Door drs. Ibrahim Bayrak

In de naam van Allah, de Barmhartige, de Genadevolle.


Persoonsbeschrijving van de Profeet Mohammad Sallalahu 'alaihi wasalam

AL HAMDULILLAHI RABBIL `ALAMIEN 
AS SALAATU WASSALAAMU `ALA RASULENAA MUHAMMED
WA `ALAA AALIHIE WE SAHBIHIE ADJMA`IEN.

De lof is aan Allaahu Ta`ala . Wij prijzen Allaahu Ta`ala en vragen Zijn hulp en vergiffenis. Wij zoeken onze toevlucht bij Allaahu Ta`ala voor al het kwade die van de shaytan (satan) en onze nafs (ego) komt. Als Allaahu Ta`ala iemand op de rechte weg leidt, is niemand in staat hem te misleiden. En als Allaahu Ta`ala iemand misleidt, is niemand in staat hem op het rechte pad te krijgen. Wij getuigen dat er geen godheid is dan Allaahu Ta`ala en wij getuigen ook dat Muhammad Sallalahu 'alaihi wasalam Zijn dienaar en Zijn Gezant is.

As-salaat (gebeden) en as-salaam (groetenis) zijn voor de laatste der Rasoel (Boodschapper) en de Nabie (profeet) van Allaahu Ta`ala, Muhammad Mustafa.Sallalahu 'alaihi wasalam As Salaam aan hem die de mensheid uit de duisternis van ongeloof en onrecht heeft gehaald en As Salaam aan een ieder die zijn boodschap volgt.

 

Rasoelullaah Sallalahu 'alaihi wasalam was van middelbare gestalte, hij was niet te lang en ook niet te kort.

Zijn handen en voeten waren groot.

Zijn vingers en tenen waren dik en lang.

Hij had brede behaarde voeten, zonder eelt of andere oneffenheden.

Als hij water over zijn voeten goot, stroomde het alle kanten op.

Hij had een krachtig hoofd.

Hij had een open voorhoofd.

Zijn schouders, knien en polsen waren bottig.

Hij was stevig vierkant gebouwd.

Hij had veel haren op zijn armen schouders en borst, en de haren groeiden in een dunne streep tot zijn navel.

Hij had een hooggekleurd, rood tot blank, gelaat, gladde wangen, een lang gevulde baard en golvend goudbruin haar tot aan zijn oorlellen.

Zijn haar kamde hij naar links en rechts in een scheiding of liet het zoals het was.

Tot zijn dood had hij niet meer dan twintig grijze haren.

Zijn hoofdharen en baardharen waren tussen krul- en stijlhaar in.

Als hij liep, liep hij snel en krachtig met grote stappen en zijn gezicht naar beneden gericht, alsof hij een berg afdaalde.

Als het niet nodig was keek hij niet om zich heen.

Hij keek vaker naar de hemel dan naar de grond.

Als hij toch ergens naar moest kijken deed hij dat met zijn ooghoek.

Als hij met zijn metgezellen liep, liep hij achteraan.

En als hij mensen tegen kwam gaf hij hen de salaam.

Zijn gezicht glom als de volle maan.

Een ader, die bij ontevredenheid opzwol, liep over het voorhoofd van het begin van zijn arendsneus tussen de wenkbrauwen, die zuiver gebogen waren en zeer dicht bijeen stonden.

De appels van zijn grote ogen, door lange wimpers ingesloten, waren diep zwart met enige rode weerschijn, en zijn blik was van ongemene scherpte.

Zijn mond was groot, zoals dat behoort bij de welsprekendheid.

Zijn parel witte tanden stonden voor in zijn mond enigszins uiteen.

De palm van zijn langvingerige handen was breed en zacht bij het aanraken, als een stof van fijne zijde.

Het Zegel der Profetie, bevond zich onder zijn hals tussen zijn schouders. Deze moedervlek was roodachtig, door enige haartjes omgeven, ter grootte van een tortelei.

