op een van de twee bergen van Tajji' neergeworpen. Toen de Profeet daarvan hoorde zei hij: `Had ik jullie niet verboden om alleen weg te gaan?' Hij bad voor de man die ziek was geworden en deze genas; de andere werd later door de mannen van Tajji' bij hem gebracht toen hij weer terug was in Medina.
        De volgende ochtend klaagden de mannen dat zij geen water hadden. De Profeet bad, waarop God een wolk zond en het liet regenen, zodat zij hun dorst konden lessen en het nodige water voor onderweg mee konden nemen.
       Asim ibn Oemar heeft vernomen van Mahmoed ibn Labied, dat deze op een vraag over de halfhartigheid antwoordde dat stamgenoten hem het volgende hadden verteld: Een man die als Halfhartige bekend stond trok met de Profeet overal naar toe. Bij die gebeurtenis in Hidjr, toen de Profeet bad en God die wolk zond, zodat de mannen hun dorst konden lessen, vroegen wij hem of hij nu nog niet overtuigd was. Maar hij antwoordde: 'Het was maar een wolk die toevallig overdreef.'
        De tocht werd voortgezet en er begonnen mannen achterop te raken. Telkens als de Profeet werd gemeld dat deze of gene achterop was geraakt zei hij: 'Laat hem maar, want als er iets goeds in hem is, zal God hem weer met ons verenigen, en zo niet, dan heeft God ons van hem afgeholpen.' Ten slotte werd er gemeld dat Aboe Dzarr was achtergeraakt en dat zijn kameel het niet meer kon bijhouden. De Profeet sprak dezelfde woorden als tevoren. Aboe Dzarr kwam nauwelijks meer vooruit en toen zijn kameel helemaal niet meer wilde, nam hij zijn bagage op zijn eigen rug en volgde te voet het spoor van de Profeet. Er werd ergens halt gemaakt en plotseling riep iemand: Profeet, daar loopt iemand in zijn eentje over de weg!' 'Laat het Aboe Dzarr zijn!' zei de Profeet, en toen ze nog eens goed keken bleek hij het inderdaad te zijn. 'God zij Aboe Dzarr genadig,' zei de Profeet, 'hij loopt alleen, hij zal alleen sterven en alleen worden opgewekt.'
       Toen de Profeet Taboek bereikt had kwam de stadhouder van Aila, Joehanna ibn Roe'ba, die een vredesverdrag met hem sloot en de hoofdelijke belasting betaalde. Ook de bewoners van Djarbaa' en Adzroeh kwamen de hoofdelijke belasting betalen. De Profeet schreef een document voor hen, dat zij nog steeds bezitten. Voor Joehanna schreef hij het volgende:
       'In naam van God, de barmhartige, de genaderijke. Dit is een garantie van God en Mohammed de Profeet, de gezant Gods, voor Joehanna ibn Roe'ba en de bewoners van Aila, voor hun schepen en karavanen te land en ter zee. Zowel zij zelf als alle SyriŽrs, Jemenieten en zeelieden die zich hij hen ophouden staan onder de bescherming van God en van Mohammed de Profeet. Als iemand van hen iets aan dit verdrag verandert zal hij met zijn bezittingen zijn leven niet kunnen redden; die vallen rechtmatig toe aan degene die ze neemt. Het gebruik van een bron mag hun niet worden belet, noch dat van een weg, te land of ter zee.'
       Daarna stuurde de Profeet Chalid ibn Walied naar Oekaidir van Doema. Oekaidir ibn Abd al-Malik, de koning van Doema, behoorde tot de stam Kinda; hij was christen. De Profeet zei tegen Chalid dat hij hem zou aantreffen bij de jacht op wilde koeien. Chalid trok op, tot hij de vesting in het oog kreeg. Het was een zomernacht met een heldere maan en Oekaidir bevond zich met zijn vrouw op het dak. De hele nacht schuurden de wilde koeien met hun horens tegen de poort van de vesting. 'Heb je ooit zoiets gezien,' zei zijn vrouw, 'dat kun je toch niet laten lopen?' Oekaidir riep om zijn paard, liet het zadelen en reed uit met een aantal familieleden, onder wie zijn broer Hassaan; hun jachtwapens hadden ze bij zich. Eenmaal uitgereden schieten zij op de ruiterij van de Profeet. Oekaidir werd gevangengenomen en zijn broer werd gedood. Oekaidir droeg een goudbrokaten gewaad. Chalid nam het hem af en stuurde het vooruit naar de Profeet.
       Asim ibn Oemar heeft mij meegedeeld dat Anas ibn Malik heeft verteld: Ik heb Oekaidirs gewaad gezien toen het bij de Profeet werd gebracht. De moslims betastten en bewonderden het aan alle kanten. Maar de Profeet zei: 'Vinden jullie dat zo mooi? Bij Hem in wiens hand mijn leven is, de servetten van Sa'd ibn Moe'aadz in het paradijs zijn veel mooier!'
        Chalid bracht Oekaidir daarna zelf bij de Profeet. Deze schonk hem het leven, hij sloot vrede met hem op voorwaarde dat hij de hoofdelijke belasting zou betalen en liet hem terugkeren naar zijn woonplaats.
       De Profeet verbleef ongeveer tien dagen in Taboek, niet langer. Daarna keerde hij terug naar Medina.

