Haroen Soebratie

Allen die zich in Nederland bevinden, worden in gelijke gevallen gelijk behandeld. Discriminatie wegens godsdienst, levensovertuiging, politieke gezindheid, ras, geslacht of op welke grond dan ook, is niet toegestaan.

(Artikel 1 van de Grondwet)

De weg van de moslim?

Kinderopvoeding


Homoseksualiteit

‘13 Wie met een man het bed deelt als met een vrouw, begaat een gruweldaad. Beiden moeten ter dood gebracht worden en hebben hun dood aan zichzelf te wijten.’ (Leviticus 20:13)

‘22 Je mag niet het bed delen met een man zoals met een vrouw, dat is gruwelijk.’ (Leviticus 18:22)

‘4 Maar nog voordat Lot en zijn gasten konden gaan slapen, liepen alle mannen van Sodom bij Lots huis te hoop, jong en oud, niemand uitgezonderd. 5 ‘Waar zijn die mannen die bij je overnachten?’ riepen ze Lot toe. ‘Breng ze naar buiten, we willen ze nemen!’ 6 Lot ging naar buiten en deed de deur achter zich dicht. 7 ‘Maar vrienden, zoiets kunnen jullie toch niet doen!’ zei hij. 8 ‘Luister, ik heb twee dochters die nog nooit met een man geslapen hebben. Die zal ik bij jullie brengen, doe met hen wat jullie willen. Maar laat die mannen met rust, ik heb hun niet voor niets een veilig onderkomen geboden.’ 9 Maar ze schreeuwden: ‘Uit de weg!’ Ook riepen ze: ‘Dat woont hier als vreemdeling en moet ons zo nodig de wet voorschrijven. Wacht maar, jij zult er ook van lusten, en nog meer dan zij!’ En ze drongen Lot ruw opzij en wilden de deur openbreken. 10 Maar de twee mannen (engelen) trokken Lot het huis in en deden de deur weer dicht, 11 en ze sloegen alle mannen die bij de ingang van het huis waren, jong en oud, met blindheid, zodat ze tevergeefs probeerden de ingang te vinden.’ (Genesis 19: 4-11)

‘en hij de steden Sodom en Gomorra, door ze in de as te leggen heeft veroordeeld, waardoor hij ze voor goddeloze tot een voorbeeld gesteld heeft van komende dingen; en hij de rechtvaardige Lot heeft bevrijd, die zwaar gekweld werd door het losbandig gedrag van de mensen die de wet trotseerden - want die rechtvaardige man heeft door wat hij zag en hoorde toen hij onder hen woonde, dag aan dag zijn rechtvaardige ziel gefolterd wegens hun wetteloze daden…maar onrechtvaardigen te bewaren voor de dag van het oordeel om afgesneden te worden…maar deze [mensen] zullen, net als redeloze dieren, die van nature geboren zijn om gevangen en vernietigd te worden, in de dingen waarvan zij onwetend zijn en schimpend spreken, in hun eigen [loopbaan van] vernietiging ook de vernietiging ondergaan…Zij beschouwen een weelderig leven overdag als een lust. Vlekken en smetten zijn zij, die zich met onbeperkt genot aan hun bedrieglijke leringen overgeven…’ (2 Petrus 2: 6-13)

‘Daarom heeft God hen, in overeenstemming met de begeerte van hun hart, aan onreinheid overgegeven, opdat zij onderling hun lichamen onteren, ja zij die de waarheid van God hebben verruild voor de leugen en de schepping hebben vereerd en er heilige dienst voor hebben verricht in plaats van dit te doen jegens Degene die schiep, die gezegend is in eeuwigheid. Amen. Daarom heeft God hen overgegeven aan schandelijke* seksuele begeerten, want ook hun vrouwen hebben het natuurlijke gebruik van zichzelf verruild voor een tegennatuurlijk gebruik en evenzo hebben ook de mannen het natuurlijke gebruik van de vrouw laten varen en zijn zeer verhit geworden in hun wellust jegens elkaar, mannen met mannen, ontucht plegend en in zichzelf de volledige vergelding ontvangend die hun voor hun dwaling toekwam. En evenals zij het verwerpelijke hebben geacht aan een nauwkeurige kennis van God vast te houden, heeft God hen aan een verwerpelijke geestestoestand overgegeven om de dingen te doen die niet betamen…dat zij die zulke dingen beoefenen, de dood verdienen, blijven zij ze niet alleen doen, maar stemmen zij ook nog in met hen die ze beoefenen.’ *Vertaling van de Griekse term 'atimia' wat ook oneer betekent (www.foreignword.com) (Romeinen 1: 24 -32)