Hij had een mooie nek die niet te lang en niet te kort was.

Hij had brede schouders.

Allaah had de verhouding van al zijn ledematen en organen perfect op elkaar afgestemd.

Al zijn spieren waren in goede conditie, zonder overtollige vetranden.

Hij had geen buikje; zijn buik en zijn borst waren op een lijn.

Hij was niet te dik en ook niet te dun.

De Profeet Sallalahu 'alaihi wasalam bewoog zich met een ernstige en statige afgemetenheid.

Onder alle omstandigheden behield hij zijn tegenwoordigheid van geest en wanneer hij zich omwendde deed hij dat met geheel het lichaam en niet zoals onnadenkende mensen, die slechts de hals draaien door het hoofd boven de schouders te bewegen.

Wees hij iets aan, dan deed hij dat met de volle hand, en niet met n of twee vingers.

Toonde hij zijn verwondering voor iets, dan loofde hij Allah, wendde zijn handpalmen ten hemel, schudde het hoofd, en beet zich op de lippen.

Wanneer hij iets bevestigde, tikte hij met de duim van zijn rechterhand tegen zijn geheel geopende linkerhand, om zijn verzekering kracht bij te zetten.

Was hij kwaad, dan werd zijn gelaat purper; hij streek met de hand over de baard en over het aangezicht, haalde diep adem, en riep uit: "Ik verlaat mij op Allah, de beste der lastgevers."

Hij sprak met weinig woorden, maar elk woord droeg verschillende betekenissen, sommige klaarblijkelijk, andere verborgen.

Wat de bekoring van zijn uitspraak betreft, die was van bovenmenselijke aard en ging recht naar het hart. Niemand kon haar weerstaan. Als hij iets zei, sprak hij langzaam met handgebaren en tussenpozen en hij herhaalde het tot zelfs drie maal, zodanig dat de luisteraar zijn woorden uit het hoofd kon leren.

De lach van de Profeet Sallalahu 'alaihi wasalam ging nooit boven een glimlach uit waarbij soms zijn parel witte tanden te zien waren. En als hij toch breeduit lachte bedekte hij zijn mond met de hand.

Hij was gelijkmatig van karakter, zonder koelte of stugheid.

Niemand van zijn metgezellen riep hem aan, of hij antwoordde onmiddellijk: "Hier ben ik".

Hij vermaakte zich met hun kinderen, die hij aan zijn borst drukte. Hij zette de zoons van zijn oom `Abbaas (ra) op een rij, en loofde een beloning uit aan degene die hem het eerst zou bereiken, waarop allen zich in zijn armen wierpen en op zijn knien gingen zitten

Voor alle aangelegenheden had hij belangstelling, voor die van de slaven en armen evengoed als voor die van de voornamen en rijken, en de begrafenis van de nederigste mu'mins woonde hij bij. Eens was hij woedend omdat men verzuimd had, hem op de hoogte te stellen van de dood van een arme neger, die de Moskee van de Profeet Sallalahu 'alaihi wasalam aanveegde, en hij liet zich zijn graf wijzen, waarop hij ging bidden.

Als een verzoeker hem iets in het oor wilde fluisteren om hem iets in het geheim te vertellen, boog hij zich tot over hem, tot hij was uitgesproken.

En nimmer trok hij zijn hand het eerst terug, als een bezoeker die genomen had. Hij wachtte, tot deze zijn hand uit eigen beweging terugtrok.

Hij heeft gezegd: " Men is slechts een goede muslim, wanneer men anderen toewenst, wat men zichzelf toewenst."

Nimmer, met zijn gezegende hand sloeg hij een vrouw of n van zijn slaven. Anas bin Maalik (ra), die hem tien jaar lang bediende, heeft gezegd: "Nimmer berispte hij mij. Nimmer zelfs vroeg hij mij: "Heb je dit gedaan, of waarom heb je dat niet gedaan ?"