Het jaar negen, het jaar van de afvaardigingen
Top

Naarmate Mohammeds staat groeide kreeg het begrip `gemeenschap' (oemma) meer inhoud. Deze gemeenschap was een sociaal, politiek en religieus systeem dat de stammen overkoepelde, een soort superstam.
       Omvatte de islamitische staat in 630 Medina, Mekka en hun wijde omgeving, twee jaar later, toen Mohammed stierf, zouden de meeste stammen op het Arabisch schiereiland op de een of andere wijze met Medina zijn verbonden. Dit verband moet men zich niet te hecht voorstellen. Ettelijke stammen kregen ook vrijdom van belasting, of betaalden eenvoudig niet, of kwamen andere verbondsplichten niet na. Bovendien hebben zowel stammen als individuen zich graag laten voorstaan op een vroege bekering, terwijl zij in werkelijkheid misschien aanzienlijk later overgingen. Toch heerste er nu zoiets als een pax islamica: aan de voortdurende strijd was in principe een eind gekomen en Mohammeds agenten waakten over de vrede.
       Nu de vrede zich uitbreidde over de landstreken waarin sinds mensenheugenis was geroofd en gemoord, zou de bevolking snel toenemen, de strijders zouden in onderlinge strijd hun energie niet meer kwijt kunnen en buit viel er ook niet meer binnen te halen. Deze problemen vonden echter spoedig een oplossing, toen kort na Mohammeds dood in 632 SyriŽ, Irak, Egypte, ja, de halve wereld veroverd werd.
       De Arabische stammen waren natuurlijk niet hij toverslag in een kudde makke schapen veranderd. Waar mogelijk ontdoken zij hun verdragsverplichtingen, door de belastingen niet te betalen, maar ook in politiek en religieus opzicht: er zijn verscheidene `valse profeten' opgestaan, die andere ideeŽn hadden over het opbouwen van een staat. Na Mohammeds dood was er een aanzienlijk verloop onder de stammen. Zijn opvolger Aboe Bakr zag zich voor de taak gesteld de eenheid opnieuw tot een feit te maken.
       De Profeet heeft in zijn laatste levensjaar weinig militaire expedities meer laten uitvoeren. De Arabische geschiedschrijving vertelt over de pacificatie van ArabiŽ in de vorm van verslagen van `afvaardigingen' van de stammen die een pact kwamen sluiten met de Profeet. Er zijn verhalen over afvaardigingen van vele stammen, sommige anekdotisch vormgegeven, andere eerder als een juridisch document.
       Na de inneming van Mekka, de expeditie naar Taboek en de bekering en eed van trouw van Thakief kwamen uit alle windstreken de afvaardigingen van de Arabische stammen naar de Profeet. Zij hadden gewacht om eerst eens te zien hoe het met Koeraisj en de Profeet zou aflopen. Want de Koeraisjieten golden voor iedereen als voorgangers en leiders, zij waren de hoeders van het heiligdom en de zuivere nakomelingen van Isma'iel, de zoon van Ibrahiem; dat werd door de leiders van de Arabieren niet betwist. Het waren ook de Koeraisjieten geweest die de Profeet de oorlog hadden verklaard. Maar nu Mekka was ingenomen en Koeraisj zich had onderworpen aan de islam, begrepen de Arabieren dat zij niet in staat waren oorlog tegen de Profeet te voeren en hun vijandschap vol te houden en 'kwamen in drommen tot Gods godsdienst', zoals het in Gods Woord heet, en uit alle windstreken. God spreekt daarover tot Zijn Profeet: Als Gods hulp komt en de ovenwinning, en je de mensen in drommen tot Gods godsdienst ziet komen, prijs dan je Heer en vraag Hem om vergeving; Hij is vergevend. [110:1-3] Dat wil zeggen: loof God omdat Hij je godsdienst de overwinning heeft geschonken.

De gezant van de koningen van Himjar
Top

Na de terugkeer van de Profeet uit Taboek bracht een gezant van de koningen van Himjar hem een brief aangaande hun overgang tot de islam en hun verzaking van het heidendom. De Profeet schreef hun:

       `In naam van God, de barmhartige, de genaderijke. Van Mohammed de gezant van God, de Profeet, aan Harith ibn Abd Koelaal, aan Noe'aim ibn Abd Koelaal en aan Noe'maan, vorst van Dzoe Roe'ain, Ma'afir en Hamdaan. Ik prijs de enige God, naast wie er geen andere is. Uw gezant heeft ons bereikt bij onze terugkeer uit het land van de Romeinen. Wij hebben hem in Medina ontmoet en kenmis genomen van hetgeen u meedeelt: dat u tot de islam bent overgegaan en de heidenen hebt gedood. God heeft u daarbij geleid. Doet wel en gehoorzaamt God en Zijn gezant. Verricht de salaat, brengt de zakaat op en Gods vijfde van iedere buit: het aandeel van de Profeet en zijn eerste keus; voorts de belasting op land die gelovigen moeten opbrengen: een tiende van hetgeen wordt bewaterd door bronnen en hemelwater; een twintigste van hetgeen wordt bewaterd met emmers; per veertig kamelen een tweejarige kamelin, per dertig kamelen een jonge mannelijke kameel, per vijf kamelen een schaap, per tien kamelen twee schapen, per veertig runderen een rund, per dertig runderen een eenjarig koekalf of stierkalf, per veertig schapen een schaap. Dit is hetgeen God de gelovigen aan belasting heeft opgelegd. Degene die meer opbrengt strekt dat tot heil. Wie dit vervult, zijn islam belijdt en de gelovigen bijstaat tegen de heidenen, die behoort tot de gelovigen in rechten en plichten; hij geniet de bescherming van God en Zijn gezant. Als een jood of christen moslim wordt, behoort hij tot de gelovigen in rechten en plichten. Wie jood of christen bljft wordt daarvan niet afgebracht. Hij moet een hoofdelijke belasting betalen: voor iedereen, man of vrouw, vrije of slaaf, een volle dinar, naar het gewicht van Ma'afir, of het equivalent in textiel. Wie dat voldoet aan de gezant Gods geniet de bescherming van God en Zijn gezant; wie hem dat onthoudt is een vijand van God en Zijn gezant.'