‘Nu weten wij dat de Wet voortreffelijk is, mits men haar op wettelijke wijze hanteert, in de wetenschap van het feit dat de wet niet voor een rechtvaardig mens wordt afgekondigd maar voor wettenlozen en weerspannigen, goddelozen en zondaars, voor hen die liefderijke goedheid missen en voor bespotters van al wat heilig is, voor vadermoorders en moedermoorders, doodslagers, hoereerders, mannen die bij personen van het mannelijke geslacht liggen, ontvoerders van personen…en al wat verder in strijd is met de gezonde leer…’ (1 Timótheüs 1:8 -10)

‘Zo zijn ook Sodom en Gomorra en de omliggende steden, nadat ze op de zelfde wijze als de voornoemden buitensporig hoererij hadden bedreven en vlees waren achternagegeaan voor tegennatuurlijk gebruik, [ons] tot [waarschuwend] voorbeeld gesteld doordat ze de gerechtelijke straf van eeuwig vuur ondergaan.’ (Judas 7)

‘Maakt U door geen van deze dingen onrein, want door al deze dingen* hebben de natiën die ik van voor uw aangezicht wegzend, zich onrein gemaakt’.
22 Je mag niet het bed delen met een man zoals met een vrouw, dat is gruwelijk.(Leviticus 18:22)

24 `Verontreinig jezelf niet door dergelijke dingen te doen. De volken die ik voor jullie verdrijf hebben zich met al deze dingen verontreinigd, 25 waardoor het land onrein werd. Vanwege de wandaden die er gepleegd zijn, heb ik het land geteisterd, zodat het zijn inwoners is gaan uitbraken. (Leviticus 18:24-25)

‘Ingeval iemand een van al deze verfoeilijkheden* doet, 29 Wie toch een dergelijke gruweldaad bedrijft, zal uit de gemeenschap gestoten worden.’
*onder anderen het onderwerp van Leviticus 18:22 (Leviticus 18:29)

‘Of weet gij niet, dat de onrechtvaardigen het Koninkrijk Gods niet zullen beerven? Dwaalt niet; noch hoereerders, noch afgodendienaars, noch overspelers, noch ontuchtigen, noch die bij mannen liggen, noch dieven, noch gierigaards, noch dronkaards, geen lasteraars, geen rovers zullen het Koninkrijk Gods beerven.’(1 Korinthiërs 6: 9-10)

‘Er zal geen hoer zijn onder de dochteren van Israel; en er zal geen schandjongen zijn onder de zonen van Israel. Gij zult geen hoerenloon noch hondenprijs in het huis des HEEREN, uws Gods, brengen, tot enige gelofte; want ook die beiden zijn den HEERE, uw God, een gruwel.’ (Deuteronomium 23:17-18)

‘Maar weet dit, dat er in de laatste dagen kritieke tijden zullen aanbreken, die moeilijk zijn door te komen. Want de mensen zullen zichzelf liefhebben, het geld liefhebben, [zullen] aanmatigend [zijn], hoogmoedig, lasteraars, ongehoorzaam aan ouders, ondankbaar, deloyaal, zonder natuurlijke genegenheid, niet ontvankelijk voor enige overeenkomst, kwaadsprekers, zonder zelfbeheersing, heftig, zonder liefde voor het goede, verraders, onbezonnen, opgeblazen [van trots], met meer liefde voor genoegens dan liefde voor God…en keer u af van dezen. Want uit hun midden staan de mannen op die zich op sluwe wijze huisgezinnen indringen en zwakke vrouwen als hun gevangenen wegvoeren die beladen zijn met zonden en door velerlei begeerten gedreven worden, die altijd leren en toch nooit tot een nauwkeurige kennis van de waarheid kunnen komen…zo blijven zij de waarheid weerstaan, mensen die volkomen verdorven van geest zijn, afgekeurd wat het geloof betreft…Maar goddeloze mensen en bedriegers zullen van kwaad tot erger voortgaan, terwijl zij misleiden en worden misleid.’ (2 Timótheüs 3: 1-13).