Aboe Dharr (ra) heeft Rasoellullaah (sa) horen zeggen: "Zij zijn jullie broeders, de dienaren, die Allah onder uw gezag heeft gesteld. Wie de meester is van zijn broeder, moet hem geven van wat hij zelf eet en hem kleden, zoals hij zich zelf kleedt."

En van de Arabieren, die deel nam aan het gevecht bij Hunayn, heeft verteld: "Ik had dikke sandalen aan, en bij het gevecht trapte ik onopzettelijk op de voet van de Profeet Sallalahu 'alaihi wasalam, die uitriep: "Bij Allah, je hebt mij bezeerd!" en hij gaf mij een slag met de zweep, die hij in zijn hand hield. De gehele nacht bracht ik door met mij te verwijten, dat ik Rasoellullaah Sallalahu 'alaihi wasalam bezeerd had. De volgende dag in alle vroegte liet hij mij roepen, en geheel ontdaan kwam ik voor hem te staan. Hij zei: "Ben jij het die op mijn voet had getrapt, en die ik een slag met mijn zweep heb geslagen? Welnu, zie hier tachtig schapen. Neem ze mee, ik schenk ze jou."

Met zijn liefhebbend hart had hij bitter er onder geleden, zo jong reeds van moederlijke tederheid te zijn beroofd. De verhouding tussen kinderen en moeders hield hem dan ook doorloopend bezig: "Het paradijs voor de zoon (en de dochter) wordt aan de voeten van zijn (haar) moeder gewonnen." En hoorde hij gedurende zijn salaats een kind huilen, dan verhaastte hij het gebed, om de moeder gelegenheid te geven, het te gaan troosten, want hij wist, wat een moeder doormaakt, die haar kind hoort huilen.

Hij hield van een grapje, echter nimmer met leugens. Eens zei zijn tante Safiyah (raha); O Rasoelullaah, bidt tot Allaah opdat Hij mij tot het Paradijs binnenlaat. Hij zei: "O moeder van die en die (tante), waarlijk oude vrouwen komen niet in het paradijs." Safiyyah (raha), die reeds van gevorderde leeftijd was, barste in tranen uit en vertrok. Toen voegde hij daaraan toe: " Vertel haar dat oude vrouwen niet het Paradijs binnen gaan terwijl ze oud zijn, maar als jonge vrouwen. Allaahu Ta`ala zegt: (Nederlandse uitleg) "Waarlijk zullen Wij hun (de vrouwen in het Paradijs) in tegenstelling tot aardse leven in een andere leven veranderen". ( m.a.w. maar allen zullen worden heropgewekt met het uiterlijk van vrouwen van drie-en-dertig jaar oud, alsof zij allen op dezelfde dag waren geboren.)

De drie zaken, die in deze wereld zijn voorkeur hadden, waren de salaat, de vrouwen en de reukwerken. Hij hield zoveel van de nachtsalaat, dat zijn voeten opzwollen door het lange rechtop staan gedurende de salaat. Maar het recht, zo lang te bidden, beschouwde hij als n van de voorrechten van zijn profeetschap, en hij gedoogde niet, dat zijn metgezellen zijn voorbeeld navolgden. Op dit punt waarschuwde hij `Abdullah bin Amr (ra): "Heeft men mij niet gezegd, dat je de hele nacht opblijft om te bidden, en dat je dagelijks vast? Als je zo doorgaat, zul je je ogen verliezen en je lichaam verslijten. Je plicht, voor je zelf en je gezin, is te vasten en de vasten te verbreken, 's nachts op te staan, maar ook te slapen." 