       `De gezant van God, Mohammed de Profeet, aan Zoer'a Dzoe Jazan. Mijn afgezanten beveel ik bij u aan: Moe'aadz ibn Djabal, Abdallah ibn Zaid, Malik ibn Oebada, Oekba ibn Namir, Malik ibn Moerra en hun metgezellen. Verzamelt de belasting en de hoofdelijke belasting uit uw provincies en draagt die over aan mijn afgezanten. Hun leider is Moe'aadz ibn Djabal. Laat hem niet ontevreden terugkeren. Mohammed belijdt dat er geen god is dan God en dat hij Zijn knecht en Zijn gezant is. Malik ibn Moerra heeft mij verteld dat u als eerste van Himjar tot de islam bent overgegaan en de heidenen hebt gedood. Ik wens u geluk en beveel Himjar in uw zorgen aan: pleegt geen verraad en weest niet nalatig, want de gezant van God komt op voor zowel de rijken als de armen onder u. De belasting valt niet toe aan Mohammed of zijn familie; het is een zakaat die wordt verdeeld onder arme moslims en reizigers. Malik heeft het nieuws overgebracht en vertrouwelijke zaken voor zich gehouden. Ik beveel hem bij u aan. Ik heb u enige van mijn beste mensen gezonden, gelovige en geleerde mannen en ik beveel hen bij u aan, want u hebt hen te beschermen. Gegroet, en de genade en zegen van God zijn met u.'
       

Moesailima, de leugenprofeet
Top

Nog tijdens het leven van de Profeet traden twee leugenprofeten op: Moesailima ibn Habieb bij de stam Haniefŗ in Jamama en Aswad ibn Ka'b in Sana.

        Een zegsman die ik niet wantrouw bericht mij dat Aboe Hoeraira de Profeet heeft horen zeggen: De jongste dag zal niet aanbreken voordat dertig antichristen zijn opgestaan, die allen beweren dat zij profeten zijn.

       Moesailima had de Profeet als volgt geschreven: 'Van Moesailima de gezant Gods aan Mohammed de gezant Gods. Vrede over u! Ik ben u tot deelgenoot in de macht gemaakt. De helft van het land behoort aan ons en de andere helft aan Koeraisj, maar Koeraisj is een vijandig volk.'
       Deze brief was door twee boden gebracht.
       Een oude man uit de stam Asjdja' vernam van zijn stamgenoot Salama ibn Noe'aim, die het van zijn vader had: Nadat de Profeet die brief had gelezen, hoorde ik hem aan de boden vragen: 'En wat vinden jullie ervan?'
        'Wij denken er net zo over als hij; zeiden zij.
       `Bij God, als het was toegestaan om boden ter dood te brengen, zou ik jullie onthoofden!'
       Aan Moesailima schreef hij terug: 'In de naam van God, de barmhartige, de genaderijke. Van Mohammed de gezant van God aan Moesailima de leugenaar. Vrede met wie de leidraad volgt. [20:47] De aarde behoort aan God. Hij doet haar beŽrven wie van Zijn knechten Hij wil. De einduitkomst is voor de godvruchtigen.' [7:128]
        Dit was aan het eind van het jaar 10 [632].