1 De HEER zei tegen Mozes: 2 ‘Zeg tegen de Israëlieten: “Ik ben de HEER, jullie God. 3 Volg niet de levenswijze van de Egyptenaren, bij wie je gewoond hebt, noch de levenswijze van de Kanaänieten, naar wie ik je breng. Leef niet volgens hun bepalingen, 4 maar volgens mijn regels, houd je aan mijn bepalingen en leef ze na. Ik ben de HEER, jullie God. 5 Mijn bepalingen en regels schenken leven aan wie ze volgt, houd ze dus in ere. Ik ben de HEER. 6 Niemand van jullie mag de eer van een bloedverwant aantasten. Ik ben de HEER. 7 Je mag geen gemeenschap hebben met je moeder, daarmee onteer je je vader; zij is je moeder en je mag geen gemeenschap met haar hebben. 8 Heb geen gemeenschap met een andere vrouw van je vader, daarmee onteer je je vader. 9 Heb geen gemeenschap met je zuster, of ze nu de dochter van je vader of van je moeder is; zelfs al is ze niet uit hetzelfde huwelijk geboren als jij, je mag geen gemeenschap met haar hebben. 10 Heb geen gemeenschap met de dochter van je zoon of de dochter van je dochter, daarmee onteer je jezelf. 11 Heb geen gemeenschap met de dochter van een vrouw van je vader die door je vader verwekt is; zij is je zuster en je mag geen gemeenschap met haar hebben. 12 Heb geen gemeenschap met de zuster van je vader; zij is een bloedverwante van je vader. 13 Heb geen gemeenschap met de zuster van je moeder; zij is een bloedverwante van je moeder. 14 Tast de eer van je vaders broer niet aan; je mag zijn vrouw niet te na komen, ze is je tante. 15 Heb geen gemeenschap met je schoondochter; zij is de vrouw van je zoon en je mag geen gemeenschap met haar hebben. 16 Heb geen gemeenschap met de vrouw van je broer, daarmee onteer je je broer. 17 Heb geen gemeenschap met de dochter van je vrouw, noch met de dochter van haar zoon of de dochter van haar dochter; zij zijn haar bloedverwanten en daarom zou dat een schanddaad zijn. 18 Je mag niet naast je vrouw haar zuster als bijvrouw nemen, je mag geen gemeenschap hebben met de ene zuster zolang de andere leeft. 19 Heb geen gemeenschap met een vrouw wanneer zij vanwege haar menstruatie onrein is. 20 Verontreinig jezelf niet door seksuele omgang te hebben met de vrouw van een ander. (Leviticus 18:1-20)

1 De HEER zei tegen Mozes: 2 ‘Zeg tegen de Israëlieten: “Wanneer een Israëliet of een vreemdeling die in Israël woont een van zijn kinderen aan Moloch offert, moet hij ter dood gebracht worden; het volk moet hem stenigen. 3 Ikzelf zal mij tegen zo iemand keren en hem uit de gemeenschap stoten, omdat hij een van zijn kinderen aan Moloch heeft geofferd en daarmee mijn heiligdom heeft verontreinigd en mijn heilige naam heeft ontwijd. 4 Mocht het volk oogluikend toestaan dat zo’n man zijn kinderen aan Moloch offert en hem niet ter dood brengen, 5 dan zal ik mij tegen die man en zijn familie keren. Ik zal hem en allen die zich met hem en met Moloch inlaten, uit de gemeenschap stoten. 6 Ook wie zich met geesten en schimmen inlaat zal ik straffen en uitstoten. 7 Zorg ervoor dat jullie heilig zijn, en blijf heilig, want ik ben de HEER, jullie God. 8 Houd je aan mijn bepalingen en leef ze na; ik ben de HEER, ik heilig jullie. 9 Wie een vloek uitspreekt over zijn vader of zijn moeder, moet ter dood gebracht worden. Hij heeft zijn eigen vader of moeder vervloekt en heeft zijn dood aan zichzelf te wijten. 10 Wie overspel pleegt met een getrouwde vrouw, een vrouw die een ander toebehoort, moet ter dood gebracht worden. Beide echtbrekers moeten worden gedood. 11 Wie het bed deelt met de vrouw van zijn vader, onteert zijn vader. Man en vrouw moeten beiden ter dood gebracht worden en hebben hun dood aan zichzelf te wijten.
12 Wanneer iemand het bed deelt met zijn schoondochter, moeten zij beiden ter dood gebracht worden. Ze hebben zich pervers gedragen en hebben hun dood aan zichzelf te wijten. 13 Wie met een man het bed deelt als met een vrouw, begaat een gruweldaad. Beiden moeten ter dood gebracht worden en hebben hun dood aan zichzelf te wijten. 14 Wie met een vrouw trouwt en ook met haar moeder, begaat een schanddaad. Hij en beide vrouwen moeten worden verbrand, want dergelijke schanddaden mogen bij jullie niet voorkomen. 15 Wie de geslachtsdaad bedrijft met een dier, moet ter dood gebracht worden; ook het dier moet worden gedood. 16 Wanneer een vrouw een dier uitlokt om met haar te paren, moet zowel de vrouw als het dier gedood worden. Ze moeten ter dood gebracht worden en hebben hun dood aan zichzelf te wijten. 17 Wanneer iemand met zijn zuster trouwt, of ze nu de dochter van zijn vader of van zijn moeder is, en zij dus met elkaar gemeenschap hebben, is dat een schanddaad en zullen beiden publiekelijk uitgestoten worden. Zo iemand heeft gemeenschap gehad met zijn zuster en moet de gevolgen van zijn zonde dragen. 18 Wanneer iemand het bed deelt met een vrouw die ongesteld is en gemeenschap met haar heeft – wanneer hij dus de bron van haar bloeding ontbloot of zij voor hem de bron van haar bloeding ontbloot – zullen beiden uitgestoten worden. 19 Je mag geen gemeenschap hebben met de zuster van je moeder of de zuster van je vader. Wie de eer van een bloedverwant aantast, moet de gevolgen van zijn zonde dragen. 20 Wanneer iemand gemeenschap heeft met zijn tante, onteert hij zijn oom. Beiden zullen ten gevolge van hun zonde kinderloos sterven.
21 Wie trouwt met een vrouw die zijn broer heeft toebehoord, begaat een wandaad, want hij onteert zijn broer. Het huwelijk zal kinderloos zijn. 22 Houd je aan al mijn bepalingen en regels en leef ze na, anders zal het land waarheen ik jullie breng om er te gaan wonen, jullie uitbraken. 23 Neem niet de gewoonten over van het volk dat ik voor jullie verdrijf. Zij hebben al deze dingen gedaan, en daarom heb ik een afkeer van hen gekregen. 24 Toen heb ik jullie gezegd: ‘Jullie zullen hun land in bezit krijgen. Ik zal jullie het land dat overvloeit van melk en honing in bezit geven.’ Ik ben de HEER, jullie God, die jullie van alle andere volken heeft onderscheiden.
25 Daarom moeten jullie onderscheid maken tussen reine dieren en onreine, tussen onreine vogels en reine, opdat je je keel niet verontreinigt met lopende dieren, vogels of kruipende dieren die ik voor jullie heb onderscheiden als onrein. 26 Wees heilig omwille van mij, want ik, de HEER, ben heilig en ik heb jullie van de andere volken onderscheiden om mijn volk te zijn. 27 Een man of een vrouw die geesten of schimmen van doden laat spreken, moet ter dood gebracht worden. Zulke mensen moeten worden gestenigd en hebben hun dood aan zichzelf te wijten.” (Leviticus 18:1-27)