Na het gebed, hield Rasoellullah Sallalahu 'alaihi wasalam het meest van de vrouwen, en de vijanden van de Islaam hebben hem dat vaak verweten. Hij was mannelijk in de volle betekenis van het woord, zedelijk en lichamelijk, maar met een volstrekte kuisheid. Hij was met twaalf vrouwen tegelijk gehuwd. En van de redenen van zijn huwelijken was vanwege staatkundige overwegingen. Alle stammen hoopten door n van hun vrouwen aan hem te binden familie banden met hem Sallalahu 'alaihi wasalam aan te binden. Hij werd door huwelijksaanzoeken overstroomd, en n van zijn vrouwen, Azza (ra), zuster van Dihja el-Kelbl, stierf van blijdschap bij de tijding, dat de Profeet Sallalahu 'alaihi wasalam haar als echtgenote had aangenomen. 

Bij elke gelegenheid trachtte de Islaam, het lot van de vrouwen te verbeteren. Vooreerst schafte de Islaam de afschuwelijke gewoonte af van de "Wa'd al-Benaat" (levend begraven van meisjes). Vervolgens beperkte de Islaam de polygamie, door het aantal wettige echtgenoten tot vier te begrenzen. En dan nog beval de Islaam de muslims dit vers van de Qur'aan aan: "... Indien jullie vrezen onrechtvaardig te zijn, neemt dan slechts n enkele echtgenote...." (Surati'n Nisaa, 3) Rasoellullah Sallalahu 'alaihi wasalam zei: "Onder alle wettig toegestane zaken is degene, die Allah het minst aangenaam is, de echtscheiding," Hiermee kende de vrouw het recht toe, die te eisen, wanneer de man in zijn huwelijksverplichtingen te kort schoot. 

Eindelijk werd door de Islaam een maagd niet meer tegen haar zin uitgehuwelijkt. De bruidsgift, die tot dusver door de echtgenoot aan de vader van de bruid werd gegeven, moest nu aan de bruid zelf gegeven worden. Vanwege de bruidsgift hebben de vijanden van de Islaam, de Islaam belasterd met het kopen van een vrouw. Zij zijn kennelijk vergeten dat in bepaalde landen deze bruidsgift door de bruid aan de bruidegom wordt gegeven!. Daarenboven moet de muslim echtgenoot in de kosten van het huishouden voorzien, zonder te raken aan het vermogen zijn vrouw, op welk vermogen hij geen enkel recht bezit. 

Ook de verdeling in de erfenissen verleende de Islaam aan de vrouw. Dit recht is slechts tot een half deel van wat de man krijgt, men moet er wel rekening mee houden, dat de vrouw compensatie heeft in de bruidsgift en in de onderhoudskosten van het huis. 

De Profeet Sallalahu 'alaihi wasalam hield van reukwerken, omdat het de aanvulling van de hygine is. En omdat degene die een aangename geur verspreidt, waardiger zal zijn en zijn eer beter zal weten te doen eerbiedigen dan degene, wiens geur afschuw wekt. Hij parfumeerde zich met muskus, en liet santal, kamfer en amber branden.

Hij zalfde zijn haardos met haarzalf, en liet het langs zijn oren hangen.

Hij onderhield zijn haar en baard met een ivoren of schildpadden kam. Echter het veelvuldig kammen en zalven raadde hij af.

Hij verfde zijn haar en baard met henna.

Hij maakte zijn ogen zwart met kohl (antimonium), dat de blik verscherpt en de wimpers versterkt.

Hij verzorgde zijn tanden door ze veelvuldig te poetsen met de ,,Miswak" (een stuk zacht Arak hout), waarvan de vezels, als men er het uiteinde van kauwt, als borstel dienst kunnen doen. 