De afscheidsbedevaart
Top

In het begin van de maand dzoe al-ka'da in het jaar 10 [632] trof de Profeet voorbereidingen voor de bedevaart naar Mekka en droeg de gelovigen op hetzelfde te doen.
       Abd ar-Rahmaan ibn Kasim vernam via zijn vader een bericht van A'isja, de vrouw van de Profeet: De Profeet ging op bedevaart op de vijfentwintigste dzoe al-ka'da. Noch hij, noch iemand anders sprak over iets anders dan de bedevaart. De Profeet en sommige edelen hadden een offerdier meegenomen. In Sarif aangekomen zei hij dat degenen die geen offerdier hadden de gewijde staat moesten afleggen en zich moesten beperken tot een bezoek aan het heiligdom. Die dag werd ik ongesteld. Ik zat een beetje te huilen; de Profeet kwam binnen, vroeg wat er aan de hand was en ried wat het was. Ik zuchtte: 'Ja, ik wou dat ik dit jaar niet was meegegaan.' Maar hij zei: 'Dat moet je niet zeggen, want je kunt de hele bedevaart meemaken, behalve de ommegang rondom de Kaaba.'
       Toen de Profeet Mekka Betrad legden allen die geen offerdier bij zich hadden de gewijde staat af, en zo ook de vrouwen. Op slachtdag werd mij een heleboel rundvlees bezorgd, dat werd neergelegd in mijn huis. Toen ik vroeg wat dat was, werd er gezegd dat de Profeet koeien had geslacht voor zijn vrouwen. In de nacht van het steenwerpen stuurde de Profeet mij met mijn broer Abd ar-Rahmaan naar Tan'iem en liet mij vandaar uit alsnog het bezoek aan het heiligdom afleggen, in plaats van het bezoek dat ik gemist had.
       Daarop vervolgde de Profeet zijn bedevaart en onderwees de gelovigen de ceremoniŽn daarvan. Hij hield een toespraak waarin hij vele dingen uiteenzette. Na de lofprijzing te hebben uitgesproken zei hij: 'Mensen, luistert naar mijn woorden, want ik weet niet of ik u na dit jaar ooit nog op deze plaats zal ontmoeten. Uw bloed en uw bezit zijn heilig tot u uw Heer zult ontmoeten, zoals deze dag en deze maand heilig zijn. Uw Heer zult u zeker ontmoeten, Hij zal u vragen naar uw werken; dat heb ik u al gezegd. Wie een onderpand heeft, laat die het teruggeven aan degene die het hem heeft toevertrouwd. Alle woeker is afgeschaft, maar uw kapitaal is van u. Doet geen onrecht en u zal geen onrecht worden aangedaan. God heeft beschikt dat er geen woeker is; al de woeker van Abbaas ibn Abd al-Moettalib is afgeschaft. ledere bloedschuld uit de heidentijd is vervallen. De eerste bloedschuld die ik afschaf is die van Ibn Rabie'a ibn Harith ibn Abd al-Moettalih. Voorts: de Satan heeft geen hoop meer in dit land ooit nog aanbeden te worden, maar hij is al tevreden als hij gehoorzaamd wordt in andere zaken die u misschien onbeduidend acht. Hoedt u dus voor hem in uw godsdienst! Het instellen van een schrikkelmaand is een overmaat aan ongeloof. Daardoor worden degenen die ongelovig zijn misleid. Zij verklaren hem het ene jaar ongewijd en het andere jaar gewijd, om gelijk te komen met het aantal dat God gewijd heeft verklaard. Zo verklaren zij ongewijd wat God gewijd heeft verklaard, [9:39] en gewijd wat God niet gewijd heeft verklaard. De tijd heeft zijn cyclus voltooid en is als op de dag dat God de hemelen en de aarde heeft geschapen. Het aantal maanden is bij God twaalf, [...] daarvan zijn er vier gewijd. [9:36]. Het zijn drie opeenvolgende maanden en radjab zoals die bij de stam Moedar is, tussen djoemada en sja'baan. Voorts: u en uw vrouwen hebt rechten en plichten jegens elkaar. U hebt het recht dat zij uw bed niet onteren niet een ander en zich niet overgeven aan kennelijke ontucht. Als zij dat toch doen staat God u toe, haar bed te mijden en haar te slaan, [Vgl. koran 4:34] maar niet te hard. Doen zij echter zulke dingen niet, dan hebben zij rechtop onderhoud en kleding in redelijkheid [2:233]. Hebt het goede met hen voor, want zij zijn gevangenen bij u, die niets van zichzelf bezitten. U hebt hen ontvangen van God, als een toevertrouwd goed, en hun geslachtsdelen zijn geoorloofd voor u krachtens de woorden Gods. Slaat acht op mijn woorden, mensen, want ik heb het u gezegd. Ik laat u iets na waardoor u nooit zult afdwalen, wanneer u daaraan vasthoudt: een duidelijke opdracht, het Boek Gods en het gebruik (soenna) van Zijn Profeet. Mensen, luistert naar mijn woorden en slaat er acht op: weet dat de ene moslim een broeder is voor de andere, ja, dat de moslims broeders zijn. Een man mag van zijn broeder slechts nemen wat deze hem willens geeft. Dus doet u zelf geen onrecht. 0 God, heb ik het gezegd?'
       'O God, ja!' zouden de mensen toen geroepen hebben, en de Profeet besloot met de woorden: `O God, wees getuige!'
       Abdallah ibn abi Nadjieh heeft mij meegedeeld dat de Profeet tijdens het `staan' te Arafa heeft gezegd: `Dit is de statie, met inbegrip van de berg erboven; heel Arafa is statie.'
        En toen hij op de Koezah stond, op de ochtend van Moezdalifa, zei hij: `Dit is de statie; heel Moezdalifa is statie'
        Vervolgens zei hij, nadat hij had geslacht op de slachtplaats in Mina: `Dit is de slachtplaats; heel Mina is slachtplaats.'
        De Profeet voltooide zijn bedevaart; hij toonde de moslims de ceremoniŽn en bracht hen op de hoogte van Gods voorschriften betreffende de bedevaart: het 'staan', het steentjes werpen, de ommegang en wat Hij hun toegestaan en verboden had. Het was de bedevaart van de onderrichting en tevens de afscheidsbedevaart, omdat de Profeet daarna geen bedevaart meer heeft gemaakt.