Vrouwen

‘Gij vrouwen, weest aan uw eigen mannen onderdanig, gelijk aan den Heere; Want de man is het hoofd der vrouw, gelijk ook Christus het Hoofd der Gemeente is; en Hij is de Behouder des lichaams. Daarom, gelijk de Gemeente aan Christus onderdanig is, alzo ook de vrouwen aan haar eigen mannen in alles.’ (Efeziërs 5:22-24)

‘Een prostituée of onteerde vrouw dienen zij niet te nemen; en een vrouw die van haar man gescheiden is, dienen zij niet te nemen, want hij is heilig voor zijn God.’ (Leviticus 21: 7)

‘Wij hebben een kleine zuster die geen borsten heeft. Wat zullen wij voor onze zuster doen op de dag dat zij zal worden gevraagd? Indien zij een muur is zullen wij zilveren kantelen op haar bouwen; maar indien zij een deur is, zullen wij haar afsluiten met een cederen plank. Ik ben een muur, en mijn borsten zijn als torens. In dit geval ben ik in zijn ogen geworden als zij die vrede vindt.’ (Hooglied 8: 8-10)

‘Dezen zijn het die zich niet met vrouwen hebben bevlekt; ja, zij zijn maagden. Deze zijn het die het Lam blijven volgen waarheen hij ook gaat.’ (Openbaring 14:4)

‘Een vrouw lere in stilheid, met volledige onderdanigheid. Ik sta een vrouw niet toe te onderwijzen of autoriteit over een man te oefenen, maar zij moet in stilheid zijn. Want Adam werd het eerst gevormd, daarna Eva. Ook werd Adam niet bedrogen, maar de vrouw werd grondig bedrogen en geraakte in overtreding.’ (1 Timótheüs 2:11-14)

‘Spreek tot de kinderen Israels, zeggende: Wanneer een vrouw zaad gegeven, en een knechtje gebaard zal hebben, zo zal zij zeven dagen onrein zijn; volgens de dagen der afzondering harer krankheid zal zij onrein zijn…Maar indien zij een meisje gebaard zal hebben, zo zal zij twee weken onrein zijn, volgens haar afzondering; daarna zal zij zes en zestig dagen blijven in het bloed harer reiniging.’ (Leviticus 12:2-5)

‘En hij (Salomo) had zevenhonderd vrouwen, vorstinnen, en driehonderd bijwijven; en deze vrouwen maakten hem ontrouw.’ (1 Koningen 11:3)

‘En Rehabeam had Maacha, Absaloms dochter, liever dan al zijn vrouwen en zijn bijwijven; want hij had achttien vrouwen genomen, en zestig bijwijven; en hij gewon acht en twintig zonen en zestig dochteren.’ (2 Kronieken 11:21)

‘Want alzo versierden zichzelven eertijds ook de heilige vrouwen, die op God hoopten, en waren haar eigen mannen onderdanig;’ (1 Petrus 3-5)

‘Tot de vrouw zeide Hij: Ik zal zeer vermenigvuldigen uw smart, namelijk uwer dracht; met smart zult gij kinderen baren; en tot uw man zal uw begeerte zijn, en hij zal over u heerschappij hebben.’ (Genesis 3:16)

