
Enkele sahaabah (metgezellen)
zaten bijeen in de afwezigheid van de Profeet (vrede zij met hem) onder
hen waren Khalied ibnoe al-Walied, cAbd ar-Rahman ibnoe
cAuwf, Bilaal en Aboe Dharr, terwijl deze laatste in een
driftige bui was. Zij waren een bepaald onderwerp aan het bespreken. Aboe
Dharr deed een voorstel met betrekking tot een strategische kwestie, hij
zei: “Ik stel voor dat het leger zo en zo wordt opgesteld.”, waarop Bilaal
zei: “Nee, dit is een slecht voorstel. Hierop zei Aboe Dharr: “Zelfs jij,
o zoon van een zwarte (vrouw) komt mij verbeteren. Er is geen god dan
Allah. Wie ben jij?”
Bilaal stond vervolgens
verbaasd, geschrokken en in een staat van grote woede op en zei: “Bij
Allah, ik zal de Profeet (vrede zij met hem) hierover informeren!” en hij
vertrok vervolgens. Toen hij bij de Profeet (vrede zij met hem) aankwam,
zei hij: “Heb jij niet gehoord wat Aboe Dharr over mij heeft gezegd?” Hij
(de Profeet, vrede zij met hem) vroeg: “Wat zij hij dan?” Hij (Bilaal)
zei: “Hij heeft zus en zo gezegd.” Het gezicht van de Boodschapper (vrede
zij met hem) veranderde hierop van kleur en Aboe Dharr die reeds op de
hoogte was gebracht van het beklag van Bilaal kwam de moskee binnenstormen
en zei: “O Boodschapper van Allah, as-salaamoe caleikoem wa
rahmatoellahi wa barakaatoeh.”
De Profeet (vrede zij met
hem) was erg boos, zo erg dat zelfs werd gezegd: “Wij wisten niet of hij
(de Profeet, vrede zij met hem) hem terug groette, of niet.” Hij zei: “O
Aboe Dharr, heb jij hem uitgescholden vanwege het feit dat zijn moeder
zwart is. Waarlijk jij bent een persoon die nog iets van Djaahiliyah
(onwetendheid) in zich heeft! Hierop begon Aboe Dharr te huilen en kwam
naar de Profeet (vrede zij met hem), hij ging zitten en zei: “O
Boodschapper van Allah, vraag vergeving voor mij, vraag Allah om mij te
vergeven.” Daarna verliet Aboe Dharr huilend de moskee.
Hij vertrok en plaatste zijn
hoofd op de grond voor Bilaal die kwam aanlopen. Bilaal die in de tijd van
de Djaahiliyah niets voorstelde (in de ogen van de mensen) vanwege de
heersende discriminatie. Deze discriminatie werd overigens compleet
weggevaagd met de komst van de Islam. cOmar zei zelfs: “Aboe
Bakr is onze heer en hij heeft onze heer (Bilaal) vrijgekocht.”
Toen Aboe Dharr zijn hoofd op
de grond had, zei hij: “Bij Allah! O Bilaal, ik zal mijn hoofd niet van de
grond optillen, totdat jij erop stampt met je voet. Jij bent eervol en ik
ben laag.” Bilaal begon te huilen van dit aanblik. Hij boog zich
vervolgens voorover en kuste de wang van Aboe Dharr en zei: “Deze wang
verdient het niet om met de voet gestampt te worden, maar verdient het om
gekust te worden.” Hierop stonden zij beiden op, omhelzden elkaar en
huilden.
Dit was de omgang van de
metgezellen onderling sinds zij de Islam omarmden.
WAL HAMDULILLAHI RABBIL `ALAMIEN
berispt Aboe Dharr.
AS SALAATU WASSALAAMU `ALA RASULENAA MUHAMMED
WA `ALAA AALIHIE WE SAHBIHIE ADJMA`IEN.