Mohammeds ziekte en dood
Top

Mohammed is in 632 aan een onduidelijke ziekte gestorven. De moslims kunnen van christenen en joden hebben gehoord dat sommige profeten niet op de gewone wijze gestorven waren (Idries, Moesa, Iljaas en Iesa, ofwel Henoch, Mozes, Elia en Jezus). Hoe kon het dan dat de Profeet Mohammed was gestorven als ieder mens? De Traditie geeft het antwoord, dat Mohammed voor de keus is gesteld: sterven of langer leven, en dat hij toen de dood heeft gekozen. Zo werd zijn heengaan voor zijn volgelingen draaglijker.
       In de verhalen over het sterfbed komt even de jaloezie van de haremvrouwen aan de orde, maar meestal gaat het, al dan niet direct, om Mohammeds opvolging - als staatshoofd wel te verstaan, want als Profeet heeft hij geen opvolger gehad.
       De Profeet heeft geen opvolger aangewezen. De eerste vier kaliefen (dat is plaatsvervangers) waren Aboe Bakr (632-634) (2 jaar), die door de voornaamste gezellen bij acclamatie werd aanvaard; 0emar (634-644) (10 jaar), die door zijn voorganger was aangewezen en daarna door de gezellen gehuldigd; Oethmaan ibn Affaan (644-656) (12 jaar), die door een raad van zes uit hun eigen midden werd gekozen; en Ali (656-660) (4 jaar), die een burgeroorlog heeft moeten voeren om het kalifaat.
        De overlevering verplaatst de latere discussies en de strijd om het kalifaat naar het sterfbed van de Profeet. Van de eerste vier kaliefen komen er drie in deze verhalen van Ibn Ishaak voor, en ook Abbaas, de voorvader van de latere Abbasiden-dynastie, speelt een rol.
        De Profeet stuurde Oesama ibn Zaid ibn Haritha naar SyriŽ met de opdracht een tocht te ondernemen met de ruiterij door de grensgebieden van Balkaa' en Daroem in Palestina. De mannen maakten zich gereed; alle eerste Emigranten zouden meegaan.
       Tijdens de voorbereidingen voor deze tocht begon de Profeet aan de ziekte te lijden waardoor God hem wilde opnemen in Zijn heerlijkheid en genade, kort voor het einde van de maand safar of in het begin van rabie' al-awwal. Naar verluidt begon het toen hij eens, midden in de nacht, naar de begraafplaats Bakie' al-Gharkad ging om voor de doden te bidden. Daarna ging hij terug naar huis en de volgende ochtend begon de pijn.
        Abdallah ibn Oemar heeft gehoord van Oebaid ibn Djoebair, en deze van Abdallah ibn Amr, die het had van Aboe Moewaihiba, een vrijgelatene van de Profeet: De Profeet maakte mij midden in de nacht wakker en zei dat hem was opgedragen daar voor de doden te gaan bidden en dat ik mee moest komen. Toen hij op de begraafplaats stond zei hij: `Gegroet, jullie in de graven. Jullie verkeren in een betere toestand dan de levenden. De verzoekingen komen als flarden duistere nacht, de ene na de andere, en de laatste zal erger zijn dan de eerste.' Daarop wendde hij zich tot mij en zei: `Aboe Moewaihiba, mij is de keus gegeven tussen de sleutels van de schatkamers van deze wereld, een lang leven hier en daarna het paradijs, of nu al mijn Heer te ontmoeten en het paradijs binnen te gaan.' Ik bezwoer hem dat hij het eerste zou kiezen, maar hij zei dat hij had gekozen zijn Heer reeds nu te ontmoeten en het paradijs binnen te gaan. Toen bad hij om vergeving voor de doden, en nadat hij de begraafplaats had verlaten begon de ziekte waardoor God hem tot zich nam.
       Ja'koeb ibn Oetba vertelt gehoord te hebben van az-Zoehri, op gezag van Oebaidallah ibn Abdallah, dat A'isja, de vrouw van de Profeet, heeft verteld: Toen de Profeet terugkwam van de begraafplaats had ik hoofdpijn en ik kreunde: `O, mijn hoofd!'
        `Nee A'isja; zei de Profeet, `dat kan ik beter zeggen: o mijn hoofd!' en hij vervolgde: `Zou het zo erg voor je zijn als jij eerder stierf dan ik? Dan zou ik over je waken, je afleggen, de salaat bij je verrichten en je begraven.'
       Ja, ik zie het voor me,' antwoordde ik, `en als je dat gedaan had zou je zeker weer teruggaan naar mijn huis om hier bruiloft te vieren met een van je andere vrouwen!'
        Toen glimlachte de Profeet. De pijn werd erger terwijl hij de ronde deed langs zijn vrouwen, en in het huis van Maimoena werd hij er geheel door overmand. Hij riep zijn vrouwen bij elkaar en vroeg hun toestemming om in mijn huis te worden verpleegd. Dat vonden ze goed.
        De Profeet kwam mijn huis binnen terwijl hij steunde op twee mannen uit zijn familie, Fadl ibn Abbaas en nog een ander; hij had zijn hoofd in het verband en zijn voeten sleepten over de grond.
       De Profeet kwam mijn huis binnen terwijl hij steunde op twee mannen uit de familie, Fadl ibn Abbaas en nog een ander; hij had zijn hoofd in het verband en zijn voeten sleepten over de grond.
        (Oebaidallah heeft hierover nog gezegd: Dit verhaal van A'isja vertelde ik aan Abdallah ibn Abbaas en die zei: `Weet je wie die andere man was? Ali, maar A'isja kon het niet over zich verkrijgen om iets goeds over hem te zeggen, hoewel ze dat toch best had kunnen doen.')