‘Wanneer nu iemand zijn dochter zal verkocht hebben tot een dienstmaagd, zo zal zij niet uitgaan, gelijk de knechten uitgaan.’ (Exodus 21:7)

‘19 Wanneer bij een vrouw bloed uit haar schede vloeit, duurt de periode van haar onreinheid zeven dagen. Ieder die haar gedurende die periode aanraakt is tot de avond onrein. 20 Alles waarop ze tijdens haar menstruatie ligt of zit, wordt onrein. 21-22 Ieder die haar bed aanraakt, of iets waarop ze gezeten heeft, moet zijn kleren en zichzelf met water wassen en blijft tot de avond onrein. 23 Wie iets aanraakt dat op haar bed ligt of op een voorwerp waarop ze heeft gezeten, is tot de avond onrein. 24 Wanneer een man gemeenschap met haar heeft, zodat hij met haar bloed in aanraking komt, blijft hij zeven dagen onrein. Alles waarop hij ligt, wordt ook onrein. 25 Wanneer een vrouw langer ongesteld is dan normaal, of bloed verliest terwijl ze niet ongesteld is, is ze onrein zolang ze bloed verliest, net zoals ze onrein is tijdens haar menstruatie. 26 Alles waar ze tijdens haar bloedverlies op ligt of zit, wordt onrein, net als tijdens haar menstruatie. 27 Wie zo’n voorwerp aanraakt, wordt onrein en moet zijn kleren en zichzelf met water wassen en blijft tot de avond onrein. 28 Wanneer de vrouw van haar kwaal genezen is, moet ze zeven dagen wachten tot ze weer rein is.’ (Leviticus 15:19-28)

‘Als nu de dochter van enigen priester zal beginnen te hoereren, zij ontheiligt haar vader; met vuur zal zij verbrand worden.’ (Leviticus 21:9)

‘en de geest van jaloezie over hem is gekomen, en hij achterdochtig is geworden ten aanzien van de trouw van zijn vrouw, en zij zich werkelijk heeft verontreinigd, of de geest van jaloezie over hem is gekomen, en hij achterdochtig is geworden ten aanzien van de trouw van zijn vrouw, maar zij zich in werkelijkheid niet heeft verontreinigd, dan moet de man zijn vrouw naar de priester brengen en samen met haar offergave brengen, een tiende efa gerstemeel. Hij mag er geen olie op gieten en er ook geen geurige hars op leggen, want het is een graanoffer der jaloezie, een graanoffer ter gedachtenis, dat dwaling in herinnering brengt. En de priester moet haar naar voren doen komen en haar voor het aangezicht van Jehovah plaatsen.
En de priester moet heilig water in een aardewerken vat nemen, en de priester zal wat van het stof nemen dat zich op de vloer van de tabernakel bevindt, en hij moet dat in het water doen. En de priester moet de vrouw voor het aangezicht van Jehovah plaatsen en het hoofdhaar van de vrouw losmaken en het graanoffer ter, gedachtenis, dat wil zeggen het graanoffer der jaloezie, op haar handpalmen leggen, en in de hand van de priester dient het bittere water te zijn, dat een vloek brengt.
En de priester moet haar laten zweren, en hij moet tot de vrouw zeggen: “Indien geen man bij u heeft gelegen en indien gij, terwijl gij onder uw echtgenoot [stond], niet zijt afgeweken tot enige onreinheid, wees dan vrij van de uitwerking van dit bittere water, dat een vloek brengt. Maar gij-ingeval gij zijt afgeweken, terwijl gij onder uw echtgenoot [stond], en ingeval gij u hebt verontreinigd en de een of andere man zijn zaaduitstorting in u heeft gebracht, afgezien van uw echtgenoot-” Nu moet de priester de vrouw laten zweren met een eed waarbij vervloeking betrokken is, en de priester moet tot de vrouw zeggen: “Moge Jehovah u tot een vervloeking en een eed stellen te midden van uw volk, doordat Jehovah uw dij laat invallen en uw buik laat zwellen.
En dit water, dat een vloek brengt moet in uw ingewanden komen om uw buik te doen zwellen en uw dij te doen invallen.” Hierop moet de vrouw zeggen: “Amen! Amen!” En de priester moet deze vevloekingen in het boek schrijven en ze in het bittere water uitwissen. En hij moet de vrouw het bittere water, dat een vloek brengt laten drinken, en het water, dat een vloek brengt, moet in haar komen als iets bitters…Wanneer hij haar het water heeft laten drinken, dan moet het geschieden dat indien zij zich heeft verontreinigd doordat zij een daad van ontrouw jegens haar echtgenoot heeft begaan, het water, dat een vloek brengt, dan in haar moet komen als iets bitters, en haar buik moet zwellen en haar dij moet invallen, en de vrouw moet een vervloeking worden in het midden van haar volk. Indien de vrouw zich echter niet heeft verontreinigd maar zij rein is, dan moet zij vrij zijn van een dergelijke straf; en zij moet zwanger worden gemaakt met zaad. Dit is de wet aangaande jaloezie, wanneer een vrouw mocht afwijken, terwijl zij onder haar echtgenoot [staat], en zij zich werkelijk verontreinigt, of in het geval van een man wanneer de geest der jaloezie over hem mocht komen en hij zijn vrouw werkelijk van ontrouw verdenkt…en de priester moet heel deze wet op haar toepassen.’ (Numeri 5: 14-30)