Zijn kleding bestond in het algemeen uit een katoenen, al dan niet geverfd, overhemd met lange mouwen en kort van pasvorm, en uit een mantel, die vier el lang en twee el breed was, in Oman geweven. Hij had ook een groene mantel uit Jemen, die zes el lang en drie el breed was, die hij op vrijdag en op feestdagen droeg. Hij had ook een Romeinse mantel. En tenslotte had hij de Groene Mantel, die de Khalifa's erfden, en een tulband, es-Sa'b genaamd, die aan Ali (ra), zijn schoonzoon toeviel. Hij keek niet of de kleding die hij droeg nieuw of oud was, maar hij lette op de reinheid van zijn kleding. Hij hield het meest van witte kleding. Hij droeg lederen binnenschoenen en sandalen. Hij hield er niet van met n schoen over straat te lopen. In alles hield hij ervan met rechts te beginnen: kleding aantrekken, kammen, eten, drinken, woedoe verrichten. Bij het aantrekken van iets deed hij eerst de rechter voet/been/arm dan de linker. Bij het uittrekken net andersom.

Hij droeg aan zijn rechter ringvinger een zegelring met daarop "Muhammadu'r Rasoellullah", die de Khalifa's erfden, waarmee hij officiele brieven zegelde. 

De Profeet Sallalahu 'alaihi wasalam besteedde bijzondere zorg voor aan persoonlijk uiterlijk, dat van een zeer eenvoudige maar zeer verfijnde keurigheid was. Hij bekeek zich in een spiegel, of als hij geen spiegel had in een kom water, om zijn haar te kammen of de plooien recht te schikken van zijn tulband, waarvan hij n van de punten tussen zijn schouders liet afhangen.

Hij was gewoon te zeggen: "Door ons uiterlijk te verzorgen, doen wij een werk, dat welgevallig is aan Hem, Wiens dienaren wij zijn." Daarentegen veroordeelde hij scherp overdreven weelde bij de kleding, en in het bijzonder het gebruik van zijde, die voor de rijken een aanleiding is tot hoogmoed tegenover de armen. Maar hij stond het wel toe voor hen, bij wie het voor de gezondheid nodig was. 

Zijn zin voor rechtvaardigheid en weldadigheid strekte zich zelfs uit tot de dieren. Hij heeft gezegd: "Een man zag een hond, die zo dorstig was, dat hij modder oplikte. Hij nam n van zijn pantoffels en bediende zich daarvan, om water te scheppen, dat hij de hond bood, en hij herhaalde die handelwijze, tot de hond geen dorst meer had. Allah was die man welbevallen, voor wat hij gedaan had, en nam hem op in het Paradijs.'' Deze goedheid en de geheimzinnige straling, die van de persoonlijkheid van Rasoellullah Sallalahu 'alaihi wasalam uitging, maakte indruk; op de dieren, ja zelfs op de levenloze voorwerpen, evenzeer als op de mensen. Toen hij de pas vervaardigde trap van een preekgestoelte besteeg in de Moskee van Medina, begon de nederige palmstam, waarop hij gewoon was geweest, voor de prediking (khutba) te klimmen, geluid van een kameel te uiten, en kwam slechts tot bedaren, na oplegging van zijn gezegende vingers. 

De Profeet verrichtte zelf handenarbeid. Men zag hem zijn schapen melken, zijn sandalen herstellen, zijn kleren verstellen, zijn kamelen voederen, zijn tent spannen etc., zonder iemands hulp te aanvaarden.

Zelf bracht hij zijne inkopen van de markt naar huis, en een mu'min, die zich daarmee wilde belasten, gaf hij ten antwoord: "Het is de taak van de koper om zijn aankopen te dragen." Zo doende veroordeelde hij door zijn voorbeeld de gewoonte van bepaalde rijke lieden, die allerlei voorwerpen inkopen en hun dienaren daarmee belasten, zonder zich om het gewicht te bekreunen. 

Tot het uiterste dreef hij de minachting voor de goederen van deze wereld, luister wat hij volgens `Aisha (raha) hierover heeft gezegd: "Allah stelde mij voor, alle stenen in de omgeving van Mekka voor mij in goud te veranderen, en ik antwoordde hem: "0 Allah, vergun mij slechts, een dag te hongeren en de volgenden dag verzadigd te worden. De dag, dat ik honger heb, zal ik U aanroepen, en de dag, dat ik verzadigd ben, zal ik U danken." Wat moet ik doen met de goederen van deze wereld? Ik ben als een reiziger, die zich uitstrekt in de schaduw van een boom. Bij haar draaiing bereikt hem de zon, en hij verlaat die boom, om er niet terug te keren. O Allah, laat mij arm sterven, en wek mij weder op in de gelederen van de armen!" 