        Toen de pijnen steeds erger werden zei de Profeet: `Giet zeven zakken water uit verschillende bronnen over mij heen, zodat ik naar buiten kan om opdrachten te geven' Wij zetten hem in een tobbe van Hafsa bint Oemar en goten water over hem heen tot hij begon te roepen: `Genoeg, genoeg!'
        Az-Zoehri heeft vernomen van Ajjoeb ibn Basjier: De Profeet kwam naar buiten met zijn hoofd in het verband en ging op de kansel zitten. Eerst verrichtte hij langdurig salaats voor de gevallenen van Oehoed en bad om vergeving voor hen. Daarop zei hij: `God heeft een van zijn knechten de keus gegeven tussen deze wereld en het verblijf bij Hem, en die knecht heeft het laatste gekozen.' Aboe Bakr begreep dat hij zichzelf bedoelde en zei huilend: `Nee, nee, alstublieft!' `Kalm, Aboe Bakr. zei de Profeet en vervolgde: 'Let op deze deuren, die uitkomen op de moskee; sluit ze af, behalve die van Aboe Bakrs huis, want ik ken geen van mijn gezellen die zo'n grote steun voor mij is als hij.'
       Abd ar-Rahmaan ibn Ahdallah geeft een bericht van iemand uit de familie van Sa'ied ibn al-Moe'alla: De Profeet zei die dag in zijn toespraak: 'Als ik onder de mensen een vriend kon kiezen, dan zou ik Aboe Bakr tot vriend nemen, maar kameraadschap en broederschap in het geloof duren totdat God ons hij Zich verenigt'
        Moehanmad ibn Dja'far ibn Zoebair heeft gehoord van Oerwa ibn Zoebair en andere geleerden: De Profeet vond dat de mensen tijdens zijn ziekte niet erg opschoten met de voorbereidingen voor de veldtocht van Oesama ibn Zaid. Daarom kwam hij naar buiten, met een verband om zijn hoofd, en ging op de kansel zitten. Het was namelijk zo dat de mensen kritiek hadden op de benoeming van Oesama tot bevelhebber; ze vonden hem veel te jong om het bevel te voeren over bet puik van de Emigranten en de Helpers. Na God naar behoren te hebben geprezen zei de Profeet: `Mannen, laat Oesama's veldtocht doorgaan, want al hebben jullie bezwaren tegen zijn bevelhebberschap, zoals voorheen tegen dat van zijn vader, hij is er even geschikt voor als zijn vader.' Daarop kwam de Profeet van de kansel af en de mensen maakten meer haast met hun voorbereidingen. De pijn van de Profeet werd heviger en Oesama trok uit met zijn leger tot Djoerf, een uur gaans van Medina. Daar sloegen ze een kamp op en de mensen bleven toestromen. Toen de Profeet ernstig ziek werd bleven Oesama en zijn mannen daar om te zien wat God over Zijn gezant zou beschikken.
       Sa'ied ibn Oebaid ibn Sabbaak bericht dat Oesama ibn Zaid aan zijn zoon Moehammad heeft verteld: Toen de Profeet ernstig ziek was kwam ik met mijn mannen naar Medina en bracht hem een bezoek. Hij kon toen niet meer spreken; hij begon zijn hand op te heffen ten hemel en liet hem neer op mij, waaruit ik begreep dat hij mij wilde zegenen.
       Az-Zoehri heeft vernomen van Abdallah ibn Ka'b ibn Malik: Op dezelfde dag dat de Profeet salaats verrichtte en om vergeving bad voor de gevallenen van Oehoed zei hij ook: `Emigranten, behandelt de Helpers goed, want andere groepen nemen toe in aantal, maar de Helpers niet. Zij zijn mijn steun en toeverlaat geweest. Dus wees goed voor hen als zij goed doen en zie het door de vingers als zij kwaad doen.' Daarop kwam de Profeet van de kansel af en ging naar binnen. Zijn pijn werd nu zo hevig dat hij het bewustzijn verloor.
       Enige van zijn vrouwen kwamen op bezoek terwijl ook zijn oom Abbaas hij hem was: Oemm Salama en Maimoena en nog een paar. Zij besloten een medicijn bij hem naar binnen te gieten. Abbaas zei nog: `Laat mij het doen!' maar de vrouwen deden het. Toen de Profeet weer bijkwam vroeg hij wie dat had gedaan en ze zeiden: 'Je oom,' waarop deze zei: `Dit is een medicijn dat vrouwen uit dat land hebben meegebracht,' en hij wees in de richting van EthiopiŽ. Toen de Profeet vroeg waarom ze dat gedaan hadden zei zijn oom: `Wij waren bang dat je pleuritis had.' Hij antwoordde: `Dat is een ziekte die God mij niet zou aandoen; laat iedereen in dit buis dat medicijn naar binnen gegoten krijgen, behalve mijn oom.' Zelfs Maimoena kreeg het opgedrongen, hoewel zij vastte, omdat de Profeet het had gezworen, als straf voor wat ze hem hadden aangedaan.
        Az-Zoehri vernam van Oebaid ibn Abdallah ibn Oetba, die het had gehoord van A'isja: Ik heb de Profeet dikwijls horen zeggen: 'God neemt geen profeet tot zich zonder hem de keus te geven.' Toen de Profeet op sterven lag was het laatste dat ik hem hoorde zeggen: 'Nee, liever de hoogste vriendenschaar in het paradijs.' Dan kiest hij ons dus niet, dacht ik, en toen begreep ik pas wat die woorden betekenden: dat een profeet niet sterft zonder dat hem de keus is gegeven.
       Az-Zoehri hoorde van Hamza ibn Abdallah, dat A'isja heeft verteld: Toen de Profeet zwaar ziek was zei hij: `Zeg dat Aboe Bakr de mensen voorgaat in de salaat!'
       'Profeet; antwoordde ik, 'mijn vader is een gevoelig man met een zwakke stem, en als hij de koran leest huilt hij vaak.'
       `Zeg dat Aboe Bakr de mensen voorgaat in de salaat!' zei hij nogmaals, en toen ik mijn bezwaren herhaalde voegde hij eraan toe: `Jullie vrouwen zijn net als degenen die Joesoef begeerden. Zeg hem dat hij de mensen voorgaat in de salaat!'