'Ingeval een man een vrouw neemt en haar werkelijk als echtgenote tot zijn bezit maakt, dan moet het geschieden dat indien zij geen gunst in zijn ogen zou vinden, omdat hij iets onwelvoeglijks van haar zijde heeft ontdekt, hij in dat geval voor haar een echtscheidingscertificaat moet uitschrijven en haar dat ter hand moet stellen en haar uit zijn huis moet wegzenden.' (Deuteronomium 24:1)

'Ingeval mannen met elkaar vechten, en de vrouw van de een erbij gekomen is om haar man te bevrijdenuit de hand van degenedie hem slaat, en zij haar hand heeft uitgestoken en hem bij zijn schaamdelen heeft vastgegrepen, dan moet gij haar hand amputeren. Uw oog mag geen leed voelen.' (Deuteronomium 25:11-12).


De hoofdbedekking van de vrouw.

2 Ik prijs het in u dat u mij bij alles als voorbeeld neemt en u aan de voorschriften houdt die ik u gegeven heb. 3 Ik moet u echter nog het volgende zeggen. Christus is het hoofd van de man, de man het hoofd van de vrouw en God het hoofd van Christus. 4 Iedere man die met bedekt hoofd bidt of profeteert, maakt zijn hoofd te schande. 5 Maar een vrouw maakt haar hoofd te schande wanneer ze met onbedekt hoofd bidt of profeteert, want ze is in dat geval precies hetzelfde als een kaalgeschoren vrouw. 6 Een vrouw die haar hoofd niet bedekt, kan zich maar beter laten kaalknippen. Wanneer ze dat een schande vindt, moet ze haar hoofd bedekken. 7 Een man mag zijn hoofd niet bedekken omdat hij Gods beeld en luister is. De vrouw is echter de luister van de man. 8 (De man is immers niet uit de vrouw voortgekomen, maar de vrouw uit de man; 9 en de man is niet omwille van de vrouw geschapen, maar de vrouw omwille van de man.) 10 Daarom, en omwille van de engelen, moet een vrouw zeggenschap over haar hoofd hebben. 11 Echter, in hun verbondenheid met de Heer is de vrouw niets zonder de man, en ook de man niets zonder de vrouw. 12 Want zoals de vrouw uit de man is voortgekomen, zo bestaat de man door de vrouw – en alles is ontstaan uit God. 13 Oordeelt u daarom zelf. Is het gepast dat een vrouw met onbedekt hoofd tot God bidt? 14 Leert de natuur zelf u niet dat lang haar een man te schande maakt, 15 terwijl het een vrouw tot eer strekt? Het haar van de vrouw is haar gegeven om een hoofdbedekking te dragen. 16 Iemand die meent zo eigenzinnig te moeten zijn af te wijken van wat ik zeg, dient te bedenken dat wij noch de gemeenten van God een ander gebruik kennen.’ (1 Korinthiërs 11:2-16)


Lijfstraf

‘En het zal geschieden, indien de onrechtvaardige slagen verdiend heeft, dat de rechter hem zal doen nedervallen, en hem doen slaan in zijn tegenwoordigheid, naar dat het voor zijn onrechtvaardigheid genoeg zal zijn, in getal. Met veertig slagen zal hij hem doen slaan, hij zal er niet toedoen; opdat niet misschien, zo hij voortvoere hem daarboven met meer slagen te doen slaan, uw broeder dan voor uw ogen verachtelijk gehouden worde.’ (Deuteronomium 25:2-3).


Slavernij

‘Dit nu zijn de rechten, die gij hun zult voorstellen. Als gij een Hebreeuwsen knecht kopen zult, die zal zes jaren dienen; maar in het zevende zal hij voor vrij uitgaan, om niet. Indien hij met zijn lijf ingekomen zal zijn, zo zal hij met zijn lijf uitgaan; indien hij een getrouwd man was, zo zal zijn vrouw met hem uitgaan. Indien hem zijn heer een vrouw gegeven, en zij hem zonen of dochteren gebaard zal hebben, zo zal de vrouw en haar kinderen haars heren zijn, en hij zal met zijn lijf uitgaan. Maar indien de knecht ronduit zeggen zal: Ik heb mijn heer, mijn vrouw en mijn kinderen lief, ik wil niet vrij uitgaan; Zo zal hem zijn heer tot de goden brengen, daarna zal hij hem aan de deur, of aan den post brengen; en zijn heer zal hem met een priem zijn oor doorboren, en hij zal hem eeuwiglijk dienen.’ (Exodus 21:1-6)

‘En ingeval een man zijn slaaf of zijn slavin met een stok slaat en hij of zij werkelijk onder zijn hand sterft, dient deze zonder mankeren gewroken te worden. Maar indien hij nog een dag of twee in leven blijft, dient hij niet gewroken te worden, want hij is zijn geld.’ (Exodus 21:20-21).