De Profeet Sallalahu 'alaihi wasalam was buitengewoon sober in alles wat om wereldse zaken ging. Nimmer nam hij twee soorten voedsel bij dezelfde maaltijd. At hij vlees, dan nam hij geen dadels, en at hij dadels, dan at hij geen vlees. Hij had een voorkeur voor melk, die honger en dorst gelijktijdig stilt. Voor en na het eten waste hij zijn handen. Hij at altijd voor zich met zijn rechter hand en hij begon in naam van Allaah (Bismillaah) en eindigde met de lof aan Allaah (Alhamulillaah). Hij at met drie vingers en na het eten likte hij deze drie vingers schoon. Als hij at dan zat hij op de grond zonder ergens aan te leunen 

Herhaaldelijk geschiedde het, dat maanden lang in geen enkel huis van de Profeet Sallalahu 'alaihi wasalam vuur werd aangelegd, om brood of enig ander voedsel te bereiden. Gedurende die tijd voedden hijzelf en zijn gezin zich met gedroogde dadels, en dronk hij slechts water. Folterde de honger al te zeer zijn ingewanden, dan legde hij een steen op zijn buik, die hij met een gordel vastbond. Als er niets te eten viel dan zei hij: "Ik vast vandaag". Hij is uit deze wereld gescheiden zonder dat enig gerecht hem was gaan tegenstaan, zelfs geen gerstebrood. Hij heeft geen eens twee dagen aaneengesloten maagvullend gerstebrood gegeten. Hij zei: "Wat is azijn een mooie brood beleg". Hij gebruikte olijfolie als brood beleg. Hij hield van couchettes. Maar hij verafschuwde rauwe uien en knoflook. Zijn lievelingskost was gebraden vlees van de voorpoten en vleesbouillon soep. 

Om zijn lichaam, dat hij door onophoudelijke wassingen in een staat van volmaakte reinheid hield, bekommerde hij zich weinig, wat het komfort betreft. Vaak sliep hij op een ruwe mat, waarvan het litteken soms diep zin zijn vlees bleef afgedrukt. Zijn hoofdkussen was gemaakt van palmvezels, en zijn bed van een dubbel gevouwen mantel. Toen `Aisha (raha) 's nachts zijn mantel in vieren had gevouwen, werd hij boos, daar hij zijn ligplaats te zacht vond, en hij gaf bevel, het in de gebruikelijke staat terug te brengen. 

Voor hij stierf, had hij al zijn slaven bevrijd, en het weinige goed, dat hij nog bezat, verdeeld. Hij achtte het onbehoorlijk, voor zijn Rabb te verschijnen met goud in zijn bezit. Men trof in zijn huis slechts dertig maten gerst aan, en om dat te kopen had hij zijn borstharnas bij een woekeraar moeten verpanden.

Dit zijn de voornaamste beschrijvingen van het beeld van de Profeet Sallalahu 'alaihi wasalam, zoals het door de hadieth (overlevering) is bewaard. Wij aanvaarden het als de waarheid, maar voor ons valt het slechts te vergelijken bij het beeld van een ster, dat door het water teruggekaatst wordt. Het twinkelende schijnsel is tot onder het bereik van de hand afgedaald, maar het blijft ongrijpbaar, en hoe bleek is het niet, in verhouding tot het hemellicht, dat het uitzendt, en dat in schitterende praal hoog aan de hemel straalt!.

WAL HAMDULILLAHI RABBIL `ALAMIEN

Top

Terug naar Haroen`s Religie pagina