        Maar ik had die dingen alleen maar gezegd om mijn vader te ontzien, want ik begreep wel dat de mensen nooit zouden houden van een man die de plaats van de Profeet innam en dat ze hem de schuld zouden geven van iedere tegenslag, en daarom wilde ik dat hem dat bespaard zou blijven.
        Az-Zoehri bericht ook van Abd al-Malik ibn Abi Bakr ibn Abd ar-Rahmaan, via diens vader, dat Abdallah ibn Zam'a heeft verteld: Toen de Profeet zwaar ziek was en ik met enkele anderen bij hem op bezoek was, riep Bilaal hem voor de salaat. De Profeet zei tegen mij: 'Zeg dat iemand anders de mensen voorgaat in de salaat.' Ik ging dus naar buiten en trof daar Oemar aan; Aboe Bakr was er niet. Daarom zei ik tegen Oemar dat hij moest voorgaan, en dat deed hij. Maar zodra de Profeet zijn stem hoorde tijdens het Alllahoe akbar ó want 0emar had een krachtige stem ó vroeg hij: 'Waar is Aboe Bakr? Dit willen God en de moslims niet!' Er werd iemand gestuurd ons Aboe Bakr te halen, maar toen hij aankwam was Oemar al klaar met de salaat. Oemar zei tegen mij: 'Ibn Zam'a, wat heb je nu gedaan? Ik dacht dat de Profeet jou had opgedragen mij dat te zeggen; anders was ik niet voorgegaan.' `Nee,' zei ik, 'dat heeft de Profeet mij niet opgedragen, maar toen ik Aboe Bakr niet kon vinden dacht ik dat u het meeste recht had om voor te gaan.'
       Verder bericht az-Zoehri op gezag van Anas ibn Malik: Toen de maandag was aangebroken waarop God Zijn Profeet tot zich nam, kwam deze naar buiten terwijl de gelovigen de ochtend-salaat verrichtten. Het gordijn ging omhoog, de deur ging open en de Profeet bleef bij de deur van A'isja's huis staan. Bijna werden de moslims afgeleid van de salaat, zo blij waren ze dat ze hem zagen, en ze begonnen al van hun plaats te gaan, maar hij wenkte hun dat ze door moesten gaan met de salaat. De Profeet glimlachte omdat hij het zo'n mooi gezicht vond: al die mensen die de salaat verrichtten, en nog nooit heb ik hem zo stralend zien kijken als op dat ogenblik. Toen ging hij weer naar binnen, de mensen liepen weg, in de gedachte dat de Profeet weer beter was, en Aboe Bake ging terug naar zijn gezin in Soenh.
        Van Moehammad ibn Ibrahiem komt het bericht van Kasim ibn Moehammad: Toen de Profeet tijdens de salaat Oemar het allahoe akbar hoorde roepen zei hij: `Waar is Aboe Bakr; dit willen God en de moslims niet.' En de moslims zouden er niet aan twijfelen dat hij met deze woorden Aboe Bakr tot opvolger had aangewezen als Oemar niet later op zijn sterfbed had gezegd: `Als ik een opvolger aanwijs, bedenk dan dat iemand beter dan ik dat ook heeft gedaan, en als ik het aan hen zelf overlaat, bedenk dan dat iemand beter dan ik dat ook heeft gedaan.' (Aboe Bakr beeft Oemar als zijn opvolger aangewezen) Toen begrepen de mensen pas dat de Profeet geen opvolger had aangewezen, en Oemar werd er niet van verdacht aangaande Aboe Bakr te hebben gelogen.
        Aboe Bakr ibn Abdallah ibn abi Moelaika heeft mij verteld: Op maandagmorgen kwam de Profeet buiten met een verband om zijn hoofd en begaf zich naar de salaat, die werd voorgegaan door Aboe Bakr. Toen de Profeet eraan kwam liepen de mensen van hun plaats en Aboe Bakr begreep dat ze dat alleen om de Profeet deden, dus hij ging opzij, maar de Profeet duwde hem in zijn rug en zei dat hij moest doorgaan, terwijl hij zelfde salaat zittend verrichtte, rechts van Aboe Bakr. Na de salaat richtte hij zich tot de gelovigen en sprak hen toe met zo'n krachtige stem dat het buiten de poort van de moskee te horen was: 'Mensen, het vuur is opgestookt en de verzoekingen komen als flarden duistere nacht. Jullie kunnen mij niets ten laste leggen: ik heb alleen geoorloofd verklaard wat de koran geoorloofd heeft verklaard en verboden verklaard wat de koran verboden heeft: Toen de Profeet deze toespraak had beŽindigd zei Aboe Bakr: 'Profeet, ik zie dat God u vandaag Zijn gunst en goedheid betoont, zoals wij dat gaarne zien. Nu is het vandaag de dag waarop ik altijd bij Bint Charidja ben; mag ik naar haar toegaan?' Dar vond de Profeet goed. Hij ging weer naar binnen en Aboe Bakr ging naar zijn gezin in Soenh.