Dierenrechten

7 Zwijnen hebben wel volledig gespleten hoeven maar herkauwen niet en gelden daarom voor jullie als onrein. 8 Eet geen vlees dat van zulke dieren afkomstig is en raak hun kadavers niet aan. Ze gelden voor jullie als onrein. (Leviticus 11:7-8)

28 Wanneer een stier een man of vrouw zodanig stoot dat deze sterft, moet die stier gestenigd worden en mag het vlees ervan niet gegeten worden. De eigenaar gaat echter vrijuit. 29 Maar als die stier een man of vrouw doodt terwijl hij voor die tijd al stotig was, en de eigenaar was gewaarschuwd maar had hem niet vastgezet, dan moet niet alleen de stier gestenigd worden maar moet ook de eigenaar ter dood gebracht worden. 30 Legt men hem een afkoopsom op, dan moet hij als losprijs voor zijn leven de volle som die hem wordt opgelegd betalen. 31 Deze regels gelden ook als de stier een jongen of meisje stoot. 32 Als hij een slaaf of slavin stoot, moet aan zijn of haar meester dertig sjekel zilver worden betaald en moet de stier gestenigd worden. (Exodus 21:28-32)


De heilige oorlog en de ongelovigen

‘Van de goden der volken, die rondom u zijn, nabij u, of verre van u, van het ene einde der aarde tot aan het andere einde der aarde; Zo zult gij hem niet ter wille zijn, en naar hem niet horen; ook zal uw oog hem niet verschonen, en gij zult u niet ontfermen, noch hem verbergen; Maar gij zult hem zekerlijk doodslaan; uw hand zal eerst tegen hem zijn, om hem te doden, en daarna de hand des gansen volks.’ (Exodus 21:28)

‘want, hoewel zij God kenden, hebben zij hem niet als God verheerlijkt, noch hebben zij hem gedankt, maar zij zijn leeghoofdig geworden in hun overleggingen en hun onverstandig hart werd verduisterd. Hoewel zij beweerden wijs te zijn, zijn zij dwaas geworden, en zij hebben de heerlijkheid van de onvergankelijke God veranderd in iets wat gelijkt op het beeld van een vergankelijk mens en van vogels en van viervoetige en kruipende dieren…dat zij die zulke dingen beoefenen, de dood verdienen…’ (Romeinen 1:21-32)

‘Ingeval gij een stad nadert om ertegen te strijden, dan moet gij haar vredesvoorwaarden aankondigen. En het moet geschieden dat indien ze u een vredelievend antwoord geeft en zich voor u geopend heeft, ja, het moet geschieden dat de gehele bevolking die zich daarin bevindt, van u dient te worden voor [het verrichten van] dwangarbeid, en zij moeten u dienen. Maar indien ze geen vrede met u sluit, en ze werkelijk oorlog met u voert en gij haar moet belegeren, dan zal Jehovah, uw God, haar stellig in uw hand geven, en gij moet iedere manspersoon daarin met de scherpte van het zwaard slaan. Alleen de vrouwen en de kleine kinderen en de huisdieren en alles wat zich in de stad mocht bevinden, haar gehele buit,zult gij voor uzelf plunderen; en gij moet de buit eten van uw vijanden, die Jehovah, uw God, u gegeven heeft. Zo zult gij doen met alle steden die zeer ver van u verwijderd zijn [en] die niet tot de steden van deze natiën behoren. Alleen de steden van déze volken die Jehovah, uw God, u tot erfdeel geeft, moogt gij niets wat adem heeft in leven laten, want gij dient hen zonder mankeren aan de vernietiging prijs te geven…Ingeval gij gedurende vele dagen een stad belegert door ertegen te strijden om ze in te nemen, moogt gij haar bomen niet vernielen door er een bijl tegen te zwaaien; want gij dient ervan te eten…Alleen een boom waarvan gij weet dat het geen boom voor voedsel is, die dient gij te vernielen, en gij moet hem omhakken en belegeringswerktuigen bouwen tegen de stad die oorlog met u voert, totdat ze valt.’ (Deuteronomium 20: 10-20)

‘En in de dagen van die koningen zal de God des hemels een koninkrijk oprichten dat nooit te gronde zal worden gericht. En het koninkrijk zelf zal aan geen ander volk worden overgedragen. Het zal al deze koninkrijken verbrijzelen en er een eind aan maken, en zelf zal het tot onbepaalde tijden blijven bestaan…’ (Daniël 2:44)

‘Zij dan voerden oorlog tegen Midian, juist zoals Jehovah Mozes geboden had, en zij gingen ertoe over allen die van het mannelijk geslacht waren, te doden…Maar de zonen van Israel voerden de vrouwen van Midian en hun kleinen gevankelijk weg; en al hun huisdieren en al hun vee en al hun middelen voor levensonderhoud plunderden zij. En al hun steden waarin zij zich gevestigd hadden, en al hun ommuurde kampementen verbrandden zij met vuur. Voorts namen zij heel de buit en al de roof aan mensen en huisdieren mee. Zij dan brachten de gevangenen en de roof en de buit naar Mozes en de priester Eleazar en naar de vergadering der zonen van Israel, naar de legerplaats, naar de woestijnvlakten van Moab, die aan de Jordaan bij Jericho liggen….Daarom zei Mozes tot hen: “Hebt gij iedere vrouwelijke persoon in leven gelaten? Ziet! Zij zijn het juist die, door het woord van Bileam, ertoe hebben gediend de zonen van Israel tot het plegen van ontrouw tegen Jehovah te bewegen in de zaak van Peor…Nu dan, doodt al wat mannelijk is onder de kleinen, en doodt iedere vrouw die gemeenschap met een man heeft gehad door bij een persoon van het mannelijk geslacht te liggen. En laat alle kleinen onder de vrouwen, die de daad van het liggen bij een persoon van het mannelijk geslacht niet hebben gekend, voor u in leven…En gij moet de roof in tweeën verdelen tussen de deelnemers aan de strijd die te velde zijn uitgetrokken, en alle overige van de vergadering.’ (Numeri 30:7-27)

‘Na verloop van elke zeven jaar dient gij een kwijtschelding te doen. En de kwijtschelding zal op deze wijze geschieden: er zal van de zijde van iedere schuldeiser een kwijtschelding zijn van de schuld die hij zijn naaste mocht laten maken. Hij dient bij zijn naaste of zijn broeder niet op betaling aan te dringen, omdat men een kwijtschelding voor Jehovah moet afkondigen. Bij de buitenlander moogt gij op betaling aandringen; maar wat van het uwe bij uw broeder mocht blijken te zijn, late uw hand schieten.’ (Deuteronomium 15: 1-3)

‘Gij moogt uw broeder geen rente laten betalen, rente van geld, rente van voedsel, rente van iets waarvoor men rente kan vragen. Een buitenlander moogt gij rente laten betalen, maar uw broeder moogt gij geen rente laten betalen…’ (Deuteronomium 23:19-20)

‘En de vreemden zullen uw muren bouwen, en hun koningen zullen u dienen; want in Mijn verbolgenheid heb Ik u geslagen, maar in Mijn welbehagen heb Ik Mij over u ontfermd. En uw poorten zullen steeds openstaan, zij zullen des daags of des nachts niet toegesloten worden; opdat men tot u inbrenge het heir der heidenen, en hun koningen tot u geleid worden. Want het volk en het koninkrijk, welke u niet zullen dienen, die zullen vergaan; en die volken zullen gans verwoest worden…. Ook zullen, zich buigende, tot u komen de kinderen dergenen, die u onderdrukt hebben, en allen, die u gelasterd hebben zullen zich nederbuigen aan de planten uwer voeten; en zij zullen u noemen de stad des HEEREN, het Sion van den Heilige Israels.’ (Jesaja 60:10-14)

‘En gij zult de melk der heidenen zuigen, en gij zult de borsten der koningen zuigen; en gij zult weten, dat Ik de HEERE ben, uw Heiland, en uw Verlosser, de Machtige Jakobs.’ (Jesaja 60:16)

‘En uitlanders zullen staan, en uw kudden weiden; en vreemden zullen uw akkerlieden en uw wijngaardeniers zijn. Doch gijlieden zult priesters des HEEREN heten, men zal u dienaren onzes Gods noemen; gij zult het vermogen der heidenen eten, en in hun heerlijkheid zult gij u roemen.’ (Jesaja 61: 5-6).


Kinderopvoeding

'Ingeval een man een zoon blijkt te hebben die onhandelbaar en weerspannig is, die niet naar de stem van zijn vader of de stem van zijn moeder luistert, en zij hem hebben gecorrigeerd maar hij niet naar hen wil luisteren, dan moeten zijn vader en zijn moeder hem grijpen en hem naar de oudere mannen van zijn stad en naar de poort van zijn plaats brengen, en zij moeten tot de oudere mannen van zijn stad zeggen: "Deze zoon van ons is onhandelbaar en weerspannig; hij luistert niet naar onze stem, hij is een veelvraat en een dronkaard." Dan moeten alle mannen van zijn stad hem met stenen stenigen, en hij moet sterven.' (Deuteronomium 21:18-21)


Terug naar Haroen`s Religie pagina