       Az-Zoehri heeft verteld: Abdallah ibn Ka'b ibn Malik heeft gehoord van Abdallah ibn Abbaas: Toen Ali bij de Profeet vandaan kwam werd hem gevraagd hoe het nu met hem ging. `Hij is weer beter, God zij dank; zei Ali. Abbaas greep hem echter bij de hand en zei: 'Ali, over drie dagen ben jij de verschoppeling! lk zweer je bij God: ik heb de dood gezien op het gezicht van de Profeet, zoals ik hem vroeger heb herkend bij de zonen van Abd al-Moettalib. Laten we dus naar hem toegaan, en als de macht ons toevalt dan weten we dat, en zo niet, dan vragen we of hij ons bij de mensen wil aanbevelen.' Maar Ali zei: 'Nee, dat doe ik niet, want als wij de macht nu niet krijgen, dan zal later zeker niemand ons die geven.' De Profeet stierf op die dag tijdens de middaghitte.
       Een bericht van A'isja, tot mij gekomen via Oerwa, az-Zoehri en Ja'koeb ibn Oetba, luidt als volgt: Die dag kwam de Profeet bij mij terug uit de moskee en legde zijn hoofd in mijn schoot. Toen kwam er iemand uit mijn vaders familie, die een groene tandenborstel (miswak) in zijn hand had. Uit de manier waarop de Profeet ernaar keek begreep ik dat hij hem wilde hebben en ik vroeg hem of hij die wilde hebben. `Ja,' zei hij, dus ik gaf hem de tandenborstel, nadat ik erop had gekauwd om hem zacht te maken. Hij wreef er zo krachtig mee over zijn tanden als ik het hem nog nooit had zien doen, en legde hem weg. Ineens vond ik dat hij zo zwaar aanvoelde en toen ik hem in zijn gezicht keek waren zijn ogen al star. `Ja; zei hij nog, `de hoogste vriendenschaar in het paradijs!' Ik zei: `Bij Hem die je met de Waarheid heeft gezonden: je bent voor de keus gesteld en dit heb je dus gekozen.' Toen gaf hij de geest.
       Jahja ibn Abbaad ibn Abdallah ibn Zoebair vertelt dat zijn vader A'isja heeft horen zeggen: De Profeet stierf aan mijn borst; het was mijn beurt en ik heb daar niemand onrecht mee aangedaan. Het kwam door mijn onervarenheid en mijn jonge leeftijd dat hij aan mijn borst stierf. Ik legde zijn hoofd op een kussen en begon mij op de borst en in het gezicht te slaan, samen met de andere vrouwen.
        Az-Zoehri hoorde van Sa'ied ibn Moesajjab, die het had van Aboe Hoeraira: Toen de Profeet was gestorven stond Oemar op en nam het woord: `Sommige Halfhartigen beweren dat de Profeet is gestorven. Maar hij is niet gestorven: hij is naar zijn Heer gegaan, zoals Moesa, die veertig dagen is weggebleven van zijn volk en daarna is teruggekeerd, nadat men al gezegd had dat hij gestorven was. Bij God, de Profeet zal terugkeren zoals Moesa en zal degenen die beweren dat hij is gestorven de handen en voeten laten afhakken.'
       Toen Aboe Bakr hoorde dat Oemar een toespraak hield begaf hij zich naar de poort van de moskee, en zonder ergens acht op te slaan liep hij door naar het huis van A'isja; waar de Profeet lag opgebaard onder een mantel van Jemenitische stof. Hij lichtte de mantel op, kuste zijn gezicht en zei: 'U die mij dierbaarder bent dan mijn vader en moeder, u hebt de dood gesmaakt die God voor u heeft beschikt, en een tweede dood zal u niet treffen.' Daarop legde hij de mantel terug en ging naar buiten, waar Oemar nog steeds de mensen toesprak. `Stil Oemar, houd je mond,' zei hij. Maar Oemar praatte gewoon door. Toen richtte Aboe Bakr zelf het woord tot de gelovigen, en zodra ze zijn woorden hoorden liepen ze bij Oemar weg en kwamen naar hem luisteren. Na de lofprijzing zei hij: 'Mensen, als iemand Mohammed aanbidt: Mohammed is dood, maar als iemand God aanbidt: God leeft en zal niet sterven.' Vervolgens droeg hij het koranvers voor: 'Mohammed is slechts een gezant; gezanten vůůr hem zijn heengegaan. Als hij sterft of gedood wordt, zult u dan op uw schreden terugkeren? Wie op zijn schreden terugkeert, die zal aan God geen schade doen. Maar de dankharen zal God belonen. [3:144]
        Bij God, het was alsof de gelovigen niet wisten dat dit vers was geopenbaard tot Aboe Bakr het hun op die dag voordroeg. Zij namen het vers van hem over en het was op ieders lippen. Oemar zei later: 'Bij God, nauwelijks had ik Aboe Bakr dit vers horen voordragen of ik raakte volkomen in de war, mijn benen konden mij niet meer dragen en ik viel op de grond. Nu wist ik dat de Profeet werkelijk gestorven was.'

        Toen de Profeet gestorven was, waren de moslims diep terneergeslagen. Naar ik verneem heeft A'isja gezegd: Toen de Profeet was gestorven, werden de Arabieren afvallig, staken christendom en jodendom de kop weer op en trad de halfhartigheid aan het licht. De moslims waren als schapen in de regen op een winternacht, nu zij de Profeet verloren hadden, totdat God hen verenigde onder Aboe Bakr.

WAL HAMDULILLAHI RABBIL `ALAMIEN

Top

Terug naar Haroen`s Religie pagina